Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY7460

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-10-2006
Datum publicatie
27-10-2006
Zaaknummer
R06/018HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY7460
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F., niet te goeder trouw laten ontstaan en onbetaald laten van schulden, beoordelingsmaatstaf; uitzondering op grond van bijzondere omstandigheden?

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2006-10-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 652
NJ 2006, 586
RvdW 2006, 1000
JWB 2006/365

Conclusie

R06/018HR

mr. Keus

Parket, 1 september 2006

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

verzoekster tot cassatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoekster], zoals het hof heeft geoordeeld, ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van bepaalde van haar schulden niet te goeder trouw is geweest en zo ja, of zij op grond van de door haar aangevoerde omstandigheden niet toch tot de schuldsaneringsregeling had moeten worden toegelaten.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 [Verzoekster] is in 1985 gehuwd met [de man] (hierna: de man). De man is in 1996 naar Nederland verhuisd. [Verzoekster] woont sedert april 1998 samen met hun drie kinderen, twee dochters van (ten tijde van het bestreden arrest) 19 en 16 jaar oud en een zoon van (ten tijde van het bestreden arrest) 18 jaar oud, in Nederland. De man verblijft het grootste gedeelte van het jaar in Irak om de kinderen van zijn overleden zuster, die in [plaats] wonen, te verzorgen en op te voeden. Hij bezoekt drie tot vier keer per jaar zijn familie in Nederland.

1.2 [Verzoekster] heeft een totale schuldenlast van € 31.135,-. Tot de schuldenlast behoren onder meer een lening van € 6.472,73 bij de Postbank, een schuld van € 4.840,39 aan de gemeente, een schuld van € 3.609,- aan de Belastingdienst, een schuld van € 1.946,91 aan Primeline, een schuld van € 1.399,33 aan Amicon, een schuld van € 1.803,60 aan UPC, een schuld van € 700,27 aan Scarlet Telecom, een schuld van € 689,21 aan Orange en een schuld van in totaal € 541,79 aan Tele2.

1.3 [Verzoekster] heeft twee operaties van haar moeder, die in Irak woont, tot een bedrag van in totaal ten minste € 11.000,- gefinancierd. Voorts ondersteunt zij financieel via de man haar familie in Irak en onttrekt de man tijdens zijn verblijven in Nederland geregeld gelden aan zijn gezin door deze naar Irak mee te nemen.

1.4 Bij verzoekschrift, ingediend op 2 september 2005, heeft [verzoekster] de rechtbank Arnhem verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Na te hebben vooropgesteld dat op grond van hetgeen ter zitting aan de orde is geweest moet worden geoordeeld dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van enkele schulden niet te goeder trouw is geweest, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 31 oktober 2005 geoordeeld dat de situatie van [verzoekster] nog onvoldoende stabiel is om de vrees weg te nemen dat zij zich niet(2) aan de voorwaarden(3) zal houden. De rechtbank heeft echter mogelijk geacht dat er bijzondere persoonlijke omstandigheden aanwezig zijn, waardoor [verzoekster] toch tot de schuldsaneringsregeling zou kunnen worden toegelaten. De rechtbank heeft daarom [verzoekster] verzocht vóór 5 december 2005 een medische en/of psychische rapportage over haar ziektebeeld over te leggen en de rechtbank nader te informeren over het behandelplan bij de Gelderse Roos, waarbij zij voor haar psychische klachten onder behandeling is. Na ontvangst van enkele rapportages van de Gelderse Roos over de behandeling van [verzoekster], heeft de rechtbank bij vonnis van 12 december 2005 het verzoek de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de rapportages onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de niet te goeder trouw ontstane schulden uitsluitend aan de psychische gesteldheid van [verzoekster] zijn toe te schrijven. De afwijzing is voorts gebaseerd op de gegronde vrees dat [verzoekster] haar uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal naleven en op de aard en de omvang van de schulden.

