Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AZ0690

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
03455/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AZ0690
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vooropgesteld moet worden dat in een geval als i.c. waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het politie-pv met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, en voorts dat dit steunbewijs dan betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist (HR NJ 2004, 344). In de gebezigde bewijsmiddelen is i.c. voldoende steun te vinden voor de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 760
RvdW 2006, 1175
NJB 2007, 98
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03455/05

Mr. Vellinga

Zitting: 17 oktober 2006

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens medeplegen van gijzeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

2. Namens verdachte heeft mr. dr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 03451/05, 03453/05 en 03455/05. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

4. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de verklaring van de getuige [betrokkene 1] tot het bewijs heeft gebezigd, nu deze getuige niet in enig stadium van het proces door de verdediging kon worden ondervraagd.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"in de periode van 26 april 2004 te ongeveer 22.00 uur tot 27 april 2004 te ongeveer 6.25 uur te Amsterdam en Spaarnwoude tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een man, genaamd [betrokkene 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden met het oogmerk een ander, te weten [betrokkene 2], te dwingen iets te doen, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen op 26 april 2004 te omstreeks 22.00 uur die [betrokkene 1] op het Muiderpoortstation vastgepakt en vastgehouden en die [betrokkene 1] achterin een personenauto doen plaatsnemen en die [betrokkene 1] naar een natuurgebied in Spaarnwoude gereden en die [betrokkene 1] gedurende enige tijd belet te gaan en staan waar hij wilde en vervolgens die [betrokkene 2] meermalen gebeld en die [betrokkene 2] gezegd dat ze zijn broertje vasthielden en dat hij en/of de familie geld moest(en) betalen aan verdachte en zijn mededaders en dat [betrokkene 1] niet eerder weg zou gaan voordat alles was betaald en die [betrokkene 2] beloofd dat, als het geld snel zou worden betaald, zijn broertje ongedeerd zou blijven en dat deze dan vrijgelaten zou worden."

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik wil aangifte doen van gijzeling. Op 26 april 2004 omstreeks 22.00 uur stapte ik uit de trein op het Muiderpoortstation te Amsterdam. Ik zag een man of 20 voor mij staan. Een van de jongens begon aan mij te trekken. Ik moest met ze mee naar beneden gaan. Ik heb kans gezien van ze los te komen en ben gaan rennen over het spoor. Ze hebben mij vervolgens op de treinrails gepakt en meegenomen naar beneden. Daar moest ik in een auto gaan zitten. Ik zag dat [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1], begrijpt het hof), [verdachte] ([verdachte], begrijpt het hof) en [betrokkene 3] er ook waren. We zijn vervolgens naar het natuurgebied in Spaarnwoude gereden. [Medeverdachte 1] belde meermalen naar mijn broer [betrokkene 2]. Tijdens alle gesprekken die gevoerd werden had [medeverdachte 1] zijn telefoon op de luidsprekerstand staan, zodat iedereen de gesprekken kon meeluisteren. Naarmate het later werd vertrokken de meeste jongens die er bij waren. Ik bleef achter met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2], begrijpt het hof) en [verdachte]. Vervolgens zijn we met z`n vieren in de Opel Calibra van [medeverdachte 2] weggereden. Ik zag op het klokje in de auto dat het ongeveer 05.00 uur was. Nadat [verdachte] was uitgestapt zijn we weer gaan rijden naar een parkeerplaats. Ik zat nog steeds achterin de auto. Na ruim een uur op de parkeerplaats te hebben gestaan kwam de politie en werd ik bevrijd. Tussentijds is er nog een paar keer telefonisch contact geweest tussen [medeverdachte 1] en mijn broer ([betrokkene 2], begrijpt het hof). In de tussentijd dat we Spaarnwoude hebben verlaten tot het moment dat ik werd bevrijd mocht ik de auto niet uit. Als ik aangaf dat ik wilde weggaan dan mocht dat niet. Bovendien was dat niet mogelijk omdat achterin geen portieren waren. Ik werd al die tijd tegen mijn wil vastgehouden."

2. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar S.R. Achterberg, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] en relaas van de verbalisant:

"Op 26 april 2004 omstreeks 23.00 uur werd ik gebeld door [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1], begrijpt het hof). [Medeverdachte 1] vertelde mij door de telefoon dat ze mijn broertje ([betrokkene 1], begrijpt het hof) vasthouden en dat ik of de familie geld moet betalen.

Noot verbalisant:

De melder/getuige wordt tijdens de verklaring meermalen gebeld. Er wordt gebeld vanaf een mobiel nummer [001]; dit nummer is van [medeverdachte 1].

Tijdstip 00.31 uur:

[Medeverdachte 1] vertelt mij dat wij het geld snel moeten betalen omdat de schuldeisers hun geld wilden zien. [Medeverdachte 1] vertelt dat [betrokkene 1] niet eerder weggaat voordat alles is betaald. [Medeverdachte 1] en [verdachte] ([verdachte], begrijpt het hof) beloven dat, als het geld snel wordt betaald, mijn broertje ongedeerd blijft en dat hij dan wordt vrijgelaten.

Tijdstip 02.27 uur:

[Medeverdachte 1] vertelde dat [betrokkene 1] nog niet is aangeraakt en nog heel is, maar ze willen echt wel geld zien."

3. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren 0203, 0109, 0210, 0122, 0218 en 0217, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel van een of meer van hen:

"Op 27 april 2004 om 06.25 uur hebben wij op de Sloterweg te Amsterdam aangehouden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een motorvoertuig merk Opel Calibra. In het voertuig was tevens aanwezig [betrokkene 1] ([betrokkene 1], begrijpt het hof)."

4. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2005, voorzover inhoudende:

"Ik ben op 26 april 2004 met [betrokkene 4], [betrokkene 5], [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] in een Fiat naar het Muiderpoortstation te Amsterdam gereden. Daar wachten wij op [betrokkene 1]. Toen deze uit de trein kwam, werd hij door een groep jongens vastgepakt, die zich vrij agressief tegen [betrokkene 1] opstelden. Vervolgens is [betrokkene 1] met ons meegegaan in de Fiat naar Spaarnwoude. [Betrokkene 1] zat achterin in het midden en [betrokkene 4] reed. [Betrokkene 5] zat ook voorin. Het klopt dat we met z'n vieren achterin zaten. We hadden allemaal geld tegoed van [betrokkene 1]."

5. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Onderweg naar Spaarnwoude heb ik contact gehad met de oom van [betrokkene 1]. De oom spreekt gebrekkig Engels en ik begreep hem niet goed. [Betrokkene 5] heeft tijdens mijn telefoongesprek met de oom geroepen: "Bring the money!".

In Spaarnwoude heb ik nogmaals telefonisch contact gehad met de stiefbroer van [betrokkene 1], genaamd: [betrokkene 2]. In dit gesprek vroeg [betrokkene 2] mij wat wij met [betrokkene 1] zouden doen als hij het geld niet kon regelen. Ik zou verder op het geld wachten. Wij bleven wachten op de parkeerplaats op [medeverdachte 2] en [betrokkene 3]; die zouden ook naar Spaarnwoude komen. Daarna zijn alle aanwezigen in de auto gestapt. We waren daar nog met twee auto's. Ik ben bij [medeverdachte 2] in zijn Opel Calibra gestapt en met hem meegereden naar de parkeerplaats in Spaarnwoude naast het BP-tankstation. Bij [medeverdachte 2] zaten verder nog in de auto [medeverdachte 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 1].

