Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY7361

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
19-10-2006
Zaaknummer
02403/05 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY7361
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Houden van vee i.s.m. stillegging onderneming ex art. 7.c WED. 2. Verweer dat onderzoek van feitelijke aard vergt kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd. Ad 1. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte aan de X-dijk te Y vee heeft gehouden in de periode gedurende welke voor hem de verplichting gold tot gehele stillegging van zijn onderneming aan de X-dijk te Y. Het in de bewezenverklaring tot uitdrukking gebrachte oordeel van het hof dat verdachte aldus in strijd heeft gehandeld met de hem opgelegde straf, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen de door het hof vastgestelde activiteiten die door verdachte aldaar werden ontplooid, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering. Dat uit de bewijsmiddelen zou moet blijken dat het bewezenverklaarde houden van vee heeft plaatsgevonden om er geldelijk voordeel mee te behalen c.q. op winst was gericht, vindt geen steun in het recht. Ad 2. De klacht dat de straf van algehele stillegging van een onderneming als i.c. niet kan meebrengen dat het vee de noodzakelijke verzorging moet worden onthouden, zodat verdachte, die zich heeft beperkt tot voedings- en verzorgingsactiviteiten, niet heeft gehandeld in strijd met de opgelegde straf miskent dat een zodanig verweer, dat een onderzoek vergt van feitelijke aard, niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 633
NJ 2006, 574
RvdW 2006, 985
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02403/05 E

Mr. Knigge

Zitting: 29 augustus 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "opzettelijk handelen in strijd met een bijkomende straf, als bedoeld in artikel 7 onder c, van de Wet op de economische delicten" veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis."

2. Namens de verdachte hebben de mrs. Brouwer en De Sitter, advocaten te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, met name niet voor zover bewezen is verklaard dat de verdachte in strijd met de hem opgelegde straf vee is gehouden. Het middel valt daarbij als ik het goed zie in twee klachten uiteen. De eerste klacht richt zich op de uitleg van de in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen woorden "vee gehouden": daarmee zou zijn bedoeld het bedrijfsmatig houden van vee om geldelijk voordeel te behalen. De tweede klacht richt zich op de vraag of, voorzover vee is gehouden, dat geschiedde in strijd met de opgelegde bijkomende straf.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 21 november 2001 tot en met 14 mei 2002, in de gemeente Ommen, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een hem door het Gerechtshof te Arnhem (economische kamer) op 5 november 2001 (in de strafzaak met het parketnummer 21-001857-00) bij arrest opgelegde en op 20 november 2001 onherroepelijk geworden bijkomende straf als bedoeld in artikel 7, onder c van de Wet op de economische delicten, bij welk arrest genoemd Hof de tenuitvoerlegging gelast van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank van Zwolle van 16 februari 1999 inhoudende de gehele stillegging van zijn onderneming op het perceel [a-straat 1] te [plaats A], voor de duur van 1 (een) jaar, hebbende hij, verdachte, toen en daar in strijd met vorenomschreven bijkomende straf vee gehouden op het perceel [a-straat 1] te [plaats A]."

5. In deze zaak gaat het om de volgende wetsbepalingen:

art. 7 WED, dat, voor zover hier van belang, luidt:

De bijkomende straffen zijn:

(...)

c. gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming van de veroordeelde, waarin het economische delict is begaan, voor een tijd van ten hoogste een jaar

en art. 33 WED, dat als volgt luidt:

Het opzettelijk handelen of nalaten in strijd met een bijkomende straf, als bedoeld in artikel 7, onder a, c of f, een maatregel, als vermeld in artikel 8, een regeling, als bedoeld in artikel 10, of een voorlopige maatregel, of het ontduiken van zodanige bijkomende straf, maatregel, regeling of voorlopige maatregel is een economisch delict.

