Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX8841

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
C05/202HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX8841
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Geschil over de vraag of op de bestuurder/feitelijk beleidsbepaler van een rechtspersoon de verplichting – ook in persoonlijke hoedanigheid – rust erop toe te zien dat gelden die aan de rechtspersoon zijn verstrekt maar die bestemd zijn voor een ander niet voor andere doeleinden worden aangewend dan beheer voor c.q. doorbetaling aan die ander alsmede dat voor voldoening aan deze verplichting (steeds) voldoende middelen beschikbaar zijn (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-10-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 587
RvdW 2006, 934
JWB 2006/320

Conclusie

Zaaknr. C05/202HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 16 juni 2006

Conclusie inzake

[Eiseres]

eiseres tot cassatie

tegen

[Verweerder]

verweerder in cassatie

Feiten en procesverloop

1) In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan (zie rov. 3 van het bestreden arrest en rov. 2 van het vonnis van de eerste aanleg van 11 augustus 2004):

- de eiseres tot cassatie, [eiseres], handelt in juweliers- en aanverwante artikelen.

- [eiseres] had met de Stichting Juweliers Belangen (hierna: "SJB") een overeenkomst gesloten krachtens welke de bij SJB aangesloten detaillisten (hierna: "SJB-deelnemers") aankopen konden doen bij [eiseres]. SJB incasseerde de voor de aankopen verschuldigde bedragen van de SJB-deelnemers door middel van een incassomachtiging.

- de verweerder in cassatie, [verweerder], is de enige bestuurder en de feitelijke beleidsbepaler van SJB.

- Art. VI van de tussen [eiseres] en SJB gesloten overeenkomst bepaalt, voor zover van belang:

"(...)

11. Ten aanzien van door leverancier conform artikel 7 aan SJB-deelnemer geleverde en gefactureerde producten, welke zonder reclame of protest door de SJB-deelnemer zijn aanvaard en waaromtrent ook anderszins geen geschillen bestaan tussen leverancier en SJB-deelnemer, verplicht SJB zich jegens leverancier mede naast betreffende SJB-deelnemer tot betaling van de betreffende facturen, onverminderd de aansprakelijkheid van de betreffende SJB-deelnemer jegens leverancier.

12. SJB verplicht zich jegens de leverancier het totaal factuurbedrag van de SJB-deelnemers zoals blijkt uit de in artikel 9 vermelde borderel onder aftrek van de op de betalingstermijn van toepassing zijnde betalingskorting, te betalen binnen 15 dagen na datum van ontvangst van betreffende borderel aan een door leverancier aan te geven rekening.

(...)"

- In de periode oktober 1999 tot en met april 2003 heeft [eiseres] aan SJB-deelnemers horloges en/of aanverwante artikelen verkocht en geleverd.

- SJB heeft een aantal leveranties van [eiseres] aan SJB-deelnemers onbetaald gelaten.

2) [Eiseres] heeft vervolgens ten laste van SJB en haar bestuurder [verweerder] gevorderd

- een verklaring voor recht dat [verweerder] jegens [eiseres] aansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige daad; en

- een (hoofdelijke) veroordeling tot betaling van € 14.585,14 met nevenvorderingen als gebruikelijk.

SJB en [verweerder] hebben verweer gevoerd.

3) De rechtbank heeft bij eindvonnis van 11 augustus 2004 SJB veroordeeld tot betaling van € 16.327,97 met rente en kosten. De vorderingen jegens [verweerder] heeft zij afgewezen.

4) [Eiseres] heeft, voor zover het de afwijzing van de vorderingen jegens [verweerder] betreft, hoger beroep ingesteld; maar het hof heeft (na verweer van de kant van [verweerder]) het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

5) [Eiseres] heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep laten instellen. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen. De zaak is voor [eiseres] schriftelijk toegelicht door haar advocaat.

Bespreking van het middel

6) De klachten in cassatie, die nauw aansluiten bij wat in de feitelijke instanties namens [eiseres] was aangevoerd, concentreren zich op één thema, dat ik aldus samenvat, dat op de bestuurder/beleidsbepaler van een rechtspersoon de verplichting - ook in persoonlijke hoedanigheid - zou rusten om erop toe te zien dat gelden die aan de rechtspersoon zijn verstrekt maar die bestemd zijn voor een ander, niet voor andere doeleinden worden aangewend dan beheer voor c.q. doorbetaling aan die ander; én om erop toe te zien dat er voor de voldoening aan de desbetreffende verplichting (steeds) voldoende middelen beschikbaar zijn.

