Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY8322

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
31-10-2006
Zaaknummer
00093/06 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY8322
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rechtsdwaling. ‘s Hofs oordeel dat verdachte niet heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid t.a.v. de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedragingen is hierop gegrond dat op verdachte de zelfstandige verplichting rustte te voldoen aan de bestaande wet- en regelgeving en zich daaromtrent te informeren. ‘s Hofs oordeel dat verdachte daarin is tekortgeschoten door na te laten zelf bij enige bevoegde instantie te informeren naar de reikwijdte, strekking of betekenis van de geldende wet- en regelgeving en af te gaan op het feit dat het wisselkantoor waarmee verdachte jarenlang zaken heeft gedaan haar er niet op heeft gewezen dat haar gedrag in strijd was met de wet, en dat daarom het beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling moet worden verworpen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 659
NJ 2006, 602
RvdW 2006, 1046
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00093/06 E

Mr. Vellinga

Zitting: 12 september 2006

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 4, eerste lid, van de Wet inzake de wisselkantoren, begaan door een rechtspersoon", en 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,--.

2. Namens verdachte heeft mr. V. Kraal, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaken met de nummers 00096/06 E, 00097/06 E en 00099/06 E, waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte de zaak niet heeft teruggewezen naar de Rechtbank wegens schending van art. 38 WED.

4. De inleidende dagvaarding in deze zaak had betrekking op een drietal feiten dat aan de verdachte was tenlastegelegd. Alle drie die feiten behelsden delicten die krachtens art. 1 WED als economische delicten worden aangemerkt en waarover derhalve uitsluitend de economische strafkamer bevoegd was te oordelen. In weerwil daarvan houdt de dagvaarding niet in dat de zaak zal dienen voor de economische strafkamer, en houden voorts noch de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg noch het vonnis in dat het onderzoek heeft plaatsgevonden door een economische strafkamer.

5. Door de advocaat-generaal bij het Hof is dit onderkend. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2005 houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"Dadelijk na de ondervraging van de vertegenwoordiger van de verdachte naar zijn personalia brengt de advocaat-generaal naar voren dat het onderzoek in eerste aanleg nietig is. Hij voert daartoe -zakelijk weergegeven- het volgende aan.

Blijkens de inleidende dagvaarding is de strafzaak niet aangebracht bij de economische rechter. Dit terwijl op de dagvaarding louter economische delicten staan vermeld. Ook uit het vonnis en het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg kan niet worden afgeleid dat de zaak door de economische rechter is behandeld. De vraag of de rechtbank zich niet onbevoegd had behoren te verklaren, rijst derhalve. Ik heb hierover contact gehad met mr. Peeters, voorzitter van de strafsector in de rechtbank te Amsterdam. Mij is gebleken dat alle rechters bevoegd waren als lid van de economische strafkamer te fungeren. Dit is door voornoemde Peeters in een mailbericht bevestigd. Een afschrift van dit mailbericht zal ik aan u overleggen.

Bij mij blijft de vraag open staan of de betreffende strafkamer in eerste aanleg ook wel als economische strafkamer heeft gezeten. De wet beoogt te waarborgen dat een gespecialiseerde kamer oordeelt over economische zaken. De wet lijkt niet veel ruimte te laten voor afwijking daarvan. Ik verwijs hierbij nog naar het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 1968 [NJ 1968, 69, WHV], waarin de Hoge Raad uit feiten en omstandigheden afleidt dat de strafzaak is behandeld door een economische strafkamer. In de onderhavige strafzaak zijn dergelijke aanknopingspunten echter niet te vinden. Op grond van het vorenstaande verzoek ik u derhalve het vonnis te vernietigen en de betrokken rechters onbevoegd te verklaren.

De raadsman voert het woord en verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

Ik refereer mij aan uw oordeel aangaande de competentie van de rechtbank. (...)

