Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX9214

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
02330/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX9214
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het hof heeft de verwerping van het verweer dat het bewijs m.b.t. feit 3 onrechtmatig is verkregen niet toereikend gemotiveerd, nu het het verweer dat betrekking heeft op dat feit heeft verworpen o.g.v. omstandigheden die betrekking hebben op de aanhouding van verdachte t.z.v. het op een andere datum gepleegde feit 2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 605
RvdW 2006, 955
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02330/05

Mr Machielse

Zitting 20 juni 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 5 april 2005 voor schuldheling, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een taakstraf van 20 uur.

2. Mr. K.E. Wielenga, advocaat te Joure, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het bewijs onrechtmatig zou zijn verkregen omdat op het moment dat verbalisanten ingrepen er onvoldoende verdenking jegens verdachte bestond.

3.1. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"De raadsman van de verdachte voert ter verdediging het volgende aan - zakelijk weergegeven -:

Met betrekking tot feit 3 vraag ik me af of er wel een voldoende mate van verdenking tegen [verdachte] is. De verbalisanten zien [verdachte] aan komen fietsen en zeggen dan dat [verdachte] hun ambtshalve bekend is als een dealer. Waar halen de verbalisanten dat vandaan, vraag ik mij af. Dat blijkt nergens uit het strafdossier. Er is geen aanleiding voor aanhouding van [verdachte] op grond van de Opiumwet. De fiets is een verboden vrucht van de onterechte aanhouding.

(...)

De advocaat-generaal repliceert als volgt - zakelijk weergegeven -:

Gezien de hele context waarin feit 3 zich heeft afgespeeld, is er naar mijn oordeel geen sprake van een onterechte aanhouding van de verdachte terzake van dat feit.

De raadsman van de verdachte voert ter verdediging het volgende aan - zakelijk weergegeven -:

Wat bedoelt de advocaat-generaal met "context" ? Een en ander speelde zich af bij een busstation. Uit het dossier blijkt niet dat dit een plek is waar in de regel gedeald wordt. Er blijkt ook niet van aanwijzingen voor contact tussen [verdachte] en [betrokkene 1]."

Het arrest van het hof bevat een nadere bewijsoverweging met de volgende inhoud:

"De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte niet kan worden veroordeeld ter zake van feit 3, aangezien er sprake is van een onvoldoende gerechtvaardigde verdenking om verdachte aan te houden op grond van de Opiumwet. Hiertoe is aangevoerd dat er voor de verbalisant die de verdachte heeft aangehouden geen omstandigheden kunnen zijn geweest op basis waarvan hij kon vermoeden dat de verdachte een dealer is.

Verdachte bevond zich blijkens het proces-verbaal op een locatie waar regelmatig drugs worden verhandeld. Hij sprak daar twee personen aan die de verbalisant kende als gebruikers van hard drugs. Voorts zag de verbalisant dat uit de jaszak van verdachte diverse bankbiljetten uitstaken en dat verdachte probeerde te vluchten op het moment dat de verbalisant hem aan de kleding wilde onderzoeken.

Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de aanhouding van de verdachte rechtmatig is geweest en dat hetgeen de verbalisanten nadien als bewijsmiddelen hebben verkregen kan dienen tot het bewijs van feit 3.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman."

Feit 3 betreft een schuldheling van een fiets merk Union, kleur blauw, in de periode van 19 mei 2003 tot en met 6 juni 2003 te Drachten. Blijkens bewijsmiddel 6 was dat de fiets waarop verdachte op 6 juni 2003 reed.

Het cassatiemiddel voert aan dat de overweging van het hof betrekking heeft op feit 2 en niet op feit 3 en dat daarom de motivering van de verwerping van het gevoerde verweer onbegrijpelijk is.

3.2. Het middel lijkt mij terecht voorgesteld. Hetgeen het hof heeft overwogen heeft betrekking op de gebeurtenissen op woensdag 7 mei 2003, zoals die kunnen blijken uit het procesverbaal dat is opgemaakt onder meer door W. Siebenga, hoofdagent van politie Friesland. Siebenga was overigens ook betrokken bij de aanhouding van verdachte op 6 juni 2003 en was dus op de hoogte van hetgeen zich op 7 mei 2003 heeft afgespeeld en van de inhoud van de verklaring van drugsgebruiker [betrokkene 3] over verdachte (blz. 37 politiepv). Maar het hof heeft over de omstandigheden waaronder verdachte op 6 juni 2003 is aangehouden niets vastgesteld en heeft het verweer verworpen met een beroep op gegevens die op feit 2 betrekking hebben.

4. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat het bestreden arrest wordt vernietigd voorzover het betreft de beslissingen over feit 3 en de straftoemeting en dat de zaak wordt teruggewezen naar het Gerechtshof te Leeuwarden om in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden