Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY8050

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
C05/188HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2005:AT2882
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY8050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Geschil tussen gehandicapten(organisaties) en de Staat over de rechtmatigheid van de vervanging van het (vergoedings)systeem van bovenregionaal vervoer van chronisch zieken en gehandicapten onder de naam ‘Traxxsysteem’ door het ‘Valyssysteem’; vormde de aanspraak op reductie van het taxitarief eigendom in de zin van art. 1 EP bij EVRM?; schending van in art. 8 EVRM bedoelde negatieve verplichting van de Staat zich van inbreuken op het betrokken grondrecht te onthouden of positieve verplichting aan (verdere) verwerkelijking van het in het geding zijnde grondrecht bij te dragen?, toetsingskader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 837
NJ 2007, 292 met annotatie van E.A. Alkema
RvdW 2007, 24
NJB 2007, 149
JWB 2006/452
NTM/NJCM-bull. 2007, p. 310 met annotatie van Angela de Keizer
USZ 2007/31
GJ 2007/20 met annotatie van prof. mr. A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C05/188HR

mr. Keus

Zitting 8 september 2006

Conclusie inzake:

Chronisch Zieken en Gehandicapten Raad Nederland en 39 anderen

(hierna: CZGR c.s.)

eisers tot cassatie

tegen

1. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

(hierna: de Staat)

2. Transvision B.V.

(hierna: Transvision)

verweerders in cassatie

Het gaat in deze zaak om de (in het bijzonder grond- en mensenrechtelijke) toelaatbaarheid van het Valyssysteem. Het Valyssysteem is een voor gehandicapten getroffen voorziening voor bovenregionaal vervoer, die, anders dan het voorheen geldende TraXXsysteem, als een gelimiteerd persoonlijk kilometerbudget (pkb) voor de in aanmerking komende gebruikers is uitgewerkt.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Het vervoer ten behoeve van gehandicapten was tot 1994 geregeld in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Sinds 1994 dragen de gemeenten de zorg voor voorzieningen voor gehandicapten voor vervoer binnen de directe woon- en leefomgeving op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg). Naast de voorzieningen op grond van de Wvg bestaan nog enkele vervoervoorzieningen voor gehandicapten.

1.2 Omdat er behoefte was aan (vergoeding van) bovenregionaal vervoer voor gehandicapten en dit bovenregionaal vervoer niet tot de zorgplicht van de gemeenten behoort, heeft de Staat in 1999 een overeenkomst gesloten met vervoerbedrijf ConneXXion om per 1 juli 1999 het zogenaamde TraXX-vervoer uit te voeren. Uitgangspunt van deze overeenkomst was dat gehandicapten met het openbaar vervoer zouden reizen. ConneXXion organiseerde dat vervoer en wel zo dat een gehandicapte met de taxi naar een station werd vervoerd, met de trein naar de plaats van bestemming reisde en vervolgens weer per taxi naar de eindbestemming werd vervoerd. ConneXXion bepaalde tevens welke vervoervoorzieningen noodzakelijk waren als de gehandicapte niet per trein kon reizen en verzorgde dat vervoer. Aan de gehandicapte werden de kosten in rekening gebracht die zouden zijn gemaakt als met het reguliere openbaar vervoer zou zijn gereisd; de rest van de kosten werd door de Staat gedragen. Er gold geen limiet voor het aantal kilometers dat een gehandicapte tegen openbaarvervoertarief kon reizen.

De overeenkomst met ConneXXion was van beperkte duur. Zij gold aanvankelijk tot 1 april 2002 en is verlengd tot 1 oktober 2002. Daarna is een aanvullende overeenkomst met ConneXXion gesloten met een looptijd tot 1 april 2004.

1.3 Omdat de kosten van het bovenregionaal vervoer in 2003 sterk waren toegenomen, is een nieuwe opzet voor bovenregionaal vervoer van gehandicapten uitgewerkt. Het voor dit vervoer door de Staat gereserveerde budget voor 2004 bleef daarbij gelijk aan dat voor 2003. Via een openbare aanbestedingsprocedure is een uitvoerder voor de nieuwe regeling gezocht. De opdracht is gegund aan Transvision en op 1 april 2004 heeft de Staat een overeenkomst met Transvision gesloten. Het overeengekomen vervoersysteem wordt "Valyssysteem" genoemd. Met de overeenkomst heeft Transvision zich jegens de Staat verbonden een Valyspashouder op diens verzoek (met eventuele meereizenden) te vervoeren en hulp te organiseren bij het in en uit de taxi stappen. Om van dit systeem gebruik te kunnen maken moet de gehandicapte houder zijn van een Valyspas. Deze pas kan hij krijgen als hij beschikt over een Wvg-vervoerbeschikking, een rolstoel of scootmobiel op basis van de Wvg of over een gehandicapten-parkeerkaart of een OV-begeleiderskaart.

1.4 Met de Valyspas beschikt de gehandicapte die gebruik kan maken van het openbaar vervoer over een laag persoonlijk kilometerbudget (pkb), hetgeen in 2004 betekende dat hij op jaarbasis maximaal 450 kilometer voor sociale en recreatieve, bovenregionale doeleinden tegen een tarief van € 0,16 per kilometer met de taxi kon reizen. Dit tarief is gebaseerd op het gemiddelde tarief voor reizen met openbaar vervoer. De gehandicapte die geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer kan een hoog pkb aanvragen en krijgen. Daarmee kon hij in 2004 op jaarbasis maximaal 900 kilometer voor sociale en recreatieve, bovenregionale doeleinden tegen een tarief van € 0,16 per kilometer met de taxi reizen. Voor 2005 zijn de kilometerlimieten voor het laag en het hoog pkb bepaald op 750 respectievelijk 2250 kilometer op jaarbasis. Er is geen mogelijkheid het pkb in individuele gevallen te verhogen. Na verbruik van het pkb bedragen de kosten van vervoer met de taxi voor een sociaal of recreatief doel buiten de gemeente € 1,25 per kilometer. De gehandicapte kan tegen dit hoge tarief ongelimiteerd van het Valysvervoer gebruik maken.

1.5 CZGR c.s. hebben de Staat en Transvision op 16 juni 2004 in kort geding voor de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage gedagvaard en (zakelijk weergegeven) gevorderd:

- primair dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat gehandicapten zich bij gebruikmaking van het Valyssysteem voor bovenregionaal vervoer over een onbeperkt aantal kilometers per jaar tegen een tarief van € 0,16 per kilometer kunnen verplaatsen, zulks onder bepaling dat de Staat en Transvision de gehandicapten daartoe in staat moeten stellen en dat de Staat dit aan Transvision moet vergoeden,

- subsidiair dat de voorzieningenrechter de Staat zal opdragen met CZGR c.s. in overleg te treden teneinde een systeem voor bovenregionaal vervoer voor gehandicapten tot stand te brengen waarin het gebruik van dat systeem niet is gebonden aan een kilometerbeperking en dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat in de periode gedurende welke zo'n systeem er nog niet is, een regeling zoals primair gevorderd geldt,

- meer subsidiair dat de voorzieningenrechter de Staat zal opdragen met CZGR c.s. in overleg te treden teneinde een systeem voor bovenregionaal vervoer tot stand te brengen waarin het gebruik van dat systeem niet aan een kilometerbeperking is gebonden(2).

1.6 CZGR c.s. hebben aan hun vorderingen het volgende ten grondslag gelegd:

- de Staat handelt, door de invoering van het Valyssysteem met een vervoertarief van € 0,16 dat hoger is dan het voor niet-gehandicapten geldende openbaarvervoertarief en duurder dan TraXX, met een kilometerlimiet (ook voor gehandicapten die niet met het openbaar vervoer kunnen reizen) en met een redelijkerwijze niet op te brengen tarief van € 1,25, in strijd met het gelijkheidsbeginsel (art. 1 Grondwet, art. 14 EVRM, art. 26 IVBPR en art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM), het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bewegingsvrijheid (art. 10 Grondwet en art. 8 EVRM j° art. 14 EVRM, art. 2 Vierde Protocol bij het EVRM en art. 12 IVBPR) en het recht op het ongestoord genot van eigendom (art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM j° art. 14 EVRM);

- de overeenkomst tussen de Staat en Transvision bevat, waar het betreft de ten behoeve van de gehandicapten te leveren prestaties, derdenbedingen als bedoeld in art. 6:253 BW, waardoor de Valyspashouders op de voet van art. 6:254 BW bij de overeenkomst partij zijn. Ingevolge art. 6:248 lid 2 BW is de tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel die het jaarlijkse aantal tegen het tarief van € 0,16 te reizen kilometers beperkt, niet van toepassing, omdat die regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De overeenkomst moet daarom zonder de limitering worden gelezen(3).

De Staat en Transvision hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

1.7 Bij vonnis van 9 juli 2004 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van CZGR c.s. afgewezen, de kosten van het geding tussen CZGR c.s. en de Staat gecompenseerd, in dier voege dat ieder van deze partijen de eigen kosten draagt, en CZGR c.s. in de kosten van het geding tegen Transvision veroordeeld.

1.8 CZGR c.s. hebben bij dagvaarding van 28 juli 2004, tevens houdende hun grieven, (spoed)appel van het vonnis van de voorzieningenrechter bij het hof 's-Gravenhage ingesteld. De Staat en Transvision hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Voorts heeft de Staat zijnerzijds incidenteel appel ingesteld(4). In het incidenteel appel hebben CZGR c.s. zich gemotiveerd verweerd.

