Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY7790

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
02-11-2006
Zaaknummer
02857/05 E
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2005:AU1224
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY7790
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Vordering ex art. 5:17 Awb door ambtenaar Keuringsdienst van Waren. 2. Opsporingsbevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar ex Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Warenautoriteit 2002. Ad 1. HR verwijst naar conclusie van de AG inhoudend dat niet slechts de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees bevoegd was tot toezicht op slachterijen die werken met gespecificeerd hoog risicomateriaal maar dat (ook) de Keuringsdienst voor Waren bevoegd was o.g.v. de Destructiewet. Ad 2. X was o.g.v. art. 2 van voormeld Besluit als buitengewoon opsporingsambtenaar aangewezen. ’s Hofs oordeel dat hij in die hoedanigheid bevoegd was p-v op te maken t.z.v. het misdrijf van art. 184 Sr is gelet op art. 3.1 van genoemd besluit (waarin de opsporingsbevoegdheid tot bepaalde strafbare feiten is beperkt) onjuist. Het p-v kan daarom niet worden aangemerkt als een p-v ex art. 344.1.2° Sv. Het heeft te gelden als een ander geschrift ex art. 344.1.5° Sv dat alleen i.v.m. de inhoud van andere bewijsmiddelen voor het bewijs mag worden gebruikt, i.c. de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 30 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
JOL 2006, 663
NJ 2006/603
RvdW 2006, 1047
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02857/05 E

Mr. Machielse

Zitting 5 september 2006

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 24 februari 2005 voor het opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, veroordeeld tot een geldboete van € 500,00.

2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr. P. Garretsen, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende zes middelen van cassatie. Na ommekomst van de in artikel 437 lid 2 Sv genoemde termijn heeft mr. Garretsen nog een schriftelijke toelichting tevens houdende aanvulling middelen doen toekomen. Voorzover dit stuk een nadere toelichting op de eerder ingediende middelen bevat zal de Hoge Raad daarop acht kunnen slaan. Voorzover aanvullende middelen worden voorgesteld stel ik voor dat de Hoge Raad hiervan geen kennis zal nemen.(1)

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof er geen blijk van heeft gegeven acht te hebben geslagen op de inhoud van de door verdachte aan het hof toegestuurd de memorie met producties. De steller van het middel betoogt dat deze memorie te verstaan is als een appèlschriftuur, dat door de verwijzing ter terechtzitting door verdachte naar deze memorie de verweren in die memorie geacht moeten worden ter terechtzitting van het hof te zijn voorgedragen en dat het hof op deze verweren niet heeft gereageerd.

3.2. Het middel faalt omdat het hof niet verplicht was te reageren op grieven die in een appèlmemorie c.q. appèlschriftuur zijn vervat.(2) Daarin heeft art. 359 lid 2 Sv geen wijziging gebracht, voorzover dat lid sinds 1 januari 2005 ingevolge de Wet van 10 november 2004, Stb. 2004, 580 voorschrijft dat het vonnis, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen opgeeft die daartoe hebben geleid. Dienaangaande overweegt de Hoge Raad in zijn arrest van 11 april 2006 LJN AU9130:

"3.7.1. De wet noch de wetsgeschiedenis geeft uitsluitsel over wat verstaan moet worden onder "uitdrukkelijk onderbouwde standpunten" noch hoe dit begrip zich - wat betreft de verdachte - verhoudt tot de term verweer.

Op grond van de door de wetgever gebezigde woorden "uitdrukkelijk onderbouwde standpunten" moet evenwel worden aangenomen dat niet ieder ter terechtzitting ingenomen standpunt bij niet-aanvaarding noopt tot een nadere motivering. Tevens moet op grond van die bewoordingen worden aangenomen dat de verdachte of zijn raadsman dan wel het openbaar ministerie, wil het ingenomen standpunt de - uiteindelijk in cassatie te toetsen - verplichting tot beantwoording scheppen, zijn standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren dient te brengen. In dat opzicht gelden overeenkomstige eisen als worden gesteld aan een beroep op schending van een vormvoorschrift in de zin van art. 359a Sv (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376)."

