Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX9387

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
01-09-2006
Zaaknummer
C05/136HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX9387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Geschil tussen schoonmaakster en werkgever over de rechtsgeldigheid van ontslag op staande voet wegens ongeoorloofd gedrag, bestaande in bedreiging van medewerker(s) van een klant; slechts gedeeltelijke vaststelling door (appel)rechter van feitencomplex dat als dringende onverwijld medegedeelde reden voor ontslag ten grondslag was gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 483
RvdW 2006, 777
JWB 2006/259
JAR 2006/228 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C05/136HR

Mr. Timmerman

Zitting d.d. 14 april 2006

conclusie inzake:

[Eiseres]

eiseres tot cassatie

tegen

de besloten vennootschap BUWA SCHOONMAAKDIENSTEN B.V.,

verweerster in cassatie

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 Eiseres tot cassatie, [eiseres], verder te noemen "werkneemster", is op 2 januari 1991 bij verweerster in cassatie, Buwa Schoonmaakdiensten B.V., verder te noemen "Buwa" en "werkgeefster", in dienst getreden als schoonmaakster. Het salaris bedroeg in de maanden mei, juni en juli 1999 fl. 1.809,78 bruto per vier weken.

1.2 Per brief van 12 juli 1999 heeft Buwa haar werkneemster gewaarschuwd omdat zij de opdracht om haar werkzaamheden op een andere verdieping in hetzelfde gebouw waar zij voorheen schoonmaakwerkzaamheden verrichtte niet wilde uitvoeren. De aanleiding voor die opdracht was een klacht van een werkneemster van één van de opdrachtgeefsters van Buwa, [betrokkene 1] van Ashland Services B.V over het gedrag van [eiseres].

1.3 Bij brief van 13 juli 1999 bevestigde Buwa aan haar werkneemster dat haar op 12 juli 1999 -mondeling- is medegedeeld dat zij tot 15 juli 1999 is geschorst zonder behoud van loon.

1.4 Op 14 juli 1999 heeft Buwa schriftelijk aan werkneemster medegedeeld dat zij haar met onmiddellijke ingang ontsloeg wegens ongeoorloofd gedrag. Dit is in die brief als volgt toegelicht:

"Op maandag 12 juli 1999 heeft u onder getuige van uw objectleidster, [betrokkene 2] en uw rayonleider, [betrokkene 3], bedreigingen geuit richting een medewerker van onze opdrachtgever.

Vervolgens heeft u op dinsdag 13 juli 1999 uw rayonleider, [betrokkene 3], alsmede uw rayonleidster, [betrokkene 4], telefonisch bedreigt.

U begrijpt dat wij dit gedrag absoluut niet kunnen tolereren en derhalve krijgt u van ons ontslag op staande voet".

1.5 Op 8 september 1999 heeft werkneemster de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

1.6 In deze procedure heeft werkneemster betaling van het achterstallige loon door Buwa gevorderd (vanaf 15 juni 1999) en alle gebruikelijke nevenvorderingen ingesteld. Verder heeft werkneemster veroordeling gevorderd van Buwa om werkneemster toe te laten tot het werk.

1.7 Na de behandeling van enige stellingen van beide partijen die in cassatie geen rol meer spelen en welke om die reden inhoudelijk onbesproken blijven, heeft de kantonrechter vastgesteld dat werkneemster bestrijdt dat de in de ontslagbrief genoemde bedreigingen hebben plaatsgevonden. De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis van 11 juli 2000 geoordeeld dat op Buwa de bewijslast rust ten aanzien hiervan en heeft Buwa toegelaten te bewijzen dat werkneemster:

"- op maandag 12 juli 1999 bedreigingen heeft geuit richting een medewerker van een opdrachtgever van Buwa;

- op dinsdag 13 juli 1999 haar rayonleider, [betrokkene 3], alsmede haar rayonleidster, [betrokkene 4], telefonisch heeft bedreigd; (...) "

1.8 Vervolgens zijn door Buwa als getuigen gehoord [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. [Betrokkene 2] is ten tijde van het afleggen van de getuigenverklaring zo'n veertien jaar werkzaam bij Buwa als objectleidster. [Betrokkene 3] is op dat moment zo'n drie jaar werkzaam bij Buwa: ten tijde van het ontslag als rayonmanager (en later als bedrijfsleider). Werkneemster heeft zichzelf als getuige doen horen.