In het principale appel zijn CZGR c.s. opgekomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter:

- dat de Staat in dezen een ruime mate van beleidsvrijheid heeft,

- dat een zeer terughoudende toetsing dient plaats te vinden - te meer daar het een kort geding betreft -;

- dat het Valyssysteem (in samenhang met de andere bestaande vervoervoorzieningen) in de behoefte van het merendeel van de betrokken personen voorziet;

- dat geen van de aangehaalde grondrechten betrekking heeft op hetgeen in de onderhavige procedure aan de orde is;

- dat niet uit de verdragsrechtelijke en grondrechtelijke bepalingen voortvloeit dat gehandicapten in alle gevallen in staat moeten worden gesteld om geen andere beperkingen bij het bovenregionaal reizen te ondervinden dan rechtstreeks uit hun handicap voortvloeit en dat een regulering (met bijvoorbeeld een maximering) op zichzelf geoorloofd moet worden geacht(5).

De Staat is met zijn incidentele grieven opgekomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het twijfelachtig is of de absolute maxima van 450 respectievelijk 900 kilometer in voldoende mate en in ieder individueel geval recht doen aan de opdracht die de Grondwet en verdragen de Staat opleggen en tegen de door de voorzieningenrechter uitgesproken compensatie van de proceskosten(6).

1.9 Het hof heeft bij arrest van 31 maart 2005 het bestreden vonnis voor wat betreft de compensatie van de kosten van het geding tussen CZGR c.s en de Staat vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, CZGR c.s. in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld. Voor het overige heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd en CZGR c.s. in de proceskosten van het hoger beroep veroordeeld.

1.10 Het hof heeft (onder meer) als volgt overwogen:

"4.1 Het hof overweegt vooreerst het volgende. Anders dan appellanten stellen - en ook anders dan waar hun deskundigen prof.mr. F. van Hoof en prof. O. de Schutter vanuit lijken te gaan, nu zij aannemen dat de Staat het Valyssysteem voor het TraXXsysteem in de plaats heeft gesteld - heeft de Staat met het Valyssysteem niet ingegrepen in een (bestaande) overeenkomst over het TraXXsysteem. De Staat heeft de TraXXovereenkomst niet opgezegd of op andere wijze actief doen beëindigen. De TraXXovereenkomst was van bepaalde duur; zij eindigde aanvankelijk in 2002 en is voor beperkte duur verlengd tot 1 april 2004. Voor de periode daarna was geen bovenregionaal taxivervoer voor gehandicapten voor sociale of recreatieve doelen geregeld. Door de overeenkomst met Transvision en daarmee de invoering van het Valyssysteem heeft de Staat ervoor gezorgd dat er voor gehandicapten ook na afloop van de overeenkomst met ConneXXion een mogelijkheid bleef bestaan om bovenregionaal tegen gereduceerd tarief met de taxi te reizen. Met het Valyssysteem belemmert de Staat de mobiliteit van gehandicapten niet met bijvoorbeeld een verbod op ongelimiteerd gebruik van gehandicaptenvervoer of weigering van toegang tot bestaande openbare voorzieningen.

(...)

5.1 Het recht op gelijke behandeling (en daarmee samenhangend, het gebod om ongelijke gevallen ongelijk te behandelen naar de mate van ongelijkheid), het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het respect voor het privé- en gezinsleven en de bewegingsvrijheid scheppen geen verplichting tot het treffen van een door de Staat gefinancierde voorziening voor bovenregionaal vervoer en verbieden de Staat niet om - binnen of buiten het Valyssysteem - alleen een deel van de kilometers die gehandicapten bovenregionaal sociaal recreatief met de taxi willen reizen financieel te ondersteunen. Een (wettelijke) plicht om gehandicapten in staat te stellen zich over een onbeperkt aantal kilometers per jaar te verplaatsen voor bovenregionale, sociaal recreatieve doeleinden, tegen een tarief van hoogstens € 0,16 per kilometer, volgt ook niet uit de taak van de Staat om maatregelen te treffen ter bevordering van integratie van gehandicapten en van hun deelname aan het maatschappelijk verkeer. De Staat heeft de (politieke) keuze gemaakt om een (gemaximeerd) budget voor gehandicaptenvervoer te reserveren en om een voor iedere gehandicapte gelijkelijk geldende regeling te treffen die binnen dat budget past. Deze vrije beleidskeuze, herhaald wordt dat de regeling noch in formele noch in materiële regelgeving haar grond vindt, is tot stand gekomen in overleg met het parlement, een belangenafweging heeft plaatsgevonden en de uitkomst van een en ander is niet evident onredelijk of onmiskenbaar onrechtmatig. Het feit dat de getroffen regeling geen uitzonderingsmogelijkheden kent, zodat (sommigen van de) gehandicapten door de hoge kosten van vervoer boven het pkb zich gedwongen zien om minder bovenregionale contacten te hebben waarbij zij zelf moeten reizen of om deze contacten met andere hulp te reizen dan met behulp van het taxivervoer van het Valyssysteem, maakt evenmin dat de kilometerlimiet in Valyssysteem jegens hen onmiskenbaar onrechtmatig is.

6. Er is ook geen sprake van een inbreuk op ongestoord genot van eigendom, zoals bedoeld in artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. De geboden aanspraak op reductie van het taxitarief zoals dat binnen het TraXXsysteem (tot 1 april 2004) bestond, kan niet worden aangemerkt als eigendom in de (ruime) zin van artikel 1 van genoemd Protocol. Het bedrag dat de Staat bijlegde voor de taxidiensten was per gehandicapte en per jaar verschillend en direct afhankelijk van het aantal kilometers dat de gehandicapte in dat jaar reed. Gehandicapten hadden vóór het gebruik van het vervoer geen aanspraak op een bepaalde vervoersuitkering. Zij kregen geen tegemoetkoming voor een vastgelegde hoeveelheid kilometers, ongeacht gebruik en zij konden ook geen reiskilometers of kilometervergoedingen verhandelen bij niet gebruik.

Door invoering van het Valyssysteem is ook niet een concrete aanspraak die op grond van reeds verleende diensten achteraf zou kunnen bestaan, ontnomen."

1.11 Het hof was van oordeel dat de Staat niet onrechtmatig handelt door het aantal tegen betaling van € 0,16 per kilometer te reizen kilometers te beperken (rov. 7). Het hof was verder van oordeel dat CZGR c.s. geen belang hebben bij beoordeling van de vraag of van een derdenbeding in de overeenkomst tussen de Staat en Transvision sprake is, omdat, naar uit de voorgaande rechtsoverwegingen immers volgt, de Staat en Transvision de overeenkomst grondwettelijk en verdragsrechtelijk mochten aangaan zoals zij hebben gedaan, inclusief een limiet voor het aantal tegen betaling van € 0,16 te verzorgen kilometers, zodat er, mede gezien het gegeven dat het niet mogelijk is het gehandicaptenvervoer budgettair neutraal uit te voeren zonder aan ofwel het aantal rechthebbenden ofwel aan het door de rechthebbenden te maken gebruik limieten te stellen, geen grond is de kilometerlimiet als in strijd met de redelijkheid en billijkheid opzij te zetten (rov. 8). Het hof was van oordeel dat de primaire vordering van CZGR c.s. dient te worden afgewezen. Omdat er geen wettelijke grond is om de Staat te verplichten met appellanten in overleg te treden teneinde een systeem voor bovenregionaal vervoer voor gehandicapten tot stand te brengen waarin het gebruik van dat systeem niet aan een kilometerbeperking is gebonden, heeft de voorzieningenrechter naar het oordeel van het hof ook de subsidiaire en de meer subsidiaire vordering van appellanten terecht afgewezen (rov. 10).

1.12 CZGR c.s. hebben tijdig beroep in cassatie van het arrest van het hof ingesteld(7). Het cassatiemiddel van CZGR c.s. omvat een korte inleiding en een vijftal (overigens niet als zodanig genummerde) klachten. De Staat en Transvision hebben bij conclusie van antwoord tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd. Partijen hebben hun respectieve standpunten vervolgens schriftelijk doen toelichten, waarna CZGR c.s. nog hebben gerepliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Inleiding

2.1 Alvorens de klachten van het cassatiemiddel te bespreken, wijs ik erop dat het hof, partijen en de door CZGR c.s. geraadpleegde deskundigen de grond- en mensenrechtelijke vragen in verband met de introductie van het Valyssysteem, en vooral die welke met art. 8 EVRM samenhangen, niet steeds vanuit hetzelfde perspectief hebben benaderd. Vooral uit de uiteenlopende betekenis die het hof, partijen en de door CZGR c.s. geraadpleegde deskundigen aan het voorheen geldende TraXXsysteem hebben toegekend, blijkt een verschil van inzicht over de vraag of het geschil moet worden geplaatst in de sleutel van de negatieve verplichting zich van inbreuken op de betrokken grondrechten te onthouden, dan wel van de positieve verplichting aan de (verdere) verwerkelijking van de betrokken grondrechten bij te dragen.

De Staat en Transvision hebben onmiskenbaar voor die laatste invalshoek gekozen. Zo stellen de mrs. Snijders en Teuben zich in hun schriftelijke toelichting onder 2.13 zelfs op het standpunt dat het in dit geschil "in wezen om een sociaal grondrecht" gaat.