7) Om tenminste twee redenen lijkt mij, dat deze centrale stellingen die aan het betoog namens [eiseres] ten grondslag liggen, ondeugdelijk zijn.

De eerste van die redenen bestaat erin, dat in de rechtspraak van de Hoge Raad is aanvaard dat er géén onderscheid mag worden gemaakt tussen de vermogensbestanddelen die tot het vermogen van een bepaalde debiteur behoren, al naar gelang daaraan een bepaalde "bestemming" is toegekend, en dat alle tot het vermogen behorende vermogensbestanddelen gelijkelijk strekken tot verhaal voor de vorderingen van alle crediteuren(1). Dat blijkt bijvoorbeeld uit HR 13 juni 2003, NJ 2004, 196 m.nt. WMK, rov. 3.3.1 - 3.3.4. In die zaak was aan de orde de vraag, in hoeverre de op een afgezonderde rekening voor een bepaalde cliënt door een incassobureau geboekte bedragen als afgezonderd verhaalsobject voor de desbetreffende cliënt/crediteur konden worden aangemerkt (oftewel: in hoeverre de daarvoor gevormde rekening als "kwaliteitsrekening" in de zin van HR 3 februari 1984, NJ 1984, 752 m.nt. WMK (het arrest betreffende notaris Slis-Stroom) mocht worden aangemerkt(2)). De Hoge Raad oordeelde dat terughoudendheid geboden is bij de aanvaarding van uitzonderingen op het beginsel dat onder de aanduiding "paritas creditorum" bekend staat; en dat in het destijds te beoordelen geval geen uitzondering mocht worden aangenomen.

8) De stellingen van [eiseres] strekken er, in wezen, toe dat hoezeer er, blijkens de hier aangehaalde rechtsleer, binnen het vermogen van een rechtspersoon géén onderscheid mag worden gemaakt naar gelang van de voor bepaalde middelen aangewezen bestemming, als het erom gaat of die middelen voor verhaal voor (alle) crediteuren in aanmerking komen, er desondanks op het bestuur van de rechtspersoon wél een verplichting zou rusten om met de aan bepaalde middelen gegeven bestemming rekening te houden en ervoor te waken dat zulke middelen niet anders worden aangewend dan met de daarvoor gekozen bestemming zou stroken, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid wegens onrechtmatig handelen, als met de bedoelde verplichting in strijd zou worden gehandeld.

Dit nu lijkt mij (in hoge mate) onaannemelijk. Het aanvaarden van een ten laste van het bestuur van een rechtspersoon bestaande rechtsplicht die niet spoort met - of beter: die aanzienlijk afwijkt van - de regels die voor de rechtspersoon zelf terzake van de bestemming van de onderdelen van haar vermogen gelden, lijkt mij logisch onhoudbaar; nog daargelaten de zeer aanzienlijke, ook praktische, problemen en bezwaren die het aannemen van een dergelijke rechtsplicht zou opleveren.

9) Ik noem als slechts één van die problemen of bezwaren dat, wanneer men wél een grond voor aansprakelijkheid van de bestuurder in persoonlijke hoedanigheid zou aanvaarden in het feit dat deze heeft verzuimd om gevolg te geven aan de omstandigheid dat bepaalde middelen in de door hem bestuurde rechtspersoon voor een bepaalde bestemming "geoormerkt" zijn, dat er "de facto" waarschijnlijk toe zal leiden dat verstandige bestuurders zich genoodzaakt zien om, met voorbijgaan aan de regels die voor de rechtspersoon zelf gelden en misschien ook met voorbijgaan aan wat op dat moment het meest in het belang van de rechtspersoon en de daarbij betrokkenen is, voorrang te geven aan die crediteuren die zich op het "geoormerkt zijn" van bepaalde middelen van de rechtspersoon kunnen beroepen - met als gevolg een soort "de facto" privilege, in strijd met wat overigens zowel uit de regels betreffende voorrang en (goederenrechtelijke) zekerheid als uit de regels betreffende de door bestuurders bij hun taak in acht te nemen belangen, voortvloeit.

