Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY7919

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
C05/178HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY7919
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen Nationale Postcode Loterij en een deelnemer die door tijdelijke incassoblokkade wegens ongeoorloofde debetstand bij een trekking prijzengeld is misgelopen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-09-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 566
RvdW 2006, 903
JWB 2006/317

Conclusie

Rolnr. C05/178HR

mr. J. Spier

Zitting 16 juni 2006

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Nationale Postcode Loterij N.V.

(hierna: NPL)

1. Feiten

1.1 In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam in rov. 1.a - 1.l van haar vonnis van 28 januari 2004 een aantal feiten vastgesteld. Blijkens rov. 3 van het thans bestreden arrest is ook het Hof Amsterdam van deze feiten uitgegaan. In rov. 4.1 van 's Hofs arrest worden de door de Rechtbank vastgestelde feiten enigszins geparafraseerd en op sommige punten meer uitgebreid weergegeven. Het navolgende overzicht heb ik ontleend aan rov. 4.1 van het bestreden arrest.(1)

1.2 [Eiser] nam in 2002 met zijn postcode deel aan de (ten minste maandelijks) door NPL georganiseerde Nationale Postcode Loterij (hierna: de loterij); zulks met twee loten per trekking à raison van € 7,50 per stuk.

1.3 De betaling van de per trekking verschuldigde inleg geschiedde krachtens een door [eiser] aan NPL verstrekte machtiging tot automatische incasso, op basis waarvan NPL bevoegd was het verschuldigde bedrag te doen afschrijven van [eiser]' bankrekening bij zijn Rabobank.

1.4 In het op de loterij toepasselijke Deelnemersreglement (hierna: het reglement) is onder meer bepaald:

"Artikel 5, Aanvraag voor deelname

(...)

3. Met inachtneming van het hierna in artikel 6.2 bepaalde geldt dat deelnemer hij is die zich verplicht heeft tot wederopzegging aan elke trekking (...) deel te nemen en de Stichting Nationale Postcode Loterij gemachtigd heeft de daartoe benodigde inleggelden van zijn bank- of girorekening af te schrijven (...)

Artikel 6, Inleg

(...)

3. De inleg van de deelnemers (...) wordt voorafgaand aan het begin van de maand waarin de desbetreffende trekking plaatsvindt, van de door de deelnemer opgegeven bank- of girorekening afgeschreven. Mocht dit afschrijven niet lukken dan zullen in de maand van trekking nogmaals één of meerdere incassopogingen plaatsvinden. Als geen afschrijving kan plaatshebben, geldt dat niet kan worden deelgenomen aan de trekking waarvoor die afschrijving benodigd was. De afschrijving van de inleg van de deelnemer geschiedt op grond van een daartoe door de deelnemer aan de stichting verstrekte machtiging.

(...)

7. Een deelnemer die zijn deelname wenst te beëindigen, dient dit schriftelijk aan de Stichting Nationale Poetcode Loterij mede te delen, onder intrekking van de door hem eerder verstrekte machtiging en onder vermelding van zijn lotnummer."

1.5 In verband met een ongeoorloofde, door [eiser] veroorzaakte, debetstand op zijn Rabo-rekening, heeft de Rabobank op 7 augustus 2002 een incassoblokkade op die rekening aangebracht.

1.6 Op 9 augustus 2002 is [eiser] met de Rabobank overeengekomen dat zijn vrouw mederekeninghouder werd, dat de kredietfaciliteit op die rekening werd verruimd tot € 3.000 en dat de incassoblokkade werd opgeheven.

1.7 Interpay - een gezamenlijke onderneming van Nederlandse banken - voert ten behoeve van zakelijke cliënten van die banken - zoals NPL - opdrachten tot automatische incasso uit. Zij hanteert in haar relatie tot die banken en tot die zakelijke cliënten "Algemene Voorwaarden incasso". Art. 9, eerste lid luidt:

"De bank van de Debiteur heeft het recht - al dan niet op verzoek van de Debiteur - de uitvoering van Incasso-opdrachten ten laste van de rekening van de Debiteur te weigeren. Mededeling hiervan aan de Incassant geldt als een intrekking van de Machtiging door de Debiteur."