CZGR c.s. lijken daarentegen van de eerste invalshoek uit te gaan. Hier kan bijvoorbeeld worden verwezen naar de repliek van mr. Duk, waarin onder 5 wordt gesteld:

"(...) De aan het oordeel van de rechter voorgelegde vraag is daarmee niet of er een "positieve" verplichting was om een systeem als "TraXX" tot stand te brengen, maar of er een "negatieve" verplichting is om een systeem met kenmerken als die van het tot dan geldende "TraXX" te behouden, althans een systeem met die kenmerken tot uitgangspunt te nemen en reductie slechts bij gebleken noodzaak door te voeren."

Met die benadering is ook in overeenstemming dat CZGR c.s. in cassatie klagen dat de vervanging van het TraXXsysteem door een systeem dat door een lager voorzieningenniveau wordt gekenmerkt, in overeenstemming dient te zijn met de "terzake te hanteren eisen van, onder meer, zakelijke rechtvaardiging (legitimiteit) en proportionaliteit" (zie cassatiedagvaarding, p. 7), welke eisen, zoals hierna nog aan de orde komt, in het bijzonder voor de rechtvaardiging van het verzaken van een negatieve verplichting van belang zijn.

Ook de door CZGR c.s. geraadpleegde deskundigen volgen niet steeds dezelfde benadering. Zo stelt prof. O. De Schutter in zijn "supplementary brief" (p. 2/3) van 15 januari 2006 voorop dat, anders dan het hof kennelijk veronderstelde, zijn eerste advies niet ertoe strekte dat het TraXXsysteem had moeten worden gehandhaafd. Integendeel: volgens prof. De Schutter in zijn "supplementary brief" gold dat "(...) after the period during which the agreement between the State and ConneXXionn was in force, the State could have adopted any scheme for the public interregional transportation of persons with disabilities, provided that the following conditions are respected by the scheme:", waarna hij (op p. 3) drie eisen formuleert, die geheel losstaan van (het voorzieningenniveau van) het voorheen geldende TraXXsysteem. Dat prof. De Schutter althans in zijn "supplementary brief" het spoor van de positieve verplichting volgt, blijkt ook daar waar hij (op p. 2) refereert aan de rechtspraak volgens welke het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in verband met art. 8 EVRM "did not exclude that there could be a positive obligation imposed on the state authorities to ensure that individuals may have access to other locations than their own" en waar hij (in termen van een dergelijke positieve verplichting) spreekt van "solutions the State may or may not develop in order to ensure the fulfilment of this right (de in art. 8 EVRM vervatte rechten; LK)". Opmerkelijk is ten slotte dat, waar uit het eerste advies nog kon worden afgeleid dat ook prof. De Schutter een schending van een negatieve verplichting voor ogen had, hij dat eerste advies (op p. 6 van de "supplementary brief") aanzienlijk heeft gerelativeerd(8). Prof. F. van Hoof volgt (ook in zijn aanvullend advies) het spoor van de geschonden negatieve verplichting; zo stelt hij op p. 2 van zijn aanvullende advies van januari 2006: "In het licht van het voorgaande is evident dat vervanging van het TraXX systeem door het Valys systeem een inbreuk ("interference") vormt op de in artikel 8 (1) vervatte rechten van gehandicapten."

Het hof heeft in het bestreden arrest mijns inziens voor de invalshoek van het al dan niet bestaan van een positieve verplichting gekozen. Daarop wijst reeds de openingszin van rov. 5.1: "Het recht op gelijke behandeling (en daarmee samenhangend, het gebod om ongelijke gevallen ongelijk te behandelen naar de mate van ongelijkheid), het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het respect voor het privé- en gezinsleven en de bewegingsvrijheid scheppen geen verplichting tot het treffen van een door de Staat gefinancierde voorziening voor bovenregionaal vervoer en verbieden de Staat niet om - binnen of buiten het Valyssysteem - alleen een deel van de kilometers die gehandicapten bovenregionaal sociaal recreatief met de taxi willen reizen financieel te ondersteunen."

2.2 Het is naar mijn mening om een aantal redenen niet onverschillig voor welke benadering (die van de negatieve, dan wel de positieve verplichting) wordt gekozen.

In de eerste plaats verschillen de kaders waarbinnen de toelaatbaarheid van het nalaten van een positieve actie enerzijds en van een inbreuk op een negatieve verplichting ("interference") anderzijds moeten worden beoordeeld. De (goeddeels op art. 8 EVRM betrekking hebbende) rechtspraak van het EHRM waarin de notie van de positieve verplichting is ontwikkeld, onderscheidde aanvankelijk scherp tussen de beoordeling van positieve maatregelen (of het uitblijven daarvan), waarvoor een "fair balance"-test werd ontwikkeld, en de beoordeling van "interferences", die (onverminderd) aan de hand van de (strenge,) in art. 8 lid 2 EVRM genoemde criteria diende te geschieden. Art. 8 lid 2 en de daarin genoemde criteria waren in die benadering slechts voor de reikwijdte van de uit art. 8 EVRM voortvloeiende negatieve verplichtingen van belang. In latere rechtspraak heeft het EHRM, vooral omdat bleek dat niet steeds scherp tussen de uit art. 8 EVRM voortvloeiende positieve en negatieve verplichtingen kon worden onderscheiden, weliswaar ook de verschillen in beoordeling gerelativeerd, in het bijzonder door te benadrukken dat de daarbij toepasselijke "principles" "similar" zijn(9). Daarmee is echter niet gezegd dat het nalaten van een positieve actie enerzijds en een "interference" anderzijds op identieke wijze dienen te worden beoordeeld en dat in het bijzonder de criteria van art. 8 lid 2 EVRM bij de beoordeling van bestaan en reikwijdte van mogelijke positieve verplichtingen eenzelfde (dwingende) rol als bij de beoordeling van "interferences" zouden spelen. In een inmiddels vaste rechtspraak pleegt het EHRM het aldus uit te drukken dat in het kader van de "fair balance"-test waaraan bestaan en reikwijdte van een positieve verplichting dienen te worden onderworpen, de criteria van art. 8 lid 2 EVRM slechts van een zekere relevantie kunnen zijn. Aldus bijvoorbeeld in de recente uitspraak in de zaak Dickson/Verenigd Koninkrijk van 18 april 2006, nr. 44362/04, RvdW 2006, 581, EHCR 2006, 74, m.nt. Brems:

"32. In determining the existence and scope of any positive obligation, regard must be had to the fair balance that has to be struck between the general interest of the community and the interests of the individual, the search for which is inherent throughout the Convention. The aims mentioned in the second paragraph of Article 8 "may" have "a certain relevance" only. (...)"

Dat het EHRM de nakoming van negatieve en positieve verplichtingen niet steeds met eenzelfde gestrengheid toetst, wordt - althans naar mijn waarneming - ook bevestigd door het gegeven dat het EHRM, ondanks de principiële aanvaarding van de notie van de positieve verplichting, daaraan ontleende aanspraken maar zelden honoreert.

In de tweede plaats acht ik het van belang dat het EHRM in geval van (beweerde) positieve verplichtingen zeer streng is bij de beoordeling van het verband tussen het verlangde overheidsoptreden en de door art. 8 EVRM beschermde rechten. Dat het verlangde overheidsoptreden in algemene zin aan de sociale contacten van betrokkenen kan bijdragen, volstaat niet om een uit art. 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichting aan te nemen. Het EHRM verlangt een "direct and immediate link" tussen de verlangde maatregel en het privé-leven van betrokkene. Een dergelijk verband ontbrak in de zaak Botta/Italië, waarin Botta stelde dat hij vanwege zijn handicap op door de overheid te treffen faciliteiten was aangewezen om (ook) tijdens zijn te Lido degli Estensi doorgebrachte vakanties toegang tot het strand en de zee aldaar te hebben. In zijn uitspraak van 24 februari 1998, nr. 153/1996/772/973, ECHR 1998-I, JB 1998, 70, m.nt. AWH, NJ 1999, 691, m.nt. EJD, besliste het EHRM:

"34. The Court has held that a State has obligations of this type where it has found a direct and immediate link between the measures sought by an applicant and the latter's private and/or family life.(...)

35. In the instant case, however, the right asserted by Mr Botta, namely the right to gain access to the beach and the sea at a place distant from his normal place of residence during his holidays, concerns interpersonal relations of such broad and indeterminate scope that there can be no conceivable direct link between the measures the State was urged to take in order to make good the omissions of the private bathing establishments and the applicant's private life.

Accordingly, Article 8 is not applicable."

Het EHRM oordeelde in vergelijkbare zin in zijn ontvankelijkheidsbeslissing van 14 mei 2002 in de zaak Zehnalova en Zehnal/Tsjechië, nr. 38621/97, ECHR 2002-V, over de vanwege de handicap van Zehnalova voor haar slechte toegankelijkheid van veel openbare gebouwen in haar woonplaats.

