Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY8857

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
01950/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY8857
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Dakdekkersverweer als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ex art. 359.2 Sv. 2. “Behulpzaam zijn ex art. 197a Sr. Het betoog van de verdediging is niet van louter feitelijke aard maar stelt daarnaast de rechtsvraag aan de orde of het incidenteel vervoeren naar een werkplek als i.c., kan worden aangemerkt als behulpzaam zijn bij het verblijf in NL ex art. 197a Sr. Daarmee is een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ex art. 359.2 Sv ingenomen. Bij niet aanvaarding dienen i.h.b. de redenen die daartoe hebben geleid in het vonnis of arrest te zijn opgenomen. Dat verzuim behoeft i.c. niet tot cassatie te leiden. Vooropgesteld moet worden dat ex art. 197a Sr ook kunnen worden gestraft zij die, zonder de vreemdeling behulpzaam te zijn geweest bij het verschaffen van toegang tot NL, hem behulpzaam zijn bij zijn wederrechtelijk verblijf in NL. Voorts moet worden vooropgesteld dat het bestanddeel "behulpzaam bij" in art. 197a Sr moet worden uitgelegd als in art. 48 Sr. Daarbij gaat het er o.m. om of betrokkene het verblijf in NL van de vreemdeling in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt. Onder "het verblijven in Nederland" a.b.i. art. 197a Sr dient te worden verstaan: elk zich ophouden in NL (HR LJN AL3537). Verdachte heeft telkens de vreemdelingen X en Y vervoerd i.h.k.v. hun werkzaamheden als prostituee teneinde die werkzaamheden mogelijk te maken. Daarmee heeft verdachte het verblijf van die vrouwen in NL bevorderd zodat sprake is geweest van het behulpzaam zijn van personen bij het verblijf in NL ex art. 197a Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 555
NJ 2006, 541
RvdW 2006, 913
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01950/05

Mr. Knigge

Zitting: 16 mei 2006

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is op 23 februari 2005 door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, 2. opzettelijk voorhanden hebben van een vervalst geschrift terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, 3 subsidiair medeplegen van: een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd en 4 subsidiair medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, met verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen voorwerp.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, in het bijzonder niet dat de verdachte lid is geweest van een criminele organisatie en dat het Hof - gezien het uitdrukkelijk door de verdediging dienaangaande ingenomen standpunt - het motiveringsvoorschrift van art. 359 lid 2 Sv niet heeft nageleefd.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 23 juni 2001 t/m 3 juli 2002 te Nijmegen, en/of Arnhem en/of Albanië en/of Macedonië tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft deelgenomen aan de organisatie met onder andere [betrokkene 2] en [betrokkene 4] en [betrokkene 1] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van drugshandel (2Ow) en mensenhandel (250a Sr) en mensensmokkel (197a Sr), althans het plegen van misdrijven"

5. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 februari 2005 gehechte pleitnota blijkt dat de raadsvrouw aldaar een verweer van die strekking heeft gevoerd (p. 8-10).

6. Ik stel voorop dat strafbare deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr vergt dat de verdachte in zijn algemeenheid heeft geweten - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogde. De wetenschap van de verdachte behoeft geen betrekking te hebben op één of meer van de afzonderlijke misdrijven die door de organisatie werden beoogd.(1)

7. Het Hof heeft voor het bewijs van dit feit onder meer gebezigd een verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 1] kent (bewijsmiddel 39). [Betrokkene 2] wordt (zoals blijkt uit de bewijsmiddelen) ook wel [betrokkene 2], [betrokkene 2], [betrokkene 2], [betrokkene 2] of [betrokkene 2] genoemd; [betrokkene 4] [betrokkene 4] of (pit)bull en [betrokkene 1] [betrokkene 1]. Voorts houden de gebezigde bewijsmiddelen - voor zover thans van belang - omtrent de betrokkenheid van de verdachte het volgende in:

- Uit de in bewijsmiddel 2 opgenomen weergaven van telefoongesprekken (onder andere) tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] blijkt dat [betrokkene 1] [verdachte] (de verdachte) kent en vraagt (door tussenkomst van [betrokkene 2]) of deze laatste een Bulgaarse vrouw - die het slachtoffer was van mensenhandel dan wel mensensmokkel (bewijsmiddel 1) - zou kunnen "begeleiden" respectievelijk voor alles paraat te staan.