Wij zijn toen met zijn allen met de twee auto's vanaf de parkeerplaats vertrokken richting IJburg en stopten daar. We gaan dan weer verder rijden, richting Sloterdijk. Na ongeveer een half uurtje gestaan te hebben bij Sloterdijk zijn we weer vertrokken naar de parkeerplaats bij de BP in Spaarnwoude. [Medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 1] en ik blijven over in de auto. We rijden dan terug naar Amsterdam. Ik bestuur dan de Opel Calibra. Ik rijd naar een adres in Amsterdam, waar ik uitstap en ga slapen. Voordat ik naar binnen ga zie ik dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] wegrijden. [Medeverdachte 1] belde mij na vijf minuten nadat ik thuis was en dat ze op de parkeerplaats stonden bij de voetbalvereniging Blauw-Wit aan de Sloterweg."

6. de verklaring van de getuige [betrokkene 3] ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2005, voorzover inhoudende:

"Ik werd op 26 april 2004 in Amsterdam met een Fiat gehaald en ben met onder anderen [verdachte] en [medeverdachte 1] naar het Muiderpoortstation gereden. Op het Muiderpoortstation ging ik met [medeverdachte 1] en [verdachte] naar boven. Daar zag ik jongens om [betrokkene 1] heen staan. Ik had begrepen dat [betrokkene 1] ook die jongens geld schuldig was. [medeverdachte 1] en [verdachte] haalden hem daar weg en daarna is [betrokkene 1] in de auto gestapt. Ik wist dat het ging om geld dat [betrokkene 1] aan diverse personen schuldig was. Mij was hij geen geld schuldig. Ik ging echter wel mee omdat [medeverdachte 1] en [verdachte] vrienden van mij zijn. Ik ben later opgehaald door [medeverdachte 2] en met hem ben ik naar Spaarnwoude gereden, naar de plek waarheen [medeverdachte 1] en [verdachte] met [betrokkene 1] waren gegaan. Daar aangekomen zag ik iedereen buiten staan. Er werd gepraat en ook gebeld; dit laatste met de broer van [betrokkene 1]. Er moest worden gewacht op geld. [Medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wilden naar huis en dan zouden [verdachte] en ik bij [betrokkene 1] blijven.

Op een vraag van de oudste raadsheer waarom [verdachte] en ik bij [betrokkene 1] zouden blijven als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weg zouden gaan, antwoord ik dat wij het allemaal goed vonden als het geld maar op tafel kwam."

7. een kopie van een verslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 27 april 2004 te 01:50 uur op een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1], voorzover inhoudende:

"[Medeverdachte 1] belt uit met NN-vrouw. [Medeverdachte 1] zegt dat ze uit het park zijn en dat ze ergens anders heen gaan.

Gaan jullie hem ergens anders heenbrengen, vraagt NN-vrouw.

[Medeverdachte 1] zegt: Ja, we gaan richting IJburg.

[Medeverdachte 1] zegt: Zijn broer zegt dat er 500 flapjes zijn en dat hij nog 1000 flapjes kan opnemen. Hij zegt dat hij zijn familie belt en dat hij geld probeert te vinden.

Tot hoe laat gaan jullie wachten, vraagt NN-vrouw.

[Medeverdachte 1] zegt: Tot het geld komt, al wachten we een maand."

8. een kopie van een verslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 27 april 2004 te 02:22 uur op een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1], voorzover inhoudende:

"[Medeverdachte 1] belt uit op nummer [002] met NN-man ([medeverdachte 2] begrijpt het hof, want blijkens het proces-verbaal van bevindingen met nummer 575-2-002/04 van 6 juli 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar W.M. Prinsen, was nummer [002] in gebruik bij [medeverdachte 2]).

[Medeverdachte 1]: [verdachte] vraagt "Moet ik naar mijn schoonvader gaan, naar de winkels of moeten we hier ergens wachten".

[Medeverdachte 2]: Hier ergens is niet verstandig volgens mij.... is er een rustige plek.

[Medeverdachte 2] zegt dat ze hen volgen en dat ze naar een rustige plek moeten."

9. een kopie van een verslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 27 april 2004 te 02:24 uur op een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1], voorzover inhoudende:

"[Medeverdachte 1] belt uit met [betrokkene 2] ([betrokkene 2], begrijpt het hof).