In de derde plaats is van belang dat, waar het EHRM bij de beoordeling van zowel negatieve als positieve verplichtingen de lidstaten "a certain margin of appreciation" toekent, zijn rechtspraak er geen twijfel over laat bestaan dat die beleidsvrijheid het grootst is in verband met positieve verplichtingen waarvan de nakoming beslag op de openbare middelen legt en de vaststelling van politieke en budgettaire prioriteiten vergt. Zo overwoog het EHRM in zijn ontvankelijkheidsbeslissing van 14 januari 2005 in de zaak Pentiacova e.a./Moldavië, nr. 14462/03, EHRC 2005, 33, m.nt. Hendriks:

"The margin of appreciation referred to above is even wider when, as in the present case, the issues involve an assessment of the priorities in the context of the allocation of limited State resources (see, mutatis mutandis, Osman v. the United Kingdom, judgment of 28 October 1998, Reports of Judgments and Decisions 1998-VIII, p. 3159, § 116, and O'Reilly and Others v. Ireland (dec.), no. 54725/00, 28 February 2002, unreported). In view of their familiarity with the demands made on the health care system as well as with the funds available to meet those demands, the national authorities are in a better position to carry out this assessment than an international court. In addition, the Court should also be mindful of the fact that, while it will apply the Convention to the concrete facts of this particular case in accordance with Article 34, a decision issued in an individual case will nevertheless at least to some extent establish a precedent, valid for all Contracting States (Sentges v. the Netherlands, cited above)."

2.3 Naar ik meen heeft het hof het onderhavige geschil terecht in de sleutel (van het bestaan en de reikwijdte) van een positieve verplichting geplaatst. Dat voor de introductie van het Valyssysteem gedurende enige tijd een ander en voor de gebruiker voordeliger systeem (het TraXXsysteem) heeft gegolden, doet daaraan niet af. In een situatie waarin een lidstaat, zonder dat een positieve verplichting hem daartoe dwong, een maatregel heeft getroffen die aan de verwerkelijking van een in het EVRM vervat grondrecht zou kunnen bijdragen, kan mijns inziens niet worden aanvaard dat die lidstaat, binnen de ruimte die de voorwaarde van een "fair balance" hem biedt, daarvan niet geheel of ten dele zou mogen terugkomen, slechts omdat een uit de status quo voortvloeiende, verdergaande verplichting zich daartegen zou verzetten.

Wanneer van een "fair balance" sprake is (en daarmee: welke de reikwijdte van een eventuele positieve verplichting is), is niet afhankelijk van de (mate van) uitvoering die de lidstaat reeds aan de betrokken maatregel heeft gegeven. Weliswaar kan het feit dat een bepaalde maatregel is getroffen onder omstandigheden grond bieden aan het vermoeden dat daarmee (althans in de visie van de overheid) een "fair balance" is bewerkstelligd(10), maar anderzijds kan juist uit de ervaring met de uitvoering van een dergelijke, reeds getroffen maatregel blijken dat een "fair balance" (hetzij ten detrimente van de verwerkelijking van het betrokken grondrecht, hetzij ten detrimente van de andere betrokken belangen) in werkelijkheid nog ontbreekt. Dat een lidstaat al stappen heeft gezet die met de verwerkelijking van een grondrecht in verband kunnen worden gebracht, verandert mijns inziens niets aan de toe te passen test van een "fair balance", waaraan ook de volgende stappen (met inbegrip van een eventuele stap terug) moeten worden onderworpen.

Evenmin zie ik grond voor de gedachte dat, voor zover reeds stappen ter verdere verwerkelijking van een grondrecht zijn gezet, het regime van de positieve verplichting onmiddellijk voor dat van de negatieve verplichting (met de daaraan verbonden, strengere beoordeling van derogaties) zou moeten wijken. Het afwijkende kader voor de beoordeling van positieve verplichtingen verliest immers niet met iedere, door de overheid gezette stap zijn ratio, zeker niet in een situatie als de onderhavige, waarin budgettaire ruimte en prioriteiten (waarvan het EHRM de relevantie in verband met het bestaan en de reikwijdte van positieve verplichtingen heeft erkend) ook elke volgende stap in belangrijke mate bepalen. Overigens meen ik dat, naarmate een bepaalde maatregel het stadium van (budgettair) "inregelen" is ontgroeid en zich politiek, juridisch (dit laatste bijvoorbeeld in de vorm van een wettelijke aanspraak) en maatschappelijk heeft "gezet", ook in die zin dat hij tot een voor budgettaire overwegingen in beginsel onaantastbare vanzelfsprekendheid is geworden, het toetsingskader kan verschuiven en dat in zo'n geval maatregelen die aan het bereikte voorzieningenniveau afbreuk doen, wellicht aan de strenge criteria van onder meer art. 8 lid 2 EVRM moeten worden getoetst. In het bestreden oordeel van het hof ligt mijns inziens echter besloten dat een dergelijk stadium in het gegeven geval nog niet was bereikt.

2.4 Alvorens de verschillende klachten te bespreken, teken ik in meer algemene zin nog aan dat, zeker in de door het hof kennelijk omarmde context van een positieve verplichting, art. 14 EVRM weinig aan de materiële bepaling van art. 8 EVRM toevoegt. In de rechtspraak van het EHRM valt een tendens te bespeuren om het gelijkheidsbeginsel reeds in de materiële norm van het in verband met art. 14 EVRM te beschouwen verdragsartikel "in te lezen", hetgeen voor een zelfstandige waarborgfunctie van art. 14 EVRM bij voorbaat weinig ruimte laat(11). Ook in de onderhavige zaak speelt dat een rol: reeds bij de afweging of er grond is bij wijze van positieve maatregel ten behoeve van gehandicapten een bijzondere voorziening voor bovenregionaal vervoer te treffen, zal noodzakelijkerwijs moeten worden betrokken dat de mogelijkheden voor gehandicapte en niet-gehandicapte reizigers verschillen. Voorts meen ik dat het discriminatieverbod van art. 14 EVRM niet als meest geschikte bron voor positieve verplichtingen kan worden beschouwd. In dit verband wijs ik erop dat ook het (van de materiële bepalingen van het EVRM losgemaakte) discriminatieverbod van art. 1 Twaalfde Protocol blijkens het Explanatory Report vooral een negatieve verplichting beoogt te belichamen(12).

Bespreking van de klachten

2.5 De eerste klacht(13) richt zich tegen het oordeel van het hof in (de hiervóór reeds onder 1.10 geciteerde) rov. 4.1 en betoogt dat het hof heeft miskend dat de vorderingen van CZGR c.s. niet zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat de Staat met het Valyssysteem heeft ingegrepen in een bestaande overeenkomst over het TraXXsysteem. Met de (motiverings)klacht betogen CZGR c.s. dat hun stellingen hierop berusten dat bij de beoordeling of sprake is van schending van de door hen ingeroepen bepalingen, met name van art. 8 EVRM, niet buiten beschouwing kan blijven dat vóór het Valyssysteem het TraXXsysteem gold en dat dat eerdere systeem niet voorzag in de absolute limitering van de vervoersvoorzieningen voor chronisch zieken en gehandicapten, tegen welke limitering in dit geding door CZGR c.s. wordt opgekomen. Naar de klacht betoogt is dan ook niet, zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld, van (doorslaggevend) belang of na afloop van de overeenkomst met ConneXXion een mogelijkheid bleef bestaan voor chronisch zieken en gehandicapten om tegen gereduceerd tarief met de taxi te reizen, maar of de beperkingen die met het Valyssysteem zijn aangebracht ten opzichte van de tot dan bestaande situatie, de door CZGR c.s. ingeroepen inbreuken op grondrechten opleveren.

2.6 Bij de beoordeling van de klacht stel ik voorop dat niets erop wijst dat het hof zou hebben miskend dat het TraXXsysteem belanghebbenden ruimere aanspraken bood dan het Valyssysteem en dat CZGR c.s. hun vorderingen mede daarop hebben gebaseerd. Zo heeft het hof in rov. 1.2 de (ruimere) aanspraken op grond van het op 1 april 2004 geëxpireerde TraXXsysteem gedetailleerd beschreven en daarbij ook uitdrukkelijk vermeld dat géén limiet gold voor het aantal kilometers dat een gehandicapte tegen openbaarvervoertarief kon reizen (p. 5 van het bestreden arrest, 4e/5e regel). Evenmin biedt het bestreden arrest aanknopingspunten voor de gedachte dat het hof de ruimere aanspraken ingevolge het TraXXsysteem niet bij de toetsing aan de door CZGR c.s. ingeroepen grondrechten zou hebben betrokken. Zo heeft het hof zich in rov. 6 uitdrukkelijk rekenschap gegeven van de vraag of, in verband met de beweerde inbreuk op art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, de ingevolge het TraXXsysteem tot 1 april 2004 bestaande (ruimere) aanspraken als eigendom in de zin van die bepaling kunnen worden aangemerkt. Met betrekking tot de andere ingeroepen grondrechten (het recht op gelijke behandeling, het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, het respect voor het privé- en gezinsleven en de bewegingsvrijheid) heeft het hof in rov. 5.1 geoordeeld dat deze géén verplichting voor de Staat scheppen om ten behoeve van gehandicapten in ongelimiteerd, door de Staat gefinancierd bovenregionaal vervoer te voorzien (en dus kennelijk evenmin een verplichting scheppen om een in de benadering van het hof onverplicht getroffen voorziening ter zake onverkort te handhaven).

