Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AY0099

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
02290/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY0099
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Redelijke termijn in appèl. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 2000, 721. Het hof heeft de zaak bij verstek berecht terwijl de appèldagvaarding niet aan verdachte in persoon is betekend. Verdachte heeft op 4-7-03 appèl ingesteld tegen het vonnis van de Pr. De stukken zijn op 26-4-04 bij het hof binnengekomen. Het in ’s hofs arrest besloten liggende oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af. Voor strafvermindering bestaat geen grond, gelet op de aan verdachte opgelegde straf en mate waarin de redelijke termijn is overschreden. HR volstaat met oordeel dat die termijn in appèl is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 549
NJ 2006, 539
RvdW 2006, 911

Conclusie

Nr. 02290/05

Mr. Vellinga

Zitting: 27 juni 2006

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 3 december 2004 wegens 1. 'bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht', 2. 'wederspannigheid' en 3. 'eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd' veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 100,-- en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast heeft het Hof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf gelast.

2. Namens verdachte heeft mr. M. de Boorder, advocaat te 's-Gravenhage, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend, althans die beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, nu de appeldagvaarding de verdachte niet heeft bereikt en de verdachte evenmin op andere wijze op de hoogte is geraakt van de behandeling van zijn zaak.

4. De akte van uitreiking van de appeldagvaarding houdt het volgende in. De dagvaarding voor de terechtzitting van het Hof op 19 november 2004 is op 24 september 2004 tevergeefs aangeboden op het adres [a-straat 1] te [plaats] op welk adres de verdachte stond ingeschreven. Op dat adres is een bericht van aankomst achtergelaten. De appeldagvaarding is op 4 oktober 2004 teruggezonden aan de afzender. Op 26 oktober 2004 heeft de griffier van de rechtbank de dagvaarding per gewone post aan de verdachte verzonden, omdat uit een GBA-overzicht van diezelfde dag bleek dat de verdachte op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien op het bovengenoemde adres in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven.

5. Aldus is de dagvaarding in hoger beroep geldig uitgereikt; zie rov. 3.10 tot en met 3.15 in HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317. In een dergelijk geval mag de rechter ervan uitgaan dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht (rov. 3.33 eerste volzin, 3.37 eerste volzin). Aanwijzingen voor het tegendeel zijn niet aanwezig en worden in de toelichting op het middel niet aangevoerd. Evenmin is sprake van de in rov. 3.38 genoemde gevallen; de verdachte heeft bij het instellen van hoger beroep niet een ander adres dan zijn GBA-adres of een postbusnummer opgegeven.

6. Het middel faalt.

7. Het tweede middel klaagt het Hof het onder 3 bewezenverklaarde ten onrechte als - kort gezegd - belediging heeft gekwalificeerd, althans dat oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

8. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard onder 3:

"hij op 16 juli 2002 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten E.F. Salas, agent van politie Haaglanden en P.C. Cupedo, agent van politie Haaglanden, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Ik poep op jullie allemaal" en "Jullie zijn allemaal kankerlijers" en "Jullie denken dat je alles bent in je blauwe pakje"."

9. Een mondelinge uitlating aan iemand in zijn tegenwoordigheid gedaan moet, aldus de Hoge Raad, als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam.(1) Het oordeel van het Hof dat daarvan in dit geval sprake was, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is, gelet op de inhoud van de bewezenverklaarde uitlatingen, niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor het oordeel van het Hof dat de uitlating "Jullie denken dat je alles bent in je blauwe pakje" de strekking had de ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Dat oordeel is voldoende gemotiveerd, gelet op de vaststelling van het Hof dat de verdachte deze uitlating tezamen met de andere, beledigende uitlatingen heeft gedaan, alsmede dat de verdachte heeft verklaard (bewijsmiddel 2) dat hij een politieagent heeft beledigd.

De in de toelichting betrokken stelling dat politieambtenaren in de uitoefening van hun taken meer moeten verdragen dan anderen is eerder aan de Hoge Raad voorgelegd; zij vindt geen steun in het recht.(2)

10. Het middel faalt.

11. Het derde middel klaagt het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht heeft gekwalificeerd, althans dat oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe wordt in de toelichting aangevoerd dat er geen sprake zou zijn van een realistische bedreiging, omdat de verdachte geboeid was en de uitlatingen het gevolg waren van machteloosheid, aldus de toelichting.

12. Onder 1 heeft het Hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 16 juli 2002 te 's-Gravenhage E.F. Salas, agent van politie Haaglanden en P.C. Cupedo, agent van politie Haaglanden heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde Salas en Cupedo dreigend de woorden toegevoegd: "Ik heb een groot rambomes en daar steek ik jullie allemaal mee dood en dat zweer ik op het graf van mijn moeder."

13. De behandeling van deze voor het eerst in cassatie naar voren gebrachte bezwaren vergt een onderzoek van feitelijke aard. Daarvoor is in cassatie geen plaats.

14. Het middel faalt.

15. Het vierde middel klaagt dat de als feit 2 bewezenverklaarde enkele schoppende beweging onvoldoende is om wederspannigheid op te leveren.

16. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 16 juli 2002 te 's-Gravenhage toen de aldaar dienstdoende E.F. Salas, agent van politie Haaglanden, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 266/267 van het Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van politie te 's-Gravenhage, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig zijn hand los te trekken en schoppende bewegingen te maken in de richting van die Salas;"

17. Het middel mist feitelijke grondslag, nu het Hof niet enkel bewezen heeft verklaaard dat de verdachte een schoppende beweging heeft gemaakt maar dat de verdachte gewelddadig zijn hand heeft losgetrokken en schoppende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de verbalisant. Voor de overige bezwaren geldt ook hier dat voor de behandeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard nodig is, waarvoor in cassatie geen plaats is.

18. Het middel faalt.

19. Het vijfde middel klaagt dat het Hof strafvermindering had moeten toepassen nu sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Die zou zijn overschreden, omdat, zo vul ik het middel aan, de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep bij het Hof zijn binnengekomen.

20. De stukken van het geding houden in dat namens de verdachte op 4 juli 2003 hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van diezelfde datum. De stukken zijn op 26 april 2004 door het Hof ontvangen. In zoverre is sprake van overschrijding van de inzendtermijn met één maand en tweeëntwintig dagen.(3) Een dergelijke vertraging kan worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling. Daarvan is in de regel sprake als uitspraak wordt gedaan binnen zestien maanden na het instellen van het hoger beroep, indien de verdachte niet gedetineerd is.(4) Het Hof heeft uitspraak gedaan op 3 december 2004, zodat niet gezegd kan worden dat het Hof de vertraging heeft gecompenseerd door een voortvarende behandeling. De zestienmaandentermijn is immers overschreden met bijna één maand.

21. De rechter dient ambtshalve te onderzoeken of de redelijke termijn is geschonden. In een verstekzaak als de onderhavige hoeft de rechter van dat onderzoek slechts te doen blijken indien het in de uitspraak besloten liggende oordeel dat de redelijke termijn niet is geschonden zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn.(5) Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in rov. 3.13 uit HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 is in de onderhavige zaak geen sprake. Het impliciete oordeel van het Hof dat de redelijke termijn niet is geschonden, is dan ook onbegrijpelijk.

22. In principe zou deze overschrijding moeten leiden tot strafvermindering. Gelet op de duur van de opgelegde straf (zes weken gevangenisstraf) en de mate van overschrijding (bijna twee maanden), kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is geschonden.(6) Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

23. De toelichting bevat de subsidiaire klacht dat de inzendtermijn in cassatie is geschonden. Die klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu beroep in cassatie is ingesteld op 14 februari 2005 en de stukken op de griffie alhier zijn binnengekomen op 12 augustus 2005. Dat is ruimschoots binnen de termijn van acht maanden die de Hoge Raad stelt.(7)

24. Het middel faalt.

25. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 6 januari 2004, NJ 2004, 201. Zie ook HR 19 september 1988, NJ 1989, 146; HR 15 september 1997, DD 98.007.

2 HR 19 december 2000, NJ 2001, 101.

3 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.17.

4 HR 23 maart 2004, NJ 2004, 476.

5 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.8.

6 HR 15 oktober 2002, LJN AE7382; HR 18 november 2003, LJN AL8475; HR 30 november 2004, LJN AR3665.

7 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.3.