6. Het Hof heeft in de bewijsmiddelen onder meer het volgende vastgesteld. Op dinsdag 14 mei 2002 - dus binnen de periode waarin de onderneming had moeten stilliggen - waren op het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats A] aanwezig 29 runderen (in de stal), vijf schapen (in de wei) en 32 stuks pluimvee. Tussen de runderen bevonden zich kalfjes die nog door hun moeder gezoogd werden. De koeien werden onder meer gevoerd vanaf op het terrein aanwezige ingekuilde maïshopen. Voorts werden op dat terrein onder meer een melkinstallatie, een zogenaamde kuilblokkensnijder, veetrailers, een mengmestton en een kadaverton aangetroffen. De verdachte kwam volgens getuigen dagelijks op het terrein om de daar aanwezige dieren te verzorgen, om het "loonbedrijf" dat de mest kwam ophalen te ontvangen en andersoortige werkzaamheden te verrichten. Ook verdachtes vader kwam af en toe langs, maar die hielp dan niet mee. Het geheel, zo begrijp ik bewijsmiddel 3, wekte op de verbalisanten van dienst de indruk van een "actief [geëxploiteerd] veehouderijbedrijf." Na overleg met de Algemene Inspectiedienst is een aantal zaken, waaronder de aanwezige dieren, in beslag genomen.

7. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld omdat hij niet heeft voldaan aan de hem opgelegde verplichting zijn onderneming geheel stil te leggen. Het geheel stilleggen van de onderneming is een ingrijpende straf.(1) De wetgever achtte de mogelijkheid tot het opleggen ervan niettemin noodzakelijk, met name met het oog op het tegengaan van (herhaalde) recidive.(2) Hij heeft de rechter daarbij de keus gelaten tussen gehele en gedeeltelijke stillegging van de onderneming.(3) In beide gevallen kan de rechter op grond van art. 10 lid 1 WED alle bijzonderheden en gevolgen van de straf naar behoefte regelen en bepalen dat de veroordeelde hem van overheidswege ten behoeve van zijn onderneming verstrekte bescheiden inlevert, in zijn onderneming aanwezige voorraden onder toezicht verkoopt en zijn medewerking verleent bij inventarisatie van die voorraden.(4)

8. De eerste klacht van het middel stelt de uitleg van de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden "vee gehouden" aan de orde. Die woorden zouden impliceren dat uit de bewijsmiddelen moet blijken dat een "onderneming" is gedreven, hetgeen alleen het geval zou zijn als het houden van vee bedrijfsmatig geschiedde, hetgeen weer zou impliceren dat er sprake moet zijn geweest van een winstoogmerk.

9. Aan de klacht ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat van een "onderneming" in de zin van de WED alleen sprake is als gehandeld wordt net het doel om geldelijk voordeel te behalen. De vraag is of die opvatting juist is. De wet, noch de wetsgeschiedenis geeft op dit punt uitsluitsel. In de literatuur wordt de vraag wel ontkennend beantwoord. Keulen schrijft onder meer:

"De vraag wanneer een bepaalde economische bedrijvigheid een zodanige omvang heeft dat zij de naam 'onderneming' mag dragen, wordt in verschillende regelingen verschillend beantwoord. In art. 1 Wet op de ondernemingsraden wordt een organisatorisch verband geëist waarin krachtens arbeidsovereenkomst arbeid wordt verricht. Voor het stellen van deze eis in dit kader ontbreken echter argumenten. Juist ook in kleine, eventueel uit hobby-overwegingen, door één persoon gedreven ondernemingen kan zoveel mis gaan dat de rechter stillegging oplegt. Voor toepassing van art. 7 WED lijkt voldoende dat de bedrijvigheid een zodanige omvang heeft dat het delict daarin kan worden 'geplaatst'. Het feit dat toepassing van art. 7 sub c wordt overwogen, is een sterke indicatie dat deze omvang in casu is bereikt. Dat de betreffende bedrijvigheid de enige of belangrijkste bron van inkomsten van de ondernemer is lijkt niet vereist, evenmin als een winstoogmerk."(5)