Dat het hof aanleiding heeft gezien te benadrukken dat de Staat met het Valyssysteem niet in een (bestaande) overeenkomst ter zake van het TraXXsysteem heeft ingegrepen, acht ik intussen niet onbegrijpelijk. De door CZGR c.s. en hun deskundigen prof. Van Hoof(14) en prof. De Schutter(15) gebruikte terminologie ("vervanging"(16) - "substitution"(17) - van het bestaande(18) TraXXvervoersysteem door het Valyssysteem, "afschaffing"(19) van TraXX en invoering van Valys, de Staat die "een einde (heeft) gemaakt"(20) aan het TraXXsysteem) sluit althans de mogelijkheid van een dergelijke ingreep door de Staat in. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof buiten twijfel heeft willen stellen dat van een dergelijke ingreep in werkelijkheid geen sprake was, al was het maar omdat het gegeven van een (mogelijk met het verbintenissenrecht strijdige) ingreep in de lopende TraXXovereenkomst tot een andere beoordeling van de vorderingen van CZGR c.s. had kunnen leiden, zeker als ook de gebruikers van het TraXXsysteem als partij bij die overeenkomst waren te beschouwen. In verband met dit laatste ware te bedenken dat het hof in rov. 8 (die de Valysovereenkomst betreft) niet heeft uitgesloten dat een overeenkomst als de TraXXovereenkomst derdenbedingen ten behoeve van de gebruikers omvat.

2.7 De tweede klacht(21) richt zich tegen het oordeel in rov. 5.1, dat het recht op gelijke behandeling, het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het respect voor het privé- en gezinsleven en de bewegingsvrijheid geen verplichting scheppen tot het treffen van een door de Staat gefinancierde voorziening voor bovenregionaal vervoer en de Staat niet verbieden om - binnen of buiten het Valyssysteem - alleen een deel van de kilometers die gehandicapten bovenregionaal sociaal recreatief met de taxi willen reizen financieel te ondersteunen. Met hun klacht betogen CZGR c.s. dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de mensenrechtelijke bepalingen waarop zij hun vorderingen hebben gebaseerd, niet mede een verplichting tot het handhaven van een door de Staat gefinancierde voorziening voor bovenregionaal vervoer (kunnen) meebrengen op een kwalitatief en kwantitatief niveau dat gelijk is aan, althans gelijkwaardig is met de voorheen door de Staat gefinancierde en door ConneXXion uitgevoerde voorziening. In een situatie als waarom het hier gaat, had het hof, naar de klacht betoogt, dienen te onderzoeken of de Staat niet in strijd handelde met de ter zake te hanteren eisen van onder meer zakelijke rechtvaardiging (legitimiteit) en proportionaliteit door het laten expireren van het TraXXsysteem en het vervangen daarvan door een systeem dat door een wezenlijk beperkter voorzieningenniveau wordt gekenmerkt. Dit betekent (nog steeds volgens de klacht) dat de Staat niet die "vrije beleidskeuze" heeft die het hof in rov. 5.1 heeft verondersteld en dat dit niet, althans niet noodzakelijkerwijs, anders wordt doordat het TraXXsysteem noch in formele, noch in materiële regelgeving zijn rechtsgrond vond, en evenmin doordat het Valyssysteem tot stand is gekomen in overleg met de volksvertegenwoordiging, waarbij een (zekere) belangenafweging heeft plaatsgevonden.

2.8 De klacht dat het hof had moeten onderzoeken of het vervangen van het TraXXsysteem door het Valyssysteem in overeenstemming is met de eisen van, onder meer, zakelijke rechtvaardiging (legitimiteit) en proportionaliteit, kan mijns inziens niet tot cassatie leiden. Waar het hof het geschil in rov. 5.1 heeft geplaatst in de sleutel van een mogelijke positieve verplichting, is het toetsingskader ("fair balance"), ondanks de hiervóór (onder 2.2) bedoelde relativering door het EHRM van de daartussen bestaande verschillen, een ander toetsingskader dan dat waarvan de klacht kennelijk uitgaat ("zakelijke rechtvaardiging (legitimiteit) en proportionaliteit").

Overigens deel ik niet de opvatting van CZGR c.s. dat de benadering van het hof zo absoluut is dat daarin ten onrechte geen ruimte voor een positieve verplichting wordt gelaten (zie in die zin onder meer de repliek van mr. Duk onder 5). Ik lees rov. 5.1 aldus, dat de daarin vervatte beschouwingen zijn toegespitst op het (niet) bestaan van een positieve verplichting tot het treffen van de door CZGR c.s. gevorderde voorziening, die in het bijzonder door een aanspraak op bovenregionaal taxivervoer over een onbeperkt aantal kilometers per jaar wordt gekenmerkt(22), en dat het hof andere positieve verplichtingen daarin niet categorisch heeft uitgesloten. Aan CZGR c.s. kan weliswaar worden toegegeven dat uit de eerste volzin van rov. 5.1 niet duidelijk blijkt waarom het hof een uit de ingeroepen bepalingen voortvloeiende positieve verplichting tot het treffen van de gevorderde voorziening heeft afgewezen, maar het vervolg van rov. 5.1 impliceert naar mijn mening dat het hof de wel getroffen, gelimiteerde voorziening, voor zover tussen deze voorziening en de door CZGR c.s. ingeroepen grondrechten al een "direct and immediate link" kan worden gelegd, niet onmiskenbaar met het vereiste van een "fair balance" in strijd heeft geacht(23). Dat laatste is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de ruime "margin of appreciation" die het EHRM de lidstaten bij het nemen van positieve maatregelen met belangrijke budgettaire consequenties gunt. Overigens verdient het in dit verband opmerking dat CZGR c.s. in cassatie niet aan de orde hebben gesteld of het hof zich als kortgedingrechter heeft mogen beperken tot een toetsing of de getroffen voorziening met het oog op de ingeroepen grondrechten al dan niet "evident onredelijk of onmiskenbaar onrechtmatig" is(24). Een dergelijke klacht lees ik niet in de cassatiedagvaarding, ook niet aan het slot van de eerste volle alinea van p. 9, waar CZGR c.s. zich op het standpunt stellen dat aan hun opvatting dat het bestreden oordeel onvoldoende met redenen is omkleed, niet afdoet dat dit oordeel in kort geding is gegeven.

2.9 Voor zover CZGR c.s. klagen over de door het hof veronderstelde "vrije beleidskeuze" van de Staat, stel ik voorop dat het hof met die term blijkens de daaraan toegevoegde tussenzin heeft bedoeld dat de getroffen voorziening "noch in formele noch in materiële regelgeving haar grond vindt". Daarbij heeft het hof kennelijk het oog op het ontbreken van een nationaalwettelijk kader. De klacht, die de gebruikte term in verband brengt met de reikwijdte van de door de Staat op grond van het EVRM in acht te nemen verplichtingen, mist daarom feitelijke grondslag. Overigens heeft het hof niet miskend dat de Staat de uit het EVRM voortvloeiende verplichtingen in acht moet nemen, maar geoordeeld dat die verplichtingen zich niet tegen de gekozen oplossing verzetten.

2.10 Voor zover CZGR c.s. klagen dat het (volledig) ontbreken van een "hardheidsclausule" ten aanzien van de gehanteerde maxima een rol kan spelen bij het rechterlijke oordeel over de rechtmatigheid, stel ik voorop dat het hof niet in andere zin heeft geoordeeld. Het hof heeft niet geoordeeld dat het ontbreken van een "hardheidsclausule" bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de getroffen voorziening geen rol kan spelen, maar dat (in dit geval) het ontbreken van een dergelijke clausule "evenmin (maakt) dat de kilometerlimiet in (het) Valyssysteem jegens hen onmiskenbaar onrechtmatig is". Ook in zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.

Overigens rijst de vraag of CZGR c.s. wel voldoende belang bij hun klacht met betrekking tot het ontbreken van een "hardheidsclausule" hebben. De vorderingen van CZGR c.s. zijn immers niet op het treffen van een gelimiteerde voorziening met een "hardheidsclausule", maar op een voorziening zonder kilometerbeperking gericht. Voorts hebben CZGR c.s. zich in de cassatiedagvaarding (op p. 8, eerste alinea) uitdrukkelijk aangesloten bij de overwegingen dienaangaande van de voorzieningenrechter in eerste aanleg, die in verband met het ontbreken van een "hardheidsclausule" weliswaar van een "vermoedelijke strijdigheid met grond- en verdragsrechten" heeft gesproken (rov. 3.7 van het vonnis in eerste aanleg), maar in die "vermoedelijke strijdigheid" géén grond voor toewijzing van de primaire, subsidiaire of meer subsidiaire vordering heeft gezien (de rov. 3.8-3.10 van het vonnis in eerste aanleg).

Bij dit alles moet aan CZGR c.s. worden toegegeven dat in de rechtspraak van het EHRM de mogelijkheid van een individuele beoordeling een niet onbelangrijke rol speelt bij de vaststelling van het bestaan en de reikwijdte van uit art. 8 EVRM voortvloeiende, positieve verplichtingen. Ik verwijs naar de al eerder aangehaalde uitspraak van 6 april 2006 in de zaak Dickson/Verenigd Koninkrijk, waarin een mogelijke positieve verplichting tot het beschikbaar stellen van faciliteiten voor kunstmatige inseminatie aan gedetineerden aan de orde was. Daarin overwoog het EHRM:

"35. As to the policy itself, the Court attaches particular importance to the fact that, in contrast to the law which was in issue in the Hirst case, it did not operate to impose a blanket restriction on a prisoner's access to artificial insemination facilities, without any consideration of individual circumstances. On the contrary, as was explained in the letter of the Secretary of State, requests for artificial insemination were carefully considered on individual merit and according to the various criteria set out in the letter. Having examined these criteria, the Court does not find them to be arbitrary or not reasonably related to the underlying aims of the policy. Nor, on the material before the Court, can it be suggested that the examination of an individual case in the light of the considerations set out in the letter is merely theoretical or illusory: the unchallenged evidence before the Court of Appeal was that the Secretary of State had already allowed access to insemination facilities in certain cases, while two applications were struck out by the former Commission when artificial insemination facilities were granted to the applicants (P.G. v. the United Kingdom, no. 10822/84, Commission decision of 7 May 1987; and G. and R.S. v. the United Kingdom, no. 17142/90, Commission decision of 10 July 1991, both unpublished)."

Bij het trekken van een parallel met de onderhavige zaak past echter enige voorzichtigheid. In de zaak Dickson/Verenigd Koninkrijk billijkte het EHRM de weigering van een bepaalde faciliteit, waar deze weigering op in het individuele geval toe te passen criteria berustte. In het onderhavige geval is niet de toegang tot, maar de omvang van een bepaalde faciliteit aan de orde. Zowel de toegang tot als de omvang van die faciliteit zijn, zoals in de zaak Dickson, van in het individuele geval toe te passen criteria afhankelijk. Voor de omvang van de in het individuele geval toe te passen voorziening (voor de toepassing van het lage of het hoge pkb) komt het aan op de vraag of betrokkene al dan niet van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Blijkens de door mr. Duk met toestemming van de mrs. Snijders en Gelpke bij brief van 25 april 2006 aan de Hoge Raad gezonden uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 maart 2006 in de zaken 05/2411 WVG e.a. staat de beslissing of een betrokkene voor een hoog pkb in aanmerking komt, onder controle van de bestuursrechter; de Centrale Raad van Beroep heeft in (rov. 10.4.3 van) die uitspraak overigens geoordeeld dat de voor die beslissing geldende toekenningscriteria de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaan, en daaraan toegevoegd dat niet uitgesloten moet worden gedacht dat in uitzonderlijke gevallen met overeenkomstige toepassing van art. 4:84 Awb (de aan beleidsregels inherente afwijkingsbevoegdheid) van de criteria voor toekenning van een hoog pkb dient te worden afgeweken. Bij de gegeven stand van de rechtspraak van het EHRM acht ik twijfelachtig of een verplichting tot verdere verfijning van het systeem dient te worden aangenomen, en wel in die zin dat voor bepaalde belanghebbenden zou moeten worden voorzien in de mogelijkheid van een pkb dat het hoge pkb overtreft of zelfs onbeperkt is; daarbij moet onder meer worden bedacht dat een dergelijke verfijning zou nopen tot ontwikkeling van verdere criteria, aan de hand waarvan kan worden getoetst of aanspraken op een hoger (of zelfs onbeperkt) pkb door een rechtstreeks met de ingeroepen grondrechten (en in het bijzonder met art. 8 EVRM) in verband te brengen behoefte worden gerechtvaardigd.

2.11 De derde klacht(25) betoogt dat het oordeel van het hof in de rov. 5.1 en 6 in het licht van de stellingen van CZGR c.s. in zowel eerste aanleg als hoger beroep onvoldoende is gemotiveerd. De klacht verwijst naar de volgende stellingen van CZGR c.s.:

- de inleidende dagvaarding onder 63-112;

- de twee deskundigenoordelen, overgelegd als de prod. XXXV en XXXVI(26) in eerste aanleg;

- pleitnota zijdens CZGR c.s. van 29 juni 2004 onder 41-70;

- dagvaarding in hoger beroep onder 64-69 en onder 82-127;

- memorie van antwoord in incidenteel appel onder 18-24;

- pleitnota zijdens CZGR c.s. van 20 januari 2005 onder IX.

De klacht strekt ten betoge dat het oordeel van het hof in rov. 5.1 aan deze stellingen van CZGR c.s. over, met name, art. 8 (jo art. 14) EVRM onvoldoende recht doet. Dit zou evenzeer gelden voor hetgeen in rov. 6 naar aanleiding van het beroep op art. 1 Eerste Protocol wordt overwogen, omdat wat het hof te dien aanzien heeft overwogen niet, en zeker niet noodzakelijk, afdoet aan het feit dat in dit geval van "eigendom" in de zin van dat Protocol en daarmee van een aantasting daarvan door de gewraakte systeemwijziging kan worden gesproken. De klacht betoogt verder dat aan een en ander de contractuele vormgeving van het TraXXsysteem niet afdoet, evenmin als de omstandigheid dat het ter zake gesloten contract er niet een voor onbepaalde tijd was.

2.12 Voor zover CZGR c.s. beogen te klagen dat het oordeel van het hof in rov. 5.1 onvoldoende is gemotiveerd in het licht van hun stellingen in de feitelijke instanties met betrekking tot art. 8 jo art. 14 EVRM, mist de klacht de in het licht van art. 407 lid 2 Rv daarvan te vergen bepaaldheid en precisie. De klacht geeft immers niet aan waarom het bestreden oordeel in rov. 5.1 ontoereikend is gemotiveerd of onbegrijpelijk is(27). Daartoe volstaat het niet in algemene zin te verwijzen naar processtukken, stellingen of producties uit eerdere instanties(28). Bij dit alles komt dat, voor zover rov. 5.1 rechtsoordelen omvat, daartegen niet met succes met motiveringsklachten kan worden opgekomen.

2.13 Aan zijn oordeel dat de geboden aanspraak op reductie van het taxitarief zoals dat binnen het TraXXsysteem (tot 1 april 2004) bestond, niet als eigendom in de ruime zin van art. 1 Eerste Protocol kan worden aangemerkt en dat er dus ook geen sprake is van een inbreuk op ongestoord genot van eigendom, zoals in die bepaling bedoeld, heeft het hof in rov. 6 de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

- het bedrag dat de Staat bijlegde voor de taxidiensten was per gehandicapte en per jaar verschillend en direct afhankelijk van het aantal kilometers dat de gehandicapte in dat jaar reed;

- gehandicapten hadden vóór het gebruik van het vervoer geen aanspraak op een bepaalde vervoersuitkering;

- gehandicapten kregen geen tegemoetkoming voor een vastgelegde hoeveelheid kilometers ongeacht gebruik;

- bij niet gebruik konden zij ook geen reiskilometers of kilometervergoedingen verhandelen;

- door de invoering van het Valyssysteem is ook niet een concrete aanspraak die op grond van reeds verleende diensten achteraf zou kunnen bestaan, ontnomen.

CZGR c.s. klagen mede dat het oordeel in rov. 6 onvoldoende is gemotiveerd, omdat de overwegingen van het hof niet (noodzakelijk) afdoen aan het feit dat in dit geval van "eigendom" in de zin van art. 1 Eerste Protocol en (daarmee) van een aantasting daarvan door de gewraakte systeemwijziging kan worden gesproken.

2.14 Zoals ook het hof in rov. 6 heeft gereleveerd, wordt het begrip "eigendom" van art. 1 Eerste Protocol ruim uitgelegd. Naast de rechten die onder het nationale recht als eigendom worden gekwalificeerd, heeft het EHRM ook andere rechten en belangen met een zekere economische waarde als eigendom in de zin van die bepaling aangemerkt(29). Ook wettelijke sociale zekerheidsaanspraken die niet op premiebetaling zijn gebaseerd, kunnen daartoe behoren(30). In die zin oordeelde het EHRM onder meer in zijn ontvankelijkheidsbeslissing van 16 december 2003 in de zaak Van den Bouwhijsen en Schuring/Nederland, nr. 44658/98, NJ 2004, 421, m.nt. PJB:

"The Court has previously held that an entitlement to benefit pursuant to a national insurance scheme may constitute a pecuniary right for the purposes of Article 1 of Protocol No. 1 without it being necessary to rely solely on the link between entitlement to such benefit and the obligation to pay "taxes or other contributions". However, in order to establish such a pecuniary right, the person concerned must satisfy the various statutory conditions set by law (see Gaygusuz v. Austria, cited above, § 41; Willis v. the United Kingdom, no. 36042/97, §§ 32-34, ECHR 2002-IV; Wessels-Bergervoet v. the Netherlands (dec.), no. 34462/97, 3 October 2000; and Koua Poirrez v. France, no. 40892/98, ECHR 2003-X)."

Een belangrijke beperking op de brede reikwijdte van het eigendomsbegrip van art. 1 Eerste Protocol is echter de eis dat het recht of belang met voldoende zekerheid moet vaststaan. Er moet sprake zijn van een legitieme verwachting; de enkele hoop op of verwachting van een op geld waardeerbare aanspraak is onvoldoende. In die zin oordeelde het EHRM onder meer in zijn ontvankelijkheidsbeslissing van 2 maart 2005 in de zaak Von Maltzan e.a./Duitsland, nrs. 71916/01, 71917/01 and 10260/02, ECHR 2005-V, EHRC 2005, 55, m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik :

"74. The Court reiterates the principles that have been established by the case-law of the Court under Article 1 of Protocol No. 1 and that it has recently stated in its Kopecký v. Slovakia judgment ([GC], no. 44912/98, § 35, ECHR 2004-...):

(...)

(c) An applicant can allege a violation of Article 1 of Protocol No. 1 only in so far as the impugned decisions related to his "possessions" within the meaning of this provision. "Possessions" can be either "existing possessions" or assets, including claims, in respect of which the applicant can argue that he or she has at least a "legitimate expectation" of obtaining effective enjoyment of a property right. By way of contrast, the hope of recognition of a property right which it has been impossible to exercise effectively cannot be considered a "possession" within the meaning of Article 1 of Protocol No. 1, nor can a conditional claim which lapses as a result of the non-fulfilment of the condition (see Prince Hans-Adam II of Liechtenstein v. Germany [GC], no. 42527/98, §§ 82 and 83, ECHR 2001-VIII, and Gratzinger and Gratzingerova v. the Czech Republic (dec.) [GC], no. 39794/98, § 69, ECHR 2002-VII)."

In dit kader heeft het EHRM meer dan eens toekomstig inkomen buiten het bereik van art. 1 Eerste Protocol geplaatst. Aldus bijvoorbeeld in de ontvankelijkheidsbeslissing van 6 februari 2003 in de zaak Wendenburg e.a./Duitsland, nr. 71630/01, ECHR 2003-II (extracts):

"Referring to its previous case law, the Court notes that insofar as it concerns a loss of future income, the applicants' complaint falls outside the scope of Article 1 of Protocol No. 1, which is not applicable to future earnings, but only to existing possessions, that is to say income once it has been earned or where an enforceable claim to it exists (Denimark v. the United Kingdom, no. 37660/97, decision of 26 September 2000; Ian Edgar [Liverpool] Ltd. v. the United Kingdom, no. 37683/97, decision of 25 January 2000; see also Van Marle and Others v. the Netherlands, judgment of 26 June 1986, Series A no. 101, p. 13, §§ 39-41)."

Zoals uit het hiervoor reeds opgenomen citaat uit de beslissing in de zaak Von Maltzan e.a./Duitsland blijkt, ontbreekt de vereiste bepaaldheid voorts, als sprake is van een "conditional claim which lapses as a result of the non-fulfilment of the condition".

2.15 Het hof lijkt met de in rov. 6 aangevoerde argumenten een zwaar accent te hebben gelegd op het feit dat in het TraXXsysteem eerst daadwerkelijk gebruik van de voorziening een concrete aanspraak voor de gebruiker deed ontstaan. Voor zover het hof daarop (wellicht met het oog op de Straatsburgse jurisprudentie inzake "conditional claims" en "future earnings") heeft willen baseren dat, vóórdat daadwerkelijk van de voorziening van het TraXXsysteem gebruik werd gemaakt, van "possessions" in de zin van art. 1 Eerste Protocol geen sprake was, deel ik de opvatting van het middel dat hetgeen het hof in rov. 6 heeft aangevoerd, niet noodzakelijkerwijs aan een kwalificatie als "possessions" in de weg staat. Ook toekomstige inkomsten, mits "an enforceable claim to it exists", kunnen immers binnen het bereik van de bepaling vallen, evenals voorwaardelijke claims, zolang die tenminste niet "lapse(...) as a result of the non-fulfilment of the condition".

Dat de aanspraak per se verhandelbaar of overdraagbaar moet zijn, lijkt mij evenmin uit de rechtspraak van het EHRM voort te vloeien, alhoewel verhandelbaarheid of overdraagbaarheid van de betrokken aanspraak ontegenzeggelijk een sterke aanwijzing voor een (op geld waardeerbare) "possession" in de zin van art. 1 Eerste Protocol vormt.

2.16 De op zichzelf terechte klacht over de in rov. 6 gehanteerde argumentatie kan echter niet tot cassatie leiden. Uit hetgeen ten processe vaststaat volgt dat van een "legitimate expectation" met betrekking tot een onverkorte voortzetting van het TraXXsysteem geen sprake kon zijn. Van de "legitimate expectation" moet volgens de Straatsburgse jurisprudentie "a mere hope" worden onderscheiden, zelfs als die hoop (terecht of ten onterechte) door de overheid is gevoed. Het EHRM verlangt dat de "legitimate expectation" steun vindt in de wet of een bindend juridisch instrument, in welk verband doorgaans een definitieve rechterlijke uitspraak wordt genoemd. Aldus bijvoorbeeld het EHRM in zijn ontvankelijkheidsbeslissing van 23 september 2003 in de zaak Mirailles/Frankrijk, nr. 63156/00, ECHR 2003-XI (extracts):

"In the final analysis, the Court considers that there is a difference between a mere hope kept alive (rightly or wrongly) by the attitude of the domestic authorities regarding a property development project and a "legitimate expectation" for the purposes of Article 1 of Protocol No. 1, which must be more concrete and be based on a statutory provision or legal instrument, such as a final judicial decision (see Pressos Compania Naviera S.A. and Others v. Belgium, judgment of 20 November 1995, Series A no. 332, p. 21, § 31; Beyeler v. Italy [GC], no. 33202/96, § 105, ECHR 2000-I; and Stretch v. the United Kingdom, no. 44277/98, §§ 32-35, 24 June 2003)."

Aangenomen al dat de overeenkomst tussen de Staat en ConneXXion een toereikend "legal instrument" in de zin van deze rechtspraak kan vormen, stuit een beroep daarop af op het (door het hof in rov. 4.1 gereleveerde) gegeven dat die overeenkomst géén concrete aanspraak op enigerlei voorziening (laat staan een concrete aanspraak op een bepaald voorzieningenniveau) voor de tijd ná haar expiratie bood. Dat, zoals prof. Van Hoof op p. 9, midden, van zijn aanvullend advies betoogt, gehandicapte personen, in het bijzonder door het ontbreken van een publieke aankondiging dat het TraXXsysteem slechts tijdelijk zou zijn, hebben verwacht dat de overeenkomst zou worden verlengd of zou worden vervangen door een andere overeenkomst die tenminste dezelfde voordelen als het TraXXsysteem zou bieden, is, in termen van het hierboven weergegeven citaat, geen "legitimate expectation", gegrond op een bindend juridisch instrument, maar een "mere hope", die hooguit (mede) aan de houding van de overheid zou zijn toe te schrijven. Met deze conclusie is in overeenstemming dat, voor zover ik kan overzien, de rechtspraak van het EHRM geen aanknopingspunten biedt voor de gedachte dat een overeenkomst voor bepaalde duur niettemin grond kan vormen voor een als "eigendom" te beschouwen verwachting met betrekking tot de toekomstige (na ommekomst van de overeenkomst geldende) rechtspositie. Weliswaar zijn er enkele beslissingen waarin in verband met art. 1 Eerste Protocol aan een beëindigde overeenkomst ontleende aanspraken aan de orde waren, maar die beslissingen betroffen steeds de (al dan niet als "interference" op te vatten wijze van) beëindiging zelf(31).

2.17 De vierde klacht(32) omvat een algemene motiveringsklacht en betoogt dat het hof onvoldoende is ingegaan op de door CZGR c.s. in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerde stellingen over de betekenis van de verschillende door hen ingeroepen mensenrechten in een situatie als hier aan de orde. Betoogd wordt dat hieraan niet afdoet dat het oordeel van het hof in kort geding is gegeven, nu dat niet wegneemt dat aan de stellingen van CZGR c.s. meer aandacht had moeten worden geschonken en die stellingen niet kunnen worden afgedaan met wat in het bijzonder in de rov. 5.1 en 6 is verwoord.

2.18 De klacht voldoet niet aan de daaraan in het licht van art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen. Zij is te algemeen geformuleerd, verwijst slechts in algemene zin naar de stellingen van CZGR c.s. in eerste aanleg en in hoger beroep en werkt niet uit waarom het bestreden oordeel in het licht van die stellingen onvoldoende is gemotiveerd(33). Daaraan voeg ik nog toe dat, voor zover het bestreden arrest rechtsoordelen omvat, daartegen niet met motiveringsklachten kan worden opgekomen en dat de door het hof verrichte toetsing in die zin een beperkte was, dat het hof slechts heeft beoordeeld of de getroffen (Valys)voorziening "evident onredelijk of onmiskenbaar onrechtmatig" is.

2.19 De vijfde klacht(34) betoogt dat het hof niet voorbij had mogen gaan aan de stellingen van CZGR c.s. dat iedere individuele Valyspashouder moet worden gezien als partij bij de overeenkomst tussen de Staat en Transvision en dat derhalve ruimte bestaat voor toetsing van de wijze waarop de Staat de overeenkomst met Transvision uitvoert respectievelijk doet uitvoeren aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid.

2.20 Het hof heeft de bedoelde stellingen niet onbesproken gelaten, maar geoordeeld dat CZGR c.s. bij een beoordeling daarvan geen belang hebben. Ook als iedere individuele Valyspashouder als partij bij de overeenkomst tussen de Staat en Transvision moet worden beschouwd, zou er naar het oordeel van het hof immers geen grond zou zijn de kilometerlimiet als in strijd met de redelijkheid en billijkheid jegens de Valyspashouder opzij te zetten (rov. 8). Tegen het oordeel dat CZGR c.s. bij een beoordeling van de vraag of van een derdenbeding in de overeenkomst tussen de Staat en Transvision sprake is, geen belang hebben, zijn geen klachten geformuleerd. Om die reden kan ook de vijfde klacht niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zoals vastgesteld in de rov. 1.2-1.4 van het bestreden arrest.

