Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY9575

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-11-2006
Datum publicatie
22-11-2006
Zaaknummer
00109/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY9575
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van invoer cocaïne ex art. 1.4 Opiumwet. Het hof heeft uit zijn vaststellingen zonder miskenning van art. 1.4 Opiumwet en niet onbegrijpelijk, kunnen afleiden dat verdachte welbewust handelingen heeft verricht die gericht waren op het binnen het grondgebied van NL brengen van de cocaïne in de ruime betekenis die deze bepaling daaraan geeft. Daaraan doet niet af dat uit de bewijsmiddelen niet zou kunnen volgen dat verdachte een handeling heeft verricht die het daadwerkelijk binnen NL brengen van de cocaïne zelf betrof. Ook het gereed staan om de cocaïne na de aankomst daarvan in Nederland te onderscheppen, is immers een op de ontvangst gerichte handeling a.b.i. art. 1.4 Opiumwet. Het hof heeft, mede gelet op het vorenstaande, uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte door zijn actieve betrokkenheid i.h.k.v. de uitvoering van de door hem en zijn mededaders voorziene invoer van de koffer met cocaïne, zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is geweest van medeplegen van die invoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 736
NJ 2006, 647
RvdW 2006, 1114
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 00109/06

Mr. Wortel

Zitting: 3 oktober 2006 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens (1) "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf

2. Namens verzoeker heeft mr C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend.

In een samenhangende zaak met griffienummer 00110/06 concludeer ik heden eveneens.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde redelijke termijn voor berechting bij de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden doordat de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad zijn toegezonden.

In aanmerking genomen dat het cassatieberoep is ingesteld op 14 april 2005, terwijl de stukken van het geding de Hoge Raad pas op 19 januari 2006 hebben bereikt, is de klacht terecht opgeworpen.

Teneinde de gevolgen van de vertraging nog zo veel mogelijk te verminderen wordt deze conclusie bij vervroeging genomen.

4. Het tweede en het derde middel keren zich tegen de verwerping van een verweer strekkende tot bewijsuitsluiting. Het tweede middel komt er op neer dat ten onrechte is voorbijgegaan, dan wel onvoldoende gewicht is toegekend aan, art. 40, tweede lid, Sv, bevattende het voorschrift de advocaat, die de verdachte rechtsbijstand moet verlenen, onverwijld te informeren dat de verdachte in verzekering is gesteld. Het derde middel bevat de stelling dat het Hof (nadrukkelijk) had moeten vaststellen dat zich een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan, nu de kennisgeving van verzoekers inverzekeringstelling te laat aan de raadsman is gedaan, en dat het Hof ook nadrukkelijk had moeten verantwoorden of één van de in art. 359a Sv genoemde rechtsgevolgen voor dit vormverzuim passende compensatie kan bieden.

De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5. Het in de middelen bedoelde verweer is in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:

"2) De raadsman heeft ter terechtzitting voorts aangevoerd dat er bij aanhouding van de verdachte tot aan zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris op 4 april 2003 geen bijstand is verleend door een raadsman. Dit is in strijd met artikel 6 lid 3, onder c, van het EVRM. Derhalve dienen de door de verdachte op 2 en 3 april 2003 afgelegde verklaringen van het bewijs te worden uitgesloten. De raadsman concludeert dat in dit geval geen enkel ander bewijsmiddel voorhanden is en dat de verdachte dan ook dient te worden vrijgesproken.

Ad 2) Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op 2 april 2003 omstreeks 14.00 uur is de verdachte in verzekering gesteld. Een verdachte is bevoegd zich bij het verhoor voor de in verzekering stelling te laten bijstaan door een raadsman, op grond van artikel 57 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Op 3 april 2003 bleek dat, na verificatie, de melding inverzekeringstelling abusievelijk niet was verzonden naar de Raad voor de Rechtsbijstand. Na deze constatering is de melding inverzekeringstelling op 3 april 2003, omstreeks 16.15 uur, gefaxt naar de Raad voor de Rechtsbijstand.

De verbalisanten die [verdachte] hebben gehoord op 2 en 3 april 2003, Van der Woude en Patist, zijn op onderscheidenlijk 29 september 2003 en 16 september 2003 bij de rechter-commissaris dienaangaande gehoord. Uit hetgeen zij bij de rechter-commissaris hebben verklaard kan niet afgeleid of zelfs vermoed worden dat aan de verdachte doelbewust een raadsman is onthouden. Bovendien is aan de verdachte bij elk verhoor de cautie gegeven en was hij er dus van op de hoogte dat hij niet verplicht was om een verklaring af te leggen. Een en ander leidt tot de slotsom dat de verklaringen van de verdachte niet behoeven te worden uitgesloten van het bewijs.

Het verweer wordt mitsdien verworpen."

6. Aldus heeft het Hof vastgesteld dat is verzuimd een kennisgeving van verzoekers inverzekeringstelling onverwijld aan de Raad voor de Rechtsbijstand te doen toekomen - hetgeen op zichzelf bezien is aan te merken als een vormverzuim - doch deze nalatigheid is hersteld zodra zij werd bemerkt en verder niet gebleken is dat verzoeker door het verzuim daadwerkelijk in zijn belangen als verdachte is geschaad.

7. Dit is een toereikend gemotiveerde en niet onbegrijpelijke beslissing op het verweer, zodat de middelen falen.

8. Het vierde middel houdt in dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien 's Hofs bewijsoverwegingen niet zijn oordeel kunnen steunen dat verzoeker een of meer handelingen heeft verricht die zijn aan te merken als (een bijdrage aan) binnen Nederlands grondgebied brengen van (een koffer met daarin) cocaïne.

9. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat hij in de maand oktober 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I

10. De in het middel bedoelde bewijsoverwegingen luiden:

"Transport 27 oktober 2002

Uit de verklaringen van de verdachte is het volgende gebleken.

De verdachte heeft verklaard dat hij door medeverdachte [betrokkene 1] is benaderd om tijdens zijn werk als bagagemedewerker te Schiphol een koffer, met daarin cocaïne, van de bagageband af te halen. De tassen die zich in de koffer zouden bevinden moest hij eruit halen en deze buiten het beschermde gebied van Schiphol brengen. [Betrokkene 1] zou de tassen met cocaïne buiten het beschermde gebied van Schiphol in ontvangst nemen. Afhankelijk van de hoeveelheid cocaïne die zou worden binnengehaald, zou de verdachte een beloning krijgen. De verdachte heeft verklaard hierover meermalen contact te hebben gehad met [betrokkene 1].

De verdachte heeft zijn medewerking toegezegd en op 27 oktober 2002 zou de verdachte een koffer van de bagageband moeten halen. De verdachte heeft verklaard dat hij op 27 oktober 2002 in de computer heeft gekeken, op de gegevens in de computer heeft gezien dat het betreffende vliegtuig uit Carácas was geland, doch door een storm die woedde op 27 oktober 2002 heeft de verdachte toen geen koffer van de bagageband kunnen halen omdat het gelande vliegtuig nog niet was gelost. Op 28 oktober 2002 heeft de verdachte een poging gedaan om de koffer te vinden, maar dat is niet gelukt.

Tevens heeft de verdachte verklaard nog twee pogingen te hebben ondernomen om een zending met cocaïne binnen te krijgen. Dit verliep op een zelfde wijze als op 27 oktober 2002. Voordat hij iets had ondernomen om de koffer daadwerkelijk te gaan halen, kwam [betrokkene 1] vertellen dat de zending als verloren moest worden beschouwd.

Uit onder meer de telefoongesprekken van 27 oktober 2002 te 11.36 uur (nr. 633), 27 oktober 2002 te 14.44 uur (nr. 648), 27 oktober 2002 te 17.17 uur (nr. 651), 27 oktober 2002 te 20.17 uur (nr. 657), 28 oktober 2002 te 00.25 uur (nr. 661), 28 oktober 2002 (nr. 686) en AAH-15 (blz. 227-238) leidt het hof af dat op of omstreeks 27 oktober 2002 een transport van een hoeveelheid van een stof naar Nederland heeft plaatsgevonden door middel van de koerier [betrokkene 9].

De medeverdachten die bij de zending van 27 oktober 2002 betrokken zijn geweest hebben nadien nog vier maal cocaïne in Nederland ingevoerd. Bij deze andere transporten hebben zij dezelfde werkwijze gehad als bij het transport van 27 oktober 2002. Dit blijkt onder meer uit de afgeluisterde telefoongesprekken (onder meer nrs. 980, 985, 995, 505, 1048, 1367, 1369, 1429, 1077, 1307 en 1473) en uit de verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 7] op 18 februari 2003 (blz. 95-99), 21 februari 2003 (blz. 102-108) en 27 februari 2003 (blz. 109-116). Bij deze overige transporten is, na deskundig onderzoek, telkens vastgesteld dat een hoeveelheid cocaïne, als bedoeld op lijst I van de Opiumwet in Nederland is ingevoerd.

Uit het bovenstaande leidt het hof af dat bij de zending van 27 oktober 2002 een hoeveelheid cocaïne, als bedoeld op lijst I van de Opiumwet, is ingevoerd in Nederland."

11. Het in de bewezenverklaring aangehaalde art. 1, vierde lid, Opiumwet bepaalt dat tot "binnen het grondgebied van Nederland brengen" mede wordt gerekend iedere handeling die is gericht op het verdere vervoer, de opslag de aflevering, ontvangst of overdracht van de verdovende middelen die binnen Nederlands grondgebied zijn gebracht of van de voorwerpen waarin die middelen verpakt of verborgen zijn.

12. Ik begrijp 's Hofs zojuist aangehaalde bewijsoverwegingen aldus dat als zodanige, in art. 2, onder A in verbinding met art. 1, vierde lid, Ow strafbaar gestelde handeling is aangemerkt verzoekers poging, op 28 oktober 2002, de koffer te vinden die moest zijn aangevoerd met het op 27 oktober 2002 gelande vliegtuig uit Carácas, teneinde die koffer volgens afspraak buiten het beschermde gebied van de luchthaven te brengen en aan een mededader over te geven. Klaarblijkelijk heeft het Hof geredeneerd dat, ofschoon verzoeker die koffer toen niet heeft kunnen vinden, hij niettemin bewust een bijdrage heeft geleverd aan het binnen Nederland brengen van de hoeveelheid cocaïne, hetgeen, naar het Hof uit de afgeluisterde telefoongesprekken heeft opgemaakt, daadwerkelijk is gelukt.

13. Het komt mij voor dat het Hof aldus niet een te ruime uitleg heeft gegeven aan "elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling" in de zin van art. 1, vierde lid, Ow, en dat zijn overwegingen overigens niet onbegrijpelijk zijn.

Het middel houd ik derhalve voor tevergeefs voorgesteld.

14. In ieder geval het tweede en derde middel lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, vermindering van die straf in verband met het overschrijden van de redelijke termijn bij de behandeling van dit cassatieberoep, en verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,