1.8 Medio augustus 2002 heeft NPL geprobeerd van de Rabobankrekening van [eiser] de inleg voor de maand september 2002 te doen incasseren. Dit mislukte als gevolg van de daarop aangebrachte incassoblokkade. Interpay heeft in dat verband van de Rabobank de blokkeringscode "02" doorgekregen. Deze code betekent "alle debiteringen toegestaan met uitzondering van incasso". Interpay heeft daarop aan NPL de melding gezonden "1010 Incasso niet meer mogelijk". NPL heeft aan die melding in haar eigen administratie toegevoegd "incassostatus: N Niet opnieuw incasseren". Zij heeft geen verdere incassopogingen gedaan met betrekking tot de inleg van de trekking in de maand september en evenmin getracht de inleg van de daarop volgende trekkingen te incasseren.

1.9.1 NPL heeft een op 29 augustus 2002 gedagtekende brief van haar hand overgelegd, waarin [eiser] als geadresseerde staat genoemd. Daarin staat voor zover hier van belang:

"Geachte [eiser],

(...)

Helaas is het momenteel niet mogelijk de inleg van uw rekening (...) af te schrijven. U maakt dus ook geen kans op al onze fantastische prijzen! Wellicht is uw rekeningnummer gewijzigd of is afschrijving om andere redenen niet mogelijk. Wilt u toch meespelen, vult u dan het bijgaande formulier volledig in."

1.9.2 Bij deze brief is een 'bevestigingsformulier' gevoegd. Daarin wordt [eiser] uitgenodigd zijn deelname aan de loterij en zijn machtiging van NPL om de inleg ten laste van zijn bankrekening te incasseren, te bevestigen.

1.10 De incassoblokkade op [eiser]' bankrekening is eerst op 6 september 2002 door de Rabobank opgeheven. [Eiser]' crediteur Monuta heeft, tengevolge van de incassoblokkade op [eiser]' bankrekening, tevergeefs gepoogd twee bedragen automatisch te incasseren met behulp van een door [eiser] aan Monuta afgegeven machtiging. Op 24 september 2002 heeft [eiser] twee acceptgiroformulieren aan de Rabobank aangeboden ter voldoening van de desbetreffende schulden aan Monuta.

1.11 Op 15 november 2002 heeft een extra trekking plaatsgevonden, waarbij [eiser]' postcode de hoofdprijs (van € 3.845.000) won. Omdat NPL sedert de vergeefse incassopoging van medio augustus 2002 de door [eiser] afgegeven machtiging als vervallen beschouwde, gold hij niet langer als deelnemer aan de loterij en nam hij geen deel aan de trekking van november 2002. Indien dat wel het geval was geweest, had hij recht gehad op € 699.090,91, Daarover zou een kansspelbelasting van 25% verschuldigd zijn geweest.

1.12 [Eiser] achtte de Rabobank aansprakelijk. De Rabobank en [eiser] hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten ter zake van het door [eiser] mislopen prijzengeld, zulks op grond van het niet tijdig opheffen van de incassoblokkade van [eiser]' bankrekening. Krachtens die overeenkomst heeft de Rabobank ter volledige kwijting € 349.742,09 aan [eiser] betaald. Dit bedrag komt ongeveer overeen met 2/3 deel van het door [eiser] misgelopen prijzengeld minus de daarover verschuldigde kansspelbelasting.

2. Procesverloop

2.1 Op 16 december 2002 heeft [eiser] NPL gedagvaard voor de Rechtbank Amsterdam. Hij heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard(2) dat NPL jegens hem aansprakelijk is en wordt veroordeeld de door hem geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vergoeden; zulks met nevenvorderingen.(3)

2.2 NPL heeft de vordering bestreden.

2.3.1 De Rechtbank heeft het gevorderde afgewezen. Daartoe wordt overwogen dat NPL heeft gehandeld in strijd met hetgeen waartoe zij jegens [eiser] krachtens het reglement was gehouden, door in de maanden september, oktober en november 2002 geen enkele (tweede) poging te doen om [eiser]' inleg te incasseren, zulks ondanks het feit dat [eiser] zijn machtiging van NPL niet had ingetrokken als bedoeld in art. 6, zevende lid, van het reglement en die machtiging evenmin was ingetrokken ingevolge het bepaalde in art. 9, eerste lid, van de door Interpay gehanteerde Algemene Voorwaarden incasso, aangezien [eiser] geen partij is bij de overeenkomst tussen Interpay, NPL en haar bank (rov. 5).

2.3.2 Volgens de Rechtbank is [eiser]' schade in zodanige mate mede het gevolg van aan hem toe te rekenen omstandigheden, dat hij, nu hem door de Rabobank reeds 2/3 deel van zijn schade (na aftrek van kansspelbelasting) is uitgekeerd, geen aanspraak meer kan maken op enige schadevergoeding door NPL. De Rechtbank wijst er in dat verband op dat [eiser] op de hoogte was van de incassoblokkade op zijn bankrekening. Daarom had het op zijn weg gelegen om na de afspraak met de Rabobank op 9 augustus 2002 zijn bankrekeningafschriften te controleren om te zien of zijn betalingsopdrachten weer werden uitgevoerd, waaraan niet afdoet dat hij doorlopende incassomachtigingen had verstrekt (rov. 6).

2.4 [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld; NPL heeft incidenteel geappelleerd.

2.5.1 In zijn arrest van 24 maart 2005 gaat het Hof er - veronderstellenderwijs - vanuit dat NPL jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten.(4)

2.5.2 Hierop wordt overwogen:

"4.2.3 Naar het oordeel van het hof bestaat er een oorzakelijk verband tussen de door [eiser] geleden schade en de door de rechtbank bij toepassing van artikel 6:101 BW in aanmerking genomen omstandigheden, in die zin dat de schade niet (in gelijke mate) zou zijn opgetreden wanneer de desbetreffende omstandigheden zich niet hadden voorgedaan. Omtrent de vraag of die omstandigheden naar hun aard aan [eiser] kunnen worden toegerekend en op die grond de schadevergoedingsplicht van NPL verminderen, overweegt het hof als volgt.

4.2.4 Het hof stelt daarbij voorop dat het bij de voldoening van de inleg in beginsel gaat om een op [eiser] rustende verplichting jegens NPL. Dat is niet anders op de grond dat partijen zijn overeengekomen die voldoening feitelijk te doen plaatsvinden met behulp van een machtiging tot automatische incasso en dat NPL op zich heeft genomen langs die weg de voldoening tot stand te doen komen. Een en ander brengt mee dat een incassopoging die faalt omdat [eiser]' bankrekening een door eigen toedoen veroorzaakte ongeoorloofde debetstand vertoont en dientengevolge voor incasso's is geblokkeerd, voor risico en rekening van [eiser] komt. Zulks is het geval zolang de incassoblokkade duurt. Dat die blokkade hier langer heeft geduurd dan in het licht van de onderlinge relatie tussen [eiser] en zijn bank gerechtvaardigd was, is daarbij niet relevant, omdat NPL daar buiten staat. Dit betekent dat eventuele herhaalde incassopogingen door NPL die tussen medio augustus en 6 september 2002 zouden hebben plaatsgevonden, steeds vergeefs zouden zijn geweest en dat zulks steeds voor risico en rekening van [eiser] zou zijn gekomen.

4.2.5 Dat NPL (ook) na laatstgenoemde datum gehouden was incassopogingen te doen en dat deze zouden zijn geslaagd, laat onverlet dat van het niet-incasseren van de inleg over de maanden september, oktober en november 2002, geen sprake geweest zou zijn als [eiser] de ongeoorloofde debetstand en incassoblokkade van zijn bankrekening had voorkomen. Het had naar het oordeel van het hof, gelet op die omstandigheid en gelet op de onder 4.2.4 omschreven uitgangspunten, in de rede gelegen dat [eiser] zijnerzijds, door kennisname van zijn bankrekeningafschriften of anderszins, had bewaakt of er na de uiteindelijke opheffing van de incassoblokkade door NPL ten laste van zijn rekening weer inleg werd geïncasseerd en dat hij, na te hebben geconstateerd dat dat niet het geval was, alsnog op voldoening van de inleg gerichte maatregelen had getroffen. Het hof hecht hierbij belang aan het feit dat het in deze zaak gaat om de (voldoening van de inleg van de) extra trekking in november 2002, hetgeen betekent dat [eiser] sedert de vergeefse incassopoging medio augustus 2002, ruim tijd heeft gehad om te constateren dat er sedertdien geen inleg meer werd geïncasseerd. Dat hij tot de genoemde handelwijze de mogelijkheid bezat, heeft [eiser] niet bestreden. Dat hij zich die mogelijkheid bewust was of kon zijn, volgt in voldoende mate uit de onder 4.1.9 weergegeven gang van zaken rond de (eveneens gebruikelijkerwijs met behulp van een machtiging tot automatische incasso voldane) schulden aan Monuta. [Eiser] heeft er echter voor gekozen de voldoening van zijn inleg niet te bewaken.