De voorzitter deelt mede dat blijkens het door de advocaat-generaal overgelegde emailbericht alle rechters in de rechtbank te Amsterdam zijn benoemd in alle strafkamers, waaronder ook de economische kamers, en vraagt de advocaat-generaal hoe dit strookt met zijn conclusie dat de rechters in de strafkamer niet bevoegd waren als economische kamer te zitten.

De advocaat-generaal verklaart hierop -zakelijk weergegeven-:

Artikel 38 van de Wet op de economische delicten moet mijns inziens heel rigide worden geïnterpreteerd, te weten in die zin dat als het etiket 'economische kamer' er niet op staat, de kamer niet bevoegd is als economische kamer. Dat de betrokken rechters ook aangewezen zijn als economische rechter doet niet af aan het feit dat ze bij het behandelen van de onderhavige strafzaak die pet niet hebben opgezet. Naar mijn oordeel was de rechtbank derhalve onbevoegd. (...)

Het hof onderbreekt de terechtzitting voor beraad in raadkamer.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede dat de verweren strekkende tot respectievelijk onbevoegdverklaring van de rechtbank en niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, worden verworpen. Het hof overweegt hierbij het volgende.

De enkele omstandigheid dat niet vermeld is dat de betrokken rechters als economische kamer de strafzaak hebben behandeld, staat niet in de weg aan hun bevoegdheid over de onderhavige economische strafzaak te oordelen. Het hof overweegt hierbij dat het hof ambtshalve bekend is dat de betrokken rechters vaker als economische rechter op economische strafzaken hebben gezeten en dat blijkens een mailbericht van de voorzitter van de strafsector, die ten tijde van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg ook reeds voorzitter van de strafsector was, de betrokken rechters is opgedragen als lid van de meervoudige economische strafkamer te fungeren."

6. Art. 39 lid 1 WED luidde ten tijde van de beslissing van de Rechtbank::

1. Voor het bij uitsluiting behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten vormen en bezetten de arrondissementsrechtbanken op voorstel van de president enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van economische kamers. De meervoudige kamers bestaan uit drie rechters.

7. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof het door hem aangehaalde mailbericht aldus verstaan dat de rechters die het vonnis hebben gewezen op de voet van het bepaalde in art. 39 (oud) WED deel uitmaakten van de ingevolge die bepaling gevormde meervoudige economische kamer van de Rechtbank.

8. Tegen deze achtergrond moet het oordeel van het Hof over de bevoegdheid van de Rechtbank kennelijk aldus worden begrepen dat het proces-verbaal van de terechtzitting van de behandeling in eerste aanleg en het vonnis bij vergissing niet vermelden dat de zaak is behandeld en beslist door de economische strafkamer van de Rechtbank. Dat aldus begrepen oordeel is in het licht van het bepaalde in art 39 lid 1 (oud) WED en de inhoud van het door het Hof aangehaalde mailbericht niet onbegrijpelijk. Het middel gaat er dus ten onrechte vanuit dat de zaak in eerste aanleg niet is behandeld door de economische kamer van de Rechtbank. Het faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.

9. Het tweede middel klaagt over de verwerping van een beroep op verschoonbare rechtsdwaling.

10. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. zij in of omstreeks de periode van 30 september 1997 tot en met 30 november 1999 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk (in strijd met artikel 4 van de Wet op de wisselkantoren) als wisselkantoor werkzaam is geweest, immers heeft/hebben [verdachte] en/of haar mededader, beroeps- en/of bedrijfsmatig ten behoeve en/of op verzoek van anderen opzettelijk wisseltransacties uitgevoerd, te weten:

