Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AZ0265

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-11-2006
Datum publicatie
29-11-2006
Zaaknummer
03297/05
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2005:AT6479
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AZ0265
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv; betwisting verklaringen aangeefster. Het aangevoerde m.b.t. de verklaringen van aangeefster kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie t.o.v. het hof naar voren is gebracht. Het hof is van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de verklaringen tot het bewijs te bezigen, maar heeft - i.s.m. art. 359.2 Sv - niet i.h.b. de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat leidt ex art. 359.8 Sv tot nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 744
NJ 2007, 123 met annotatie van J.M. Reijntjes
RvdW 2006, 1160
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03297/05

Mr Machielse

Zitting 10 oktober 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 23 mei 2005 terzake 1. "ontucht plegen met zijn minderjarige kind, meermalen gepleegd", 2. "met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" en 3. "met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf.

2. Mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Goes, heeft namens verdachte cassatie ingesteld. Mr J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft nagelaten conform art. 359 lid 2 Sv in het bijzonder de redenen op te geven die ertoe hebben geleid dat het afwijkt van het door en namens verdachte uitdrukkelijke onderbouwde standpunt, dat de verklaring van de aangeefster onjuist en/of onbetrouwbaar is en daarom niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

3.2. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv is in dit verband sprake indien de raadsman zijn standpunt over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie naar voren brengt.(1)

Ter terechtzitting in hoger beroep op 9 mei 2005 heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van die zitting gepleit overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. De pleitnota draagt als titel "Betrouwbaarheid aangeefster" en bevat de conclusie dat er teveel twijfel bestaat en integrale vrijspraak moet volgen. Verder bevat zij een uitvoerig verweer dat uiteen valt in argumenten die de betrouwbaarheid van aangeefster als zodanig bestrijden en argumenten die wijzen op ongeloofwaardige onderdelen in de verklaringen van aangeefster. Beide argumenten dienen ter ondersteuning van de stelling dat aan de verklaringen geen geloof mag worden gehecht en dat de verklaringen daarom niet voor het bewijs gebruikt mogen worden.

3.3. De raadsman stelt dat sommige van aangeefsters verklaringen tegenstrijdig zijn en dat haar verklaring opvallend weinig gedetailleerd is ten aanzien van onderwerpen waarbij je een meer concrete herinnering zou verwachten. Verder voert hij aan dat het weinig geloofwaardig overkomt dat de verdachte na een jaren durend misbruik van de ene op de andere dag is gestopt toen aangeefster hem een boek over incest toonde. Later in de pleitnota voert hij aan dat de verklaringen van aangeefster en getuigen over het misbruik ongeloofwaardiger worden doordat de getuigen aan wie aangeefster heeft verteld over het misbruik daar nooit verdachte mee hebben benaderd.

3.4. Voorts verwijst de raadsman in zijn pleitnota naar het rapport van prof. Bullens, die op verzoek van de officier van justitie de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster heeft onderzocht en daarvan verslag heeft gedaan in een zich bij de stukken bevindend rapport d.d. 2 september 2004. De conclusie van deze deskundige is kort samengevat dat aangeefster vanuit psychologische optiek een voldoende betrouwbare en geloofwaardige verklaring heeft afgelegd. De raadsman bestrijdt deze conclusie aanvankelijk niet uitdrukkelijk maar stelt vooral dat de deskundige onvoldoende heeft weerlegd dat aangeefster uit wraak handelt. Verderop bestrijdt hij vooral de redenering van de deskundige dat het niet te koop lopen met de misbruikgeschiedenis een aanwijzing voor geloofwaardigheid is. De raadsman wijst er verder op dat symptomen die bij aangeefster zijn waar te nemen ook kunnen duiden op een schuldgevoel over het ten onrechte beschuldigen van haar vader.

3.5. Het Hof heeft in het arrest geen woord gewijd aan het door de raadsman gevoerde verweer. Het heeft het vonnis vernietigd zodat het ook de nadere bewijsoverwegingen van de Rechtbank niet overneemt. Op de verschillende door de raadsman aangevoerde omstandigheden die op de ongeloofwaardigheid van aangeefsters verklaringen zouden wijzen, heeft het Hof niet gerespondeerd. Het heeft wel het rapport van prof. Bullens tijdens de ondervraging van verdachte voorgehouden, waarbij het aan verdachte heeft voorgelegd dat aangeefster het kennelijk moeilijk heeft gevonden om naar de politie te gaan. Voorts heeft de AG in zijn requisitoir de conclusies van deze deskundige besproken en gesteld dat op basis daarvan niet aan de betrouwbaarheid van aangeefster behoeft te worden getwijfeld. Noch in een nadere bewijsoverweging, noch in de bewijsmiddelen maakt het Hof echter melding van dit rapport. Hoewel het Hof het rapport heeft voorgehouden en kennelijk de conclusies daarin volgt, blijkt dus niet uit het arrest dat het zich uitdrukkelijk rekenschap heeft gegeven van de daartegen ingebrachte bezwaren. Het middel gaat er klaarblijkelijk van uit dat het Hof hiermee gelet op art. 359 lid 2 Sv niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het meende de verklaring van aangeefster voor het bewijs te kunnen gebruiken.

3.7. Een nadere motivering waarom het Hof zich niet heeft laten overtuigen door de gevoerde verweren had in het arrest bepaald niet misstaan en zou mijns inziens tegemoetkomen aan de bedoeling van art. 359 lid 2 Sv. Ik heb mij echter wel afgevraagd of het ontbreken ervan tot cassatie moet leiden. Ik meen van niet. Nu het Hof het rapport van prof. Bullens heeft voorgehouden, de AG in zijn requisitoir de postieve conclusies over de betrouwbaarheid van aangeefster bespreekt en de raadsman daar uitvoerig op heeft kunnen reageren, hoeft het ontbreken van een weerlegging van dat verweer niet af te doen aan de begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak: het Hof heeft door het gebruik van de verklaringen van aangeefster kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat die verklaringen geloofwaardig zijn en heeft zich voor wat betreft de betrouwbaarheid van aangeefster klaarblijkelijk meer laten overtuigen door het oordeel van prof. Bullens dan door de bezwaren van de raadsman.(2) Voorts heeft het Hof in zijn bewijsconstructie in de bewijsmiddelen 4 tot en met 10 verklaringen opgenomen van getuigen die bijzonderheden geven over het gedrag van aangeefster, welke verklaringen kennelijk naar het oordeel van het Hof de consistentie van haar eigen verklaringen ondersteunen. Ik meen dat van het Hof voorts niet verlangd hoeft te worden dat het ingaat op elk van de hiervoor weergegeven omstandigheden die de verklaringen van aangeefster ongeloofwaardig zouden maken.(3) Ik acht de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.

3.8. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 april 2006, LJN 9130 rov. 3.7.1 ; HR 16 mei 2006, LJN AV2368 rov. 3.6.

2 HR 11 april 2006, LJN AU9130, r.o. 3.8.2. (ii).

3 HR 11 april 2006, LJN AU9130, r.o. 3.8.4. d.