Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX9400

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
C05/035HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX9400
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een directeur/aandeelhouder in een vennootschap en diens schoondochter over de terugbetaling van een geldbedrag dat haar overleden echtgenoot zijn vader had geleend (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 452
RvdW 2006, 741
JWB 2006/246
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C05/035HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 7 april 2006

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

[Verweerster]

Inleiding

1. In dit geding heeft thans verweerster in cassatie, verder ook: [verweerster], gevorderd thans eiser tot cassatie, verder ook: [eiser], te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van f 91.000,-, dat - naar zij stelt - door haar overleden echtgenoot als lening aan hem, zijn vader, is verstrekt. De vordering is door het hof tot een bedrag van f 80.000,- toegewezen. Het hof heeft daartoe, in zijn tussenarrest, op grond van een aantal getuigenverklaringen geoordeeld dat [verweerster] voorshands heeft bewezen dat [eiser] uit hoofde van geldlening een bedrag schuldig is aan haar overleden echtgenoot en dat dit bedrag ten minste f 80.000,- beloopt en, in zijn eindarrest, dat [eiser] niet in het tegenbewijs is geslaagd, waarbij het hof in zijn eindarrest heeft overwogen dat aan zijn oordeel dat [eiser] niet in het tegenbewijs is geslaagd en dat [verweerster] het op haar rustende bewijs van het bestaan van de geldlening heeft geleverd, niet afdoet dat de wijze van ontstaan van de geldlening niet precies is komen vast te staan. Tegen deze oordelen richt het cassatiemiddel een rechtsklacht en enkele motiveringsklachten.

2. Tussen partijen staat het volgende vast (zie de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 van het tussenarrest van het hof in verbinding met de rechtsoverwegingen 1.1-1.2.1 van het vonnis van de rechtbank van 15 juni 2001):

i) [Eiser] was directeur/aandeelhouder van SBN (Straalbedrijf Nederland B.V.).

ii) [Verweerster] is op 14 februari 1990 gehuwd met [betrokkene 1], een zoon van [eiser] Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. [Betrokkene 1], geboren [geboortedatum] 1959, is op 5 januari 1999 overleden.

iii) [Betrokkene 1] heeft bij testament, verleden op 12 november 1998 tijdens zijn ziekbed ten overstaan van notaris [de notaris], een ouderlijke boedelverdeling gemaakt tussen zijn erfgenamen ([verweerster] en de drie kinderen). [Verweerster] is gerechtigd alle tot de nalatenschap behorende zaken op te eisen en tegen kwijting in ontvangst te nemen.

iv) [Betrokkene 1] woonde tot aan zijn huwelijk thuis bij zijn ouders. Vanaf 1984 werkte hij bij een bedrijf in Weert. Hij droeg - evenals andere thuiswonende, werkende kinderen - tot aan zijn huwelijk aan zijn ouders zijn volledige salaris af waartegenover al zijn kosten uit de gemeenschappelijke "pot" werden betaald.

v) Bij brief van 26 juni 2000 heeft (de raadsman van) [verweerster] aan [eiser] geschreven dat tot de nalatenschap van [betrokkene 1] een lening aan [eiser] behoort van f 91.000,-, die terstond wordt opgezegd met sommatie deze - indien geen afbetalingsregeling wordt getroffen - binnen acht dagen te betalen, waarna aanspraak wordt gemaakt op wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. [Eiser] heeft op 6 juli 2000 geantwoord dat "de brief" hem onbekend is, met verzoek deze door te sturen naar zijn rechtsbijstandverzekeraar.

vi) Bij brief van dezelfde datum heeft [verweerster] SBN aangeschreven over terugbetaling van een lening van f 18.000,-. Daarop heeft [eiser] op 6 juli 2000 geantwoord dat de lening van f 18.000,- door SBN is terugbetaald aan [betrokkene 1].

vii) Bij brief van 11 oktober 1999 heeft de raadsman van [verweerster] aan [de notaris] bericht:

"Op 12 november 1998 heeft u in de Daniël den Hoed kliniek de uiterste wilsbeschikking van [betrokkene 1] opgemaakt.................

Alvorens dit testament op te stellen heeft u een klein telefonisch onderzoek verricht bij het Administratiekantoor van het bedrijf waar [betrokkene 1] werkzaam was. U heeft naar alle waarschijnlijkheid informatie ingewonnen bij Administratiekantoor Fiesta, [betrokkene 2], gevestigd te Horst (Venlo). U heeft bij hen geïnformeerd naar een lening die [betrokkene 1] heeft verstrekt aan het Straalbedrijf Nederland B.V., dan wel aan [eiser], zijn vader."

viii) Bij brief van 14 december 1999 heeft de raadsman zijn verzoek aan de notaris herhaald en verder geschreven:

"Inmiddels is duidelijk geworden dat [betrokkene 1] Fl. 18.000,-- aan de besloten vennootschap zou hebben geleend alsmede Fl. 91.000,-- aan [eiser]. Deze informatie is echter niet gebaseerd op schriftelijke stukken. [Betrokkene 2] heeft aan mij verklaard dat hij aan u informatie heeft verstrekt in opdracht van [eiser]. Hij heeft aan mij geen directe informatie gegeven dan dat hij aan u de juiste gegevens heeft verstrekt."

ix) [De notaris] heeft per faxbericht van 14 januari 2000 aan de raadsman van [verweerster] geantwoord:

" Ik kan niet anders doen dan u bevestigen dat mij uit een telefoongesprek gevoerd in het ziekenhuis bij het bespreken van het testament van [betrokkene 1] is medegedeeld door zijn boekhouder dat hij de vennootschap f 18.000,- en zijn vader f 91.000,- heeft geleend."

x) [Betrokkene 2] was de boekhouder van zowel SBN als van [eiser]

3. [Verweerster] heeft [eiser] en SBN op 14 juli 2000 gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd - kort gezegd - [eiser] te veroordelen tot betaling van f 91.000,- met rente en SBN te veroordelen tot betaling van f 18.000,- met rente. Daartoe heeft zij gesteld dat zij deze bedragen te vorderen heeft uit hoofde van geldleningen verstrekt door haar overleden echtgenoot. Ter nadere adstructie heeft zij aangevoerd dat haar echtgenoot in de tijd dat hij nog bij ouders inwoonde zijn gehele salaris dat hij sinds 1984 verdiende bij het bedrijf waar hij toen werkte, thuis afdroeg (in de huishoudpot stortte) en dat daarvan f 18.000,- is beschouwd als lening aan het familiebedrijf SBN en f 91.000,- als lening aan zijn vader. Voorts heeft zij ter comparitie verklaard dat de splitsing in een lening aan het bedrijf en een lening aan [eiser] belastingtechnische redenen had en ertoe diende het voor de kinderen gemakkelijker te maken tezijnertijd het bedrijf over te nemen.

[Eiser] heeft erkend dat [betrokkene 1] gedurende meerdere jaren zijn elders genoten salaris (geheel of gedeeltelijk) heeft afgedragen; hij heeft evenwel betwist dat een overeenkomst van geldlening is gesloten. SBN heeft erkend dat tenminste f 18.000,- van [betrokkene 1] is geleend; zij heeft evenwel gesteld dat nog slechts f 11.000,- aan lening resteert en dat het overige is afbetaald.

4. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 juni 2001 - gelet op de betwisting van de stellingen van [verweerster] - aan [verweerster] opgedragen te bewijzen dat tussen [betrokkene 1] en [eiser] een overeenkomst van geldlening is gesloten met betrekking tot de door [betrokkene 1], in de periode waarin hij nog thuis woonde, afgedragen inkomsten. Zij heeft aan SBN opgedragen te bewijzen dat nog slechts f 11.000,- aan lening resteert.

Op 9 oktober 2001 zijn namens [verweerster] als getuigen gehoord: haar voormalige advocaat mr. A.J. Butter, [getuige 1] die korte tijd voor SBN werkzaam is geweest, [getuige 2], broer van [betrokkene 1] en werkzaam bij SBN, en [verweerster] als partijgetuige. [Eiser] heeft afgezien van contra-enquête. SBN heeft ter voldoening aan haar bewijsopdracht stukken overgelegd.

Bij eindvonnis van 24 juli 2002 heeft de rechtbank de vordering van [verweerster] tegen [eiser] tot terugbetaling van f 91.000,- met wettelijke rente toegewezen, daartoe overwegende dat [verweerster] - gelet op de getuigenverklaringen in onderlinge samenhang en in samenhang met de fax d.d. 14 januari 2000 van [de notaris] beschouwd - is geslaagd in het haar opgedragen bewijs en dat de hoogte van de lening van f 91.000,- niet is betwist. De vordering tegen SBN is toegewezen tot een bedrag van f 7.000,- met wettelijke rente.