- op of omstreeks 30 september 1997: DEM 194.990,- en

- op of omstreeks 7 november 1997: GBP 70.000,- en

- op of omstreeks 19 december 1997: GBP 14.745,- en $ 171.850,- en

- op of omstreeks 23 januari 1998: GBP 116.810,- en DEM 185.960,- en

- op of omstreeks 12 maart 1998: $ 106.150,- en

- op of omstreeks 2 april 1998: GBP 110.000,- en

- op of omstreeks 11 mei 1998: DEM 89.700,- en DEM 251.320,- en SCP 11.600,- en

- op of omstreeks 16 juni 1998: DEM 367.740,- en

- op of omstreeks l0 juli 1998: $ 19.500,- en FRF 160.500,- en DEM 44.000,- en SCP 13.670,- en GBP 36.640,- en

- op of omstreeks 18 augustus 1998: DEM 67.500,- en DEM 235.740,- en

- op of omstreeks 16 september 1998: DEM 174.400,- en GBP 98.850,- en CAD 75.000,- en

- op of omstreeks 20 oktober 1998: DEM 199.050,- en

- op of omstreeks 7 november 1998: SEK 634.500,- en

- op of omstreeks 16 december 1998: GBP 75.250,- en

- op of omstreeks 3 februari 1999: DEM 170.360,- en

- op of omstreeks 22 april 1999: DEM 114.450,- en

- op of omstreeks 18 mei 1999: FRF 289.400,- en

- op of omstreeks 11 juni 1999: DEM 418.980,- en

- op of omstreeks 6 juli 1999: CAD 135.000,- en

- op of omstreeks 3 november 1999: DEM 115.000,- en DKK 120.000,- en SEK 149.500,- en ITL 17.300.000,- en DEM 168.140,- en GBP 15.000,- en GBP 27.880,- en DEM 111.400,-;

2. zij in of omstreeks de periode van 30 september 1997 tot en met 30 november 1999 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens beroeps- en/of bedrijfsmatig een financiële dienst heeft verleend, waarbij [verdachte] en/of haar mededader, telkens opzettelijk in strijd met het bepaalde in artikel 9 van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties, de door [verdachte] en/of haar mededader verrichte ongebruikelijke transactie niet onverwijld heeft gemeld aan het meldpunt als bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijk transacties, immers heeft [verdachte] en/of haar mededader toen en aldaar telkens beroeps- en/of bedrijfsmatig telkens een financiële dienst verricht, waarbij telkens sprake was van een indicator als bedoeld bij of krachtens artikel 8 van bedoelde Wet, te weten een of meer wisseltransacties in vreemde valuta, waarvan de tegenwaarde ligt boven fl 25.000,- bij [A] te [plaats] op naam van [verdachte], door een medewerker van [verdachte], te weten:

- op of omstreeks 30 september 1997: DEM 194.990,- en

- op of omstreeks 7 november 1997: GBP 70.000,- en

- op of omstreeks 19 december 1997: GBP 14.745,- en $ 171.850,- en

- op of omstreeks 23 januari 1998: GBP 116.810,- en DEM 185.960,- en

- op of omstreeks 12 maart 1998: $ 106.150,- en

- op of omstreeks 2 april 1998: GBP 110.000,- en

- op of omstreeks 11 mei 1998: DEM 89.700,- en DEM 251.320,- en SCP 11.600,- en

- op of omstreeks l6 juni 1998: DEM 367.740,- en

- op of omstreeks l0 juli 1998: $ 19.500,- en FRF 160.500,- en DEM 44.000,- en SCP 13.670,- en GBP 36.640,- en

- op of omstreeks 18 augustus 1998: DEM 67.500,- en DEM 235.740,-en

- op of omstreeks 16 september 1998: DEM 174.400,- en GBP 98.850,- en CAD 75.000,- en

- op of omstreeks 20 oktober 1998: DEM 199.050,- en

- op of omstreeks 7 november 1998: SEK 634.500,- en

- op of omstreeks 16 december 1998: GBP 75.250,- en

- op of omstreeks 3 februari 1999: DEM 170.360,- en

- op of omstreeks 22 april 1999: DEM 114.450,- en

- op of omstreeks 18 mei 1999: FRF 289.400,- en

- op of omstreeks 11 juni 1999: DEM 418.980,- en

- op of omstreeks 6 juli 1999: CAD 135.000,- en

- op of omstreeks 3 november 1999: DEM 115.000,- en DKK 120.000,- en SEK 149.500,- en ITL 17.300.000,- en DEM 168.140,- en GBP 15.000,- en GBP 27.880,- en DEM 111.400,-,

en deze ongebruikelijke transacties telkens niet onverwijld vermeld onder verstrekking van de gegevens als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van genoemde Wet aan eerder genoemd Meldpunt."

