Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY5782

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
C03/171HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY5782
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Cassatie, verval van instantie na daartoe strekkende onweersproken vordering.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 225, geldigheid: 2006-09-22
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 251, geldigheid: 2006-09-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2007/5 met annotatie van mr. S.M.A.M. Venhuizen
JOL 2006, 533
RvdW 2006, 882
JWB 2006/301

Conclusie

Zaaknr. C03/171HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 30 juni 2006

Conclusie inzake

(wijlen) [eiser]

eiser tot cassatie

tegen

Philips Lighting B.V.

verweerster in cassatie

1) In dit geding vordert de verweerster in cassatie, Philips, verval van instantie (overeenkomstig art. 251 Rv.) in het namens de eiser tot cassatie, [eiser], in (mei) 2003 aanhangig gemaakte cassatiegeding.

De volgende gegevens kunnen daarbij van belang zijn:

- [Eiser] kwam in cassatie van een (in zijn nadeel gewezen) arrest in kort geding van het Gerechtshof te Den Bosch van 26 maart 2003. Philips is in cassatie verschenen, en heeft tot verwerping laten concluderen. Partijen hebben in januari 2004 hun standpunten schriftelijk laten toelichten, en aansluitend gere- en gedupliceerd, en vervolgens arrest gevraagd. De conclusie van de Procureur-Generaal werd bepaald op 18 juni 2004.

- Bij akte van 17 juni 2004 (ik neem overigens aan dat de datering op een abuis berust en dat deze akte op 18 juni 2004 is genomen) heeft de advocaat van [eiser] schorsing van het geding op de voet van art. 225 Rv. verzocht, vanwege het feit dat [eiser] op 31 mei daaraan voorafgaand was overleden. Op 15 oktober 2004 is schorsing bevolen en is de zaak aangehouden tot 7 januari 2005 voor beraad voortprocederen. Daarna heeft (tot 1 april 2005) nog een aanhouding voor beraad voortprocederen plaatsgehad; vervolgens werd de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd.

- Philips heeft bij brief van 10 mei 2006 (waarvan kopie aan de advocaat van [eiser] zou zijn meegedeeld) verzocht de zaak op de rol te plaatsen opdat zij verval van instantie kon vorderen, nadat er meer dan een jaar geen proceshandelingen hadden plaatsgehad. De zaak is op de rol van 16 juni jl. geplaatst. De advocaat van [eiser] heeft laten weten dat met verval van instantie werd ingestemd. Vervolgens is de zaak aangehouden tot heden voor conclusie van de Procureur-Generaal op de vordering tot verval van instantie.

2) Nu van de kant van (de erven) [eiser](1) met het gevorderde verval van instantie wordt ingestemd, meen ik dat aan die vordering gevolg kan worden gegeven. Overeenkomstig art. 252 Rv., ligt compensatie van de kosten in dit geval in de rede.

Een en ander brengt mee dat voorbij kan worden gegaan aan enkele vragen die aan de orde hadden kunnen komen als niet met het verval van instantie was ingestemd. Ik meen er goed aan te doen die vragen toch even aan te stippen, (ook) voor het geval de Hoge Raad van oordeel mocht zijn dat mijn zo-even neergeschreven bevinding (erop neerkomend dat de vordering bij gebreke van tegenspraak toewijsbaar is), niet verdient te worden gevolgd.

3) Een eerste vraag lijkt mij, of in dit geval terecht schorsing van het geding heeft plaatsgehad. Art. 225 lid 4 Rv. schrijft immers voor dat dat niet meer kan nadat de dag is bepaald waarop het vonnis zal worden uitgesproken.

Nu doet zich bij de cassatieprocedure de eigenaardigheid voor dat, voorafgaand aan de dagbepaling van het arrest, een dagbepaling voor de conclusie van de Procureur-Generaal pleegt plaats te vinden (wat in deze zaak ook is gebeurd). Men kan zich afvragen of die dagbepaling als "remplacant" voor de in art. 225 Rv. bedoelde dagbepaling van het vonnis moet worden aangemerkt - of juist niet.