1.5 Bij verzoekschrift van 19 december 2005 is [verzoekster] van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 9 februari 2006 heeft het hof Arnhem het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof overwogen dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van een aantal van haar schulden en dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, onvoldoende is gebleken.

1.6 [Verzoekster] heeft bij verzoekschrift van 16 februari 2006 (tijdig(4)) beroep in cassatie van het arrest van het hof ingesteld. Er is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Het hof heeft het verzoek van [verzoekster] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw afgewezen. Volgens die bepaling kan een verzoek worden afgewezen "indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest".

2.2 Dat de schuldenaar niet heeft voldaan aan de in art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw vervatte gedragsmaatstaf van de goede trouw(5) vormt een facultatieve weigeringsgrond(6). Bij zijn beslissing of de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest en of hem op die grond toelating tot de schuldsaneringsregeling dient te worden geweigerd, kan de rechter alle relevante omstandigheden betrekken(7). Op essentiële stellingen ter zake moet de rechter gemotiveerd beslissen(8).

In de parlementaire geschiedenis van de wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen worden als voorbeeld van relevante omstandigheden genoemd: de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeiseres juist te frustreren(9), maar ook het onverplicht aangaan van nieuwe schulden door een schuldenaar die reeds in de financiële problemen zit(10).

De gedragsmaatstaf van de goede trouw is in de wet opgenomen, mede om misbruik van de schuldsaneringsregeling te voorkomen(11) of, zoals A-G Strikwerda het in zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2000, NJ 2000, 567 (onder 7) verwoordde: "om te voorkomen dat de schuldsaneringsregeling wordt toegepast op een debiteur van wie, gezien zijn verleden, betwijfeld moet worden of hij in staat is bij de uitvoering van de schuldsaneringsregeling zijn verplichtingen behoorlijk na te komen"(12). In het licht van dat doel acht Strikwerda (onder 8) begrijpelijk dat de rechter bij toetsing van deze weigeringsgrond alle relevante omstandigheden van het geval mag betrekken: "Immers, de omstandigheid dat de schuldenaar in het verleden ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schulden een scheve schaats heeft gereden kan een aanwijzing zijn dat de schuldenaar ook thans nog steeds niet in staat is zich ten opzichte van zijn schuldeisers naar behoren te gedragen, maar dat behoeft niet. Uit de omstandigheden van het geval kan blijken dat de in het verleden begane fout een incident is geweest en dat de schuldenaar er inmiddels blijk van heeft gegeven zich ten opzichte van schuldeisers naar behoren te willen en te kunnen gedragen. De ratio van de afwijzingsgrond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw valt dan weg."(13)

2.3 Middel I komt op tegen het oordeel in rov. 3.5 dat aannemelijk is dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van een aantal van haar schulden niet te goeder trouw is geweest en tegen de aan dat oordeel ten grondslag liggende motivering dat [verzoekster] zelf ervoor heeft gekozen gelden aan activiteiten in Irak te (laten) besteden en daarmee haar schulden in Nederland onbetaald te laten, zodat de daarmee gepaard gaande verhoging van de bestaande schulden in Nederland verwijtbaar is. Het middel klaagt dat deze motivering onbegrijpelijk is en niet kan volgen uit hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd noch uit hetgeen uit de feitelijke constellatie van gegevens blijkt. Daartoe verwijst [verzoekster] naar wat zij ter zitting van 24 oktober 2005 (in eerste aanleg) schriftelijk zou hebben verklaard. In die verklaring, zo stelt het middel, zouden omstandigheden zijn aangevoerd - depressieve klachten die maakten dat [verzoekster] het zicht op de werkelijkheid was kwijtgeraakt en niet bij machte was om adequaat op financiële problemen te reageren, de aanwezigheid van een noodsituatie en door familie uitgeoefende druk waartegen zij niet bij machte was weerstand te bieden, taalproblemen en onbekendheid met de in Nederland gebruikelijke praktijk hoge rentepercentages in rekening te brengen - waarmee het oordeel van het hof dat [verzoekster] zelf ervoor heeft gekozen gelden aan activiteiten in Irak te (laten) besteden en daarmee haar schulden in Nederland onbetaald te laten, in tegenspraak is(14). Uit de aangevoerde omstandigheden volgt immers dat van een vrije keus geen sprake was, aldus het middel. Voorts klaagt het middel dat, nu het niet om een imperatieve(15) afwijzingsgrond ging, het hof niet verplicht was het schuldsaneringsverzoek af te wijzen en dat uit het arrest niet blijkt waarom het hof het vonnis van de rechtbank (desondanks) heeft bekrachtigd. Dit klemt volgens het middel temeer, nu [verzoekster] ter zitting van het hof heeft aangevoerd dat haar zoon sinds enige tijd haar administratie verzorgt en uiterst gemotiveerd is om tot een oplossing van de schuldenproblematiek te komen, dat er de laatste tijd geen nieuwe schulden zijn gemaakt en dat de echtgenoot van [verzoekster] geen geld voor de familie in Irak meer krijgt.