2 Vgl. de weergave van de vorderingen van CZGR c.s. in rov. 2.1 van het bestreden arrest.

3 Zie voor deze weergave van de grondslagen van de vorderingen rov. 2.2 van het bestreden arrest.

4 Van de zijde van Transvision is geen incidenteel appel ingesteld.

5 Vgl. rov. 3.3 van het bestreden arrest.

6 Vgl. rov. 3.4 van het bestreden arrest.

7 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 26 mei 2005; het bestreden arrest dateert van 31 maart 2005.

8 De desbetreffende opmerking op p. 4, bovenaan, van het eerste advies (door CZGR c.s. als prod. XXVI in eerste aanleg / f.XXVI in hoger beroep overgelegd) luidde: "(...) What they (the claimants; LK) contest is that an existing scheme (TraXX) has been removed and replaced by another, less satisfactory, scheme for the interregional public transportation of persons with limited mobility. Therefore this modification may be seen, rather than as a failure to fulfil a positive obligation, as an interference with the right to respect for private and family life which persons with disabilities had achieved previously in the Netherlands" (cursiveringen ontleend aan de oorspronkelijke tekst; LK). Volgens de "supplementary brief" was niet bedoeld dat het EVRM was geschonden door het TraXXsysteem niet te verlengen, maar dat "insofar as the TraXX guaranteed a certain degree of autonomy to persons with disabilities, the removal of that scheme and its replacement by a scheme less respectful of that autonomy should be examined under Article 8 ECHR, whether alone or in combination with Article 14 ECHR."

9 Zie, meer uitgebreid, over deze ontwikkeling R.A. Lawson, Positieve verplichtingen onder het EVRM: opkomst en ondergang van de 'fair balance'-test, delen I en II, NJCM-Bulletin 1995, 20-5, p. 558-573, en 20-6, p. 727-750, alsmede de losbladige EVRM R&C, katern 2.2 (2002), Positieve verplichtingen (J. van der Velde), in het bijzonder onder 2.2.4. Van der Velde wijst er (op p. 8-2.2) onder meer op dat, in lijn met de bedoelde rechtspraak, ook met betrekking tot positieve verplichtingen - zij het meer specifiek in het kader van de "margin of appreciation" - veelal wordt onderzocht of er sprake is van proportionaliteit en welke belangen of doelen in het geding zijn. Een hoge proportionaliteitsstandaard wordt in dat verband echter niet aangelegd. Yutaka Arai-Takahashi, The Margin of Appreciation Doctrine and the Principle of Proportionality in the Jurisprudence of the ECHR (2002) merkt daarover (op p. 86) op: "A symbiotic relationship between positive obligations and the broader scope of discretion can be illustrated by the manner in which Member States are required to provide specific facilities and services for family reunion. In the Olssson (No 2) case (Olsson/Zweden (nr. 2), 27 november 1992, nr. 74/1991/326/398, Series A nr. 250, pp. 35-36, § 90; LK), the Court noted that where contacts with the natural parents would harm the interests of children guaranteed under Article 8, it was within the discretion of the national authorities to strike a "fair balance". The Strasbourg organs' supervision was limited to determining "whether national authorities have made such efforts to arrange the necessary preparations for reunion as can reasonably be demanded under the special circumstances of each case". It is doubtful whether issues of positive obligation justify the choice of such a low standard of proportionality as applied in national morality or security contexts."

10 Dat lijkt de benadering te zijn van mr. Duk in zijn repliek onder 5: "De vraag is daarmee of de limiteringen voortvloeiend uit de overgang van "TraXX" naar "Valys" gerechtvaardig(d) zijn, nu immers met de oorspronkelijke keuze voor een systeem met de kenmerken van het tot dan geldende TraXX-systeem kennelijk, in de visie van de overheid, een redelijke balans tot stand was gebracht."

11 Zie over die ontwikkeling EVRM R&C, 3.14 (A.W. Heringa en J.H. Gerards), in het bijzonder p. 3.14.3/3.14.4.

12 Het Explanatory Report is te raadplegen op de door de Raad van Europa onderhouden website http://conventions.coe.int. Van belang is vooral randnummer 24, dat luidt als volgt:" The wording of Article 1 reflects a balanced approach to possible positive obligations of the Parties under this provision. This concerns the question to what extent Article 1 obliges the Parties to take measures to prevent discrimination, even where discrimination occurs in relations between private persons (so-called "indirect horizontal effects"). The same question arises as regards measures to remedy instances of discrimination. While such positive obligations cannot be excluded altogether, the prime objective of Article 1 is to embody a negative obligation for the Parties: the obligation not to discriminate against individuals."

13 De eerste klacht is vervat in de overlopende alinea op p. 6/7 van de cassatiedagvaarding.

14 Zijn advies is als prod. XXV in eerste aanleg / f.XXV in hoger beroep overgelegd.

15 Zijn advies is als prod. XXVI in eerste aanleg / f.XXVI in hoger beroep overgelegd.

16 Zie bijv. inleidende dagvaarding onder 17 en de inleiding van het advies van prof. mr. Van Hoof.

17 Zie de inleiding van het advies van prof. O. de Schutter.

18 Zie bijv. inleidende dagvaarding onder 67.

19 Zie bijv. inleidende dagvaarding onder 89.

20 Zie de appeldagvaarding van 28 juli 2004 onder 11, tweede alinea.

21 De tweede klacht is vervat in de eerste volle alinea op p. 7 en de overlopende alinea op p. 7/8 van de cassatiedagvaarding.

22 Volgens het hof "scheppen (de door CZGR c.s. ingeroepen grondrechten) geen verplichting tot het treffen van een door de Staat gefinancierde voorziening voor bovenregionaal vervoer en verbieden (zij) de Staat niet om (...) alleen een deel van de kilometers die gehandicapten bovenregionaal sociaal recreatief met de taxi willen reizen financieel te ondersteunen" (rov. 5.1, eerste volzin); voorts heeft het hof (in rov. 5.1, tweede volzin) gesproken van "een (wettelijke) plicht om gehandicapten in staat te stellen zich over een onbeperkt aantal kilometers per jaar te verplaatsen voor bovenregionale, sociaal recreatieve doeleinden, tegen een tarief van hoogstens € 0,16 per kilometer".

23 Zie in het bijzonder de navolgende passage: "De Staat heeft de (politieke) keuze gemaakt om een (gemaximeerd) budget voor gehandicaptenvervoer te reserveren en om een voor iedere gehandicapte gelijkelijk geldende regeling te treffen die binnen dat budget past. Deze vrije beleidskeuze, herhaald wordt dat de regeling noch in formele noch in materiële regelgeving haar grond vindt, is tot stand gekomen in overleg met het parlement, een belangenafweging heeft plaatsgevonden en de uitkomst van een en ander is niet evident onredelijk of onrechtmatig."

24 Zie het slot van het in de vorige voetnoot opgenomen citaat. Een dergelijke, in kort geding te hanteren beperking acht ik in beginsel toelaatbaar, ondanks het supranationale karakter van de beweerdelijk geschonden normen en de daaraan toegekende voorrang. Ik verwijs in dit verband naar mijn bijdrage over de enigszins verwante problematiek van de gelding van het vereiste van onmiskenbare onverbindendheid bij buitenwerkingstelling van wetgeving wegens strijd met supranationaal recht in D.C. Buijs e.a. (red.), Mok-aria (2002), p. 117-129.

25 De derde klacht is vervat in de eerste volle alinea op p. 8 en de overlopende alinea op p. 8/9 van de cassatiedagvaarding.

26 Kennelijk zijn hier bedoeld de prod. XXV en XXVI.

27 Vgl. HR 8 oktober 2004, NJ 2005, 117, m.nt. GHvV, rov. 3.6.

28 Zie Asser procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), p. 306 in fine, A.E.B. ter Heide, Het cassatiemiddel in burgerlijke zaken, in WB der Nederlanden (2003), p. 199.

29 Zie onder meer T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, De eigendomsbescherming van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het Nederlandse burgerlijk recht: het Straatsburgse perspectief (2005), p. 56-60.

30 Zie T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, a.w., p. 58 en 59.

31 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 november 2004 in de zaak Bruncrona/Finland, nr. 41673/98, EHRC 2005,5, over de (in de ogen van het EHRM) te abrupte beëindiging van een pachtverhouding, nadat betrokkene en zijn rechtsvoorgangers bijna 300 jaar tot het gebruik van de zaak gerechtigd waren geweest; zie voorts de ontvankelijkheidsbeslissing van 10 juli 2002 in de zaak Gratzinger/Tsjechië, nr. 39794/98, ECHR 2002-VII, over een nietig verklaard "debt assignment contract", welke nietigverklaring door de overheid op ontoelaatbare wijze zou zijn bevorderd, onder meer door een lopende procedure met wetgeving met terugwerkende kracht te beïnvloeden.

32 De vierde klacht is vervat in de eerste volle alinea op p. 9 van de cassatiedagvaarding.

33 Zie de in de voetnoten 27 en 28 reeds genoemde rechtspraak en literatuur.

34 De vijfde klacht is vervat in de tweede volle alinea op p. 9 van de cassatiedagvaarding.