4) Men kan daarover - zoals over zo veel - twijfelen; maar de aanwijzingen dat voor de toepassing van art. 225 Rv. inderdaad in cassatie de datum die voor de conclusie van de Procureur-Generaal wordt bepaald, in aanmerking moet worden genomen in plaats van de datum voor arrest, lijken mij in dit geval van het zwaarste gewicht.

Art. 225 Rv. bouwt namelijk voort op art. 255 (oud) Rv. Die bepaling schreef voor dat schorsing niet meer mogelijk was zodra het geding zich in staat van wijzen bevond, en gaf aan dat dat laatste het geval was zodra - kort gezegd - het "gewone" partijdebat was afgesloten(2).

De toelichting op het huidige art. 225 (lid 4 ) Rv. zegt er slechts dit van, dat de nieuwe bepaling inhoudelijk aansluit bij de oude(3). Ik neem daarom aan dat inderdaad geen inhoudelijke wijziging beoogd is, en dat men het (uitzonderings)geval dat na het afsluiten van het partijdebat geen datum voor vonnis maar een datum voor conclusie Procureur-Generaal wordt bepaald, daarbij over het hoofd heeft gezien.

5) Bij deze uitleg van art. 225 Rv. zou het destijds gedane verzoek om schorsing niet hebben mogen worden gehonoreerd (maar had, in plaats daarvan, desverzocht, bijvoorbeeld een "gewone" aanhouding voor beraad kunnen worden verleend). Intussen: blijkens de stukken is het verzoek destijds wel gehonoreerd. Die beslissing zal in dit stadium moeten worden gerespecteerd. Voor de verdere beoordeling is er daarom van uit te gaan dat de zaak in oktober 2005 wegens overlijden van een procespartij is geschorst, en dat die schorsing sedertdien - nu er niets is gebeurd dat daaraan een einde zou maken - voortduurt.

6) Art. 252 Rv. (nieuw), de bepaling die aangeeft wanneer verval van instantie kan worden gevorderd, verschilt inhoudelijk van de regels uit het oude Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, o.a. in die zin dat verval van instantie (alleen) kan worden gevorderd door de wederpartij, nadat de partij die een proceshandeling "moet verrichten" dat gedurende meer dan een jaar heeft nagelaten.

De vraag die mij inviel nadat ik het zojuist hiervóór beschreven punt had bereikt is, of de partij op wier verzoek een geding wegens overlijden (van de desbetreffende partij zelf) is geschorst, mag worden aangemerkt als de partij die een proceshandeling "moet verrichten" in de zin van deze wetsbepaling (als de partij die, zoals de toelichting bij deze bepaling het uitdrukt, "aan zet is"(4)).

7) De wettelijke regeling voor de schorsing suggereert niet dat de partij op wiens verzoek schorsing is uitgesproken, enige proceshandeling "moet verrichten". Die partij kán stappen nemen om het geding te hervatten; maar zij kan die ook achterwege laten. In dat geval is het aan de andere partij om de hervatting (bij exploot) aan te zeggen, en om de wederpartij daartoe op te roepen (art. 227 Rv.).

Ik ben daarom geneigd te denken dat de partij die schorsing heeft uitgelokt niet mag worden aangemerkt als een partij tegen wie verval van instantie kan worden gevorderd: die partij is niet, zoals de Memorie van Toelichting bij art. 251 Rv. het uitdrukt, "aan zet"(5). Wil, na een schorsing, de andere partij voortgang in de procedure dan kan - en moet - die partij de stappen nemen die tot hervatting van het geding leiden. Nadat het geding hervat is, kan het dan gebeuren dat de andere partij wordt genoodzaakt, een proceshandeling te verrichten(6) (en als dát niet gebeurt, kan (pas) verval van instantie worden gevorderd).

8) Ik heb mij afgevraagd of dit anders wordt wanneer partijen, of een van partijen, heeft gevraagd om aanhouding van de zaak "voor beraad"; of, beter gezegd: of het feit dat een van de partijen aan wie een aanhouding "voor beraad" is verleend, vervolgens nalaat zich erover uit te spreken waar het beraad waarvoor de aanhouding verleend is, toe heeft geleid, kan gelden als het uitblijven van een proceshandeling die die partij toen "moest verrichten".