1.9 De kantonrechter heeft bij eindvonnis geoordeeld, dat

"(...) Uit de getuigenverklaringen, bezien in verband met de overige gedingstukken, waaronder het aangehaalde politie-mutatierapport, (...) niet voldoende aannemelijk geworden [is, toevoeging LT] dat (...) [werkneemster] [betrokkene 1] heeft bedreigd. De enige aanwijzing in die richting is het gebaar dat (...) [werkneemster] bij haar vertrek uit de bijeenkomst op vrijdag 9 juli 1999 maakte, zoals door [betrokkene 3] beschreven. Dit is echter op zichzelf bezien onvoldoende. Weliswaar wordt in de aangifte vermeld dat op 12 juli de bedreigingen niet van de lucht waren maar daaraan kan geen gewicht worden toegekend omdat niet duidelijk van wie die verklaring afkomstig is terwijl [betrokkene 3], als getuige gehoord, niets omtrent bedreigingen op 12 juli 1999 heeft vermeld en [betrokkene 1] niet als getuige is voorgebracht."

1.10 De kantonrechter achtte Buwa niet in haar bewijsopdracht geslaagd. De kantonrechter heeft in zijn eindvonnis van 22 januari 2002 geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de feiten die Buwa als dringende reden voor het ontslag op staande voet aan werkneemster heeft medegedeeld, zich in werkelijkheid niet hebben voorgedaan. Het ontslag op staande voet kan om die reden geen stand houden; de vordering van werkneemster wordt toegewezen. De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat er geen omstandigheden naar voren zijn gekomen die met zich meebrengen dat matiging van de loonvordering tot een periode van drie maanden meer met de billijkheid zou stroken. Omdat de arbeidsovereenkomst inmiddels met ingang van 1 december 2000 voorwaardelijk is ontbonden, wordt de loonvordering tot de daaraan voorafgaande periode beperkt(2).

1.11 Buwa is in hoger beroep gekomen van dit vonnis. In de memorie van grieven heeft zij vijf grieven geformuleerd tegen het oordeel van de kantonrechter en uitdrukkelijk aangeboden om [betrokkene 1] alsnog te laten horen. De grieven hebben betrekking op:

- het oordeel van de kantonrechter dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de werkneemster [betrokkene 1] heeft bedreigd;

- het oordeel van de kantonrechter dat de echtgenoot van de werkneemster weliswaar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] telefonisch heeft bedreigd, maar dat niet is gebleken dat de werkneemster haar echtgenoot hiertoe heeft aangezet;

- het oordeel van de kantonrechter dat de feiten die de werkgeefster heeft aangevoerd als dringende reden voor het ontslag op staande voet zich in werkelijkheid niet hebben voorgedaan;

- het oordeel van de kantonrechter dat in de procedure geen omstandigheden naar voren zijn gekomen die een matiging van de loonvordering (tot een periode van drie maanden) zouden billijken.

1.12 Het hof heeft in het tussenarrest van 6 februari 2004 geoordeeld dat werkgeefster alsnog wordt toegelaten om [betrokkene 1] als getuige te horen. Dit getuigenverhoor heeft op 20 oktober 2004 plaatsgevonden.

1.13 In zijn eindarrest heeft het hof overwogen dat uit de getuigenverklaring van [betrokkene 1] kan worden afgeleid dat werkneemster haar dochters mee naar het werk heeft genomen om tegen [betrokkene 1] op te treden. Het hof overweegt vervolgens dat een dergelijke actie een bedreigend karakter heeft en ook is gebleken dat [betrokkene 1] dit ook zo heeft ervaren. De dochters van werkneemster hebben bedreigingen tegen [betrokkene 1] geuit. Het hof heeft geoordeeld dat uit de verklaring van [betrokkene 1] is gebleken dat werkneemster, gelet op haar betrokkenheid bij de actie, haar op 12 juli 1999 heeft bedreigd. Het hof heeft hiervoor steun gevonden in de door de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] afgelegde verklaringen. Het hof heeft daarentegen geen waarde gehecht aan de verklaring van werkneemster zelf dat zij met het ontstaan van de schermutselingen geen enkele bemoeienis heeft gehad. Het hof heeft geconcludeerd dat werkgeefster in haar bewijsopdracht ten aanzien van de bedreiging door werkneemster op 12 juli 1999 van [betrokkene 1] is geslaagd (rov. 7 van het bestreden eindarrest).

