Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY7760

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
17-10-2006
Zaaknummer
00112/06
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0359
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY7760
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vooropgesteld moet worden dat indien verdachte, zoals i.c., in voorlopige hechtenis verkeert bij de berechting van de zaak zowel in eerste aanleg als in appel in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn ex art. 6.1 EVRM indien de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet binnen 16 maanden na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak (HR NJ 2000, 721). ‘s Hofs oordeel dat aan de overschrijding van de redelijke termijn in appel geen gevolg behoeft te worden verbonden “nu de totale berechtingstermijn van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep binnen een termijn van vier jaren is gebleven” is niet zonder meer begrijpelijk, reeds gelet op hetgeen is vooropgesteld. De HR zal de zaak in dit opzicht om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. Daarbij neemt de HR tot uitgangspunt dat de redelijke termijn in appel is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 642
NJ 2006, 576
RvdW 2006, 987
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00112/06

Mr Machielse

Zitting 5 september 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 9 mei 2005 ter zake van het onder 1, 3, 5, 7 en 10 bewezengeachte: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, ten aanzien van het onder 2, 4, 6 en 8 bewezengeachte: medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd en ten aanzien van het onder 9 bewezengeachte: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien jaren met onttrekking aan het verkeer, verbeurdverklaring en teruggave zoals in het arrest omschreven.(1)

2. De verdachte heeft vanuit de penitentiaire inrichting beroep in cassatie ingesteld. Mr S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel klaagt erover dat het recht van verdachte op een behandeling van zijn zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden, nu tussen het instellen van het beroep in cassatie en de ontvangst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad meer dan acht maanden zijn verstreken.

3.2. De verdachte heeft op 17 mei 2005 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 19 januari 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de door de Hoge Raad op acht maanden bepaalde inzendtermijn met twee dagen is overschreden. Een bijzonder voortvarende behandeling binnen veertien maanden is niet mogelijk.(2) Het verzuim dient te leiden tot strafvermindering. Het middel slaagt derhalve.

4.1. Het tweede middel klaagt erover dat het hof ten onrechte danwel ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat volstaan kon worden met de constatering dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase (en derhalve aan de overschrijding niet de sanctie van strafvermindering heeft verbonden).

4.2. De ter zitting van 25 april 2005 overgelegde pleitnotities houden - voor zover van belang - het volgende in (p. 24-26):

"Strafmaat

(...)

a. redelijke termijn

De voortdurende onzekerheid bij verdachte over de afloop van zijn zaak heeft zwaar op hem gedrukt. Zoals de advocaat-generaal ook heeft aangegeven in zijn requisitoir is de redelijke termijn van zestien maanden fors overschreden. Dat heeft voor het openbaar ministerie aanleiding gegeven tot het formuleren van een strafeis van twee maanden minder straf, hetgeen neerkomt op een eis van dertien jaar en tien maanden. Hiermee wordt evenwel geen recht gedaan aan de overschrijding met ruim tien maanden.

Deze overschrijding is onder meer gelegen in de navolgende feiten die niet voor rekening van verdachte kunnen komen:

- het feit dat het uitgewerkte vonnis (en het dossier) niet tijdig aan het hof zijn geleverd (zie hierover ook het proces-verbaal ter terechtzitting van 22 september 2003); de uitspraak in eerste aanleg dateert van 24 januari 2003 terwijl het uitgewerkte vonnis pas begin september 2003 gereed was, dat is zo'n zeven maanden later;

- tussentijds heeft er een wisseling van advocaat-generaal plaatsgehad, waardoor de huidige advocaat-generaal tijd nodig had om zich in deze zaak in te werken;

-het feit dat door een miscommunicatie de rechter-commissaris op 12 augustus 2004 geen nadere onderzoekshandelingen had verricht zoals bevolen door het hof ter terechtzitting van 17 mei 2004 (zie proces-verbaal ter terechtzitting van 12 augustus 2004); dat is een periode van inactiviteit van drie maanden;

- het feit dat na de terechtzitting van 9 december 2004 wegens het zittingsrooster de zaak uiteindelijk diende te worden uitgesteld voor requisitoir en pleidooi tot 14 april jongstleden; dat is een periode van inactiviteit van vier maanden.

Een en ander betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn niet kan worden teruggevoerd op het feit dat het nu eenmaal een omvangrijke zaak betreft. Bovenvermelde factoren zijn er voor een groot deel debet aan dat de redelijke termijn met ruim tien maanden is overschreden.

Een verlaging van de strafeis met twee maanden doet dan ook geen recht aan deze forse overschrijding door inactiviteit."

4.3. In het arrest heeft het hof onder het kopje Oplegging van straf en/of maatregel - voor zover van belang - het volgende overwogen:

"Met het openbaar ministerie en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit is onder meer te wijten aan de samenhang van deze strafzaak met de strafzaken van andere verdachten; in de zaak van een van de andere verdachten uit het Isocat-onderzoek zijn veel onderzoekshandelingen in de hoger beroep fase verricht, waarmee geruime tijd gemoeid is geweest. Echter, nu de totale berechtingstermijn van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep binnen een termijn van vier jaren is gebleven, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroep fase."

4.4. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof heeft miskend dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak met een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt, dient te zijn afgerond met een uitspraak binnen zestien maanden (en niet twee jaar waarvan het gerechtshof kennelijk is uitgegaan). Aldus zou 's hofs oordeel om te volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn (in hoger beroep) getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans zou dat oordeel onvoldoende gemotiveerd zijn.