Enkel door het voor de zitting indienen van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv, wordt dus nog geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen. Ten overvloede merk ik op dat de steller van het middel niet aanwijst op welke verweren hij het oog heeft en dat de "memorie" niet is ingediend op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen zodat deze onverwijld bij de processtukken wordt gevoegd zoals art. 410 lid 1 en 2 Sv bepaalt voor het geval dat "de partij die in beroep is gekomen" een "schriftuur, houdende haar grieven" indient.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het onderzoek van de heer Geertsma zich richtte op [A] B.V. en dat daarom de vordering niet aan verdachte als natuurlijk persoon kon worden gedaan, maar diende te worden gericht tot de besloten vennootschap. De ambtenaar bezocht de locatie van het bedrijf, wilde het bedrijf controleren en had dus verdachte moeten aanspreken in zijn kwaliteit als directeur van de vennootschap. Alleen de ondernemer, in dit geval de vennootschap, was verplicht medewerking te verlenen en inzage in de gegevens te verstrekken. Verdachte is niet aangesproken in de kwaliteit van ondernemer en op hem berustte dan ook deze verplichting niet

Het hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel, dat slechts degene aan wie door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast een vordering krachtens wettelijk voorschrift is gedaan, bij de bepaling van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht als geadresseerde geldt. Nu verbalisant E.A. Geertsma voornoemd de vordering aan verdachte heeft gedaan, en verdachte geen gevolg heeft gegeven aan die vordering, is het hof, anders dan verdachte, van oordeel, dat verdachte als geadresseerde geldt en dat hij terecht door het openbaar ministerie is gedagvaard en niet zijn bedrijf. Immers voornoemde vordering is niet aan het bedrijf van verdachte gedaan, maar aan verdachte zelf."

4.2. Het eerste lid van artikel 184 Sr bedreigt met straf de persoon die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of vordering et cetera. Artikel 5:17 lid 1 van de Algemene Wet Bestuursrecht maakt de toezichthouder bevoegd inzage te vorderen in zakelijke gegevens en bescheiden. Artikel 5:20 lid 1 legt aan een ieder de verplichting op om aan de toezichthouder alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Op voorhand wordt dus niemand van het handhavingstoezicht uitgesloten. Hooguit gaat er enige beperking uit van het in art. 5:13 Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Ingevolge die bepaling maakt een toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Dat brengt hier mee dat de bevoegdheid slechts wordt uitgeoefend jegens de personen die betrokken zijn bij activiteiten waarop moet worden toegezien ingevolge de wettelijke regeling op grond waarvan de toezichthouder met toezicht is belast. Dat wordt van geval tot geval beoordeeld. In veel gevallen zal dus wel duidelijk zijn op welke personen het toezicht zich zal richten, aldus de wetgever.(3) Dat de toezichthouder in deze zaak redelijkerwijs de medewerking van verdachte kon vorderen om inzage te krijgen in de voor de controle nodige bescheiden van verdachtes bedrijf lijkt mij niet serieus te betwisten omdat verdachte in zijn bedrijf zeggenschap had en het in zijn vermogen lag aan de vordering te voldoen.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat het hof het verschil tussen slagerij en slachterij niet heeft onderkend. Een slagerij is enkel gericht op de verkoop van producten terwijl gespecificeerd hoog risico materiaal ontstaat bij de slacht of de verwerking van slachtproducten. De toezichthoudende ambtenaar heeft ten onrechte niet in de slachterij maar in de slagerij zijn controle verricht.

5.2. Het eerste lid van artikel 184 Sr beperkt de bevoegdheid van ambtenaren om vorderingen te doen niet tot bepaalde plaatsen. Het zelfde geldt voor de eerder genoemde bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht. Reeds daarom faalt het middel. Bovendien doet het middel een beroep op feitelijke omstandigheden waarnaar in cassatie geen onderzoek kan worden ingesteld en die ter terechtzitting van het hof door verdachte niet zijn ingeroepen.(4)

6.1. Het vierde middel stelt dat Geertsma, controleambtenaar bij de Voedsel en Waren Autoriteit niet bevoegd was toezicht uit te oefenen op basis van artikel 12 van de Destructiewet omdat op 14 augustus 2002 daartoe enkel de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) bevoegd was.

6.2. Artikel 24 van de Destructiewet had op 14 augustus 2002 de volgende inhoud:

"1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gezamenlijk aangewezen ambtenaren.

2.

De artikelen 31a , 31d en 31g, eerste lid, van de Vleeskeuringswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde onderzoek ook kan worden uitgevoerd in door Onze Minister aangewezen andere laboratoria.

3.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."

6.3. Aan het eerste lid van artikel 24 van de Destructiewet is in 1995 gevolg gegeven in de Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Destructiewet.(5) Oorspronkelijk had de tekst van artikel 1a van de Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Destructiewet de volgende inhoud:

"1. Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Destructiewet bepaalde, worden aangewezen:

a. de ambtenaren van de Veterinaire Inspectie van de Volksgzondheid en van de Inspectie Gezondheidsbescherming van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

(...)"

In 1999 is een wijziging doorgevoerd in artikel 1 onder a van de Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Destructiewet door artikel VIII van de Wijziging ministeriële regelingen i.v.m. nieuwe naam Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken,(6) welk artikel, voor zover hier van belang het volgende inhield:

"Artikel 1, onderdeel a, van de Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Destructiewet komt te luiden:

a. de ambtenaren van de Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken van het Ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport;"

Met ingang van 15 november 2000 is in deze tekst door een ministeriëel besluit weer een wijziging aangebracht.(7) Artikel I van dit besluit luidde op 24 augustus 2002, voorzover hier relevant, als volgt:

"In de navolgende regelingen wordt in de daarbij aangegeven artikelen of artikelonderdelen de naam 'Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken' telkens vervangen door: 'Keuringsdienst van Waren':

a. (...);

b. Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Destructiewet, artikel 1, eerste lid;

(...)"

6.4. Blijkens bewijsmiddel 1 is de vordering tot verdachte gericht door E.A. Geertsma, controleambtenaar bij de Voedsel en Waren Autoriteit, Keuringsdienst van Waren.

6.5. De steller van het middel laat na de grondslag te noemen voor het standpunt dat op 14 augustus 2002 slechts de RVV bevoegd was tot toezicht op slachterijen die werken met gespecificeerd hoog risico materiaal. Ik heb in de door mij aangetroffen regelgeving zo een exclusieve toekenning van bevoegdheid niet aangetroffen. Ik houd het er daarom voor dat de Keuringsdienst voor Waren bevoegd was tot toezicht krachtens de Destructiewet en dat het hof, wat er ook zij van de motivering van zijn oordeel, terecht heeft beslist dat Geertsma tot controle bevoegd was.

Het middel faalt.

7.1. Het vijfde middel klaagt over het onderdeel van het arrest waarin het hof zijn oordeel uiteenzet over de kracht van het door Geertsma opgemaakte proces-verbaal. De Awb voorziet zelf niet in eigen strafsancties en daarom kan, althans volgens de steller van het middel, de bestuursrechtelijke norm ook niet worden afgedwongen met het bepaalde in artikel 184 Sr. Artikel 1:6 Awb sluit de bepalingen van het Wetboek van strafvordering uitdrukkelijk uit. Geertsma was tot opsporing noch controle bevoegd en daarom kan het door hem opgemaakte proces-verbaal, althans zo begrijp ik het middel maar, op geen enkele wijze tot het bewijs bijdragen.

7.2. In mijn bespreking van het vierde middel heb ik al doen blijken het standpunt van de steller, dat de Keuringsdienst van Waren niet bevoegd is controle uit te oefenen op de naleving van de Destructiewet, niet te delen. Met andere woorden, Geertsma mocht controle uitoefenen en mocht inzage vorderen in de administratie van het bedrijf van verdachte. Maar de vraag is of hij ook proces-verbaal mocht opmaken van het misdrijf van artikel 184 Sr, toen verdachte geen gehoor gaf aan zijn vordering die gebaseerd was op de Destructiewet.

7.3. Het hof heeft dienaangaande overwogen:

"C. "1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:

a. - de Warenwet;

- de Vleeskeuringswet;

- de Destructiewet;".

Artikel 7 van dat besluit bepaalt:

"Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Keuringsdienst van Waren 2000 wordt ingetrokken". Artikel 8 van dat besluit bepaalt:

"De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging, de legitimatiebewijzen buitengewoon opsporingsambtenaar en de overige benoemingsbescheiden, afgegeven mede op basis van het in artikel 7 genoemde besluit, worden voor de duur van hun geldigheid of tot daarover nader zal zijn beslist, geacht akten en legitimatiebewijzen of overige benoemingsbescheiden afgegeven mede op basis van het onderhavige besluit te zijn".

D. Gebleken is dat E.A. Geertsma voornoemd naast toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht en belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wettelijke voorschriften waarvan het toezicht op de naleving is opgedragen aan de Voedsel en Waren Autoriteit, ook is aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002. Op grond daarvan en mede in aanmerking nemende hetgeen hiervoor onder C. is overwogen, is het hof, anders dan de advocaat-generaal, die van mening is, dat het hiervoor onder 1. aangeduide bewijsmiddel beschouwd dient te worden als een schriftelijk stuk als bedoeld in artikel 344, Ie lid, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering, van oordeel, dat die Geertsma bevoegd was van het door hem op 14 augustus 2002 bij voornoemd bedrijf van verdachte als toezichthouder verrichte onderzoek en van de resultaten van dat onderzoek een proces-verbaal op te maken. Het hiervoor onder 1. genoemde proces-verbaal is dan ook door het hof aangemerkt als een bewijsmiddel als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafvordering."