[Medeverdachte 1]: Hoeveel heb je nu geregeld?

[Betrokkene 2]: Ik heb nu 700 euro kunnen regelen.

[Medeverdachte 1]: He [betrokkene 1] (het hof begrijpt [betrokkene 1]), weet jij iemand die hij kan bellen.

[Medeverdachte 1]: [betrokkene 1] zegt [betrokkene 6].

[Betrokkene 2]: Als je maar [betrokkene 1] niets doet.

[Betrokkene 2]: Waar zijn jullie nu dan.

[Medeverdachte 1]: We rijden gewoon rond.

[Betrokkene 2]: Maar hij was bij Muiderpoort toen jullie hem hadden gepakt.

[Medeverdachte 1]: Ja."

10. een kopie van een verslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 27 april 2004 te 02:30 uur op een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1], voorzover inhoudende:

"[Medeverdachte 1] wordt vanaf [002] gebeld door NN-man ([medeverdachte 2] begrijpt het hof, want blijkens het proces-verbaal van bevindingen met nummer 575-2-002/04 van 6 juli 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar W.M. Prinsen, was nummer [002] in gebruik bij [medeverdachte 2]).

[Medeverdachte 2]: Wat heb je gesproken met die broer?

[Medeverdachte 1]: Zijn broer zegt dat er in totaal 700 flapjes zijn.

[Medeverdachte 2]: Jullie hadden hem moeten laten praten. Bel op en laat hem praten.

[Medeverdachte 1]: Is goed."

11. een kopie van een verslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 27 april 2004 te 02:33 uur op een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1], voorzover inhoudende:

"[Medeverdachte 1] wordt vanaf [002] gebeld door NN-man ([medeverdachte 2] begrijpt het hof, want blijkens het proces-verbaal van bevindingen met nummer 575-2-002/04 van 6 juli 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar W.M. Prinsen, was nummer [002] in gebruik bij [medeverdachte 2]).

[Medeverdachte 2]: He [medeverdachte 1], heeft hij door de telefoon gesproken.

[Medeverdachte 1]: Ja, maar zijn broer vroeg met wat voor auto wij reden.

[Medeverdachte 1]: Die Egyptenaar nam de telefoon over en zei tegen hem dat het hem niets aan ging wat voor auto wij reden.

[Medeverdachte 2]: Dat heeft hij goed gezegd... Heeft hij gezegd dat hij niet dood is?

[Medeverdachte 1]: Ja ja.

[Medeverdachte 2]: Is goed, dat was het belangrijkste.

[Medeverdachte 2]: Is zijn broer nog bezig met het geld.

[Medeverdachte 1]: Ja. Hij kan het niet vinden."

12. een kopie van een verslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 27 april 2004 te 03:32 uur op een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1], voorzover inhoudende:

"[Medeverdachte 1] wordt gebeld door [betrokkene 7].

[Medeverdachte 1] zegt dat ze aan het rondrijden zijn met de auto.

[Betrokkene 7] vraagt of die jongen bij hen is.

Ja zegt [medeverdachte 1].

[Betrokkene 7]: Laat hem gaan.

[Medeverdachte 1]: Nee, we laten hem niet gaan, we willen ons geld.

[Betrokkene 7]: He [medeverdachte 1], iemand ontvoeren heeft een hoge straf, doe het niet."

13. een kopie van een verslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 27 april 2004 te 03:41 uur op een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1], voorzover inhoudende:

"[Medeverdachte 1] wordt gebeld door [betrokkene 7].

[Betrokkene 7] zegt dat ze hem moeten laten gaan.

Nee, zegt [medeverdachte 1].

Hoe lang gaan jullie hem vasthouden, vraagt [betrokkene 7].

[Medeverdachte 1] zegt: Tot wij het geld hebben."

14. een kopie van een verslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 27 april 2004 te 03:45 uur op een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1], voorzover inhoudende:

"[Medeverdachte 1] belt uit met [betrokkene 7].

