Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY7921

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
C05/185HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY7921
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsgeschil tussen een touring-caronderneming en een chauffeur over de uitbetaling op grond van een regeling in de CAO Besloten Busvervoer van bij het einde van zijn dienstverband door hem niet opgenomen tijd-voor-tijd-uren (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 569
RvdW 2006, 906
JWB 2006/312
JAR 2006/262 met annotatie van Mr. dr. M.S.A. Vegter
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C05/185HR

mr. J. Spier

Zitting 9 juni 2006

Conclusie inzake

Bovo Tours B.V.

(hierna: Bovo)

tegen

[Verweerder]

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten, zoals vastgesteld door de Rechtbank 's-Gravenhage (sector Kanton, locatie Leiden) in rov. 1 van haar tussenvonnis van 26 september 2001. Ook het Hof 's-Gravenhage is daarvan blijkens rov. 1 van zijn in cassatie bestreden arrest van 18 maart 2005 uitgegaan. In rov. 2 heeft het Hof een aantal van die feiten uitgeschreven.

1.2 [Verweerder] is van 24 januari 1987 tot en met 31 december 1998 bij Bovo als touring-carchauffeur in dienst geweest. Zijn laatstverdiende salaris bedroeg ƒ 3.669 bruto per maand.

1.3 Op de arbeidsovereenkomst was de CAO Besloten Busvervoer (hierna: de CAO) van toepassing.(1)

1.4 Deze CAO kent een zogenaamde tijd-voor-tijd regeling (hierna: TVT-regeling). Deze houdt in dat, indien op 30 april van een volgend jaar niet alle tijd voor uren (TVT-uren) zijn opgenomen, deze alle op die datum moeten worden uitbetaald tegen 135%.

1.5 Bij het einde van het dienstverband heeft Bovo aan [verweerder] f 1.714,47 bruto aan TVT-uren uitbetaald.

2. Procesverloop

2.1 Op (volgens het eerste vonnis van de Kantonrechter)(2) 23 november 2000 heeft [verweerder] Bovo gedagvaard voor de Kantonrechter te Leiden. Hij heeft betaling gevorderd van f 39.689,62 ter zake van bij het einde van zijn dienstverband niet opgenomen TVT-uren, vermeerderd met de wettelijke verhoding. Verder heeft hij een aantal nevenvorderingen gelanceerd. Het zou gaan om 1388,72 uur.

2.2 Bovo heeft de vordering bestreden.

2.3 Bij vonnis van 11 juli 2001 heeft de Kantonrechter [verweerder] in de gelegenheid gesteld de van toepassing zijnde CAO's in het geding te brengen. Blijkens het tussenvonnis van 26 september 2001 is dit geschied.(3) Bij vonnis van 26 september 2001 heeft de Kantonrechter een comparitie gelast.

2.4.1 Bij tussenvonnis van 20 maart 2002 heeft de Kantonrechter - inmiddels opgegaan in de Rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Leiden - op diverse punten voor [verweerder] negatief beslist.

2.4.2 De Kantonrechter gaat ervan uit dat: a) volgens Bovo per 1 april 1995 64,5 TVT-uren resteerden en b) dat op 1 januari 1995 sprake was van een tegoed van 416,5 uur (rov. 3 onder c).

2.4.3 De Kantonrechter heeft, alvorens verder te beslissen, [verweerder] in de gelegenheid gesteld zijn vordering aan te passen aan hetgeen daaraan voorafgaand in dit tussenvonnis is overwogen (rov. 9).

2.5 In haar eindvonnis van 9 oktober 2002 heeft de Kantonrechter overwogen dat [verweerder] aangaande de omvang van zijn vordering enkel heeft gesteld dat het oordeel van de Kantonrechter meebrengt dat er feitelijk niet veel TVT-uren zijn te vorderen. De Kantonrechter leidt daaruit af dat geen sprake is van een tegoed aan TVT-uren. Zij heeft de vordering van [verweerder] afgewezen (rov. 4).

2.6 [Verweerder] is in hoger beroep gekomen van het eindvonnis. Hij heeft grieven aangevoerd tegen de tussenvonnissen van 26 september 2001 en 20 maart 2002 alsmede tegen het eindvonnis.