5. [Eiser] en SBN hebben hoger beroep ingesteld. In een tussenarrest d.d. 8 juli 2003 heeft het hof overwogen dat SBN bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 februari 2003 in staat van faillissement is verklaard en voorts verstaan dat de procedure voor wat betreft het door SBN ingestelde hoger beroep daardoor is geschorst op grond van art. 29 F. Ten aanzien [eiser] heeft het hof het volgende overwogen:

4.6. (...) [Verweerster] heeft gesteld en als partijgetuige bij de rechtbank verklaard dat [de notaris] op 12 november 1998 in het ziekenhuis in haar aanwezigheid contact heeft opgenomen met de boekhouder (van SBN en) van [eiser], [betrokkene 2], en dat deze de notaris heeft gezegd dat [eiser] privé f 91.000,-- van [betrokkene 1] had geleend. De notaris bevestigt dit volledig in zijn faxbericht van 14 januari 2000, waarin hij verklaart [betrokkene 2] vanuit het ziekenhuis telefonisch te hebben gesproken, waarbij deze hem zei dat [betrokkene 1] aan zijn vader een bedrag van f 91.000,-- had geleend.

Mr. Butter heeft als getuige verklaard dat hij op 22 oktober 1999 telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 2] en dat deze hem toen het bedrag van f 91.000,-- bevestigd heeft.

[Getuige 1] verklaart dat toen hij met [eiser] vlak voor kerst 1999 bij [betrokkene 1], die thuis ziek lag, op bezoek was, [betrokkene 1] tegen zijn vader heeft gezegd:

"Vader ge moet [verweerster] nog dat geld betalen" waarop [eiser] zei dat hij het geld wel aan de kinderen zou geven; [betrokkene 1] zei daarop "Nee, aan [verweerster]". In de auto terug heeft [eiser] aan [getuige 1] gezegd dat het ging over een lening van f 83.000,-- of f 82.000,--, in elk geval meer dan f 80.000,--, privé. [eiser] zei toen ook dat hij het geld wel aan de kinderen wilde geven, maar niet aan [verweerster].

[Getuige 2] heeft verklaard dat hij gehoord heeft van een lening of een schuld van een ton. [Betrokkene 1] heeft hem in het ziekenhuis gezegd dat hij niet wist of [verweerster] dat hard kon maken. Van [getuige 1] had hij gehoord dat het grootste deel van die ton privé-schuld was. Hij wist dat het ging om geld dat zijn broer van het bedrijf en/of zijn vader tegoed had. Toen hij zijn vader ernaar vroeg zei deze dat hij het wel aan de kinderen zou betalen maar dat [verweerster] geen cent zou krijgen.

4.7. Het hof is van oordeel dat [verweerster] hiermee voorshands heeft bewezen dat [eiser] uit hoofde van geldlening een bedrag schuldig is aan haar overleden echtgenoot [betrokkene 1], alsmede dat dit bedrag tenminste f 80.000,-- beloopt. De verklaring van [verweerster] dient daarbij als aanvulling op het overige bewijs. Dat er geen schriftelijke overeenkomst bestaat of een schriftelijk stuk waaruit van de lening blijkt, doet daaraan niet af; dat is geen constitutief vereiste voor het bestaan van een geldlening, en een geldlening kan met alle middelen rechtens worden bewezen. Met name [getuige 1] en de notaris in zijn faxbericht verklaren expliciet dat er naast de schuld van SBN een privé-schuld van [eiser] bestond, zodat van verwarring met de schuld van SBN geen sprake kan zijn.

Het hof verwerpt de gronden die [eiser] aanvoert ter ondersteuning van zijn stelling dat de getuigen partijdig zouden zijn en in strijd met de waarheid zouden hebben verklaard. [Eiser] ziet er daarbij aan voorbij dat de getuigen onder ede door de rechter zijn gehoord en dat "betrokkenheid" nog niet meebrengt dat de betrokkene "partijdig" is of onwaarheden verklaart."

Het hof heeft vervolgens [eiser] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, inhoudend dat hij privé geen bedrag uit geldlening aan zijn overleden zoon [betrokkene 1] schuldig is. Op grond van zijn overweging dat de rechtbank niet uit de stellingen van [eiser] heeft kunnen afleiden dat deze de hoogte van de geldlening niet betwistte, heeft het hof [verweerster] opgedragen te bewijzen dat [eiser] privé aan haar overleden echtgenoot een bedrag van f 91.000,-, althans een bedrag van meer dan f 80.000,- schuldig is.

6. [Eiser] heeft als getuigen doen horen: zichzelf als partijgetuige alsmede zijn dochter [getuige 3], zijn zoon [getuige 4] en voorts zijn echtgenote, die allen hebben verklaard geen gebruik te maken van hun verschoningsrecht. Verder zijn door [eiser] als getuigen voorgebracht drie dochters die zich allen op hun verschoningsrecht hebben beroepen en geen verklaring hebben afgelegd. In contra-enquête zijn namens [verweerster] gehoord: [verweerster] zelf als partijgetuige, [de notaris], de moeder van [verweerster], de verpleegkundige [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7].