[Medeverdachte 1] zegt dat oom [medeverdachte 2] de broer van [betrokkene 1] heeft gebeld en dat er nu totaal 900 euro is."

15. een kopie van een verslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 27 april 2004 te 05:45 uur op een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1], voorzover inhoudende:

"[Medeverdachte 1] belt uit met [verdachte] ([verdachte], begrijpt het hof).

[Medeverdachte 1]: die jongen heeft 1200 euro geregeld.

[Verdachte]: hij moet meer proberen te regelen.

[Medeverdachte 1]: Ik denk ergens aan... om het geld te pakken en die jongen niet vrij te laten."

16. een kopie van een verslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 27 april 2004 te 06:08 uur op een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1], voorzover inhoudende:

"NN belt uit met [betrokkene 2].

[Betrokkene 2]: Ik heb hier geld en wil het nu gewoon geven.

NN: [betrokkene 1] is geen schrammetje gebeurd.

NN: En dan wil ik ook dat jij belooft dat jij dat geld voor ons regelt.

NN: Als het echt niet geregeld is.. We kunnen [betrokkene 1] niet zomaar afgeven."

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2005 houdt als verklaring van de verdachte onder meer het volgende in:

"Ik ben op 26 april 2004 met [betrokkene 4], [betrokkene 5], [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] in een Fiat naar het Muiderpoortstation te Amsterdam gereden. Daar wachtten wij op [betrokkene 1]. Toen deze uit de trein kwam, werd hij door een groep Marokkaanse jongens vastgepakt, die zich vrij agressief tegen [betrokkene 1] opstelden. Ik ben er toen tussengesprongen en vervolgens is [betrokkene 1] vrijwillig met ons meegegaan in de Fiat naar Spaarnwoude."

8. De getuige [betrokkene 1] is opgeroepen tegen de terechtzitting van 7 april 2005. Aldaar verscheen hij niet. Verdachtes raadsman persisteerde bij zijn verzoek tot het oproepen van de getuige. Daarna beval het Hof de getuige (opnieuw) op te roepen tegen de terechtzitting van 26 mei 2005. De getuige verscheen wederom niet ter terechtzitting. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 mei 2005 houdt te dien aanzien in:

"De raadsman persisteert bij het verzoek tot hernieuwde oproeping van de getuige [betrokkene 1] en de verdachte sluit zich aan bij de woorden van zijn raadsman.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot hernieuwde oproeping van de wederom niet verschenen getuige [betrokkene 1] wordt afgewezen, nu het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen:

- dat de getuige voor de zitting van heden op de bij de wet voorgeschreven wijze en overeenkomstig de beslissing van het hof ter vorige terechtzitting (en geenszins te laat) is opgeroepen;

- dat blijkens de inhoud van meergenoemde processen-verbaal van R. de Leth, brigadier van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland, de politie en zelfs de naaste familie van de getuige niet weet waar deze verblijft (en volgens de moeder: niet in Pakistan);

- dat Nederland met Pakistan geen algemeen rechtshulpverdrag heeft en een oproeping van de getuige aldaar anders dan per brief in het algemeen niet tot de mogelijkheden behoort."

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 mei 2005 houdt voorts in dat de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn bij de stukken gevoegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden het volgende in:

"Namens kliënt wordt ter terechtzitting onder meer het volgende verweer uitdrukkelijk voorgedragen:

1. Kliënt ontkent het tenlastegelegde, met name voor zover hem daarin wordt verweten dat hij - samen met anderen - [betrokkene 1] opzettelijk van zijn vrijheid heeft beroofd of beroofd gehouden. Van enige dwang in de vorm van vastpakken, vasthouden, beletten te gaan en te staan etc. is geen sprake geweest nu [betrokkene 1] vrijwillig heeft willen meewerken aan de oplossing van een financieel probleem, aldus kliënt, kort samengevat;