4.2.6 Op grond van al het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de door [eiser] geleden schade mede het gevolg is van voor zijn risico komende en daarom aan hem toe te rekenen omstandigheden. Dat de vorenomschreven 'bewaking' door [eiser] niet als verplichting in zijn contractuele relatie met NPL besloten lag, is van belang voor de onderlinge weging van de enerzijds aan NPL en anderzijds aan [eiser] toe te rekenen, aan de schade bijdragende, omstandigheden, doch doet op zichzelf bezien aan het voormelde oordeel niet af. Zulks geldt eveneens voor de door [eiser] aangevoerde (doch door NPL weersproken) omstandigheid dat de onder 4.1.7 weergegeven melding van Interpay en de administratieve toevoeging daaraan door NPL onjuist zijn als gevolg van aan henzelf toe te rekenen omstandigheden.

4.2.7 Bij de afweging van de aan elk van partijen toe te rekenen, aan [eiser]' schade bijdragende, omstandigheden, gaat het hof er veronderstellenderwijs vanuit dat de onder 4.1.7 weergeven melding van Interpay en de administratieve toevoeging daaraan door NPL, niet stroken met de door de Rabobank aan Interpay doorgegeven code "02" en dat zulks niet aan [eiser] en/of de Rabobank kan worden toegerekend. Ook met inachtneming van dat uitgangspunt heeft de genoemde afweging naar het oordeel van het hof echter als uitkomst dat de schadevergoedingsplicht van NPL, in evenredigheid met de mate waarin de aan elk van partijen toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen, met tenminste 1/3e deel dient te worden verminderd. Het hof heeft daarbij acht geslagen op het onder 4.1.13 weergegeven oordeel omtrent het toerekenbaar tekortkomen van NPL, op hetgeen onder 4.2.3 en verder omtrent [eiser]' handelen en nalaten is overwogen en op hetgeen overigens omtrent de onderlinge (contractuele) verhouding tussen partijen is gebleken. Er zijn naar het oordeel van het hof geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die op billijkheidsgronden tot een ander oordeel nopen."

2.5.3 Het Hof komt tot de slotsom dat de Rechtbank [eiser]' vorderingen terecht heeft afgewezen.

2.6 [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld.(5) NPL heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [Eiser] heeft gere- en NPL gedupliceerd.

3. Bespreking van de middelen

3.1 Het cassatieberoep richt zich met drie middelen tegen rov. 4.2.5 - 4.2.7.

3.2.1 Het eerste middel werpt klachten op tegen rov. 4.2.5 en 4.2.6. In par. 1.1 - 1.6 kan ik geen klachten ontdekken; en al helemaal geen klachten die aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. voldoen. Dat geldt in het bijzonder voor de uiteenzettingen onder 1.5 en 1.6, waarin de steller mogelijk een klacht probeert te formuleren.

3.2.2 Ik stip hierbij nog aan dat het Hof, anders dan mr Pherai wil doen geloven, niets heeft vastgesteld over lichtvaardigheid aan de zijde van NPL (onder 1.2), dat geen betekenis toekomt aan een beroep op beweringen die in feitelijke aanleg zouden zijn gedaan zonder dat wordt aangegeven waar dat is gebeurd (onder 1.2, 1.3 en 1.4) en dat in cassatie geen plaats is voor feitelijke nova.

3.2.3 Onder 1.6 wordt (bovendien) uit het oog verloren dat [eiser], naar 's Hofs oordeel, in de daar bedoelde zin is terkortgeschoten. Dat oordeel wordt niet met een begrijpelijke klacht bestreden.

3.2.4 Bij de beoordeling van de lapidaire klachten moet worden bedacht dat het Hof ampel motiveert dat, hoe en waarom het een afweging maakt van de aan partijen toe te rekenen omstandigheden (rov. 4.2.7). Het Hof geeft daarbij aan acht te hebben geslagen op het oordeel omtrent het toerekenbaar tekortkomen van NPL, op hetgeen in rov. 4.2.3 en overigens omtrent [eiser]' handelen en nalaten is overwogen en op hetgeen verder omtrent de onderlinge (contractuele) verhouding tussen partijen is gebleken. Hieruit kan worden afgeleid dat het Hof ten aanzien van de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden in ieder geval het oog heeft gehad op:

a. het ontstaan door toedoen van [eiser] van een ongeoorloofde debetstand, welke omstandigheid aan het begin staat van de causale keten die leidde tot het resultaat dat de inleg niet van [eiser]' rekening is afgeschreven (rov. 4.2.4);

b. het feit dat [eiser] sedert de vergeefse incassopoging medio augustus 2002 ruim de tijd heeft gehad om te constateren dat er sedertdien geen inleg meer werd geïncasseerd (rov. 4.2.5);

c. het feit dat [eiser] zich bewust is geweest van de mogelijkheid om maatregelen te treffen om aan zijn inlegverplichting (alsnog/weer) te voldoen, hetgeen hij evenwel heeft nagelaten. Naar 's Hofs oordeel volgt dit in voldoende mate uit de voldoening door [eiser] van schulden aan Monuta (rov. 4.2.5).

3.3 Ik kom dan op - wat ik maar opvat als - de klachten. Onder 1.7 wordt betoogd dat NPL [eiser] had moeten informeren. Waarom dat zo zou zijn (naast de in de overeenkomst voorziene, op NPL rustende verplichting waarvan het Hof melding maakt) en waar dat in feitelijke aanleg is uitgedragen, wordt niet vermeld. De klacht voldoet daarom niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

3.4 Voor zover par. 1.7 een motiveringsklacht probeert te richten tegen een rechtsoordeel, is het tot mislukken gedoemd.

3.5 De uiteenzetting onder 1.8 haakt niet in op 's Hofs oordeel en geeft (dus) niet aan waarom dat oordeel onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Ook zij mislukt.

3.6 Par. 1.9 vervalt in herhalingen en deelt het lot van de eerdere uiteenzettingen.

3.7 Hetgeen onder 1.10 wordt betoogd, loopt andermaal stuk op vaste rechtspraak die vereist dat wordt aangegeven waar in de gedingstukken stellingen, waarop beroep wordt gedaan, zijn te vinden. Bovendien legt geen - laat staan beslissend - gewicht in de schaal of [eiser] "destijds" wist dat NPL de machtiging als ingetrokken beschouwde. Het Hof heeft er - niet op begrijpelijke wijze bestreden - op gewezen dat en waarom het [eiser] moet zijn opgevallen dat bepaalde afschrijvingen waren gestaakt (hetgeen trouwens een voor de hand liggend gevolg is van een blokkade na een ongeoorloofde debetstand). [eiser] heeft er zelf voor gekozen om achterover te gaan en vooral ook maandenlang te blijven leunen, ondanks de door hem zelf gecreëerde ongeoorloofde debetstand. Het Hof heeft daar terecht en op goede gronden juridische consequenties verbonden.

3.8 Voor zover in het middel in verschillende varianten een klacht moet worden gelezen dat de door het Hof aan [eiser]' zijde in aanmerking genomen omstandigheden niet mogen worden meegewogen, nu deze geen contractuele verplichtingen van [eiser] betreffen, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Voldoende is dat [eiser] zich, met het oog op zijn eigen belangen, anders heeft gedragen dan een zorgvuldig, redelijk handelend persoon in de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan.(6) Niet vereist is een schending van contractuele verplichtingen.

3.9 Het tweede middel richt zich tegen de tweede volzin van rov. 4.2.7. Daarin komt het Hof tot een weging van de verschillende, aan ieder der partijen toe te rekenen omstandigheden. Deze afweging heeft als uitkomst dat de schadevergoedingsplicht van NPL, in evenredigheid met de mate waarin de aan elk van partijen toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen, met ten minste 1/3 deel dient te worden verminderd.

3.10 Voor zover het middel al begrijpelijk is (hetgeen m.i. niet het geval is)(7) en voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. (hetgeen niet zo is) berust het kennelijk op de gedachte dat het Hof de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW zou hebben toegepast; dat ligt met name besloten in par. 2.5.(8) Het Hof heeft deze correctie evenwel niet toegepast, naar genoegzaam uit rov. 4.2.7 in fine voortvloeit.

3.11 Alle klachten van het tweede middel lopen reeds hierop stuk.

3.12.1 Het derde middel (par. 3.1) verwijt het Hof dat het ten onrechte en op onbegrijpelijke gronden in rov. 4.2.7 (vierde volzin) heeft overwogen dat er geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken zijn die op billijkheidsgronden nopen tot het oordeel dat de schadevergoedingsplicht van NPL niet met tenminste 1/3 deel dient te worden verminderd.

3.12.2 Het spijt me, maar aan de par. 3.2 en 3.3 kan ik slot noch zin toekennen.

3.13 Voor zover in het middel een klacht zou moeten worden gelezen inhoudend dat het 1) slechts aankomt op de onderlinge verhouding NPL/[eiser] of (de diametraal tegenovergestelde stelling 2) het totale plaatje van alle betrokkenen dan wel de onverenigbare stellingen 1 en 2 tezamen, is het eveneens tot mislukken gedoemd. Naar 's Hofs - niet op begrijpelijke wijze bestreden - oordeel komt [eiser] ten hoogste (het Hof bedoelt: wezenlijk minder, maar 2/3 heeft [eiser] nu eenmaal al ontvangen) 2/3 van de schade toe. Daarbij heeft het Hof het oog op art. 6:102 lid 2 BW. Dat oordeel wordt niet bestreden.

3.14 De zoëven bedoelde kwestie heeft intussen niets met de billijkheidscorrectie, waarop het derde middel inzet, van doen.

3.15 Deze zaak leent zich bij uitstek voor afdoening op de voet van art. 81 RO.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Voor de afdoening van de kansloze klachten was een zo uitvoerige weergave wellicht niet noodzakelijk.

2 De nadere uitwerking daarvan doet thans niet ter zake.

3 In deze zaak staat de omvang van de beweerdelijk geleden schade boven redelijke twijfel verheven vast. Zeker in een geval waarin het rechterlijk apparaat, nog wel in drie instanties, met kansloze zaken wordt geconfronteerd, is in mijn ogen betreurenswaardig dat het griffierecht niet wordt berekend op basis van het genoegzaam vaststaande financiële belang van de zaak, maar op basis van het laagste tarief omdat een verklaring voor recht wordt gevorderd. Het valt zeker niet uit te sluiten dat een aanzienlijk hoger griffierecht tot grotere terughoudendheid zou leiden kansloze zaken tot in hoogste aanleg uit te vechten. Daarmee zou waarlijk iedereen gebaat zijn.

4 Dat het Hof dat slechts veronderstellenderwijs doet, blijkt in de eerste plaats uit de omstandigheid dat het - terecht - aangeeft dat dit oordeel in het principale beroep niet is bestreden. Het volgt tevens uit rov. 4.2.9 en 4.2.10.

5 De cassatiedagvaarding behelst een vaker voorkomende, maar niettemin volstrekt onjuiste mededeling omtrent de gevolgen verbonden aan niet-verschijnen.

6 Vgl. Schadevergoeding (Boonekamp) art. 101 aant. 12 met verdere verwijzingen.

7 Uit de s.t. van mr Schutte blijkt dat ook hij er geen raad mee weet.

8 De s.t. van mr Pherai is op dit punt niet goed begrijpelijk; zie met name onder 3.1. Voor het eerst aan het slot van de repliek duikt de stelling op dat het Hof wordt verweten geen toepassing te hebben gegeven aan de billijkheidscorrectie. Het komt evenwel niet op de repliek, maar op het middel aan.