- Uit bewijsmiddel 5 en 6, de verklaring van [getuige 2], caféeigenaar, komt naar voren dat de verdachte soms in zijn café kwam en daar ook samen met o.a. [betrokkene 2] en pitbull aanwezig was op het moment dat door de politie daar een inval deed waarbij vrouwen zijn aangetroffen die geen of vervalste documenten hadden.

- [Slachtoffer 1] verklaart dat zij door [betrokkene 3], [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [verdachte] in de prostitutie is gebracht en dat zij chauffeurs waren (bewijsmiddel 10), dat zij de verdachte heeft ontmoet in gezelschap van [betrokkene 2] en dat hij haar en [slachtoffer 2] regelmatig met een rode VW Golf naar Arnhem en naar Nijmegen (naar het prostitutiegebied) wegbracht (bewijsmiddel 21). Deze verklaring wordt ondersteund door die van [getuige 1] (bewijsmiddel 23). De verdachte bevestigt dat hij een rode VW Golf bezat (bewijsmiddel 26).

- [getuige 3] verklaart dat [verdachte] en [betrokkene 4] veel samen waren met [betrokkene 2] (bewijsmiddel 12).

- [Betrokkene 4] verklaart onder andere dat hij [verdachte] in Nederland heeft leren kennen, dat hij er niets van gemerkt heeft dat [verdachte], [betrokkene 2] en andere Albanese jongens ergens mee bezig waren en dat [betrokkene 2] vaak aan het bellen was (bewijsmiddel 15).

- Uit de in bewijsmiddel 27 opgenomen weergaven van telefoongesprekken (onder andere) blijkt dat de verdachte vaak samen met [betrokkene 2] was.

- Uit bewijsmiddel 28 (relaas van verbalisant) volgt dat de verdachte tezamen met onder andere [betrokkene 2] naar de automarkt in Utrecht is geweest. Dit relaas wordt ondersteund door de verklaring van [betrokkene 1]. Deze verklaring houdt voorts in dat aldaar een grijskleurige BMW is gekocht en dat de genoemde drie personen met de BMW naar Amsterdam zijn gereden waarbij de verdachte de auto heeft bestuurd. Men is daarbij onderweg naar een drugstransactie.

- Uit de verklaring van de verdachte vervat in de bewijsmiddelen 37 en 38 volgt dat [betrokkene 2] aan hem vroeg twee heren mee te nemen naar Amsterdam, dat hij de grijze BMW heeft gekocht en dat de verdachte samen met twee anderen naar Amsterdam is gereden als bestuurder.

8. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen komt voorts een handelwijze naar voren van de verdachte en zijn medeverdachten (in het bijzonder [betrokkene 2]) die blijk geeft van een goed geoliede en op elkaar afgestemde samenwerking die gericht is op het naar Nederland halen van Oost-Europese vrouwen en hun exploitatie, het afhandig maken van de paspoorten van die vrouwen en het daarvoor in de plaats teruggeven aan die vrouwen van valse paspoorten, een en ander teneinde die vrouwen als prostituee geld te laten verdienen dat zij later aan medeverdachten dienen af te dragen. Het wekt dan ook geen verbazing dat over de vrouwen wordt gesproken in termen van "kopen" (bewijsmiddel 1). Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen van diverse drugstransacties. Het Hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen, in hun onderlinge verband en samenhang bezien, kunnen afleiden dat [verdachte] bewust samenwerkte met zijn medeverdachten [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 1] - welke bewuste samenwerking tevens nauw en volledig was - en dat hij deel uitmaakte van de criminele organisatie. De bewezenverklaring is voldoende met redenen omkleed.

9. Anders dan in het middel voorts nog wordt betoogd met een beroep op art. 359 lid 2 Sv, behoefde het oordeel van het Hof geen nadere motivering. Het verweer waarop het middel doelt is weliswaar uitvoerig, maar behelst in feite niet meer dan de stelling dat uit het voorliggende bewijsmateriaal niet de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Die stelling vindt haar weerlegging volledig in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die tot nadere motivering noopten, had het Hof mijns inziens dan ook niet in het aangevoerde hoeven te ontwaren.(2) In elk geval doet zich hier het geval voor dat de uitspraak voldoende gegevens bevat in de gebezigde bewijsmiddelen, waarin de nadere motivering besloten ligt.(3)

10. Het eerste middel faalt derhalve.

11. Het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring onder 4 subsidiair, inhoudende dat:

"hij op 02/03 juli 2002 te Arnhem en Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1200 gram van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I"

12. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte opzet heeft gehad op het medeplegen van het feit zoals tenlastegelegd en voorts dat het Hof niet afzonderlijk heeft gerespondeerd op het dienaangaande uitdrukkelijk gevoerde verweer (pleitnota, p. 6-7).

13. Voor medeplegen ex art. 47 lid 1 onder 1 Sr van een strafbaar feit is vereist dat de personen bewust samenwerken met het oog op het verrichten van een strafbare gedraging.(4) Elementen voor een nauwe en volledige samenwerking kunnen zijn de intensiteit van de samenwerking, een taakverdeling, de rol in voorbereiding, uitvoering of afhandeling en het belang van die rol, het zich niet terugtrekken op daartoe geëigende tijdstippen en aanwezigheid op belangrijke momenten.(5)

14. De bewijsmiddelen houden in dit verband het volgende in:

- Uit de in bewijsmiddel 27 opgenomen weergaven van telefoongesprekken gevoerd op 30 juni 2002 t/m 2 juli 2002 volgt dat het door [betrokkene 2] uit te voeren "klusje" morgen (2 juli 2002) kan worden afgerond. In de gesprekken wordt in verkapte termen gesproken zoals "het", "er 1 van maken", "een half auto", "500 Leke". Voorts komt uit de gesprekken naar voren dat de leverancier [E] zegt dat "het" zeker doorgaat en dat hij "het" thuis heeft liggen. [Betrokkene 2] belt met [B] en deelt hem mee dat hij het klusje voor hem rond heeft gekregen. [B] vraagt of hij er "nog een van hetzelfde origineel zoals die andere" van kan maken. Op het moment van deze mededeling bestuurt de verdachte de auto waarin [betrokkene 2] aanwezig is, men is onderweg naar Amsterdam (zie bewijsmiddelen 28 en 34).

- Uit bewijsmiddel 28, een verslag van de observatie van [betrokkene 2] ([betrokkene 2]) op 2 juli 2002 volgt dat de verdachte als bestuurder van een zojuist door hen op de automarkt in Utrecht gekochte auto met die [betrokkene 2] en met [betrokkene 1] ([betrokkene 1]) naar Amsterdam is gereden (zie ook bewijsmiddel 34), dat [betrokkene 2] in Amsterdam contact heeft met een man (uit bewijsmiddel 27 volgt dat dit is geweest [E]), dat beide een woning binnen gaan en bij het verlaten van deze woning [betrokkene 2] een gevulde plastic tas bij zich heeft. De verdachte bestuurt de auto met onder andere [betrokkene 2] als passagier op de terugweg van Amsterdam naar Arnhem. [Betrokkene 2] wordt door de verdachte in Arnhem afgezet bij een woning waar eerstgenoemde de plastic tas aflevert en met de door de verdachte bestuurde auto weer vertrekt.

- Uit bewijsmiddel 33 (verklaring van [betrokkene 1]) blijkt dat hij samen met [betrokkene 2] ([betrokkene 2]) op 3 juli 2002 in Arnhem werd aangehouden en dat [N] toen de plastic tas bij zich had. Uit bewijsmiddel 30 en 31 (relaas van verbalisanten) blijkt dat de inhoud van de tas die bij de aanhouding van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] werd meegevoerd door [betrokkene 2] bleek te bleek te bestaan uit een pakket cocaïne van bruto 632,2 gram en een pakket cocaïne van bruto 569,9 gram.