2. De door de rechtbank tot het bewijs gebezigde verklaring/aangifte van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 1) vindt ten aanzien van deze door kliënt betwiste onderdelen weliswaar enige, maar niet in voldoende mate steun in de andere voorradige bewijsmiddelen en met name niet in die welke door de rechtbank zijn gebezigd (bewijsmiddelen 2 t/m 8);

3. Mitsdien wordt onder verwijzing naar HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827 aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd, nu ter terechtzitting is komen vast te staan dat de verdediging niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad deze getuige te ondervragen. Nu onvoldoende steunbewijs voorhanden is moet vrijspraak volgen;

4. Dat te dezen bewijsuitsluiting moet volgen is temeer aangewezen, nu [betrokkene 1] het vermeende slachtoffer is, 42 criminele antecedenten heeft en kennelijk niet wil medewerken aan zijn verhoor omdat hij zich onvindbaar heeft gemaakt (zie het aanvullend proces-verbaal met bijlage dd 28 april 2005)."

10. Het Hof heeft het hiervoor onder 9 weergegeven verweer van de raadsman van de verdachte onder het hoofd "bespreking van een verweer" als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep betoogd - zakelijk weergeven - dat de verklaringen van [betrokkene 1] van het bewijs dienen te worden uitgesloten

a) omdat de verdediging niet in enig stadium van het proces de gelegenheid heeft gehad deze getuige te ondervragen, terwijl diens verklaringen - in het bijzonder op het punt van de opzettelijke vrijheidsberoving/gijzeling - geen of onvoldoende steun vinden in de andere voorhanden bewijsmiddelen en

b) omdat [betrokkene 1], gelet op zijn verklaring over (het dreigen met) een vuurwapen - dat nimmer is aangetroffen - en op de omstandigheid dat hij kennelijk niet wil meewerken aan zijn verhoor en zich daarom onvindbaar heeft gemaakt, ook overigens een onbetrouwbare getuige zou zijn.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

Weliswaar is de verdediging niet in enig stadium van het proces in de gelegenheid geweest de getuige [betrokkene 1] te ondervragen, doch diens verklaringen - in het bijzonder ook op het punt van de opzettelijke vrijheidsberoving/gijzeling - vinden in voldoende mate steun in andere voorhanden bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van [betrokkene 2], de afgeluisterde telefoongesprekken en de verklaringen van andere verdachten in deze zaak.

Op grond hiervan acht het hof de verklaringen van [betrokkene 1], voorzover zij voor het bewijs worden gebruikt, voldoende betrouwbaar.

De - overigens speculatieve - stelling van de raadsman dat de getuige [betrokkene 1] zich onvindbaar heeft gemaakt om zich aan een getuigenverhoor in deze te onttrekken, doet - ook indien men uitgaat van de juistheid ervan - aan het vorenstaande niet af.

Het verweer van de raadsman wordt mitsdien in beide onderdelen verworpen en de verklaringen van [betrokkene 1] kunnen dan ook tot het bewijs worden gebezigd."

11. Blijkens de toelichting klaagt het middel er over dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de verklaring van de getuige/het slachtoffer [betrokkene 1], voorzover inhoudende dat hij door de verdachte en diens medeverdachten is gedwongen in een personenauto in te stappen omnaar Spaarnwoude te worden vervoerd, tot het bewijs heeft gebezigd, nu de verdachte dit onderdeel van deze verklaring uitdrukkelijk heeft betwist, deze getuige niet in enig stadium van het proces door de verdediging kon worden ondervraagd en er geen steunbewijs is dat betrekking heeft op het desbetreffende onderdeel van de verklaring.

12. In zijn arrest van 6 juni 2006, NJ 2006, 332 overwoog de Hoge Raad in een geval waarin de getuige ter terechtzitting een beroep op zijn verschoningsrecht deed en dus niet antwoordde op vragen betreffende de door de verdachte betwiste betrokkenheid bij het tenlastegelegde terwijl een voor de verdachte bezwarende verklaring van de getuige tegenover de politie voor het bewijs werd gebruikt, en in cassatie werd geklaagd over schending van verdachtes recht de getuige te ondervragen:

"4.6. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.