[Verweerster] heeft afgezien van het doen horen van getuigen met betrekking tot de aan haar bij tussenarrest verstrekte bewijsopdracht omtrent de hoogte van het uit geldleen verschuldigde bedrag.

7. Bij eindarrest van 9 november 2004 heeft het hof vooropgesteld bij de waardering van het door [eiser] bijgebrachte tegenbewijs in aanmerking te nemen dat de beperkte bewijsstatus van de verklaring van een partijgetuige niet geldt ten aanzien van feiten waaromtrent deze partij met zijn verklaring tegenbewijs beoogt te leveren, zodat de verklaring van [eiser] volledige bewijskracht heeft, terwijl op die van [verweerster] - op wie als uitgangspunt de bewijslast rust, al is zij daar voorshands door het hof in geslaagd geacht - de beperking van art. 164 lid 2 Rv van toepassing is. Voorts heeft het hof vooropgesteld dat de omstandigheid dat drie door [eiser] opgeroepen getuigen zich hebben beroepen op hun verschoningsrecht op zichzelf buiten beschouwing blijft bij de waardering van het bewijs. Aansluitend heeft het hof als volgt overwogen en beslist:

"7.6. Naar het oordeel van het hof heeft [eiser] het verlangde tegenbewijs echter niet geleverd.

Zijn dochter [getuige 3] en zijn zoon [getuige 4] bevestigen de verklaring van [eiser] en zijn echtgenote, dat het destijds in hun gezin zo toeging dat alle thuiswonende kinderen hun inkomsten in de gemeenschappelijke huishoudpot stortten, en dat daaruit alles voor alle gezinsleden werd betaald, zonder dat daarvan per persoon een saldo werd bijgehouden. Deze dochter en zoon verklaren dat met hen nooit afspraken zijn gemaakt over een geldlening of terugbetaling, en dat zij nooit gehoord hebben dat met [betrokkene 1] wel een dergelijke afspraak was gemaakt.

[Eiser] en zijn echtgenote hebben ontkend dat [eiser] privé een bedrag aan [betrokkene 1] verschuldigd was. Zij kunnen niet verklaren waarom de boekhouder [betrokkene 2] dat eind 1998 tegen [de notaris] heeft gezegd, noch waarom [getuige 2] en [getuige 1] bij de rechtbank als getuige hebben verklaard dat [eiser] tegenover hen het bestaan van een privé-geldlening van [betrokkene 1] niet heeft ontkend, resp. heeft bevestigd. Dat de inhoud van de verklaring van [getuige 1] zou zijn ingegeven door een groot conflict tussen [eiser] en [getuige 1] acht het hof op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Het hof acht het door [verweerster] reeds bijgebrachte bewijs als genoemd in r.o. 7.4 door de andersluidende getuigenverklaringen van [eiser] en zijn echtgenote onvoldoende ontkracht. Wat betreft het door [verweerster] thans nog aangebrachte bewijs neemt het hof in het bijzonder in aanmerking de verklaring van [de notaris], dat hem door [betrokkene 2], die bevestigde dat hij de boekhouder van [eiser] was, is gezegd dat [eiser] een lening aan [betrokkene 1] had van f 91.000,-- (en dat de lening aan de vennootschap f 18.000,-- bedroeg). Daarnaast heeft de verpleegkundige [getuige 5] verklaard dat [betrokkene 1] kort voor zijn overlijden altijd zei dat hij van zijn vader nog geld tegoed had en dat hij dat wilde regelen voor zijn overlijden. Ook de getuige [getuige 6], een vriendin van [verweerster], heeft verklaard dat zij [betrokkene 1] heeft bezocht in de Daniël den Hoedkliniek te Rotterdam en dat [betrokkene 1] zich toen zorgen maakte over een geldbedrag dat hij van zijn vader tegoed had. Tenslotte heeft ook [getuige 7], die als vrijwilliger het sterven van [betrokkene 1] heeft begeleid, verklaard dat [betrokkene 1] hem heeft verteld over de kwestie van de geldlening van zijn vader, dat hem nog een bedrag door zijn vader beloofd was en dat hij dat bedrag nog terug moest krijgen. [Getuige 7] verklaart voorts dat hij zich meent te herinneren dat [betrokkene 1] over de achtergrond van de geldlening heeft verklaard, dat hij en [getuige 2] hard hadden gewerkt aan de opbouw van het bedrijf en dat hem gezegd was dat hij daar later voor zou worden terugbetaald. Bij het bedrag was ook inbegrepen de beloning voor de boekhouding die [betrokkene 1] deed voor het bedrijf.

Het hof overweegt tenslotte dat aan zijn oordeel dat [eiser] niet in het tegenbewijs is geslaagd en dat [verweerster] het op haar rustende bewijs van het bestaan van de geldlening heeft geleverd, niet afdoet dat de wijze van ontstaan van de geldlening niet precies is komen vast te staan."

Het hof heeft, overwegende dat slechts een bedrag van f 80.000,- toewijsbaar is nu niet het bewijs is geleverd dat de in geding zijnde geldlening een bedrag van f 91.000,- beloopt, het eindvonnis vernietigd voorzover daarbij aan hoofdsom een bedrag van € 41.293,98 (f 91.000,-) is toegewezen en het heeft [eiser] veroordeeld aan [verweerster] te voldoen een bedrag van € 36.302,42 (f 80.000,-); het hof heeft voorts verstaan dat het geding nog steeds is geschorst voorzover het het door SBN ingestelde hoger beroep betreft.

8. [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest en het eindarrest. [Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben een schriftelijke toelichting op de zaak gegeven.

Het cassatiemiddel

9. Het middel komt op tegen de hiervoor onder 5 en 7 aangehaalde overwegingen uit het tussen- en eindarrest waarop het hof zijn oordeel heeft gegrond dat [verweerster] is geslaagd in het leveren van het op haar rustende bewijs dat [eiser] uit hoofde van geldlening een bedrag schuldig is aan haar overleden echtgenoot [betrokkene 1] en dat dit bedrag tenminste f 80.000,- beloopt. Het middel stelt in zijn inleiding - die geen klacht bevat - voorop dat wil het bestaan van een overeenkomst van geldlening tussen [eiser] en [betrokkene 1] aangenomen kunnen worden, moet komen vast te staan - gelet op de in art. 7A:1791 BW gegeven omschrijving van de overeenkomst van geldleen - dat [betrokkene 1] aan [eiser] een geldbedrag ter beschikking heeft gesteld en dat in verband daarmee tussen hen de afspraak is gemaakt dat [eiser] op een later tijdstip aan [betrokkene 1] een geldbedrag zal betalen gelijk aan het bedrag dat [eiser] van [betrokkene 1] heeft ontvangen.

10. Middelonderdeel 1.1 komt meer in het bijzonder op tegen het slot van rechtsoverweging 7.6 van het eindarrest, waar het hof overweegt dat aan zijn oordeel dat [eiser] niet in het tegenbewijs is geslaagd en dat [verweerster] het op haar rustende bewijs van het bestaan van de geldlening heeft geleverd, niet afdoet dat de wijze van ontstaan van de geldlening niet precies is komen vast te staan. Geklaagd wordt dat indien het hof heeft geoordeeld dat voor het aannemen van een (terug)betalingsverplichting niet van belang is of de achtergrond van die terugbetalingsverplichting (dat wil zeggen van de gestelde afspraak dat [eiser] in verband met de stortingen in de huishoudpot een verplichting heeft aan zijn zoon een geldbedrag van gelijke omvang terug te betalen) voldoende duidelijk is geworden, het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting aangezien de vraag of een betalingsverplichting kan worden aangemerkt als een verplichting uit hoofde van een overeenkomst van geldlening, niet kan worden beoordeeld zonder een goed beeld van de achtergrond van die betalingsverplichting, hetgeen in casu des te sterker geldt nu bij het storten van gelden in de gemeenschappelijke huishoudpot die door [echtgenote van eiser]] wordt beheerd, een terugbetalingsverplichting van [eiser] niet zonder meer voor de hand ligt.