15. Het Hof heeft uit de bewijsmiddelen, meer in het bijzonder uit de in de auto gevoerde telefoongesprekken - waarvan het Hof heeft kunnen aannemen dat die niet ongemerkt aan de verdachte zijn voorbijgegaan - en de gang van zaken zoals die uit de observaties blijkt, kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte (die ter terechtzitting van het Hof van 14 juni 2004 als verklaring voor zijn betrokkenheid bij het gebeuren slechts opgaf dat "wij" naar Amsterdam gingen "voor ons plezier") geweten heeft, minst genomen in voorwaardelijk vorm, dat hij [betrokkene 2] assisteerde bij het ophalen van een partij drugs.

16. Het voorgaande in aanmerking genomen getuigt 's Hofs oordeel dat ten aanzien van de verdachte sprake is geweest van een voor medeplegen van het feit vereiste bewuste en nauwe samenwerking met diens kompanen, gericht op het aanwezig hebben van een partij cocaïne, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is in zoverre toereikend met redenen omkleed.

17. Met betrekking tot de klacht van het middel over de ontbrekende nadere bewijsmotivering van 's Hofs oordeel geldt mutatis mutandis hetgeen reeds onder punt 8 werd opgemerkt.

18. Het tweede middel faalt.

19. Het derde middel richt zich met een reeks klachten tegen het door het Hof onder 3 subsidiair bewezenverklaarde feit.

20. Ten laste van de verdachte is onder 3 subsidiair bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 augustus 2001 tot en met 3 juli 2002 te Arnhem en te Nijmegen, tezamen en in vereniging met anderen, uit winstbejag [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland, door genoemde personen (telkens) in Nederland met zijn auto te vervoeren, terwijl hij (telkens) wist dat dat verblijf wederrechtelijk is"

21. In de toelichting op het middel wordt ten eerste de klacht gepresenteerd dat het Hof het door de verdediging gevoerd verweer ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [slachtoffer 1] onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

22. Het Hof heeft dienaangaande overwogen:

"De raadsvrouw heeft voorts ter terechtzitting betoogd dat de verklaringen van de getuige [slachtoffer 1] niet als bewijs voor feit 3 gebezigd mogen worden, aangezien die verklaringen niet betrouwbaar en innerlijk tegenstrijdig zijn.

Het hof verwerpt ook dit verweer.

Anders dan door de raadsvrouw betoogd acht het hof de verklaringen van [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar, nu deze verklaringen, wat er ook zij van innerlijke tegenstrijdigheden daarin op sommige detailpunten, in voldoende mate ondersteund worden door onder meer de verklaring van [getuige 1] (zaakdossier S01, blz. 208 e.v.) en de verklaring van verdachte (zaakdossier S01, blz.163)."

23. Het zo-even weergegeven oordeel van het Hof is in het licht van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, met name de bewijsmiddelen 23 en 26 niet onbegrijpelijk en zodanig verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het zich onttrekt aan verdere toetsing in cassatie, zodat de klacht faalt.

24. Anders dan de steller van het middel voorts betoogt kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte ook [slachtoffer 2] met zijn auto heeft vervoerd. Uit bewijsmiddel 21 blijkt dat [slachtoffer 1] de verdachte herkende als degene die haar en [slachtoffer 2] regelmatig met een rode VW Golf van Arnhem naar Nijmegen heeft gebracht. Dat [slachtoffer 2] in haar verklaring de verdachte niet noemt, staat daaraan niet in de weg. Bewezenverklaard is dat verdachte de vrouwen tezamen en in vereniging met anderen vervoerde. Uit de bewijsmiddelen 22 en 23 blijkt dat ook anderen bij het brengen van de vrouwen betrokken waren.

25. De toelichting op het middel houdt voorts de klacht in dat de bewijsmiddelen onvoldoende steun bieden aan het bewezenverklaarde uit winstbejag handelen en dat daaruit de wederrechtelijkheid van het verblijf van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet blijkt. Wederom wordt betoogd dat het Hof niet is ingegaan op de ter terechtzitting in hoger beroep dienaangaande nadrukkelijk naar voren gebrachte standpunten van de verdediging.

26. De bewezenverklaring terzake van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde feit is toegesneden op art. 197a Sr (oud) Sr. (6) Dit artikel luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging als volgt:

"Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, of hem daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie."