(i) In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voorzover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM.

(ii) Van onverenigbaarheid als onder (i) bedoeld is in ieder geval geen sprake indien de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. De enkele omstandigheid dat een getuige die voor een rechter is opgeroepen en aldaar is verschenen, weigert een verklaring af te leggen, brengt niet mee dat inbreuk wordt gemaakt op het door art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde recht (vgl. HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427).

4.7. In aanmerking genomen dat Meesters als getuige is opgeroepen en is gehoord ter terechtzitting van het Hof en dat de verdediging gelegenheid heeft gehad om over die getuige, diens eerder afgelegde verklaringen en over hetgeen hij ter terechtzitting heeft verklaard naar voren te brengen wat zij noodzakelijk oordeelde, kon het Hof met inachtneming van hetgeen hierboven onder 4.6 is vooropgesteld, voor het bewijs gebruik maken van de verklaring van Meesters, zoals tegenover de politie afgelegd. Dat het Hof verder heeft overwogen dat die verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, moet daarbij worden gezien als een overweging ten overvloede, waarmee het Hof kennelijk tevens heeft willen uitdrukken dat en waarom het de tot het bewijs gebezigde verklaringen van Meesters voldoende betrouwbaar achtte."

13. In zijn arrest van 6 juni 2006, NJ 2006, 333, overwoog de Hoge Raad:

"3.1 Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte de bij de politie afgelegde verklaring van het slachtoffer tot het bewijs heeft gebezigd.

3.2.1. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende voorop te worden gesteld.

(i) Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre het tenlastegelegde door de verdachte wordt ontkend, kunnen beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat het openbaar ministerie bepaalde personen als getuige ter terechtzitting dient op te roepen dan wel dat de rechter zodanige oproeping ambtshalve dient te bevelen bij gebreke waarvan processen-verbaal voorzover inhoudende de door die personen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

(ii) Het onder (i) overwogene zal in ieder geval gelden indien een ambtsedig proces-verbaal inhoudende een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon, het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, dan wel heeft geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover hij eerder heeft verklaard.

Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden gedagvaard of opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen. Bedoelde persoon zal eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moeten worden opgeroepen indien hij ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst is teruggekomen op zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring dan wel heeft geweigerd een verklaring af te leggen.

(iii) Indien in de onder (ii) omschreven gevallen een getuige, die ter terechtzitting is opgeroepen, hetzij aldaar verschijnt, hetzij aldaar niet verschijnt en verdere oproeping zinloos is gebleken, staat het de rechter vrij de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring voor het bewijs te bezigen (vgl. HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427).

3.2.2. De Hoge Raad ziet geen aanleiding op zijn onder 3.2.1 weergegeven rechtspraak terug te komen. Die rechtspraak is ingegeven door zorg voor een zo betrouwbaar mogelijke bewijsvoering in gevallen waarin de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit slechts rechtstreeks kan volgen uit een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een derde en zich de daar genoemde omstandigheden voordoen. Een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijk bewijsoordeel eist dan dat de zittingsrechter zo mogelijk zelf die getuige hoort.

14. Anders dan in mijn ogen voortvloeit uit de rechtspraak van het EHRM - ik verwijs kortheidshalve naar mijn conclusies bij HR 7 maart 2006, NJ 2006, 195 en HR 6 juni 2006, NJ 2006, 332 - stelt de Hoge Raad in de hiervoor aangehaalde arresten niet de eis dat de eerder afgelegde verklaring van een getuige, die zich op zijn verschoningsrecht beroept of waarvan niet kon wordt bereikt dat deze ter terechtzitting verscheen, in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal.