10) De tweede, en volgens mij de eerste versterkende, reden bestaat hierin dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad, althans zoals ik die begrijp, een enigszins terughoudende benadering kan worden afgeleid als het gaat om het aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders of feitelijke beleidsbepalers van rechtspersonen, voor wat die personen in hun doen en laten als bestuurder/feitelijk beleidsbepaler hebben bewerkstelligd. Ik vat dit aldus samen, dat aan dergelijke personen een niet al te nauw bemeten ruimte toekomt om, ook waar het risico bestaat dat de desbetreffende handeling ("stilzitten" daaronder begrepen) "verkeerd zal uitpakken", ervoor te kiezen het risico daarvan (per saldo: voor rekening van de crediteuren van de rechtspersoon) voor lief te nemen; en dat pas waar het (blijven) nemen van risico als onverantwoord moet worden aangemerkt (én de bestuurder/beleidsbepaler in kwestie dat ook behoorde te begrijpen), aansprakelijkheid in persoonlijke hoedanigheid mag worden aangenomen(3).

11) De twee redenen versterken elkaar, omdat ik uit de eerste afleid dat er in het algemeen voor de rechtspersoon geen verplichting bestaat om bij de voldoening van crediteuren met het "oormerken" van vermogensbestanddelen binnen het beschikbare vermogen rekening te houden - en het, zoals ik al aanstipte, dan weinig aannemelijk is dat er andere verplichtingen zouden bestaan waar het het bestuur van de rechtspersoon betreft; terwijl de tweede reden ertoe strekt dat ook voorzover er wél verplichtingen in hoofde van een rechtspersoon bestaan, het maar bij uitzondering zo is dat de niet-nakoming van die verplichtingen ook kan leiden tot aansprakelijkheid van de daarbij betrokken bestuurder(s). Daarvoor moet een min of meer ernstige "(inschattings)fout" van de aansprakelijk gehouden bestuurder(s) aan te wijzen zijn, en is dus (zeker) niet voldoende het enkele feit dat de gang van zaken binnen de rechtspersoon per saldo negatieve resultaten heeft opgeleverd of dat de rechtspersoon op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Beide regels tezamen leveren op dat er voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder - en dan terwijl die bij de rechtspersoon zelf niet zou mogen worden aangenomen - maar bij zéér hoge uitzondering sprake kan zijn.

12) Bij het zojuist besprokene misken ik natuurlijk niet dat het gedrag waarover [eiseres] zich beklaagt bij aanwezigheid van nadere, kwalificerende omstandigheden - die echter in deze zaak niet (voldoende concreet) aan de orde waren gesteld - onrechtmatig kan zijn. Dat de bestuurder aan de gedupeerde crediteur mededelingen of toezeggingen heeft gedaan (of anderszins zich zodanig heeft opgesteld dat bepaaldelijk onjuiste indrukken werden opgeroepen), die de crediteur hebben overgehaald om risico's te aanvaarden die hij anders misschien zou hebben vermeden, kan zo'n omstandigheid zijn. Maar als gezegd: ik zie niet dat namens [eiseres] een beroep op "bijkomende omstandigheden" als deze was gedaan. In de middelen wordt daar ook geen beroep op gedaan (en wordt dus ook niet aangegeven, waar in de processtukken desbetreffende stellingen te vinden zouden zijn).

13) Ik besteed even afzonderlijk aandacht aan de namens [eiseres] benadrukte verplichting om ervoor te zorgen dat de rechtspersoon over voldoende "dekking" beschikt om aan verplichtingen ten opzichte van crediteuren als [eiseres] te voldoen (in ander verband spreekt [eiseres] over het wekken van een indruk van kredietwaardigheid, waarmee volgens mij op een vergelijkbare plicht wordt gedoeld).

Ik zou menen dat er in een rechtsverhouding als de onderhavige geen bijzondere verplichtingen in dit opzicht kunnen worden aangenomen - niet aan de kant van de betrokken rechtspersoon, en in het verlengde daarvan ook niet in de persoon van de bestuurder(s) van die rechtspersoon. Aan het "overlaten" van de incasso van zijn vorderingen aan een ander is, naar zijn aard, een zeker verhaalsrisico inherent. Niet alleen is immers de vraag of de zaken van die ander zo (voorspoedig) lopen dat deze in staat blijft om zijn kosten uit de lopende inkomsten te dekken (en spreekt het ook niet vanzelf dat er verder vermogen is om eventuele tegenvallers op te vangen) - maar het is ook onzeker of de incasso's succesvol zullen zijn. Waar, zoals in deze zaak, de incasso-instantie garant is gaan staan voor de betaling van de te incasseren vorderingen, schuilt ook hierin een betekenisvol risico dat de betrokkene niet in staat zal blijken om de aangegane (garantie-)verplichtingen te honoreren.