2.7 Bovo heeft de grieven bestreden.

2.8.1 In zijn arrest van 18 maart 2005 heeft het Hof met betrekking tot grief 9 (gericht tegen het eindvonnis) als volgt overwogen:

"25. Grief 9 luidt:

"Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen in haar vonnis d.d. 9 oktober heeft 2002 (r.o. 4):

"Aangaande de omvang van zijn vordering stelt [verweerder] enkel dat het oordeel van de kantonrechter meebrengt dat er feiteiijk met veel TVT-uren zijn te vorderen. De kantonrechter leidt hieruit af dat met inachtneming van de door de kantonrechter in genoernd tussenvonnis gegeven beslissingen er geen sprake is van een tegoed aan TVT-uren ten tijde van de beëindiging van het dienstverband."

26. (...) De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 20 maart 2002 [verweerder] in de gelegenheid gesteld eén berekening te maken op welk aantal TVT-uren [verweerder] nog recht heeft, uitgaande van de overwegingen van dit tussenvonnis. [verweerder] heeft noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Hierdoor bemoeilijkt [verweerder] dat de rechter tot een juiste beslissing komt. Het feit dat [verweerder] geen berekening van zijn vordering, uitgaande van de overwegingen uit het tussenvonnis van de rechtbank van 20 maart 2002, in het geding heeft gebracht, behoort er echter niet toe te leiden, dat zijn vordering wordt afgewezen. In die zin is grief 9 gegrond.

27. Het hof zal zelf een berekening maken. Bovo Tours heeft afgerekend met als uitgangspunt dat het tegoed aan TVT-uren per 1 januari 1995 (en niet per 1 april 1995 zoals ten onrechte in r.o. 3 van het tussenvonnis van de rechtbank van 20 maart 2002 staat) 64,5 bedraagt. Dit tegoed blijkt uit de definitieve urenstaat betreffende het eerste kwartaal van 1995, waarin staat dat het tegoed aan TVT uren t/m de vorige periode 64,50 bedraagt. Bovo Tours heeft nader aangevoerd, dat op I januari 1995 voor [verweerder] een tegoed van 416,5 TVT-uren op de balans stond. Dit betekent dat Bovo Tours 416,5 - 64,5 = 352 uren te weinig zijn afgerekend. Gesteld noch gebleken is, dat deze uren inmiddels zijn betaald. Bovo Tours heeft geen feiten gesteld, waaruit zou blijken dat [verweerder] een juiste toepassing van de tijd voor tijd uren opname zou hebben gefrustreerd door een ontslag zijnerzijds. Er is dan ook geen reden om af te wijken van het tarief van 135 % van f 20,65 per uur. De vordering bedraagt 352 x 1,35 x f 20,65 = f 9.812,88, zijnde € 4.452,89 (bruto). De gevorderde wettelijke verhoging van 50 % is toewijsbaar. Er is geen reden tot matiging, nu er geen reden is waarom Bovo Tours dit bedrag, dat is af te leiden uit de administratie van Bovo Tours, niet veel eerder heeft betaald. De wettelijke verhoging is f 4.906,44, zijnde € 2.226,45 (bruto). (...)

2.8.2 Het Hof heeft hierop het eindvonnis vernietigd en het in rov. 27 genoemde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, toegewezen, met afwijzing van de vordering voor het overige.

2.9 Bovo heeft tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld. Tegen [verweerder] is verstek verleend. Bovo heeft haar stellingen schriftelijk toegelicht.

3. Bespreking van het middel

3.1.1 Het middel wordt voorafgegaan door een exposé van - volgens Bovo - vaststaande feiten. Deze uiteenzetting behelst geen klacht(en).

3.1.2 Met het oog op de beoordeling van de klachten lijkt goed erop te attenderen dat Bovo zelf, blijkens de in het middel genoemde "vaststaande feiten", tot uitgangspunt neemt dat:

a. het saldo TVT-uren per 1 januari 1995 416,5 was;

b. dat zij 60 uur heeft afgerekend.

3.2 Het eerste onderdeel strekt ten betoge dat het Hof heeft verzuimd te responderen op de essentiële stelling van Bovo dat [verweerder] heeft gehandeld in strijd met art. 6:89 BW. Met name is het Hof niet ingegaan op haar betoog dat [verweerder] niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd tegen de toepassing van de TVT-regeling en vaststelling van de TVT-uren. Zulks "te meer nu aan [verweerder] eerder voorlopige urenstaten werden verstrekt en hij maandelijks een salarisspecificatie ontving."

3.3.1 Hoewel het onderdeel slechts expliciet verwijst naar uiteenzettingen van Bovo in de mva, lijkt goed eerst een kort overzicht te geven van het debat tussen partijen over dit onderwerp.

3.3.2 In eerste aanleg heeft Bovo op een aantal plaatsen ter sprake gebracht dat [verweerder] eerst laat heeft geklaagd over een onjuiste toepassing van de TVT-regeling. Voor een deel gaat het om niet meer dan uitingen van verbazing of ergernis, waaraan - zonder verdere toelichting - een beroep op verjaring wordt gekoppeld.(5) Ten dele is haar betoog gestoeld op een nadeliger bewijspositie waarin zij zou zijn geraakt.(6) Ook heeft zij beroep gedaan op art. 7:900 BW.(7) Bovo heeft niet uit de doeken gedaan hoe deze verschillende uiteenzettingen zich tot elkaar verhouden.

3.4 [Verweerder] heeft het in de cva ontwikkelde verweer klaarblijkelijk verstaan als een beroep op rechtsverwerking.(8)

3.5 Blijkens rov. 3 en 5 van haar tussenvonnis van 26 september 2001 heeft de Kantonrechter het verweer opgevat als een beroep op verjaring; zij heeft het afgewezen.(9)

3.6.1 Bovo heeft aanvankelijk art. 6:89 BW niet genoemd. Zij doet dat voor het eerst, en passant, in de antwoordakte na gewezen tussenvonnis van 12 juni 2002.

3.6.2 In haar akte van 10 juli 2002 heeft Bovo onder 3 andermaal beroep gedaan op rechtsverwerking. In dezelfde paragraaf draagt zij uit:

"Wel kan langdurig stilzitten (...) met zich meebrengen dat een en ander in strijd is met de redelijkheid en billijkheid! Tenslotte dient eiser met bekwame spoed te reclameren, gelet op artikel 6:89 BW."

3.7 In appèl heeft Bovo, naar het middel met juistheid aangeeft, art. 6:89 BW in stelling gebracht (mva blz. 3 onder 2.3 en onder 3.1 en 3.2). Onder 3 zet zij uiteen belang te hebben bij "een definitieve vaststelling binnen redelijke termijn". Zij wijst daarbij op "(bewijs)problemen". Daarenboven brengt zij de "redelijkheid en billijkheid" in stelling. Deze brengen, zo begrijp ik, mee dat een schuldenaar na verloop van enige tijd niet meer gehouden is te betalen wat hij verschuldigd is (onder 3.2).

3.8.1 Het is al aanstonds de vraag of het Hof inderdaad voorbij is gegaan aan de hiervoor kort weergegeven stellingen van Bovo. In rov. 27 geeft het Hof, naar valt aan te nemen in reactie op een daartoe strekkend verweer zoals het Hof dat heeft verstaan, aan dat de vordering niet is verjaard. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat het Hof bedoelde uiteenzettingen, evenals de Kantonrechter, heeft begrepen als een beroep op verjaring.

3.8.2 In deze lezing mist de klacht feitelijke grondslag.

3.9 Dwingend is de onder 3.8 weergegeven lezing van 's Hofs arrest niet. Daarom sta ik ook stil bij de vraag wat rechtens is wanneer het Hof niet expliciet op de beschouwingen van Bovo zou hebben gerespondeerd.

3.10.1 's Hofs redenering komt op het volgende neer. Op basis van de door Bovo niet bestreden stellingen van [verweerder] was sprake van een TVT-uren tegoed van 416,5 uur (rov. 27). Het Hof bouwt hier voort op het onder 2.4.2 weergegeven oordeel van de Kantonrechter.

3.10.2 Dat Bovo deze stelling niet heeft weersproken, ligt alleszins voor de hand. Zij is immers, blijkens een bij akte na comparitie van 19 december 2001 overgelegde, brief afkomstig van Bovo. Daarin is sprake van een saldo van 416,5 uur.

3.10.3 Aldus gaat het hier om een situatie waarin - naar 's Hofs oordeel - voor Bovo van stonde af aan duidelijk was dat in elk geval het aantal uren waarop het Hof zich baseert juist was.(10)

3.11 Door zich te bekeren tot de (per saldo) eigen stellingen van Bovo komt enig (rechtens te respecteren) belang waarin Bovo zou zijn geschaad door het beroep op art. 6:89 BW niet te honoreren niet in beeld.(11) Bij die stand van zaken is geen sprake van een essentiële stelling en behoefde het Hof er ook niet ook op te responderen. Daarbij teken ik nog aan dat het Hof de beschouwingen van Bovo klaarblijkelijk en geenszins onbegrijpelijk aldus heeft verstaan dat het hele betoog was verankerd in een schending van haar bewijspositie. Daarvan was, als gezegd, evenwel geen sprake.

3.12 Ten overvloede ga ik kort in op de betekenis van art. 6:89 BW. Daarbij stel ik voorop dat Bovo er zelf op heeft gewezen dat de CAO geen "reclametermijn" bevat; mva onder 7.8. Bij antwoordakte in appèl heeft zij daaraan toegevoegd dat er evenmin op andere wijze zo'n termijn is overeengekomen (onder 1).

3.13 Art. 6:89 BW bepaalt dat de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd.

3.14 In het arrest [A]/[B] heeft Uw Raad uitgemaakt dat een factuur niet kan worden beschouwd als een prestatie als bedoeld in art. 6:89 BW.(12)

3.15.1 Naar gangbare inzichten is de ratio van art. 6:89 BW de schuldenaar te beschermen tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten.(13) De bepaling wordt gezien als een uitwerking van het leerstuk van rechtsverwerking.(14)

3.15.2 Aangezien rechtsverwerking op haar beurt een species is van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid,(15) zal ook een beroep op rechtsverwerking slechts onder uitzonderlijke omstandigheden gegrond worden geoordeeld, zo oordeelde Uw Raad recentelijk.(16) Dat zal m.i. eveneens ten aanzien van art. 6:89 BW moeten worden aangenomen.

3.15.3 Bovo heeft geen steekhoudende uitzonderlijke omstandigheden aangevoerd. Daarom zou een beroep op art. 6:89 BW haar m.i. niet kunnen baten, gesteld al dat deze bepaling in casu toepassing zou vinden. Het gaat in casu, naar het Hof klaarblijkelijk heeft geoordeeld, immers om een situatie waarin de debiteur op de hoogte is van zijn betalingsverplichting, waarin hij niet wil betalen en daartoe zijn heil zoekt tot een formeel argument.(17) Een beroep op art. 6:89 BW zou dan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (al spoedig) onaanvaardbaar zijn.(18)

3.16 Als ik het goed zie, dan komt het betoog van Bovo erop neer dat het verstrekken van een urenafrekening een prestatie is in de zin van art. 6:89 BW. Die opvatting lijkt mij niet juist. Een wezenlijk verschil met facturen zie ik immers niet. Facturen worden, als gezegd, niet door art. 6:89 bestreken.

3.17.1 Hierbij valt nog te bedenken dat in de parlementaire geschiedenis telkens wordt gesproken van aflevering van een zaak.(19) De bepaling is ongetwijfeld niet beperkt tot zaken.(20) Maar het gaat m.i. in haar algemeenheid te ver om daaronder ook gevallen als de onderhavige te rubriceren. In de bewoordiingen van A-G Langemeijer ziet art. 6:89 BW op gevallen waarin de schuldenaar meent en mag menen aan zijn verplichting te hebben voldaan.(21) Zoals reeds vermeld onder 3.15.3 doet die situatie zich in casu niet voor.

3.17.2 Het is ook niet nodig om art. 6:89 BW ruim uit te leggen. In voorkomende, voor de debiteur schrijnende, gevallen kan een beroep op rechtsverwerking soelaas bieden.

3.18 De door het onderdeel bepleite benadering spreekt ook weinig aan. Zij zou ertoe leiden dat de debiteur zonder goede grond een voordeel in de schoot geworpen krijgt ter grootte van de op zich gegronde en nog niet verjaarde vordering van zijn crediteur; zulks ten koste van deze crediteur.

3.19 In zekere zin zouden hiermee de poten worden weggezaagd onder de langere verjaringstermijn. In een concreet geval kán daartoe voldoende grond bestaan; in algemene zin bestaat aan een dergelijke vernieuwing van het recht m.i. geen behoefte.

3.20 Op grond van dit alles loopt het onderdeel stuk.

3.21 Het tweede en het derde onderdeel richten zich (kennelijk)(22) tegen rov. 27, geciteerd onder 2.8.1.

3.22 Het tweede onderdeel richt zich tegen de overwegingen van het Hof die leiden tot de conclusie dat Bovo 352 uren te weinig heeft afgerekend. Het onderdeel acht het onbegrijpelijk hoe het feit dat de definitieve urenstaten een saldo van 64,5 uren vermelden, zou moeten leiden tot de conclusie dat Bovo op 31 december 1998 op grond van dat uitgangspunt zou hebben afgerekend. Het onderdeel verwijst naar de antwoordakte uitlating na comparitie in eerste aanleg van 16 januari 2002, waarin Bovo zou hebben laten zien hoe zij per 31 december 1998 tot een saldo was gekomen en op basis daarvan heeft afgerekend.

3.23 Het onderdeel mislukt omdat het 's Hofs gedachtegang miskent en aldus een klacht formuleert die daar langs heen schiet.

3.24.1 Volgens het Hof heeft Bovo aangevoerd dat het aantal TVT-uren per 1 januari 1995 64,5 was. Dat is oordeel is volkomen juist nu Bovo die stelling inderdaad heeft betrokken; zie cvd onder 11.

3.24.2 In rov. 27 geeft het Hof aan dat het werkelijke aantal TVT-uren per 1 januari 1995 niet 64,5 uur, maar 416,5 was. Bovo bestrijdt dat thans ook niet meer; zie onder 3.1.2.

3.24.3 Bij deze stand van zaken is zonneklaar dat de besommingen van Bovo [verweerder] het verschil tussen 416,5 en 64,5 tekort doen, wat daarvan en van de in de akte waarop het onderdeel beroep doet genoemde mutaties verder ook zij. Het gaat in 's Hofs - geenszins onbegrijpelijke - gedachtegang immers niet om die mutaties maar om het feit dat zij alle voortbouwen op een veel te laag aantal uren per 1 januari 1995.

3.25 Voor zover het onderdeel nog betoogt dat het Hof een onjuiste toepassing geeft aan de bepalingen van de CAO doordat geen rekening is gehouden met de opgenomen TVT-uren, compensatiedagen en de opbouw tijdens ziekte, voldoet het niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Het gaat bovendien om een voortbouwende klacht die bij inhoudelijke beoordeling zou stranden op de hiervoor gesignaleerde verkeerde lezing van 's Hofs arrest.

3.26.1 Het derde onderdeel verwijt het Hof te hebben afgezien van de matiging van de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW. Het Hof heeft bij zijn beslissing miskend dat Bovo bij mva om matiging heeft verzocht en bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, aldus het onderdeel. Daarmee geeft het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, zou het oordeel van het Hof onbegrijpelijk zijn.

3.26.2 Volgens Bovo is vooreerst onjuist dat de hoogte van de vordering uit haar administratie kan worden afgeleid.

3.26.3 Als bijzondere omstandigheden worden, als ik het goed zie, door het onderdeel genoemd 1) dat de litigieuze vordering eerst anderhalf jaar na beëindiging van het dienstverband is ingesteld, 2) geen sprake is van regulier loon, 3) Bovo de vordering heeft bestreden en 4) [verweerder] eerst na driekwart jaar een mvg heeft genomen.

3.27.1 Ook deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. nu niet wordt aangegeven waar in de mva (van in tortaal 20 pagina's) beroep is gedaan op deze "bijzondere" omstandigheden.

3.27.2 Voor zover Uw Raad over deze hindernis zou willen heenstappen, zij vermeld dat in de mva geen beroep wordt gedaan op de onder 3.26.3 sub 1, 2 en 3 genoemde omstandigheden, terwijl wordt betoogd dat [verweerder] bijna een jaar heeft gewacht met het nemen van de mvg; zie onder 13.1. Waarom het eerst na geruime tijd nemen van een mvg zou nopen tot matiging geeft Bovo niet aan en valt ook niet in te zien.

3.28 Ten overvloede: 's Hofs oordeel dat uit de eigen administratie van Bovo inderdaad valt af te leiden dat het saldo van de [verweerder] toekomende uren op 1 januari 1995 416,5 was en niet, zoals Bovo heeft betoogd 64,5, is niet onbegrijpelijk in het licht van de bij akte uitlating na comparitie van 19 december 2001 overgelegde brief van Bovo. Het Hof heeft klaarblijkelijk aangenomen dat Bovo dit door haar genoemde aantal van 416,5 baseeerde op de bijgevoegde loonstroken. Daarop wijst, naar 's Hofs kennelijke oordeel, het slot: "Bijlagen Loonstroken (...)".

3.29 Hoe dat ook zij, in elk geval ultimo 2001 moet Bovo duidelijk zijn geworden dat zij [verweerder] te weinig heeft uitbetaald. Zij heeft toen niet de witte vlag gehesen, maar is (zelfs tot en met cassatie) de - naar in cassatie moet worden aangenomen - onjuiste stelling blijven verdedigen dat haar berekening wél juist was. Dat recht kan haar niet worden ontzegd, maar een goede basis voor matiging biedt het m.i. niet.

3.30 Ten overvloede ga ik nog ten gronde op de kernklacht in. Daarbij moet worden vooropgesteld dat het Hof een discretionaire bevoegdheid heeft om de wettelijke verhoging al dan niet te matigen. Nu Bovo om matiging heeft verzocht, was het Hof wél verplicht zijn oordeel te motiveren.(23) Dat heeft het Hof ook gedaan. Het wijst er immers op dat het gevorderde bedrag is af te leiden uit de administratie van Bovo en dat er geen reden is waarom zij het bedrag niet veel eerder heeft betaald.

3.31 Dit oordeel is onjuist, noch ook onbegrijpelijk. Het is toereikend gemotiveerd. Op zich en al helemaal tegen de achtergrond van de enige omstandigheid waarop het onderdeel beroep doet en die ook al in appèl is ingeroepen (te weten dat [verweerder] er de nodige tijd voor heeft genomen van grieven te dienen).(24)

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Het middel behelst geen klachten die nopen tot een onderzoek naar de inhoud van deze CAO. Daarom laat ik rusten of sprake is van een algemeen verbindend verklaarde CAO en daarmee van recht in de zin van art. 79 lid 1 onder b RO.

2 Het desbetreffende processtuk is op dit punt onleesbaar.

3 In het procesdossier ontbreken deze CAO's.

4 De kopie van de cassatiedagvaarding die zich in de procesmap bevindt, is op het stuk van de datum van uitreiking onleesbaar. Onderzoek ter griffie, waar zich nog de originele dagvaarding bevindt, wijst uit dat zij op 20 juni 2005 is uitgebracht.

5 Bijv. cva onder 8 en 9.

6 Cva nr. 15.

7 Cvd onder 17.

8 Cvr onder 13.

9 Rov. 3 en 5.

10 Daarop wijst met name rov. 27.

11 Aldus wordt een engiszins vrije, maar m.i. voor het rechtsverkeer bruikbare, interpretatie aan deze bepaling gegeven.

12 HR 11 mei 2001, NJ 2001, 410 rov. 3.3.

13 Zie, ook voor verdere vindplaatsen, Verbintenissenrecht art. 89 (Wissink) aant. 4.

14 Idem aant. 5 en A-G Langemeijer voor HR 20 januari 2006, NJ 2006, 80 onder 2.17.

15 Zie hierover Mon. Nieuw BW A6b (Tjittes) nr. 4.

16 HR 20 mei 2005, RvdW 2005, 75, rov. 5.

17 Zie rov. 27 waarin het Hof aangeeft dat Bovo op de hoogte was van het aantal niet uitbetaalde uren; desondanks heeft zij slechts een klein deel daarvan betaald. Daarop wijst ook het afwijzen van het beroep op matiging (eveneens rov. 27).

18 Zie, ook voor verdere vindplaatsen, Verbintenissenrecht art. 89 (Wissink) aant. 33.3.

19 PG Boek 6 blz. 316/7.

20 In vergelijkbare zin ook mijn ambtgenoot Langemeijer voor HR 20 januari 2006, NJ 2006, 80 onder 2.16.

21 Voor HR 20 januari 2006, NJ 2006, 80 onder 2.24.

22 Het tweede onderdeel verwijst naar rov. 26. Uit de inhoud van het tweede onderdeel en de s.t. kan worden opgemaakt dat het een kennelijke verschrijving betreft.

23 Losbl. Arbeidsovereenkomst art. 7:625 (Olbers) aant. 6; T&C Arbeidsrecht art. 7:625 (Van Slooten) aant. 3.

24 Dat ook hier de berekening van Bovo niet klopt, legt geen gewicht te haren detrimente in de schaal.