1.14 De grief die zich richt tegen het oordeel van de kantonrechter dat het aannemelijk is dat de echtgenoot van werkneemster [betrokkene 1] en [betrokkene 2] telefonisch heeft bedreigd maar niet is gebleken dat werkneemster haar echtgenoot hiertoe heeft aangezet, wordt door het hof verworpen. Het hof heeft geoordeeld dat geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat werkneemster op enige wijze hierbij betrokken is geweest (rov. 9 van het bestreden eindarrest).

1.15 Het hof heeft vervolgens geoordeeld:

"10. Het hof acht de hiervoor bewezen geachte bedreiging op 12 juli 1999, bezien in het licht van de omstandigheden: een conflict van [werkneemster] met een medewerkster van een klant van [werkgeefster] in verband waarmee [werkneemster] voor drie dagen was geschorst, welke bedreiging is gedaan in die periode van schorsing, op zichzelf reeds een dringende reden, die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. (...)

Ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de gevolgen van het ontslag voor [werkneemster], voor zover daarvan ten processe is gebleken, maken dat niet anders. (...)"

Ten slotte heeft het hof in rechtsoverweging 13 geoordeeld:

"De conclusie is dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [werkneemster] zullen alsnog worden afgewezen. (...)"

Het hof heeft het vonnis van 22 januari 2002 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, vernietigd en de vorderingen van werkneemster afgewezen.

1.16 Werkneemster heeft tijdig(3) en regelmatig cassatieberoep ingesteld. Werkgeefster is in cassatie niet verschenen; tegen haar verstek is verstek verleend. Werkneemster heeft haar standpunt vervolgens schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 De cassatiedagvaarding bevat één cassatiemiddel. Het middel is gericht tegen rechtsoverweging 10 (en uiteindelijk, zie bladzijde 3 cassatiedagvaarding, ook tegen rechtsoverweging 13) van het bestreden eindarrest. Het middel klaagt dat het hof de door de Hoge Raad in de jurisprudentie geformuleerde regels heeft miskend die moeten worden toegepast indien slechts een gedeelte van de feiten op grond waarvan een ontslag op staande voet is gegeven, in rechte is komen vast te staan. Het middel betoogt dat, mochten deze regels niet zijn miskend, het bestreden oordeel onvoldoende is gemotiveerd omdat het hof geen inzicht heeft gegeven in de door hem gevolgde gedachtegang en de daarbij toegepaste weging van de relevante feiten en omstandigheden.

2.2 Voordat ik het middel inhoudelijk bespreek, geef ik de essentie weer van de eisen die gelden bij de beoordeling van een ontslag op staande voet waarbij slechts een gedeelte van de daaraan ten grondslag gelegde feiten in de procedure zijn komen vast te staan.

2.3 Het eerste arrest waarin deze problematiek voor de Hoge Raad aanleiding is geweest om eisen te formuleren waaraan een oordeel in een dergelijk geval moet voldoen is Hoge Raad 7 oktober 1988, NJ 1989, 258 (met noot PAS). In cassatie werd erover geklaagd dat de rechtbank het ontslag op staande voet heeft aanvaard hoewel hetgeen door de werkgever als "dringende reden" voor het ontslag is medegedeeld op twee punten afwijkt van hetgeen de rechtbank bewezen heeft geacht. In het cassatiemiddel werd betoogd dat dit wezenlijke bestanddelen vormden van de door de werkgever opgegeven dringende reden. De Hoge Raad heeft (in rov. 3.5) geoordeeld:

"Indien van een door de werkgever als "dringende reden" voor ontslag aan de werknemer medegedeeld feitencomplex, na betwisting door de werknemer, slechts een gedeelte in rechte komt vast te staan, zal het ontslag niettemin kunnen gelden als te zijn verleend om een dringende, onverwijld medegedeelde reden indien a. het vorenbedoelde gedeelte op zichzelf beschouwd kan gelden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, b. de werkgever heeft gesteld, en ook aannemelijk is, dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij - anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende -daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan en c. dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest."

2.4 De Hoge Raad heeft op 10 maart 1989, NJ 1990, 185 een arrest gewezen waarbij een soortgelijk probleem speelde. De kantonrechter en de rechtbank hebben twee van de vier aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde feiten bewezen geacht en overwogen dat van de werkgever redelijkerwijze niet te vergen was een dienstbetrekking als de onderhavige te laten voortduren. In het cassatiemiddel is hiertegen een klacht gericht naar aanleiding waarvan de Hoge Raad het zojuist weergegeven citaat letterlijk heeft herhaald. In dit geval heeft de rechtbank volgens de Hoge Raad geoordeeld dat de vier feiten voorbeelden zijn van volstrekt onaanvaardbaar gedrag (op grond waarvan de werknemer op staande voet is ontslagen). Op grond hiervan had de werknemer moeten begrijpen dat de in de ontslagbrief genoemde voorvallen slechts voorbeelden waren van onaanvaardbaar gedrag en dat de werkgever ook tot ontslag zou zijn overgegaan als slechts een deel van de vier voorvallen zou komen vast te staan.

2.5 In HR 12 november 1999 (LJN nr.: AG2328) speelde een zelfde probleem. De cassatieklachten werden door de Hoge Raad verworpen waarbij gebruik is gemaakt van de verkorte motivering van art. 81 RO (destijds art. 101a RO). De klacht dat de motivering van het in cassatie bestreden vonnis niet voldoet aan de vuistregels die de Hoge Raad heeft voorgeschreven (in het hierboven weergegeven citaat) wordt wel inhoudelijk behandeld door A-G De Vries Lentsch-Kostense. De rechtbank heeft in haar gewraakte rechtsoverweging geoordeeld dat er een dringende reden voor ontslag op staande voet bestond omdat door deze handelwijze het vertrouwen in werkneemster zodanig was geschonden dat van werkgeefster redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. De A-G overwoog vervolgens dat de klacht er kennelijk aan voorbij ziet dat de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld dat werkgeefster de werkneemster ook zou hebben ontslagen indien de werkgever niet meer gronden had dan in de procedure zijn komen vast te staan. De gronden die in de procedure niet zijn komen vast te staan zijn in feite van ondergeschikt belang. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De A-G overweegt daarbij dat werkneemster zelf in de feitelijke instanties niet heeft gerefereerd aan de genoemde vuistregels in het middel en met name niet heeft aangevoerd dat zij uit de ontslagaanzegging niet had kunnen begrijpen dat de niet vastgestelde feiten van ondergeschikte betekenis waren.

2.6 In onderdeel 1.4 van deze conclusie is een citaat opgenomen uit de ontslagbrief. Ik herhaal dat werkgeefster werkneemster "met onmiddellijke ingang ontslag [heeft ge-] geven, wegens ongeoorloofd gedrag." Eerst worden in de ontslagbrief de bedreigingen van [betrokkene 1] en vervolgens de telefonische bedreigingen door -de echtgenoot van- werkneemster van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] aan de orde gesteld. Daaraan is toegevoegd dat dit gedrag niet getolereerd kan worden en derhalve ontslag op staande voet dient plaats te vinden. In de procedure heeft werkgeefster het ontslag op staande voet als volgt toegelicht:

"(...) 6. [Werkgeefster] heeft [werkneemster] vervolgens op 14 juli 1999 op staande voet ontslagen, nadat zij, na interne beraadslaging, tot de conclusie was gekomen dat het gedrag van [werkneemster], de werkweigering en de agressieve houding (cursivering van mij, LT), volkomen onacceptabel was. (...) Toen zij klachten van één van haar klanten kreeg over [werkneemster] heeft zij eerst getracht door middel van een gesprek partijen tot rust en tot elkaar te laten komen. (...)

[Werkgeefster] heeft [werkneemster] eerst officieel gewaarschuwd, pas na een verdere escalatie heeft zij haar geschorst. Op het moment dat [werkneemster] diverse medewerkers van [werkgeefster] met de dood bedreigde, is zij overgegaan tot een ontslag op staande voet. (...)(4)"

en:

"16. (...) [werkneemster stelt] dat, indien zij al bedreigingen zou hebben geuit, dit geen voldoende grondslag zou zijn voor een ontslag op staande voet, omdat dit geen dringende reden zou opleveren. Deze stelling gaat lijnrecht in tegen het bepaalde in lid 2, sub e, van artikel 7:678 BW. [Werkneemster] heeft naast een klant van [werkgeefster] twee van haar medewerkers bedreigd. Ingevolge lid 2, sub e van artikel 7:678 BW is er sprake van een dringende reden indien een werknemer de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt. (...)(5)"

en ten slotte:

"(...) Het ontslag op staande voet stond niet op zichzelf, maar was een logisch vervolg op de waarschuwingen die door [werkneemster] in de wind werden geslagen. Het ongeoorloofde gedrag begon met werkweigering en eindigde in bedreigingen omdat [werkneemster] herhaaldelijk werd verzocht haar werkzaamheden elders te verrichten. Het één volgde uit het ander. De brief van 14 juli 1999 spreekt dan ook bewust niet van een ontslag wegens bedreigingen, maar van een ontslag wegens ongeoorloofd gedrag. Dat de brief vervolgens spreekt van de bedreigingen aan het adres van [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] doet daar niet aan af. [Werkgeefster] wilde daarmee verduidelijken dat dit de druppel was die de emmer deed overlopen. (...) Maar, (...) de door [werkneemster] geuite bedreigingen [leveren] op zich reeds een dringende reden op, die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. (...)(6)"

2.7 Ik lees het standpunt van werkgeefster Buwa zo dat het geheel van de bedreigingen (dus zowel die aan het adres van een medewerker ([betrokkene 1]) van een opdrachtgeefster als die aan het adres van een aantal werknemers van werkgeefster) de dringende reden was voor het ontslag op staande voet van werkneemster. Dit blijkt uit de hierboven onder 1.4. geciteerde ontslagbrief en uit de hierboven onder 2.6 geciteerde gedingstukken. Van het geheel van deze bedreigingen heeft het hof slechts een deel bewezen geacht. Hiermee doet zich mijns inziens de situatie voor van een dringende reden die slechts ten dele in rechte is komen vast te staan. Voor die situatie heeft de Hoge Raad regels geformuleerd die hierboven onder 2.3. van deze conclusie zijn weergegeven. Aan de door de Hoge Raad geformuleerde regel b heeft werkgeefster in het onderhavige geval mijns inziens in ieder geval niet voldaan. Nergens in de gedingstukken is te lezen dat werkgeefster alleen het bedreigen van een medewerker van een opdrachtgeefster als voldoende voor een dringende reden beschouwd zou hebben. Om deze reden kan mijns inziens het betrokken ontslag niet gelden als te zijn gegeven om dringende reden. Dit moge wellicht nogal strikt lijken. Ik acht het geheel van de door de Hoge Raad geformuleerde regels welke ik hierboven heb geciteerd niettemin nuttig. Door aan deze regels de hand te houden kan niet de situatie ontstaan dat er tussen werkgever en werknemer enige onduidelijkheid bestaat wat precies de dringende reden voor een ontslag is(7). Bovendien is het voor de ontslagen werknemer van belang dat over het geheel van redenen dat aan zijn ontslag op staande voet is gelegd en welke vaak ernstige beschuldigingen bevatten voor de rechter een debat wordt gevoerd. Het oordeel van het hof dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven geeft mijns inziens blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is in ieder geval onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van de door de Hoge Raad geformuleerde regels voor een dringende reden die slechts ten dele in rechte komt vast te staan.

2.8 Ik ben van mening dat het bestreden oordeel niet in stand kan blijven. De zaak dient te verwezen, omdat in hoger beroep de in eerste instantie afgewezen matiging van de loonvordering onderwerp was van de grieven (laatste grief). M.i. vraagt een dergelijke grief een beoordeling van de gestelde feiten.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het vonnis van de rechtbank d.d. 11 juli 2000, rov. 2 en het tussenarrest van 6 februari 2004, rov. 1.

2 De periode waar de loonvordering betrekking op heeft is derhalve beperkt: van 15 juni 1999 tot 1 december 2000.

3 Art. 402 Rv: het bestreden eindarrest dateert van 21 januari 2005 en de cassatiedagvaarding is op 21 april 2005 uitgebracht.

4 CvD, nr. 6, blz. 3 en 4.

5 CvD, nr. 16, blz. 9.

6 CvD, nr. 18, blz. 10.

7 Uit het proefschrift van S.W. Kuip, Ontslagrecht met bijzondere aandacht voor de dringende reden, blz. 98-99 (1993) blijkt dat in 1988 door de Hoge Raad geformuleerde regels op een arrest van de Hoge Raad uit 1917 teruggaan.