2.4 De eerste klacht van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.5 dat aannemelijk is dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. Volgens het middel is dat oordeel onbegrijpelijk, nu de motivering daarvan in tegenspraak is met hetgeen [verzoekster] ter zitting van de rechtbank van 24 oktober 2005 schriftelijk heeft verklaard. Uit de in die verklaring aangevoerde omstandigheden volgt, nog steeds volgens het middel en anders dan het hof heeft overwogen, dat [verzoekster] niet uit vrije keus gelden aan activiteiten in Irak heeft besteed.

Nog daargelaten dat de bedoelde verklaring in het door [verzoekster] overgelegde procesdossier ontbreekt (en daarvan ook in het proces-verbaal van de zitting van 24 oktober 2005 geen gewag wordt gemaakt) en nog daargelaten dat hetgeen het middel uit die verklaring wil afleiden, niet steeds steun vindt in de op p. 5/6 van het cassatierekest (integraal) geciteerde tekst daarvan(16), kan de eerste klacht mijns inziens niet tot cassatie leiden. De waardering van de aangevoerde omstandigheden is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Kennelijk heeft het hof in de door het middel bedoelde omstandigheden geen aanleiding gezien te twijfelen aan de vrijheid van de keuze van [verzoekster] om gelden in Irak te (laten) besteden. Nu de betreffende omstandigheden mijns inziens niet dwingen tot de (door het middel verdedigde) conclusie dat het [verzoekster] aan keuzevrijheid heeft ontbroken en nu ook de uitlatingen van [verzoekster] ter terechtzitting van het hof van 2 februari 2006 geenszins erop wijzen dat [verzoekster] niet ook zelf voor het doen van de betrokken uitgaven had gekozen(17), komt 's hofs oordeel noch de daaraan ten grondslag liggende motivering in rov. 3.5 mij onbegrijpelijk voor.

2.5 Het middel klaagt voorts dat het hof op grond van "deze" gegevens (waarmee het middel kennelijk refereert aan de omstandigheden waaruit het ontbreken van een vrije keus zou voortvloeien) niet verplicht was het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling af te wijzen en dat uit het arrest niet blijkt waarom het hof (desondanks) het afwijzende vonnis van de rechtbank heeft bekrachtigd, wat temeer klemt nu [verzoekster] ter zitting van het hof heeft aangevoerd dat haar zoon sedert enige tijd haar administratie verzorgt en voorts dat de laatste tijd geen nieuwe schulden zijn gemaakt en dat haar echtgenoot geen geld voor de familie in Irak meer krijgt.

Met deze tweede klacht treedt het middel buiten de in de gecursiveerde alinea op p. 4 van het cassatierekest omschreven strekking van het middel (slechts) het oordeel te bestrijden dat [verzoekster] niet te goeder is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een aantal van haar schulden. Kennelijk kiest het middel met de tweede klacht als uitgangspunt dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de betrokken schulden inderdaad niet te goeder trouw is geweest, hetgeen, naar het middel vervolgens benadrukt, echter slechts een facultatieve weigeringsgrond oplevert ("Het hof was niet verplicht om op basis van deze gegevens comparatief de gevraagde schuldsanering af te wijzen. Het betreft immers een situatie als bedoeld onder artikel 288 lid 2 Fw."). Over een onvoldoende motivering van de beslissing van het hof om [verzoekster], ondanks het feit dat zij ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van bepaalde schulden niet te goeder trouw is geoordeeld, niet toch tot de schuldsaneringsregeling toe te laten, klaagt overigens ook het tweede middel, zij het dat het tweede middel als invalshoek kiest dat het hof zich te zeer tot het aspect van de financiële ondersteuning van de familie in Irak zou hebben beperkt.

Zoals in het voorgaande al aan de orde kwam, mag de feitenrechter die een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw afwijst, alhoewel hij niet is gehouden gemotiveerd op alle aangevoerde omstandigheden in te gaan(18), niet zonder nadere motivering voorbijgaan aan stellingen die, indien zij juist zijn, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden(19).

Voor zover de klacht hierop steunt dat [verzoekster] ter zitting van het hof zou hebben gesteld dat de laatste tijd geen nieuwe schulden zijn gemaakt en dat de echtgenoot van [verzoekster] geen geld voor de familie in Irak meer krijgt, mist zij feitelijke grondslag. Het middel vermeldt geen precieze vindplaatsen, terwijl uit het proces-verbaal van de zitting van 2 februari 2006 niet blijkt dat een en ander daadwerkelijk is gesteld.

Uit het genoemde proces-verbaal blijkt wèl van de stelling dat de zoon van [verzoekster] al sinds een jaar alle financiële zaken regelt(20). Het hof, dat (in de tweede, als 3.5 genummerde rechtsoverweging) heeft volstaan met de overweging dat onvoldoende is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is niet nader op deze stelling ingegaan. Toch kan de bedoelde ontwikkeling niet bij voorbaat iedere betekenis worden ontzegd. Dat een van de (volwassen) kinderen van [verzoekster] zich de financiële problemen van zijn moeder inmiddels heeft aangetrokken ("Ik regel sinds een jaar alle financiële zaken."), kan de betekenis van het ontbreken van goede trouw van [verzoekster] bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden als toetssteen voor de verwachtingen die men omtrent haar toekomstige gedrag jegens crediteuren mag koesteren, aanmerkelijk relativeren. Daarbij is mede van belang dat uit de verklaring van de betrokken zoon kan worden afgeleid dat ook zijn vader het door hem gevoerde beheer lijkt te accepteren ("Mijn vader overlegt eerst alles met mij. Anders loopt het verkeerd en gaat het net als de afgelopen zeven jaar weer mis en dat is niet de bedoeling."), zulks terwijl het hof zijn oordeel kennelijk mede heeft gebaseerd op het feit dat [verzoekster] heeft toegelaten dat de vader, na zijn bezoeken aan Nederland, geld naar Irak placht mee te nemen. Alhoewel met de tussenkomst van de zoon niet is gegarandeerd dat [verzoekster] zich in de toekomst steeds naar behoren jegens crediteuren zal gedragen (en in het bijzonder dat zij de belangen van crediteuren niet opnieuw zal achterstellen bij die van familieleden in Irak die hulp behoeven), had het hof tenminste ervan blijk moeten geven dat het zich rekenschap van die tussenkomst heeft gegeven en had het, indien het daarin geen grond gelegen achtte om [verzoekster], ondanks de facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw, tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te laten, zulks nader moeten motiveren. De tweede klacht van het middel treft daarom doel.