27. In dit artikel is een zelfstandige vorm van medeplichtigheid strafbaar gesteld. Degene die helpt bij het verschaffen van verblijf, moet hebben gehandeld uit winstbejag.(7) Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat deze eis oorspronkelijk in algemene zin is gesteld om degene die handelt uit ideële motieven uit te zonderen. Het bestanddeel winstbejag behelst het oogmerk rechtstreeks of onrechtstreeks een financieel voordeel of ander voordeel te verkrijgen. Voor het bewijs van dit bestanddeel is niet nodig dat daadwerkelijk winst is gerealiseerd. Het bestanddeel wederrechtelijk in art. 197a Sr houdt in dat het verblijf in strijd was met het objectieve (Nederlandse vreemdelingen-)recht, en wel ongeacht of zulks vervat is in de wet of elders.(8)

28. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door de verdachte en zijn mededaders onder valse voorwendsels naar Nederland gelokt en daar gedwongen om in de prostitutie te werken. In bewijsmiddel 10 noemt [slachtoffer 1] als antwoord op de vraag wie haar tot prostitutie hebben gebracht een aantal mannen, waaronder "in de derde plaats" de verdachte als één van de twee chauffeurs. Het verdiende geld moest door de vrouwen worden afgedragen. Daaruit heeft het Hof mijns inziens gevoeglijk kunnen afleiden dat de verdachte als deelnemer aan de criminele organisatie uit winstbejag handelde.

29. Het gevoerde verweer noopte daarbij niet tot een nadere motivering. Dat verweer houdt slechts in dat het OM er niet in is geslaagd het bewijs van winstbejag te leveren. Volgens de raadsvrouw van de verdachte blijkt nergens uit wat voor de verdachte de reden is geweest om de vrouwen te vervoeren: "Hield hij van vrouwelijk gezelschap? Is hij een filantroop? Het kan allemaal." Als de raadsvrouw onderbouwd had aangevoerd dat de verdachte uit een ideëel (of een ander vergelijkbaar) motief had gehandeld, was mogelijk sprake geweest van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat nadere motivering vergde. Daarvan is nu in elk geval geen sprake.

30. Uit de gebezigde bewijsmiddelen - waaruit onder meer blijkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een vals paspoort kregen voordat zij moesten gaan werken - kan voorts worden afgeleid dat de beide vrouwen niet over geldige verblijfsdocumenten beschikten en niet op legale wijze - en dus wederrechtelijk - in Nederland verbleven. Het verweer dat het gebruik van valse paspoorten "niets" zegt over de feitelijke verblijfsstatus, vormt weer geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat tot nadere motivering noopte.

31. Voorzover de toelichting op het middel nog het bezwaar bevat dat het Hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv zijn beslissing niet in het bijzonder heeft gemotiveerd voor zover die afweek van het door de verdediging aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het incidenteel vervoeren naar een werkplek niet oplevert het behulpzaam zijn bij het verblijf in Nederland, merk ik het volgende op.

32. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 februari 2005 gehechte pleitnota (p. 6) blijkt dat de raadsvrouw aldaar het verweer van die strekking heeft gevoerd. Dit verweer is niet van louter feitelijke aard. Daarin wordt tevens de rechtsvraag aan de orde gesteld of de handelingen die de verdachte heeft gepleegd, zijn aan te merken als het behulpzaam zijn bij verblijf in Nederland in de zin van art. 197a (oud) Sr. Reeds voor de invoering per 1 januari 2005 van het art. 359 lid 2 (nieuw) Sv moest op een dergelijk betoog worden ingegaan (Dakdekkersjurisprudentie). Ook in de nieuwe situatie diende het verweer door het Hof gemotiveerd te worden verworpen (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, r.o. 3.4. en 3.6.). De omstandigheid dat het Hof niet een gemotiveerde beslissing op bedoeld verweer heeft gegeven, behoeft mijns inziens echter niet tot cassatie te leiden op grond van het navolgende.

33. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 oktober 2003, NJ 2003, 437(9) met betrekking tot art. 197a (oud) Sr geoordeeld dat:

"3.7.(...) het bestanddeel "behulpzaam bij" in art. 197a Sr in overeenkomstige zin moet worden uitgelegd als in art. 48 Sr. Daarbij gaat het er onder meer om of de betrokkene het verblijf in Nederland van de vreemdeling in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt (vgl. HR 7 april 1998, NJ 1998, 558).

3.8. Naar strookt met doel en strekking van art. 197a Sr, te weten het tegengaan van mensensmokkel, en met het algemeen spraakgebruik dient onder "het verblijven in Nederland" als bedoeld in dat artikel te worden verstaan: elk zich ophouden in Nederland. Voor dat oordeel vindt de Hoge Raad - met het Hof - mede steun in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 7 oktober 1996 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht (mensensmokkel), Stb. 505, (...)."

34. In het zojuist aangehaalde arrest heeft de Hoge Raad beslist dat het in Nederland vervoeren van vreemdelingen met het doel hen naar een ander land te brengen, behulpzaamheid bij het verblijf in Nederland oplevert. Daarmee is nog niet gezegd dat elk vervoeren van illegale vreemdelingen strafbare behulpzaamheid oplevert. Uit de bewijsmiddelen blijkt evenwel dat er in casu meer aan de hand was. Daaruit blijkt dat het vervoeren van de vreemdelingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] telkens plaats had in het kader van hun werkzaamheden als prostituees en met het (uitsluitende) doel die werkzaamheden mogelijk te maken. Het oordeel dat de verdachte door de vrouwen met dat doel van Arnhem naar Nijmegen vice versa te vervoeren, het verblijf van die vrouwen in Nederland heeft bevorderd en gemakkelijk gemaakt en dat hij aldus behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland van die personen in de zin van art. 197a (oud) Sr, is mijns inziens juist. Het verweer zoals in het middel bedoeld had slechts verworpen kunnen worden.

35. Naar aanleiding van het middel merk ik nog het volgende op. Het doet wat wrang aan om de activiteiten van de verdachte, die ertoe bijdroegen dat de vrouwen tot prostitutie werden gedwongen, als aan die vrouwen verleende hulp te bestempelen en te zeggen dat hun verblijf in Nederland daardoor "gemakkelijk" werd gemaakt. De wetgever is er echter vanuit gegaan dat mensensmokkel (art. 197a Sr) en mensenhandel (art. 250a Sr) kunnen samengaan. Dat de vreemdelingen tegen hun wil seksueel werden geëxploiteerd, sluit dus de toepasselijkheid van art. 197a Sr niet uit. (10)

36. Het derde middel faalt.

37. De middelen falen en kunnen - op de laatst besproken klacht van het derde middel na - worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

38. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 18 november 1997, NJ 1998, 225 m.nt. JdH; HR 8 oktober 2002, NJ 2003, 64.

2 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, r.o. 3.7.1. Zie ook HR 18 april 2006, LJN AV2377, rov. 3.

3 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, r.o. 3.8.2.

4 Vgl. HR 6 december 2005, LJN AU2246, r.o. 4.6.

5 De Hullu, Materieel strafrecht, 2e druk, p. 452 e.v.

6 Dit artikel is nadien gewijzigd bij Wet van 9 september 2004, Stb. 2004, 645, iwtr. 1 januari 2005, Stb. 2004, 690 en bij Wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 24, iwtr. 1 februari 2006. Het tweede lid van art. 197a Sr luidt thans als volgt: "Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het in het eerste lid genoemde protocol, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie."

7 Het bestanddeel "uit winstbejag" is aldus in het tweede lid van het nieuwe artikel gehandhaafd. Aangenomen moet worden dat de term in de nieuwe bepaling niet een andere betekenis heeft gekregen dan onder de werking van de oude bepaling het geval was. Zie hierover Kamerstukken II, 2003-2004, 29 291, nr. 3, p. 4-8.

8 NLR, aant. 5 op art. 197a Sr (suppl. 130, februari 2005).

9 Vgl. HR 9 december 2003, LJN AN7241.

10 Vgl. NLR, aant. 8 op art. 197a (suppl. 130, februari 2005).