15. Het onderhavige geval verschilt in die zin van de situatie die zich voordeed in het eerste hiervoor genoemde arrest, dat de belemmering de getuige te ondervragen niet is gelegen in een beroep op het de getuige toekomend verschoningsrecht maar in zijn niet-verschijnen. Niettemin komt het onderhavige geval in zoverre overeen met de situatie die ten grondslag lag aan het eerste hiervoor genoemde arrest, dat de Staat niet is tekort geschoten in zijn plicht de verdachte zoveel mogelijk in staat te stellen zijn recht de getuige te kunnen ondervragen uit te oefenen: in genoemd arrest had de getuige een beroep op zijn verschoningsrecht, in de onderhavige zaak heeft de Staat zich ingespannen de getuige ter terechtzitting te doen verschijnen maar was het niettemin - zoals het Hof na herhaalde oproeping van de getuige heeft vastgesteld en in cassatie niet is bestreden - onaannemelijk dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen. Van het tweede hiervoor genoemde arrest verschilt het onderhavige geval hierin dat de getuige niet op zijn, voor de verdachte belastende verklaring is teruggekomen en is er daarom in beginsel minder grond aan de betrouwbaarheid van verdachtes tegenover de politie afgelegde verklaring te twijfelen dan in geval hij dat wel had gedaan.

16. Een ander brengt mee, dat deze verschillen mijns inziens niet van dien aard zijn dat, gegeven de hiervoor aangehaalde arresten van de Hoge Raad en anders dan in de in die arresten beschreven gevallen, geëist zou moeten worden dat de verklaring van de getuige voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Dit betekent dat het middel in de onderhavige zaak kan worden verworpen volgens de lijnen als gevolgd in HR 6 juni 2006, NJ 2006, 332, rov. 4.7.

17. Ook anderszins kan het middel overigens niet slagen. Daartoe diene het volgende.

18. Zoals de Hoge Raad bij herhaling heeft overwogen(1) staat in een geval als het onderhavige waarin de verdediging niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad de persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM niet in de weg aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring - te weten bewijsmiddel 1 -, als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist.

19. In de hiervoor onder 10 weergegeven overwegingen van het Hof ligt als het oordeel van het Hof besloten dat de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde medeplegen van gijzeling in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen dan de verklaring van [betrokkene 1] - te weten de verklaring van [betrokkene 2], de afgeluisterde telefoongesprekken en de verklaringen van de medeverdachten - en dat dit steunbewijs betrekking heeft op het onderdeel van de voor de verdachte belastende verklaring van [betrokkene 1], dat de verdachte betwist.

20. Gelet op de inhoud van de hiervoor onder 6 sub 2, sub 6 en sub 9 gebezigde bewijsmiddelen is in die bewijsmiddelen voldoende steun te vinden voor de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde en bewezenverklaarde medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [betrokkene 1] met het oogmerk [betrokkene 2] te bewegen geld betalen aan hem of zijn medeverdachten. In het licht hiervan geeft het oordeel van het Hof, inhoudende dat de betrokkenheid van de verdachte bij het medeplegen van de gijzeling in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen dan de verklaring van [betrokkene 1] en dat dit steunbewijs betrekking heeft op het onderdeel van de hem belastende verklaring dat hij betwist, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het oordeel niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft de verklaring van de getuige [betrokkene 1], voorzover inhoudende dat hij door de verdachte en diens medeverdachte is gedwongen in een personenauto in te stappen om naar Spaarnwoude te worden vervoerd, derhalve voor het bewijs kunnen bezigen.

21. Hoewel het voorgaande meebrengt dat het middel kan worden verworpen op laatstgenoemde grond heeft eerstgenoemde grond mijn voorkeur omdat deze in mijn ogen beter aansluit bij de recente rechtspraak van de Hoge Raad en voorts over de betekenis van die rechtspraak geen twijfel laat bestaan.

22. Het middel faalt.

23. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 12 september 2006, LJN AW6737, HR 15 februari 2005, LJN AR8286, HR 30 maart 2004, NJ 2004, 344, HR 11 juni 2002, NJ 2002, 459, HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827, HR 14 april 1998, NJ 1999, 73, HR 14 september 1998, NJ 1998, 910 en HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427.