2.6 Middel II, dat kennelijk is gericht tegen de tweede, als 3.5 genummerde rechtsoverweging en ten betoge strekt dat [verzoekster] (ondanks het feit dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van bepaalde schulden niet te goeder trouw is geoordeeld) toch tot de schuldsaneringsregeling had moeten worden toegelaten, klaagt over de beperkte blik waarmee rechtbank en hof naar de zaak hebben gekeken en verwijt het hof dat, ondanks de uitgebreide toelichting van de zoon van [verzoekster] bij de mondelinge behandeling op het ontstaan van de schulden, het hof slechts één van de vele aangevoerde omstandigheden (het financieel ondersteunen van de familie in Irak) aan zijn oordeel tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank ten grondslag heeft gelegd. Door geen aandacht te besteden aan alle andere omstandigheden die ter zitting zijn aangevoerd - psychische problemen, onbekendheid met regelgeving, de uitgevoerde druk op een geïsoleerde vrouw, cultuurverschillen, taalproblemen - voldoet het hof niet aan de motiveringsplicht die uit de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt volgt: in het geval dat een schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest en de toepassing van de schuldsanering daarom niet kan worden uitgesproken, dient de rechter zijn oordeel voldoende te motiveren, indien er bijzondere en concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd ter adstructie van de stelling dat de schuldenaar toch tot de schuldsaneringsregeling moet worden toegelaten.

De door het middel bedoelde rechtspraak heeft betrekking op de motiveringsplicht die geldt indien het hof een essentiële stelling zonder toereikende motivering verwerpt of daaraan geheel voorbijgaat. Geen van de in het tweede middel bedoelde stellingen kan mijns inziens echter (met het oog op een eventuele toelating tot de schuldsaneringsregeling, ondanks het feit dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest) als essentieel worden gekwalificeerd. Alle omstandigheden waarop deze stellingen betrekking hebben, betreffen het ontstaan van de schulden en bieden (anders dan de hiervoor reeds besproken bemoeienis van de zoon van [verzoekster] met haar financiële zaken) geen grond voor enige (positieve) verwachting omtrent de naleving door [verzoekster] van de verplichtingen die uit een eventuele toepassing van de schuldsaneringsregeling zullen voortvloeien. Veeleer leveren zij een contra-indicatie op, waar de bedoelde omstandigheden ook in de toekomst hun invloed kunnen doen gelden en aan het ontstaan van nieuwe schulden kunnen bijdragen. De in het middel aangehaalde omstandigheden zouden derhalve, indien zij als juist moeten worden aanvaard, niet tot een ander dan het bestreden oordeel kunnen leiden. Voor zover het middel betoogt dat het hof, ook in het geval dat niet aan een essentiële stelling zou zijn voorbijgegaan, in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten, faalt het. Zoals ik hiervóór (onder 2.5) reeds aangaf, behoeft de rechter niet gemotiveerd op elke aangevoerde omstandigheid in te gaan.

2.7 Wat betreft de stelling aan het slot van het middel - te weten dat de positie van [verzoekster], ook al is zij gehuwd en heeft haar echtgenoot in deze een aparte rol gespeeld, afzonderlijk dient te worden beoordeeld - meen ik dat de daarin besloten liggende klacht, voor zover zij al aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv voldoet, niet tot cassatie kan leiden. De klacht lijkt te verwijzen naar het arrest van de Hoge Raad van 4 juni 2004, NJ 2004, 638, m.nt. PvS, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid dat tussen echtelieden enigerlei gemeenschap van goederen bestaat, niet meebrengt dat de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot tevens tot afwijzing van het verzoek van de andere dient te leiden, en dat, indien beide echtelieden om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken, ten aanzien van ieder van hen individueel dient te worden bezien of daartoe voldoende aanleiding bestaat. Een logisch gevolg van deze benadering lijkt mij inderdaad te zijn dat, zoals de klacht kennelijk tot uitgangspunt neemt, bij de beoordeling van de vraag of een schuldenaar tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten, hem of haar geen gedragingen mogen worden tegengeworpen waarvoor slechts de echtgenoot verantwoordelijkheid draagt(21). Het hof heeft dit een en ander echter niet miskend. Het heeft zijn oordeel immers gemotiveerd aan de hand van argumenten die betrekking hebben op [verzoekster] zelf en niet op haar echtgenoot: "3.5 (...) Zij heeft immers zelf ervoor gekozen gelden aan activiteiten in Irak te (laten) besteden en daarmee haar schulden in Nederland onbetaald te laten. De daarmee gepaard gaande verhoging van de bestaande schulden in Nederland is derhalve verwijtbaar." De klacht laat overigens na aan te geven waar en waarom het hof het uitgangspunt van een individuele benadering zou hebben veronachtzaamd.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie de rov. 3.2, 3.3 en 3.5 van het bestreden arrest.