Huidekoper leidt uit de sancties die ten aanzien van de onderneming genomen kunnen worden af dat de onderneming vooral gezien kan worden als het middel waarmee de economische delinquent kan recidiveren. Zij is geen natuurlijke of rechtspersoon, noch de verschijningsvorm daarvan op de markt, maar veeleer een technisch-organisatorische eenheid.(6)

10. Een in het verlengde van het voorgaande liggend argument tegen de eis van winstgerichtheid vormt het feit dat er ook tal van niet 'hobby-achtige' organisaties zijn die doorgaans evenmin winst nastreven. Denk aan scholen, ziekenhuizen, of, wat meer in lijn met de onderhavige zaak, kinderboerderijen. Dergelijke instellingen zijn echter wel degelijk onderworpen aan de strafbepalingen van de WED(7) en er zijn niet licht argumenten te vinden om ten aanzien van hen, indien noodzakelijk, de oplegging van de straf van stillegging niet mogelijk te achten.

11. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het ontbreken van winstgerichtheid niet in de weg staat aan het oordeel dat een bepaalde bedrijvigheid moet worden aangemerkt als onderneming in de zin van art. 7 onder c WED. Reeds daarom kan de klacht, als die wordt opgevat zoals zij is geformuleerd, niet tot cassatie leiden.

12. Ik merk nog het volgende op. De klacht gaat mijns inziens langs de kern van de zaak heen. Anders dan de stellers menen behoeft niet bewezen te worden dat de verdachte in de tenlastegelegde periode een onderneming dreef. Op grond van het onherroepelijke vonnis van de Economische Politierechter van de Rechtbank Zwolle van 16 februari 1999 - waarbij de stillegging van verdachtes onderneming voorwaardelijk werd opgelegd - staat vast dat de bedrijvigheid die destijds op het bewuste perceel werd ontplooid, als een onderneming moet worden aangemerkt. De juistheid van het oordeel van de Economische Politierechter staat niet meer ter discussie. De door het Hof bevolen tenuitvoerlegging van de bijkomende straf bracht eenvoudig mee dat met het activiteitcomplex dat door de Economische Politierechter - al dan niet terecht - als onderneming is aangemerkt, moest worden gestopt.

13. De vraag waar het zogezien op aankomt, is of de onderneming die de verdachte dreef - de bedrijvigheid waarop de Economische Politierechter het oog had - inderdaad, zoals was vereist, in de tenlastegelegde periode geheel stil lag. De vraag is dus niet zozeer wat onder een "onderneming" moet worden verstaan, maar wat algehele stillegging van een onderneming inhoudt. In een geval als het onderhavige, waarin wel enige bedrijvigheid is geconstateerd, spitst zich dat toe op de vraag of de geconstateerde activiteiten door de opgelegde stillegging werden getroffen. In dit geval moet dan ook bewezenverklaard worden, zoals ook is tenlastegelegd, dat vee gehouden is "in strijd met vorenomschreven bijkomende straf".

14. Op één aspect van die vraag heeft de tweede klacht betrekking. Bracht stillegging van de onderneming in dit geval mee dat het vee van de hand moest worden gedaan of mocht doorgegaan worden met het verzorgen van de dieren? Een ander aspect betreft de vraag of het vee in casu gehouden werd in het kader van dezelfde onderneming als waarvan destijds door de Economische Politierechter de voorwaardelijke stillegging van de onderneming werd bevolen. Tussen de oplegging van die voorwaardelijke straf en het bevel tenuitvoerlegging daarvan verstreek meer dan tweeëneenhalf jaar. Bestond de onderneming die de verdachte in februari 1999 dreef, in november 2001 nog of was die onderneming in de tussentijd opgedoekt - zodat de opgelegde straf haar object was gaan missen - en had zij plaats gemaakt voor een andere onderneming, waarop de straf geen betrekking had?