Ik denk dat ik een algemeen antwoord op de gestelde vraag - die zich in allerlei varianten kan voordoen - beter uit de weg kan gaan. Ik de context van de schorsingsregeling van de art. 225 e.v. Rv. lijkt mij in elk geval, dat de daar geboden regels voorrang hebben (als "leges speciales"). In die context beantwoord ik de vraag daarom met: nee(7).

9) Ik gaf al aan dat het feit dat de partijen in deze zaak over het gevorderde verval van instantie eenstemmig zijn, meebrengt dat die vordering voor honorering in aanmerking komt. Overigens leiden de zojuist besproken gedachten ertoe, dat in een geval als het onderhavige geen verval van instantie zou mogen worden gevorderd; en dat een vordering van die strekking dus niet zou behoren te worden gehonoreerd.

Conclusie

Ik concludeer tot toewijzing van het gevorderde verval van instantie, met compensatie van de kosten.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Men mag aannemen dat de advocaat van [eiser] zich ervan heeft vergewist dat hij met instemming van de belanghebbenden aan "zijn" kant handelde toen hij zich in deze zin uitliet. Strikt genomen zijn de erven van [eiser] in deze procedure niet verschenen en gelden zij (dus) niet als partij, zo lang de aangevangen schorsing van het geding (zie alinea's 4 en 5 hierna) voortduurt.

2 De bijstelling tussen aanhalingstekens is mij ingegeven door de mogelijkheid dat partijen bij zgn. "Borgersbrief" reageren op de conclusie van de Procureur-Generaal (of op de conclusie van het Openbaar Ministerie, waar zo'n conclusie in de feitelijke instanties is genomen). Ofschoon men ook een dergelijke brief tot het partijdebat zou kunnen rekenen, ga ik ervan uit dat die valt buiten het bestek van de partij-uitingen die ertoe leiden dat een zaak de "staat van wijzen" bereikt.

3 Zie o.a. Van Mierlo - Bart, Parlementaire Geschiedenis (Rv., etc.), 2002, p. 396.

4 Van Mierlo - Bart, Parlementaire Geschiedenis (Rv., etc.), 2002, p. 418.

5 Men is geneigd dat eens te meer te denken in een situatie waar het geding inmiddels in staat van wijzen verkeert: in die fase worden er van partijen in het geheel geen proceshandelingen verlangd, en is dus, in de door de toelichting gebruikte beeldspraak, alleen de rechter (of in dit geval: het Parket bij de Hoge Raad) "aan zet".

6 Daarbij kunnen zich complicaties voordoen wanneer, zoals hier, schorsing heeft plaatsgehad nadat de laatste "reguliere" proceshandelingen al waren verricht. Men kan immers menen dat er dan geen partij meer is die nog een proceshandeling "moet verrichten" en/of dat er geen proceshandeling valt aan te wijzen, waartoe men een partij nog kan verplichten. Dat zou kunnen betekenen dat men in dat stadium alleen kan kiezen voor: vonnis vragen of royement vragen; een gedachte die bij de regel van art. 225 lid 4 Rv. goed zou aansluiten.

Ik hoop dat men mij vergeeft dat ik deze complicaties verder laat voor wat zij zijn.

7 Een complicatie binnen de verschillende complicaties die deze zaak voor het voetlicht brengt is, dat art. 225 lid 3 Rv. alle proceshandelingen die na een schorsing plaatsvinden, voor nietig verklaart. Die regel geldt, zou ik denken, ook voor na de schorsing gevraagde aanhoudingen voor beraad, als men die tenminste als "proceshandelingen" aanmerkt (wat ik wel zou doen). Die regel geldt, zuiver beschouwd, trouwens ook voor een na een schorsing geïnitieerde vordering tot verval van instantie - inclusief de reacties van de wederpartij daarop.

Ook deze gedachten verzetten zich er tegen om aan te nemen dat de partij die een schorsing heeft uitgelokt, in enig opzicht "aan zet" zou (kunnen) zijn: behoudens de door de wet geboden stappen tot hervatting van het geding, kunnen er ten laste (en ook ten gunste) van deze partij geen geldige proceshandelingen, en dus ook geen stappen als peremptoirstelling e.d., plaatsvinden.