2 De rechtbank heeft kennelijk abusievelijk gesproken van "de vrees (...) dat zij zich aan de voorwaarden zal houden".

3 Waarmee de rechtbank kennelijk heeft bedoeld: de voorwaarden van toepassing van de schuldsaneringsregeling.

4 Binnen de cassatietermijn van acht dagen van art. 292 lid 4 Fw.

5 Het gaat hier inderdaad om een gedragsmaatstaf ("te goeder trouw handelen") en niet om de goede trouw in de zin van art. 3:11 BW of om de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de art. 6:2 en 248 BW; zie Kamerstukken II, 1992/1993, 22 969, nr. 3, p. 37/38.

6 Kamerstukken II, 1992/1993, 22 969, nr. 3, p. 14.

7 Kamerstukken II, 1992/1993, 22 969, nr. 3, p. 14 en kamerstukken II, 1993/1994, 22 969, nr. 6, p. 20.

8 HR 24 december 2004, NJ 2005, 129 (rov. 3.4); HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178, m.nt. G.H. Lankhorst in NTBR 2001, nr. 5, p. 233 (rov. 3.4.2); HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, m.nt. PvS (rov. 3.2.2). H.H. Dethmers (Van schuldsanering tot schone lei (2005), p. 33) vat deze jurisprudentie van de Hoge Raad als volgt samen: "zijn er omstandigheden aangevoerd die, indien zij juist zijn, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden dan het door het hof gegeven oordeel, waarbij die stellingen niet zijn besproken, dan is de Hoge Raad van oordeel dat het arrest onvoldoende gemotiveerd is en door een ander hof opnieuw beoordeeld dient te worden".

9 Kamerstukken II, 1993/1994, 22 969, nr. 6, p. 20.

10 Kamerstukken II, 1992/1993, 22 969, nr. 3, p. 14.

11 Kamerstukken II, 1992/1993, 22 969, nr. 3, p. 13 en kamerstukken II, 1993/1994, 22 969, nr. 6, p. 20.

12 Anders R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (1998), p. 27, die stelt dat bij toepassing van deze afwijzingsgrond niet van belang is wat de schuldenaar tijdens de schuldsaneringsregeling, naar (gegrond) gevreesd moet worden, zal doen. Zie ook zijn bijdrage in Actualiteiten, TvI 1998/5, p. 110, r.k..

13 Strikwerda is in deze redenering meermalen gevolgd. Zie onder meer A-G Verkade in zijn conclusie voor HR 31 maart 2006, R05/050HR, LJN: AV6064 (onder 3.3, laatste volzin, met verwijzing) en H.H. Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei (2005), p. 32.

14 In het dossier heb ik geen schriftelijke verklaring aangetroffen; evenmin wordt van een dergelijke verklaring gewag gemaakt in het (handgeschreven) proces-verbaal van de terechtzitting van 24 oktober 2005. Uit dat proces-verbaal blijkt intussen wel dat [verzoekster] over de meeste van de door het middel bedoelde omstandigheden heeft verklaard, maar niet dat zij daarbij een verband heeft gelegd tussen haar psychische klachten en het ontstaan van haar schulden en evenmin dat zij zou hebben gesteld dat sprake was van een noodsituatie en dat zij aan de druk van de familie in Irak geen weerstand kon bieden.

15 Het middel gebruikt, kennelijk als gevolg van een verschrijving, de term "comparatief".

16 Zo wordt in de geciteerde tekst niet gerept van de depressieve klachten van [verzoekster] en van de rol die deze klachten bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden van [verzoekster] zouden hebben gespeeld. Voorts wordt in verband met de door het hof van belang geachte betalingen aan de familie in Irak niet met zoveel woorden van een noodsituatie en van een (aan de psychische gesteldheid van [verzoekster] te wijten) onmacht om de druk van de familie in Irak te weerstaan gesproken. De geciteerde tekst luidt op het punt van de bedoelde betalingen als volgt: "Ik kreeg steeds van familie te horen hoe slecht het ging, en hoe moeilijk hun leven was. Ze hebben erop gerekend dat ik na mijn aankomst in Nederland hen financieel zou helpen, en dit gold ook voor de familie van mijn man. Dit was veel te veel voor ons, het enige wat we konden doen was schulden maken. Zo maakten we een keer een schuld bij de bank en stuurden het geld naar Irak zodat de kosten van de operatie van mijn moeder betaald konden worden. Dit was maar een voorbeeld van de vele keren dat we gedwongen waren schuld bij de bank te maken en het geld naar Irak te sturen."

17 Zie het proces-verbaal van de zitting van 2 februari 2006 (p. 2), volgens welk proces-verbaal [verzoekster] heeft verklaard: "Wij sturen alleen geld op voor belangrijke dingen. Niet gewoon voor ondersteuning." en voorts dat haar echtgenoot, wanneer hij na een bezoek aan Nederland weer naar Irak vertrekt, hij geld meeneemt, in welk verband zij bovendien heeft verklaard: "Hij neemt niet iedere keer geld mee en dwingt ons ook niet om geld te geven. Als wij aangeven dat wij geen geld hebben, dan doet hij niet moeilijk."

18 Vgl. de conclusie van A-G Verkade (punt 5.4, regel 9-12, en punt 5.8) bij HR 13 februari 2004, LJN AO1334, JOL 2004, 78; zie voorts de conclusie van A-G Langemeijer (punt 2.7, regel 8, met verwijzing naar de noot van Van Schilfgaarde onder NJ 2000, 567, punt 4) bij HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178; zie ook de noot van Lankhorst bij dit arrest in NTBR 2001/5, p. 233. Zie voor meer algemene beschouwingen over de motiveringsplicht van de rechter in schuldsaneringszaken de conclusie van A-G Huydecoper in zaak R05/159HR van 12 mei 2006, onder 7.

19 Zie hiervóór onder 2.2 en de reeds daar aangehaalde arresten HR 24 december 2004, NJ 2005, 129 (rov. 3.4); HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178 (rov. 3.2); HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 (rov. 3.2.1), m.nt. PvS.

20 Zie proces-verbaal van de zitting van 2 februari 2006, p. 5, in het bijzonder de verklaring van [de man]: "Ik regel sinds een jaar alle financiële zaken. Mijn moeder gaat alleen samen met mij naar de bank, anders niet. Mijn vader overlegt eerst alles met mij. Anders loopt het verkeerd en gaat het net als de afgelopen zeven jaar weer mis en dat is niet de bedoeling"; zie overigens ook het appelrekest, p. 2: "Appellante merkt op dat haar zoon (...) sedert enige tijd haar administratie verzorgt. Bij toelating tot de schuldsanering zou hij zijn moeder kunnen begeleiden bij het naleven van haar verplichtingen en haar kunnen bijstaan in haar contacten met de bewindvoerder."

21 Vgl. in dit verband HR 24 december 2004, NJ 2005, 129, met betrekking tot een schuld ter zake van ten onrechte genoten bijstand wegens verzwegen inkomsten van de echtgenoot van verzoekster. Uit het arrest blijkt dat relevant is wie voor opgave van de betrokken inkomsten verantwoordelijk was (rov. 3.3) en dat bij toelating tot de schuldsaneringsregeling, ondanks het zich voordoen van de facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw, omstandigheden die slechts de verzoekende echtgenoot betreffen, doorslaggevend kunnen zijn (rov. 3.4).