15. Die vraag is in dit geval niet van praktisch belang ontbloot. Blijkens het proces-verbaal van de zitting voerde de verdachte aan dat er weliswaar in de tenlastegelegde periode vee werd gehouden op het bewuste perceel, maar dat dat vee van zijn vader was, die na zijn 65e levensjaar bij wijze van hobby doorgegaan was met het houden van vee. "Ik heb er geen vee gehouden." De verdachte verklaarde alleen zo af en toe op het bedrijf te zijn gekomen om zijn vader te helpen. Voorts verklaarde de verdachte onder meer:

"In de periode van 1996 - 1999 heb ik het perceel van mijn vader gepacht. Ik liep toen tegen allemaal problemen aan en heb verscheidene forse boetes moeten betalen. (...) In 1999 ben ik door alle trammelant rond de boetes gestopt met mijn bedrijf. Het hoefde niet meer van mij. (...) Ik had (...) een uitkering en volgde een computercursus."

16. De raadsman van de verdachte bracht vervolgens het volgende naar voren:

"De vraag is of mijn cliënt op het bewuste perceel vee heeft gehouden. Het al dan niet bestaan van een "papieren constructie" is niet relevant. Wel of er sprake is van een zodanige betrokkenheid van mijn cliënt, dat je kan zeggen dat hij er bij betrokken was. Mijn cliënt heeft verklaard wel eens bij zijn vader op het bedrijf te zijn geweest en hij heeft voorts uitdrukkelijk verklaard dat het niet meer zijn bedrijf was. Cliënt heeft tevens bij herhaling aangegeven dat de pachtovereenkomst heeft gelopen tot 1999. Ik verwijs u daartoe ook naar de brief van 30 mei 2002 van de Grondkamer.

Het verzuim van mijn cliënt om te melden dat de pachtovereenkomst was ontbonden neemt mijns inziens de rechtsgeldigheid van de ontbinding niet weg.

Met betrekking tot de verklaringen van de buren kan ik opmerken, dat mijn cliënt inderdaad wel eens kwam op het bewuste perceel. Cliënt was echter niet verantwoordelijk voor het bedrijf. Alle vergunningen stonden op naam van zijn vader. Mijn cliënt droeg geen enkele verantwoording. In 2000 heeft zijn vader bovendien de mestproductierechten gekocht. Uit meerdere stukken blijkt dat zijn vader als eigenaar van de onderneming wordt aangemerkt: door de belastingdienst, de registratiedienst etc. Vanaf september 1999 heeft mijn cliënt geen activiteiten meer voor zich zelf verricht."

17. De vraag is dus of het Hof - gelet op hetgeen door en namens de verdachte werd aangevoerd - kon aannemen dat de beweerdelijk door de vader gedreven "hobbyboerderij" dezelfde onderneming was als die de Economische Politierechter op het oog had toen hij destijds de voorwaardelijke straf van stillegging oplegde. Met het oog op de beantwoording van die vraag maak ik eerst enkele meer algemene opmerkingen over het karakter van deze bijkomende straf.

18. De bijkomende straf van stillegging van de onderneming moet onderscheiden worden van de bijkomende straf van ontzetting van het recht om een bepaald beroep uit te oefenen. Anders gezegd: art. 7 sub c WED houdt geen beroepsverbod in.(8) Het kan bijvoorbeeld zijn dat de verdachte op het moment van zijn veroordeling twee (gelijksoortige) ondernemingen drijft. De stillegging van de ene onderneming (waarin het economisch delict is begaan), verhindert de veroordeelde dan niet om door te gaan met het andere bedrijf (waarin het delict niet is begaan). Ook belet niets de veroordeelde die zijn onderneming heeft moeten stilleggen, om daarna een andere, nieuwe onderneming te beginnen. De veehouder die al zijn vee heeft verkocht, kan snijbloemen gaan telen, of een kampeerboerderij beginnen. In strijd met de opgelegde straf handelt hij dan niet.

19. Juist omdat er meer, van elkaar te onderscheiden ondernemingen in het spel kunnen zijn, doet zich de vraag voor naar de identiteit van de onderneming (is dit de onderneming die moest worden stilgelegd?). Die vraag kan vooral een probleem opleveren als de veroordeelde een andere onderneming gaat drijven. Want hoe moet uitgemaakt worden of die "andere" onderneming niet in feite de voortzetting is van de oude, die voor de gelegenheid in een nieuw jasje is gestoken? Is sprake van een andere onderneming als een melkveehouder een varkensmesterij begint? En mogen er, na de stillegging van een varkensmesterij, op hetzelfde perceel kalveren worden gemest? Wat als de melkveehouder een andere boerderij koopt, en daar opnieuw melkvee gaat houden?

20. Intussen heeft het gegeven dat de bijkomende straf van stillegging van de onderneming geen beroepsverbod inhoudt, ook een keerzijde. Die keerzijde is dat de aandacht zich niet moet concentreren op de activiteiten van de veroordeelde, maar op die van de onderneming. Een onderneming ligt niet stil als de veroordeelde de bedrijfsvoering overlaat aan een zetbaas. De onderneming ligt mijns inziens ook niet stil als zij wordt verkocht en in andere handen overgaat. Daarvoor pleit niet alleen het strafkarakter van de sanctie (het economisch nadeel dat het gevolg is van de stillegging kan geheel of gedeeltelijk worden ontlopen door een lucratieve verkoop)(9), maar ook en vooral het beoogde doel om recidive tegen te gaan. Als het bedrijf na de verkoop gewoon doordraait, is de kans op recidive onverminderd aanwezig. Daar komt nog bij dat anders de deur opengezet wordt voor allerhande schijnconstructies waarachter moeilijk een vinger te krijgen is, zodat de handhaving van de bijkomende straf problematisch wordt.(10)

21. Van een uitvoerige behandeling van de vraag wanneer nog kan worden gesproken van dezelfde onderneming als waarop de straf betrekking had, kan hier worden afgezien. Voldoende is om te constateren dat het antwoord op die vraag afhankelijk is van tal van factoren, waaronder de aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten, de plaats waar de onderneming wordt gedreven, de feitelijke zeggenschap over de onderneming en de economische eigendom daarvan. Dat maakt de vraag nogal casuïstisch en daarmee afhankelijk van de waardering van feiten en omstandigheden van uiteenlopende aard. Ik zou daarbij nog willen opmerken dat uit een oogpunt van handhaafbaarheid van de straf heeft te gelden dat niet te snel uit veranderingen in de bedrijfsvoering of in de organisatie en juridische vormgeving van de onderneming moet worden geconcludeerd dat sprake is van een "andere" onderneming. Een ander algemeen gezichtspunt levert wellicht de voorkoming van recidive op als doel van de bijkomende straf: als de bedrijfsactiviteiten van dien aard zijn dat de mogelijkheid nog onverminderd aanwezig is dat gelijksoortige delicten worden gepleegd als die tot oplegging van de straf aanleiding gaven, vormt dat een contra-indicatie om van een andere onderneming te spreken.

22. Terug naar de onderhavige zaak. Het Hof is er kennelijk van uitgegaan dat in 1999, toen de Economische Politierechter oordeelde, door de veroordeelde op het bewuste perceel vee werd gehouden ten behoeve van de vleesproductie. Dit blijkt weliswaar niet uit de gebezigde bewijsmiddelen, maar het middel klaagt daarover niet. Uitgaande van dit feitelijke uitgangspunt (dat mij in het licht van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting - alwaar het tegendeel niet is aangevoerd - niet onbegrijpelijk voorkomt), is het impliciete oordeel van het Hof dat in de tenlastegelegde periode op het bewuste perceel nog steeds dezelfde onderneming werd gedreven, in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat het enkele feit dat de onderneming door een ander wordt gedreven of in andere handen is overgegaan, niet meebrengt dat sprake is van een andere onderneming. Ik neem daarbij ook in aanmerking dat hetgeen de verdachte aanvoerde omtrent zijn feitelijke betrokkenheid bij de bedrijfsvoering, zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Dat wijst er sterk op dat de veranderingen zich alleen op papier hebben voorgedaan.

23. Derhalve faalt het middel voorzover het mocht bedoelen te klagen over de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat, ondanks de veranderingen waarop zijdens de verdediging een beroep is gedaan, geen sprake was van een andere onderneming dan waarop de bijkomende straf zag.

24. Rest de vraag of het Hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de onderneming gedurende de tenlastegelegde periode niet geheel stil lag. Ik stel voorop dat algehele stillegging van een onderneming in beginsel inhoudt dat alle bedrijfsactiviteiten moeten worden gestaakt. Dat betekent dat een onderneming niet stil ligt als enkele activiteiten die in het kader van de onderneming werden verricht, voortgang vinden. Daarbij doet niet ter zake of die activiteiten op zich beschouwd voldoende zijn om van een onderneming te spreken. In het verlengde daarvan ligt dat een voorheen winstgevende onderneming niet stil ligt als met verlies wordt doorgedraaid. Niet ter zake doet derhalve of in de periode van stillegging het oogmerk bestond om geldelijk voordeel te behalen. Daarop strandt uiteindelijk de eerste klacht, voorzover inhoudende dat uit de bewijsmiddelen niet van een winstoogmerk blijkt.

25. De tweede klacht houdt als gezegd in dat de algehele stillegging van een onderneming als de onderhavige niet mee kan brengen dat het vee de noodzakelijke verzorging moet worden onthouden, zodat de verdachte, die niet meer zou hebben gedaan dan het vee verzorgen, niet gehandeld heeft in strijd met de opgelegde straf. Deze klacht kan reeds daarom niet tot cassatie leiden omdat een verweer van die strekking niet ter zitting van het Hof is gevoerd en daarvoor in cassatie vanwege de deels feitelijke aard ervan geen plaats is.

26. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Zoals gezegd houdt de algehele stillegging van een onderneming in dat in beginsel alle bedrijfsactiviteiten moeten worden gestaakt. In beginsel, want uitzonderingen zijn denkbaar. Zo zal, als de stillegging van een landbouwbedrijf wordt bevolen, en er dientengevolge niet meer wordt geploegd, gezaaid en geoogst, geen onkruid wordt gewied en geen bestrijdingsmiddelen worden gespoten, het werkloos op stal staande trekpaard mogen worden gevoederd zonder dat zulks in strijd geacht moet worden met de opgelegde straf. Het bedrijf ligt dan, ondanks de verzorging van het paard, toch stil. Een dergelijke uitzonderingssituatie doet zich niet voor als het voederen van dieren - of misschien beter gezegd: het vetmesten ervan - de kern van het bedrijf uitmaakt. Dan zal stillegging van de onderneming - juist omdat de dieren niet aan hun lot mogen worden overgelaten - inhouden dat het vee moet worden verkocht. Dat geldt temeer als - zoals in casu het geval lijkt te zijn geweest - de delicten die aanleiding gaven tot het opleggen van de straf, juist in het kader van de verzorging van de dieren werden begaan.

27. Het ware wellicht wenselijk geweest als de Economische Politierechter destijds gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid om alle bijzonderheden en gevolgen van de straf te regelen. (11) Zo was het stellen van een bepaalde termijn waarbinnen het vee moest zijn verkocht, denkbaar geweest. Bij het ontbreken van dergelijke voorschriften in de uitspraak komt aan de veroordeelde noodzakelijkerwijs enige ruimte toe bij het interpreteren van het vonnis. Zo zal, omdat de verkoop van vee niet van de ene dag op de andere kan worden gerealiseerd, de veroordeelde daarvoor enige tijd zijn gegund waarbij hij in de tussentijd het vee mag blijven verzorgen. De "eigen" interpretatie van het vonnis mag de grenzen van het redelijke echter niet overschrijden. Ik teken daarbij aan dat de vrijheid van de veroordeelde op dit punt beperkt wordt door het feit dat hij op grond van art. 10 lid 2 WED alsnog om een nadere regeling van de gevolgen van de straf kan verzoeken. (12) Elke wijze van tenuitvoerlegging van de straf die niet min of meer vanzelf spreekt, zal derhalve het fiat van de rechter moeten hebben. In de toelichting op het middel lijkt de zaak echter te worden omgedraaid: omdat de verdachte niet uitdrukkelijk de verplichting is opgelegd zijn 'bedrijfsmiddelen' (het aanwezige vee) te verkopen, moest hij zijn bezigheden wel voortzetten. Dat kan niet als juist worden aanvaard.

28. Dit alles voert mij tot de volgende slotsom. Het Hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte in strijd met de eerder uitgesproken stillegging van de onderneming vee heeft gehouden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is - in het licht van hetgeen in feitelijke instantie is aangevoerd - niet onbegrijpelijk. Daarom faalt het middel.

29. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. Hollander, Wet op de economische delicten, 1952, p. 58 e.v. en Keulen, Economisch strafrecht, 1995, p. 186. Jörg, Handboek strafzaken, § 99.3.2.b. en de vaste Kamercommissie voor Privaat- en Strafrecht, kamerstukken II, 1947-1948, 603, nr. 4, p. 12, laten zelfs de term 'economische doodstraf' vallen.

2 Vgl. Kamerstukken II, 1947-1948, 603, nr. 3, p. 13. In het onderhavige geval was de straf aanvankelijk voorwaardelijk opgelegd. Klaarblijkelijk heeft de verdachte zich vervolgens niet gehouden aan de bij de oplegging van die voorwaardelijke straf gestelde voorwaarden.

3 Zie over dit verschil Hollander, a.w., p. 59-61 en Keulen, a.w., p. 190.

4 Zie over deze nadere invulling van de straf Hollander, a.w., p. 88 en 89 en Keulen, a.w., p. 192 en 193.

5 Keulen, a.w., p. 187.

6 Huidekoper, Hantering van het economisch strafrecht in Nederland, 1975, p. 6 en 7.

7 Voor zover zij daarvoor naar hun aard in aanmerking komen.

8 Vgl. kamerstukken II, 1947-1948, 603, nr. 4, p. 13.

9 Vgl. Kamerstukken II, 1947-1948, 603, nr. 3, p. 13, waar wordt opgemerkt: "Bedacht moet worden, dat de stillegging een straf is. Het wil de ondergetekende voorkomen, dat overdracht van een stilgelegd bedrijf aan een derde, zodat deze het ongestoord zou kunnen voortzetten, - behoudens in geval van rechterlijke toestemming uit hoofde van artikel 11 (thans art. 10, Kn) - als een ontduiking van die straf moet worden aangemerkt."

10 Vgl. Keulen, a.w., p. 188, waar met verwijzing naar de wetsgeschiedenis en jurisprudentie wordt opgemerkt dat om dezelfde reden niet de eis van eigendom werd gesteld.

11 Art. 10 lid 1 WED bepaalt dat "voor zover nodig" alle daar bedoelde bijzonderheden en gevolgen "naar behoefte" geregeld worden. In de MvT bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WED wordt gesproken van een "bevoegdheid" van de rechter (Kamerstukken II, 1947-1948, 603, nr. 3, p. 16).

12 Dat van de verdachte het nodige mag worden verwacht om strijd met art. 33 WED te voorkomen, volgt ook uit HR 10 januari 1995, M&R 1995, 92, waarin de verdachte had aangevoerd als gevolg van traag optreden van de desbetreffende instanties niet tijdig aan zijn herbeplantingsplicht te hebben kunnen voldoen. Het Hof had dit verweer volgens de Hoge Raad terecht verworpen "reeds [...] omdat uit niets blijkt dat de verdachte op de voet van art. 10 tweede lid [WED] een verzoek heeft gedaan tot verlenging van de aan de verplichting tot herbeplanting verbonden termijn."