4.5. In HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH heeft de Hoge Raad als volgt bepaald:

"Toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter

3.7. Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vóór de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd:

a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.

b. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst."

(...)

Duur van de redelijke termijn

3.13. De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.

3.14. Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13 vermeld.

3.15. Een uitzondering dient evenwel te worden aangenomen voor de gevallen waarin

a. de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of

b. het strafrecht voor jeugdigen is toegepast. In zulke gevallen behoort de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden te zijn afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13 vermeld.

3.16. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het onder 3.12-3.15 gestelde eveneens. Behoudens de onder 3.13 vermelde bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen 2 jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdige personen is toegepast.

(...)

Rechtsgevolgen van overschrijding van de redelijke termijn

3.21. In de regel behoort overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot strafvermindering. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats.

3.22. De strafvermindering is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Algemene regels omtrent de wijze waarop de straf dient te worden verminderd, zijn niet te geven."

4.6. In onderhavige zaak is er inderdaad sprake van een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevond (en zich overigens nog steeds bevindt). Dat betekent dat de behandeling van de zaak in hoger beroep in beginsel met een einduitspraak diende te zijn afgerond binnen zestien maanden na het instellen van het rechtsmiddel. Maar ook hier geldt dat bijzondere omstandigheden tot een ander oordeel kunnen leiden, bijvoorbeeld wanneer er meerdere verdachten zijn gemoeid in een zaak, en wanneer het procesverloop is beïnvloed doordat verzoeken van de verdediging moesten worden beoordeeld en eventueel uitgevoerd.

Blijkens het requisitoir is de zaak van verdachte in hoger beroep gelijk, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Tevens blijkt de verdediging op de terechtzittingen in hoger beroep in ruime mate gebruik te hebben gemaakt van haar bevoegdheden om verzoeken te doen, bijvoorbeeld tot aanvulling van het dossier en tot het oproepen en doen horen van getuigen. Ter terechtzitting van 4 december 2003 heeft het hof getuige [betrokkene 3] gehoord, ter terechtzitting van 18 november 2004 zijn [betrokkene 4] en [betrokkene 5] als getuigen gehoord, ter terechtzitting van 22 november 2004 zijn [betrokkene 6] en [betrokkene 7] gehoord, op 9 december [betrokkene 1]. Ter terechtzittingen van 4 december 2003, 17 mei 2004, 12 augustus 2004 en 4 november 2004 heeft het hof nader onderzoek opgedragen aan de rechter-commissaris, waarbij valt op te merken dat door een misverstand de opdracht die het hof op 17 mei 2004 aan de rechter-commissaris had gegeven op 12 augustus nog eens moest worden herhaald. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 14 april 2005 zijn nog in december 2004 aanvullende processen-verbaal binnengekomen en is eerst toen vastgesteld dat er geen nadere onderzoekswensen meer bestonden. Tussen het instellen van het hoger beroep en het wijzen van het arrest heeft het hof 14 terechtzittingen aan de zaak van verdachte gewijd. Ik wijs er voorts op dat er tussen het instellen van het hoger beroep op 11 februari 2003 en de regiezitting van 6 november 2003 acht maanden en 26 dagen, dus iets meer dan is gesteld voor de inzendingstermijn van het dossier, zijn verlopen.

Wanneer in hoger beroep de behandeling van de zaak telkens moet worden aangehouden bestaat de kans dat de behandelend AG verhinderd is, vertrokken of anderszins niet meer daar werkzaam is waar de zaak dient te worden afgedaan.

Het gaat kortom om een ingewikkelde, bewerkelijke zaak, waarin de verdediging volop van haar rechten heeft gebruikgemaakt. Ik had mij kunnen voorstellen dat het hof tot een ander oordeel zou zijn gekomen wat betreft het bestaan van een overschrijding van de redelijke termijn. Maar nu het hof dat niet heeft gedaan getuigt 's hofs oordeel dat volstaan kon worden met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden nu de behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep binnen vier jaren is afgerond, van een onjuiste rechtsopvatting. 's Hofs oordeel berust op de opvatting dat de "tijdwinst" in eerste aanleg mag worden meegewogen bij het beoordelen van het aangewezen rechtsgevolg van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Maar het hof had bijzondere omstandigheden moeten aanwijzen op grond waarvan een geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zonder gevolg had kunnen blijven. Verwijzing naar een voortvarende afdoening in eerste aanleg, terwijl wél een schending van de redelijke termijn in appel wordt geconstateerd, is daarvoor niet genoeg.(3) Voor de beoordeling van het rechtsgevolg van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zijn de behandeling in eerste en tweede aanleg geen communicerende vaten maar dient de procedure in hoger beroep zelfstandig bekeken te worden.

Het middel slaagt derhalve.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak onder nummer 00111/06, in welke zaak ik heden eveneens concludeer.

2 Vgl. in een zaak waarin verdachte ook was gedetineerd en waarin de inzendingstermijn eveneens met twee dagen was overschreden HR 1 juni 2004, LJN AO9637, waarin de Hoge Raad oordeelde dat in cassatie wel voldoende voortvarend was gehandeld om de overschrijding van de redelijke termijn te compenseren, gelet op de bijzondere kenmerken van de zaak.

3 Vgl. HR 20 september 2005, LJN AT8809; HR 30 mei 2006, LJN AV5019.