7.4. Artikel 3 van het besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002(8) houdt het volgende in:

1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:

a.

(...)

- de Destructiewet;

- de artikelen 172 tot en met 175, 329 en 330, van het Wetboek van Strafrecht;

(...)

Artikel 184 Sr is hier niet genoemd. Ten aanzien van dat misdrijf had dus de buitengewoon opsporingsambtenaar geen opsporingsbevoegdheid. Het komt mij voor dat het standpunt dat in hoger beroep door de AG is ingenomen juist is. Ik maak hierbij wel de kanttekening dat deze situatie hoogst ongelukkig is. Een buitengewoon opsporingsambtenaar die ter controle een vordering mag doen en moet ervaren dat die vordering door betrokkene niet wordt opgevolgd kan geen geldig proces-verbaal opmaken van deze weigering, voorzover het artikel 184 lid 1 Sr betreft, wel als de weigering afzonderlijk in de bijzondere wet ten aanzien waarvan de ambtenaar opsporingsbevoegd is, is strafbaar gesteld. Het komt mij voor dat het praktischer is in alle gevallen waarin een buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is ter controle op de naleving van bijzondere wetgeving medewerking te verlangen en vorderingen te doen hem ook opsporingsbevoegd te maken voor artikel 179, 180 en 184 Sr voorzover het weigeringen en tegenwerking betreft die hij ondervindt in de uitoefening van zijn toezichthoudende taak.(9)

7.5. Tot cassatie behoeft dit niet te leiden omdat de Hoge Raad kan verstaan dat bewijsmiddel 1 heeft te gelden als een ander geschrift in de zin van artikel 344 lid 1 onder 5 Sv, en wordt gebezigd in samenhang met bewijsmiddel 2, de ter terechtzitting in hoger beroep door verdachte afgelegde verklaring.

Alsdan is ook dit middel vruchteloos voorgesteld.

8.1. Het zesde middel stelt dat het hof ten onrechte geen rekening ermee heeft gehouden dat ook [A] B.V. is vervolgd. Er zou sprake kunnen zijn, aldus de steller van het middel, van een (ontoelaatbare) samenloop welke tot uitdrukking had moeten komen in de straftoemeting in onderhavige zaak.

8.2. De steller van het middel verschaft geen enkele informatie over de vervolging van de vennootschap waarvan verdachte directeur is, hetgeen toch voor de hand zou hebben gelegen als de steller van het middel aan deze samenloop van vervolgingen een gevolg wil verbinden. Het enige wat thans uit het procesverbaal van de terechtzitting van 10 februari 2005 vaststaat is dat ook een strafvervolging tegen [A] B.V. onder parketnummer 24/000056-04 is ingesteld, maar niet wat aan deze verdachte is tenlastegelegd. Nu de steller van het middel op de punt geen opheldering verschaft is het middel onvoldoende onderbouwd en faalt het deswege.

9. De voorgestelde middelen falen en kunnen, met uitzondering van het vijfde middel, met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 15 juni 2004, LJN AO8819; HR 14 november 2000, NJ 2001, 16 rov. 3.3; HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77 (m.nt. JR), rov. 3.3; zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer: Deventer 2004, vijfde druk, p. 57.

2 HR 16 oktober 1962, NJ 1963, 7; HR 14 september 1981, NJ 1981, 666; HR 7 januari 1986, NJ 1986, 693.

3 Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3 (MvT), p. 141; Kamerstukken II 1994/95, 23 700, nr. 5 (NvV), p. 60; zie ook O.J.D.M.L. Jansen, Het handhavingsonderzoek (diss. UvA), Ars Aequi Libri 1999, p. 169-171.

4 Zie bijv. HR 2 september 1997, NJ 1998, 101 rov. 5.6; HR 13 februari 2001, NJ 2001, 337 rov. 3.4; HR 19 juni 2001, LJN ZD2606 rov. 3.6.

5 Stcrt. 1995, 82.

6 Wijziging ministeriële regelingen i.v.m. nieuwe naam Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken, 11 december 1998, Stcrt. 1999, 18.

7 Wijziging ministeriële regelingen i.v.m. nieuwe naam voor Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken, 20 oktober 2000, Stcrt. 2000, 207.

8 Besluit van 5 juli 2002, Stcrt. 2002, 127.

9 Te denken is ook aan artikel 26 WED. Als voorbeeld van zo een regeling kan gelden art. 114 lid 3 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.