11. Art. 7A:1791 BW waarop het middelonderdeel zijn rechtsklacht kennelijk - gezien de hiervoor onder 9 genoemde inleiding en de schriftelijke toelichting - mede baseert, geeft de volgende omschrijving van de overeenkomst van verbruikleen waarvan de overeenkomst van geldlening een species vormt: "Verbruikleening is eene overeenkomst, waarbij de eene partij aan de andere eene zekere hoeveelheid van verbruikbare goederen afgeeft, onder voorwaarde dat de laatstgemelde haar even zoo veel, van gelijke soort en hoedanigheid, terug geve." Deze bepaling verbindt de terugbetalingsverplichting als rechtsgevolg aan de in haar omschrijving genoemde rechtsfeiten (het afgeven van een zeker hoeveelheid goederen (een geldbedrag) onder de voorwaarde (een stilzwijgende of uitdrukkelijke afspraak) tot teruggave), hetgeen impliceert dat tot het bestaan van een terugbetalingsverplichting uit hoofde van geldlening zal worden geconcludeerd ingeval degene die zich op terugbetaling beroept, bedoelde rechtsfeiten heeft gesteld en, zonodig, bewezen. Dit betekent - anders dan het middel kennelijk wil betogen - evenwel niet dat de rechter het bewijs van het bestaan van een terugbetalingsverplichting uit geldleen niet rechtstreeks zou mogen afleiden uit het voorhanden bewijsmateriaal, zoals een (schriftelijke) schuldbekentenis of, zoals in casu, uit getuigenverklaringen die het bestaan van de schuld uit geldleen bevestigen. De vraag of de omstandigheid dat [verweerster] niet heeft kunnen aantonen op welke wijze de geldlening en daarmee de verplichting tot terugbetaling precies is ontstaan, afbreuk doet aan de verklaringen die inhouden het dat een zodanige verplichting bestond, is een vraag van bewijswaardering die het hof zonder schending van artikel art. 7A:1591 BW ontkennend heeft kunnen beantwoorden. De rechtsklacht van middelonderdeel 1.1 faalt dan ook. Het middelonderdeel mist voorts feitelijke grondslag voorzover het ervan uitgaat dat het hof met zijn gewraakte zinswending heeft beoogd iets anders tot uitdrukking te brengen dan dat de omstandigheid dat [verweerster] niet heeft kunnen aantonen op welke wijze de geldlening (de verplichting tot terugbetaling) precies is ontstaan, niet meebrengt dat [verweerster] niet is geslaagd in het op haar rustende bewijs door middel van de getuigenverklaringen die inhouden dat een zodanige verplichting bestond en evenmin dat [eiser] is geslaagd in het tegenbewijs, en dat deze omstandigheid in zoverre geen afbreuk doet aan de verklaringen die inhouden dat een zodanige verplichting bestond.

12. Middelonderdeel 1.2 klaagt dat het hof zijn oordeel dat [verweerster] voorshands is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat tussen [eiser] en [betrokkene 1] een overeenkomst van geldlening is gesloten met betrekking tot de door [betrokkene 1] in de periode dat hij nog thuis woonde afgedragen inkomsten en dat [eiser] het tegenbewijs hiervan niet heeft geleverd, onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit, gegeven i) dat [betrokkene 1] geld heeft gestort in de gemeenschappelijke huishoudpot, ii) dat [betrokkene 1] daarvan ook voordeel heeft gehad en iii) dat een daaraan gekoppelde verplichting van [eiser] tot terugbetaling niet, althans niet zonder meer voor de hand ligt en voorts gelet op de omstandigheid dat de getuigen waarop het hof zijn oordeel baseert allen "de auditu-getuigen" zijn (soms zelfs in de tweede of derde graad) en dat deze getuigen, die geen weet hebben van de achtergronden van de lening, geen verband hebben gelegd tussen de stortingen in de huishoudpot en een terugbetalingsverplichting en dat de verklaring van [getuige 7] niets van doen heeft met het storten in de huishoudpot.

13. Anders dan het middelonderdeel tot uitgangspunt neemt, heeft het hof [verweerster] niet voorshands geslaagd geacht in het haar door de rechtbank opgedragen bewijs dat tussen haar echtgenoot [betrokkene 1] en [eiser] een overeenkomst van geldlening is gesloten met betrekking tot de door eerstgenoemde, in de periode dat hij nog thuis woonde, afgedragen inkomsten; het hof heeft immers - mede op grond van de verklaringen van de in eerste aanleg door [verweerster] voorgebrachte getuigen - geoordeeld dat [verweerster] voorshands heeft bewezen dat [eiser] uit hoofde van geldlening een bedrag schuldig is aan haar overleden echtgenoot (alsmede dat dit bedrag tenminste f 80.000,- beloopt). Met deze overweging alsmede met de door middelonderdeel 1.1 gewraakte overweging aan het slot van rechtsoverweging 7.6 van zijn eindarrest heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat uit de getuigenverklaringen niet tevens valt af te leiden op welke wijze de terugbetalingsverplichting van [eiser] verband houdt met de stortingen in de huishoudpot, de werkzaamheden die [betrokkene 1] in het bedrijf van [eiser] heeft verricht alsmede met de bedoeling van [eiser] dat het bedrijf tezijnertijd door zijn zoons zou worden overgenomen.

Het middelonderdeel mist aldus feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat de in zijn overwegingen aangehaalde verklaringen voldoende steun bieden aan de door [verweerster] bij wijze van adstructie aan haar vordering ten grondslag gelegde toedracht, welke toedracht in het onderhavige geval naar 's hofs kennelijke oordeel niet behoefde te komen vast te staan om de vordering toewijsbaar te achten, een oordeel waartegen middelonderdeel 1.1 tevergeefs een rechtsklacht heeft gericht. Het hof dat heeft geoordeeld dat [verweerster] voorshands heeft bewezen dat [eiser] uit hoofde van geldlening een bedrag schuldig is aan haar overleden echtgenoot, heeft dan ook zijn oordeel dat [eiser] niet in het hem opgedragen tegenbewijs is geslaagd vooral gebaseerd en ook kunnen baseren op de overweging dat [eiser] niet heeft kunnen verklaren waarom meerdere getuigen het bestaan van deze schuld - die volgens het hof niet kan worden verward met de schuld van SBN - bevestigen. Het oordeel van het hof dat de aanwijzingen voor het bestaan van een op [eiser] rustende schuld aan zijn zoon uit hoofde van geldlening zwaarder wegen dan de onduidelijkheden en tegenstrijdigheden omtrent de wijze waarop de schuld is ontstaan, berust op een aan het hof voorbehouden waardering van het bewijs dat in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Onbegrijpelijk is het niet noch onvoldoende gemotiveerd. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat deze getuigen hun wetenschap (zeggen te) ontlenen aan anderen, zeker niet nu het gaat om wetenschap die is ontleend aan [eiser] zelf (de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]) alsmede aan diens boekhouder [betrokkene 2] (de verklaring van [de notaris]). Ook middelonderdeel 1.2 wordt derhalve vergeefs voorgesteld.

14. Middelonderdeel 1.3 komt op tegen 's hofs verwerping van - kort gezegd - het betoog van [eiser] dat [getuige 1] en [getuige 2] partijdig zijn en in strijd met de waarheid hebben verklaard. Het onderdeel klaagt dat onbegrijpelijk is 's hofs oordeel in rechtsoverweging 4.7 van zijn tussenarrest dat de gronden die [eiser] ter ondersteuning van dat betoog aanvoert moeten worden verworpen aangezien [eiser] daarbij eraan voorbijziet dat de getuigen onder ede zijn gehoord en dat "betrokkenheid" nog niet meebrengt dat de betrokkene "partijdig" is of onwaarheden verklaart; het onderdeel betoogt in dit verband dat immers de stellingen van [eiser] ten aanzien van de partijdigheid van beide getuigen niet slechts erop neerkomen dat zij "betrokken" zijn maar dat de relatie tussen hen en [eiser] ernstig is verstoord, terwijl [eiser] ten aanzien van het tussen de getuigen en [eiser] bestaande conflict een specifiek bewijsaanbod heeft gedaan. Het onderdeel klaagt voorts dat onbegrijpelijk is 's hofs oordeel in rechtsoverweging 7.6 van zijn eindarrest dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat "de inhoud van de verklaring van [getuige 1] zou zijn ingegeven door een groot conflict tussen [eiser] en [getuige 1]"; het onderdeel voert daartoe aan dat immers [eiser] dit conflict heeft beschreven en terzake een specifiek bewijsaanbod heeft gedaan en dat de omstandigheid dat de verklaring van [getuige 1] regelrecht in strijd is met die van [eiser] minstgenomen een aanwijzing vormt dat de verklaring van [getuige 1] kan zijn ingegeven door het grote conflict tussen hem en [eiser], waaraan het hof niet zonder nadere motivering had mogen voorbijgaan.

15. Deze klachten zien eraan voorbij dat het oordeel over de geloofwaardigheid van de verklaringen van getuigen feitelijk is en naar zijn aard maar in beperkte mate kan worden gemotiveerd en dat het evenzeer aan de rechter is overgelaten om te bepalen welk gewicht hij toekent aan de verklaring van een getuige die - hoewel geen partijgetuige in de zin van art. 164 Rv. - belang heeft bij de uitkomst van de procedure, bij welk oordeel de rechter mag laten meewegen dat de getuigen onder ede zijn gehoord. De stelling van [eiser] dat - kort gezegd - de verhouding tussen hem en [getuige 2] en [getuige 1] ernstig was verstoord en dat zijn verklaring is ingegeven door dat conflict, is door het hof niet miskend. Deze stelling is door het hof verworpen in rechtsoverweging 4.7 van zijn tussenarrest, waar het hof in zijn overweging dat "betrokkenheid" nog niet meebrengt dat de betrokkene "partijdig" is of onwaarheden verklaart - een overweging waarmee het hof de verwerping motiveert van de gronden die [eiser] aanvoert ter ondersteuning van zijn stelling dat de getuigen partijdig zouden zijn en in strijd met de waarheid zouden hebben verklaard - kennelijk onder het begrip "betrokkenheid" mede begrepen heeft geacht een ernstig verstoorde verhouding als door [eiser] gesteld. De stelling van [eiser] dat de verhouding tussen hem en [getuige 1] ernstig was verstoord en dat de verklaring van [getuige 1] is ingegeven door dat conflict, is door het hof voorts in rechtsoverweging 7.6 van zijn eindarrest nog eens uitdrukkelijk verworpen. Anders dan het onderdeel in zijn tweede klacht aanvoert, is het oordeel in het eindarrest dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat de inhoud van de verklaring van [getuige 1] zou zijn ingegeven door een groot conflict tussen [eiser] en [getuige 1], niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. Met zijn betoog dat [eiser] dit conflict heeft beschreven en terzake een concreet bewijsaanbod heeft gedaan, ziet het onderdeel eraan voorbij dat het hof zich niet heeft uitgesproken over het bestaan van dit conflict maar heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat dit conflict [getuige 1] heeft aangezet tot een valse verklaring. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in dit verband meer gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de verklaring van [getuige 1] (evenals die van [getuige 2]) niet op zichzelf staat maar inhoudelijk (althans wat betreft het bestaan van een leenschuld van tenminste f 80.000,-) overeenstemt met die van enkele andere getuigen waaronder die van de notaris, dan aan het door het middel aangevoerde gegeven dat de verklaring van [getuige 1] regelrecht in strijd is met die van [eiser] Overigens valt niet in te zien waarom het hof in de andersluidende verklaring van [eiser] - die partij is in deze procedure - een aanwijzing had moeten zien voor de leugenachtigheid van de verklaring van [getuige 1]. De slotsom is dat middelonderdeel 1.3 faalt.

16. Middelonderdeel 1.4 bestrijdt ten slotte als onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de schuld uit hoofde van de overeenkomst van geldlening f 80.000,- beloopt. Het voert daartoe aan dat het hof dit oordeel (kennelijk) uitsluitend baseert op verklaringen van getuigen, welke verklaringen wat de hoogte van de schuld betreft weinig concreet zijn terwijl deze getuigen ook alleen konden verklaren over hetgeen zij zouden hebben gehoord omtrent de hoogte van de lening en voorts dat het hof geen aandacht heeft besteed aan de essentiële stelling van [eiser] dat nergens uit blijkt hoeveel geld [betrokkene 1] in de huishoudpot heeft gestort en hoeveel hij uit de huishoudpot heeft opgenomen, terwijl [verweerster] heeft gesteld dat er ongetwijfeld bankafschriften zijn maar zij desondanks van het haar opgedragen bewijs heeft afgezien en heeft volstaan met de stelling dat "indien de overeenkomst is bewezen, het bedrag volledig toegewezen dient te worden". Het onderdeel komt tot de slotsom dat het hof gelet op deze verklaringen van getuigen en stellingen van partijen niet kon volstaan met het ongemotiveerde oordeel dat het bedrag van de geldlening tenminste f 80.000,- beloopt.

17. Het middelonderdeel ziet evenals middelonderdeel 1.1 eraan voorbij dat het hof de juistheid of aannemelijkheid van de door [verweerster] ter nadere adstructie van haar vordering aangevoerde toedracht van het ontstaan van de lening in het licht van het bijgebrachte bewijs niet van doorslaggevend belang heeft geacht. Het hof behoefde dan ook niet uitdrukkelijk in te gaan op de - in zijn gedachtegang niet relevante, laat staan essentiële - stelling van [eiser] dat niet blijkt hoeveel geld [betrokkene 1] in de huishoudpot heeft gestort. Waar het hof het bestaan van de lening, dat wil zeggen de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting, heeft aangenomen op grond van de meerbedoelde getuigenverklaringen, is het - gelet op de inhoud van die verklaringen - niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de schuld tenminste f 80.000,- beloopt. In dat licht bezien is het evenmin onbegrijpelijk dat het hof aan zijn overweging dat [verweerster] niet het bewijs heeft geleverd dat de schuld een hoger bedrag, te weten: f 91.000,-, beliep, de conclusie heeft verbonden dat de vordering tot een bedrag van f 80.000,- toewijsbaar is. Daarmee mist ook onderdeel 1.4 doel.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden