Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY8344

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
01-11-2006
Zaaknummer
02921/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY8344
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

In aanmerking genomen dat de opgelegde geldboete gelijk is aan het inbeslaggenomen geldbedrag waarvan het hof de teruggave aan verdachte heeft gelast, is de motivering van de oplegging van de geldboete niet onbegrijpelijk. Hetgeen in de toelichting op het middel is vermeld omtrent een ten laste van verdachte gelegd derdenbeslag en twee andere schulden doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 476
JOL 2006, 664
RvdW 2006, 1053

Conclusie

Nr. 02921/05

Mr. Vellinga

Zitting: 12 september 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden en een geldboete van € 20.620,==, subsidiair 247 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaak met zaaksnummer 02920/05 waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Het eerste middel bevat diverse klachten die zijn gericht tegen de verwerping van - kort gezegd - een art. 359aSv-verweer.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 19 september 2003 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 1.086 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet."

5. De bewijsmiddelen houden in dat op 19 september 2003 te 's Gravenhage bij een integrale verkeerscontrole tijdens een doorzoeking voor de Wet op de accijns in een auto, die werd bestuurd door verdachtes vriend en waarin naast verdachte, zittend voorin naast de bestuurder, op de achterbank ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2] meereden, een tas is aangetroffen met daarin in plastic zakjes verpakt totaal 1.086 gram cocaïne. Verdachte had die tas bij zich. Bij een veiligheidsfouillering werd onder haar een bedrag van € 20.620,= aangetroffen en inbeslaggenomen. De bestuurder kookte cocaïne bij een vriend in Dordrecht. Hij deed deze in plastic zakjes. De verdachte hielp hem daarbij. Als zij met verdachte weer eens iets moest afleveren, telde ze haar geld. Zij had veel geld in haar roze tasje.

6. Volgens de toelichting op het middel is het Hof eraan voorbijgegaan dat er na een onderzoek van de auto op grond van de Wegenverkeerswet geen valide reden meer was om de auto te onderzoeken op basis van de bij art. 83 Wet op de accijns gegeven bevoegdheid. Voorts wordt betoogd dat de in art. 83 Wet op de accijns gegeven bevoegdheid niet is aangewend voor het doel waarvoor deze bevoegdheid in het leven is geroepen.

7. Het Hof heeft vastgesteld dat de bestuurder van de auto waarin de verdachte meereed, toestemming heeft gegeven voor de doorzoeking. Reeds daardoor is de doorzoeking gelegitimeerd.(1) Daarbij teken ik aan dat van de zijde van de verdachte geen bijzondere omstandigheden zijn genoemd die zouden meebrengen dat de toestemming van de bestuurder als "gezagvoerder" van de auto niet toereikend zou zijn en daarom ook de toestemming van een of meer andere inzittenden van de auto vereist zou zijn.

8. Nu genoemde toestemming de verwerping van het verweer zelfstandig kan dragen, behoeft het middel geen bespreking.(2)

9. Het tweede middel behelst de klacht dat de in art. 83 Wet op de accijns neergelegde bevoegdheid strijdt met art. 8 EVRM.

10. Ook voor dit middel geldt dat het gezien de door de bestuurder verleende toestemming voor de doorzoeking buiten bespreking kan blijven.

11. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof de oplegde geldboete onvoldoende heeft gemotiveerd. Het Hof heeft in de strafmotivering weliswaar overwogen dat bij oplegging van de geldboete van € 20.620,== rekening is gehouden met de draagkracht van de verdachte, maar dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn in het licht van de gegevens die het Hof bekend moeten zijn geweest met betrekking tot haar financiële situatie.

12. De stellers van het middel wijzen daarbij op hetgeen uit de verklaringen van de verdachte blijkt omtrent diverse schulden, als wel op de omstandigheid dat in de appèlmemorie van de Officier van Justitie wordt vermeld dat op een deel van het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag derdenbeslag is gelegd door de Sociale Dienst. Daarbij wordt gewezen op HR 11 januari 1994, NJ 1994, 410. In die zaak was ter terechtzitting door de verdachte en de verdediging betoogd dat op het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag van f 120.000,== ook door de fiscus beslag was gelegd. Het oordeel van het Hof dat - in weerwil van dat beslag - de draagkracht van de verdachte toereikend was om de opgelegde geldboete ter hoogte van het inbeslaggenomen geldbedrag te voldoen, achtte de Hoge Raad zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

13. De genoemde zaak verschilt van de onderhavige omdat hier volgens Officier van Justitie in de appelmemorie(3) op het inbeslaggenomen bedrag uit anderen hoofde maar ten dele beslag is gelegd, en wel tot een bedrag van € 5.194,13.

14. De bewijsmiddelen houden in dat onder de verdachte een bedrag van € 20.620,== is aangetroffen. Dat is een omstandigheid die onmiskenbaar wijst op een aanzienlijke draagkracht. Genoemd bedrag aan geld is in beslag genomen maar door het Hof niet verbeurdverklaard(4) en is dus blijven behoren tot haar vermogen.(5) Er is niet gesteld of gebleken dat ter zake van dat bedrag aan geld een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zou worden ingesteld anderen hoofde voor een schuld van ongeveer een kwart van het inbeslaggenomen bedrag beslag is gelegd. Er is niet aangevoerd dat genoemd bedrag aan geld niet aan de verdachte toebehoorde. Zij heeft daarentegen om teruggave verzocht. Voorts houden de bewijsmiddelen in dat de verdachte regelmatig geld telde als zij met haar vriend [betrokkene 3] weer eens cocaïne afleverde. Ook die omstandigheid wijst op een aanzienlijke draagkracht. Verder heeft het Hof niets vastgesteld dat met betrekking tot verdachtes draagkracht van belang is.

15. Hoewel de Advocaat-Generaal bij het Hof de verbeurdverklaring van het onder verdachte inbeslaggenomen bedrag aan geld, een bedrag dat gelijk is aan de hoogte van de opgelegde geldboete, heeft gevorderd, heeft de verdachte ter zake niet een beroep op daartoe ontoereikende draagkracht gedaan. Zo haar draagkracht voor verbeurdverklaring inderdaad ontoereikend was geweest, had zij voor een verweer van die strekking in het bepaalde in art. 33 lid 2 jo. 24 Sr aanknopingspunt kunnen vinden. Toch heeft zij een dergelijk verweer niet gevoerd, ook niet op grond van het beslag dat volgens de Officier van Justitie ter zake van een schuld aan de sociale dienst op dat bedrag zou zijn gelegd of op grond van hetgeen de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, overigens niet gestaafd door bescheiden, over schulden heeft verklaard.

16. In voormelde omstandigheden alsmede in aanmerking genomen dat de hoogte van de opgelegde geldboete gelijk is aan het bedrag aan geld dat onder de verdachte in beslag is genomen, wekt de hoogte van de opgelegde geldboete, ook wanneer daarbij, zoals het Hof heeft gedaan, verdachtes draagkracht in aanmerking wordt genomen, geen verbazing en behoeft de oplegging van de geldboete geen nadere motivering.

17. Het middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 81 RO.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2005, vijfde druk, p. 350, alsmede HR 8 februari 2000, NJ 2000, 316 en HR 17 november 2000, NJ 2001, 261.

2 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2004,vijfde druk, p. 86. Zie voor een geval als het onderhavige ook HR 8 februari 2000, NJ 2000, 316.

3 P. 3.

4 Het Hof heeft ten onrechte niet beslist over het inbeslaggenomen geld (vgl. art. 353 Sv), maar daar wordt niet over geklaagd.

5 Vgl. HR 12 maart 2002. NJ 2002, 396.