11. Het verkorte arrest van het Hof houdt met betrekking tot de bespreking van het in het middel bedoelde verweer het volgende in:

"De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot beide ten laste gelegde feiten aangevoerd dat door het wisselkantoor waarmede jarenlang zaken werden gedaan nooit aanmerking is gemaakt op de activiteiten van verdachte, terwijl het wisselkantoor op de hoogte was van de inhoud van deze activiteiten en van de bestaande wettelijke voorschriften; bovendien was, in verband met hetgeen onder 3 is ten laste gelegd, ten tijde van het bewezenverklaarde - mede gezien de stand van de rechtspraak destijds - niet bekend dat verdachtes activiteiten moesten worden aangemerkt als het werkzaam zijn als wisselkantoor. De verdachte heeft derhalve in verschoonbare rechtsdwaling verkeerd en gemeend dat zijn activiteiten wettelijk waren toegestaan; in elk geval is sprake van afwezigheid van alle schuld.

Het Hof overweegt hieromtrent dat op de verdachte de zelfstandige verplichting rustte te voldoen aan de bestaande wet- en regelgeving en zich daaromtrent tijdig op de hoogte te stellen. Van die verplichting was hij niet ontslagen door [betrokkene 1] in te schakelen en vast te stellen dat van die zijde geen aanmerkingen of bedenkingen werden gemaakt. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat verdachte bij enige bevoegde instantie navraag heeft gedaan omtrent de reikwijdte, strekking of betekenis van de vigerende rechtsregels. De voor verdachte mogelijk onduidelijke stand van zaken in de rechtspraak met betrekking tot de onderhavige materie doet hier niet aan af, reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft getracht zich helderheid hieromtrent te verschaffen, terwijl ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaraan de conclusie moet worden verbonden dat sprake is van afwezigheid van alle schuld bij verdachte. Het hof verwerpt het verweer derhalve in al zijn onderdelen."

12. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat sprake is van verschoonbare rechtsdwaling mist het gelet op het voorgaande feitelijke grondslag.

13. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte een zelfstandige onderzoeksplicht had en er niet stilzwijgend van mocht uitgaan dat [betrokkene 1] hem er op zou wijzen wanneer zijn gedrag in strijd zou zijn met de wet. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Niet alleen was [betrokkene 1] belanghebbende bij het overtreden van de onderhavige wettelijke voorschriften en mocht de verdachte er reeds daarom niet op vertrouwen dat [betrokkene 1] hem er zou wijzen dat hij de wet overtrad, ook is van de zijde van de verdachte niet gesteld en evenmin is gebleken dat [betrokkene 1] als een persoon of instantie kon worden beschouwd, aan wie een zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van diens oordeel ter zake mocht vertrouwen.(1)

14. Ook het oordeel van het Hof dat de onduidelijkheid van de wettelijke regeling buiten beschouwing kan blijven omdat de verdachte niet heeft gepoogd zich te dien aanzien helderheid te verschaffen is niet onbegrijpelijk. Nu de verdachte zich niet op de hoogte heeft pogen te stellen van de inhoud van de wet kan onduidelijkheid van de wettelijke regeling hem immers niet tot dwaling ten aanzien van de inhoud daarvan hebben gebracht.

15. Het middel faalt.

16. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie daarover J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2003, tweede druk, p. 368 die voor dit criterium verwijst naar HR 13 december 1960, NJ 1961, 416, m. nt. WP en HR 9 oktober 1990, NJ 1991, 131.