14) Men kan natuurlijk proberen om aan zulke risico's het hoofd te bieden door het bedingen van zekerheden; maar in dit geval is er - behoudens de door SJB verleende garantie van betaling, die dus eerder tot het risico van onverhaalbaarheid bij SJB zelf bijdroeg dan dat "af te wenden" - niets van dien aard gebeurd. Dan gaat het niet aan om de verwezenlijking van het risico dat men heeft genomen door zich in deze relatie te begeven, "af te wentelen" op de bestuurder(s) van de wederpartij, op de grondslag dat het aan deze(n) was om er speciale zorg aan te besteden dat die risico's zich niet zouden verwezenlijken, en dat het (dus) aan deze(n) verweten mag worden dat dat toch is gebeurd. Voor een dergelijke "Umwertung der Werten" zie ik geen aannemelijke grond.

15) Gegeven dat de premisse waarop de meeste klachten van het middel berusten volgens mij niet deugdelijk is, denk ik dat ik aan de individuele klachten van het middel maar betrekkelijk kort aandacht hoef te besteden. Ik loop die klachten niettemin "punt voor punt" na:

Middel I

a) In de onderdelen 1-3 van het middel lees ik geen concrete klacht (in onderdeel 3 wel de algemene klacht dat het hof aan de "ernstige verwijten" ten laste van [verweerder] onvoldoende recht heeft doen wedervaren - maar een zo algemeen verwoorde klacht leent zich, in het licht van art. 407 lid 2 Rv., niet voor beoordeling in cassatie).

b) De onderdelen 4, 5, 6, 7, 8 en 10, maar ook Middel IV, lijken mij alle - slechts - gebaseerd op de rechtsopvatting die ik hiervóór als onjuist heb bestempeld (namelijk de opvatting dat een bestuurder van een rechtspersoon als regel op een met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid strijdige wijze handelt, wanneer die bij de voldoening van crediteuren van de door hem bestuurde rechtspersoon verzuimt voorrang te geven aan crediteuren die bepaalde vermogensbestanddelen van de rechtspersoon als (speciaal) voor hen "bestemd" mochten aanmerken, etc.).

c) Onderdeel 9 betoogt onder a) dat het door het middel verdedigde althans zo zou zijn wanneer de rechtspersoon-debiteur de rol van incasso-tussenpersoon en tevens die van borg zou hebben vervuld; maar ik zie niet in waarom de (volgens mij zeer klemmende(4)) redenen die zich tegen het aannemen van de door het middel verdedigde regels van "pseudo-voorrang" verzetten, in deze omstandigheden niet evenzeer zouden moeten worden aanvaard (en dus tot verwerping van de stellingen van het middel moeten leiden).

Onderdeel 9 onder b) doet een beroep op een reeks omstandigheden die, op de keper beschouwd, niets toevoegen aan de uitgangspunten waar de centrale klachten van het middel op berusten: het gaat telkens om gegevens die al in de eerder betrokken uitgangspunten besloten liggen, of die daar althans geen nader gewicht aan verlenen. Al daarom valt het hof niet te verwijten dat het aan die gegevens - in feite niet meer dan herhalingen of herformuleringen van de gegevens waarop de primaire klachten van de kant van [eiseres] berusten - in zijn beoordeling niet afzonderlijk aandacht heeft besteed.

d) Onderdeel 11 klaagt dat het hof de eerder genoemde gegevens als vaststaand had moeten aanmerken. Die klacht faalt al daarom, omdat de genoemde gegevens de klachten van [eiseres] niet (kunnen) ondersteunen. Overigens meen ik dat het hof die gegevens, voorzover voor zijn oordeel relevant, inderdaad (veronderstellenderwijs) als vaststaand heeft aangemerkt.

Onderdeel 12 heeft, naar ik meen, geen zelfstandige betekenis; daarin wordt slechts de strekking van de eerdere klachten nader toegelicht, zonder dat daar iets aan wordt toegevoegd.

Middelen II t/m VI

16) Middel II klaagt over de uitleg die het hof aan de overeenkomst tussen [eiseres] en SJB heeft gegeven. Uit die overeenkomst zouden niet de betalingsverplichtingen voortvloeien die het hof aannemelijk heeft geacht.

De uitleg van overeenkomsten berust voor een overwegend deel op feitelijke waarderingen, en kan in zoverre in cassatie niet worden getoetst(5). De uitleg die het hof aan de onderhavige overeenkomst heeft gegeven lijkt mij in het geheel niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij aan dat het hof, anders dan het middelonderdeel veronderstelt, niet heeft geoordeeld dat de afnemers ingevolge de overeenkomst geen betalingsverplichting ten opzichte van [eiseres] hadden (of dat het geval was deed trouwens voor het geschil van partijen niet terzake); maar dat het hof alleen heeft willen releveren dat de incassovolmacht tot een de facto betalingsverplichting van de afnemer ten opzichte van SJB leidde (terwijl SJB dan weer aan [eiseres] moest (door)betalen).

17) Middel III klaagt dat de jaarstukken van SJB niet bepalend mogen zijn voor de vraag tot wiens vermogen bepaalde gelden behoren. Die klacht gaat (al daarom) niet op omdat het hof niet heeft geoordeeld dát uit de jaarstukken zou blijken tot wiens vermogen gelden behoorden. Het hof heeft slechts geoordeeld dat een vermelding in de jaarstukken die [eiseres] als argument ter ondersteuning van haar standpunt had aangevoerd, niet tot die ondersteuning bijdroeg.

De klacht bevat ook nog de stelling dat het feit dat gelden verbintenisrechtelijk als aan [eiseres] toekomend zouden moeten worden aangemerkt, "deswege" betekent dat [eiseres] ook goederenrechtelijk aanspraak op die gelden kon maken. Dat die stelling goede grond mist behoeft, denk ik, geen verdere toelichting(6).

Middel IV heb ik in alinea 15 onder b) hiervóór al behandeld.

18) Middel V klaagt dat over het hoofd zou zijn gezien dat namens [eiseres] zou zijn betwist dat SJB de tot haar beschikking staande gelden "voor andere legitieme doeleinden" heeft aangewend.

[Eiseres] heeft inderdaad in alinea 6.6 van de Memorie van Grieven in algemene bewoordingen betwist dat SJB de gelden die tot haar beschikking stonden voor andere verplichtingen had aangewend. Dat is echter, zoals al aangestipt, gebeurd in de meest algemene bewoordingen, en dus zonder enige concrete onderbouwing (in die vorm bijvoorbeeld, dat er iets naders over enige andere vorm van aanwending van de relevante middelen werd aangevoerd). Aan zo'n stelling, huiselijk te kwalificeren als een "slag in de lucht", mag de rechter voorbijgaan omdat die onvoldoende specifiek en doelgericht is.

19) Bovendien gaat dit middel er van uit dat het aan [verweerder] was om te stellen en (bij deugdelijke tegenspraak) te bewijzen dat SJB haar middelen wel legitiem had aangewend. Dat lijkt mij echter niet juist. [eiseres] baseerde in deze zaak aanspraken ten laste van [verweerder] à titre personnel, op de stelling dat [verweerder] er, op verwijtbare wijze, de hand in had gehad dat SJB onzorgvuldig met de belangen van [eiseres] was omgesprongen. In dat kader lijkt het mij ook aan [eiseres] om (concreet) te stellen en waar nodig aannemelijk te maken dat er (via de band van [verweerder]) betalingen hadden plaatsgehad die niet met de zorgvuldigheid te rijmen waren; en dat niet [verweerder] het risico droeg van aannemelijk maken dat er in dat opzicht geen onzorgvuldig gedrag had plaatsgehad. Ook om die reden was er voor het hof geen aanleiding om nader op dit betoog van de kant van [eiseres] in te gaan.

20) Middel VI bevat twee klachten.

De eerste klacht komt er op neer dat aan de hand van de overgelegde jaarstukken de door het hof gemaakte gevolgtrekking dat SJB tot eind 2001 kennelijk in staat was haar betalingsverplichtingen na te komen, niet verantwoord zou zijn. Daartoe voert het middel aan dat de jaarstukken voor het jaar 2000 al een aanzienlijk negatief vermogen lieten zien.

Ik beoordeel deze klacht als ongegrond. Het enkele feit dat er per einde 2000 een negatief vermogen was noopt niet tot de conclusie dat men omstreeks die tijd niet aan zijn verplichtingen kon voldoen (waarbij in aanmerking valt te nemen dat het negatieve vermogen in vergelijking met de aanzienlijke omzetten die in het desbetreffende jaar gerealiseerd werden, vrij bescheiden is. Dat kan de indruk versterken dat er, ondanks het negatieve vermogen, geen liquiditeitsprobleem was). Het feit dat er over het volgende jaar een dusdanig positief resultaat werd geboekt dat het negatieve vermogen voor het overgrote deel was "weggewerkt"(7) kan er (nader) toe bijdragen dat men aanneemt dat over de hele desbetreffende periode wèl aan de betalingsverplichtingen kon worden voldaan. Dat feitelijke oordeel kan overigens in cassatie niet worden getoetst.

21) De tweede klacht beroept zich dan op het feit dat (nagenoeg) alle onbetaalde facturen van [eiseres] dateren van juli 2002 of daarna. Daaruit zou het hof hebben moeten afleiden dat er toen zodanige betalingsmoeilijkheden waren, dat [verweerder] te lang - bedoeld is kennelijk: langer dan met het oog op de te vergen zorgvuldigheid verantwoord was - is doorgegaan met het laten ontstaan van afdrachtverplichtingen ten opzichte van [eiseres].

Ook die klacht lijkt mij ongegrond. Daarbij wijs ik er in de eerste plaats op dat [eiseres] haar klachten tegen [verweerder] in uitgesproken mate had gericht op een ander thema, namelijk: op het hiervoor al onderzochte thema dat het (de bestuurder van een rechtspersoon) verboden zou zijn om voor een bepaalde crediteur "bestemde" gelden aan te wenden voor niet met de bestemming strokende betalingen. Voor die klacht is het hier bedoelde gegeven (de data van de onbetaald gebleven facturen) zonder betekenis.

22) Daarnaast geldt dat het thans naar voren gehaalde thema - [verweerder] zou onverantwoord lang zijn doorgegaan, en een onverantwoorde schijn van kredietwaardigheid hebben voorgewend - in de feitelijke instanties nauwelijks is uitgewerkt, en dan ook vrijwel niet met concrete stellingen is onderbouwd(8) (terwijl de wél aangevoerde stellingen telkens weer vooral op het eerstgenoemde thema "teruggrepen"). Bij die stand van zaken kon het hof geredelijk oordelen dat er onvoldoende was aangevoerd om de klacht van een onverantwoord lang "doordraaien" te onderbouwen - ik verwijs hier naar het in alinea 10 hiervóór besprokene; en geldt a fortiori dat de genoemde gegevens het hof niet noopten om tot de tegengestelde conclusie te komen. Daarvoor is het enkele gegeven dat een vrij bescheiden bedrag aan vorderingen (wat [eiseres] betreft ca. € 16.000, - op een jaaromzet van SJB, variërend van bijna f 9 miljoen in 1999 tot ruim f 3 miljoen in 2001(9)) onbetaald is gebleven, ten enenmale onvoldoende. Daargelaten of de feitelijke rechter op die - smalle - basis zou kúnnen concluderen dat er onverantwoord lang risico's ten laste van crediteuren zijn gebracht - daartoe verplicht is die rechter ongetwijfeld niet. En mede gezien de magere onderbouwing van dit deel van het namens [eiseres] in de feitelijke instanties gevoerde betoog, zie ik ook niet in dat het hof verplicht was, zijn oordeel op dit punt nader te motiveren.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Uiteraard: behoudens de wettelijke regels betreffende bevoorrechte vorderingen en de regels betreffende (goederenrechtelijke) zekerheid. Op zulke regels wordt echter in deze zaak geen beroep gedaan.

2 Interessante (maar voor de onderhavige zaak nauwelijks relevante) beschouwingen over de status van op een "kwaliteitsrekening" geboekte activa bij Kleyn, WPNR 6667.

3 Beschouwingen hierover zijn te vinden in de conclusie voor HR 18 oktober 2002, JOL 2002, 553, o.a. kenbaar uit "Civiele Conclusies 2002", p. 355 - 360. Ook in alinea 37 van de schriftelijke toelichting namens [eiseres] wordt aangenomen dat de norm is, (ongeveer) zoals ik die hier ook voor juist houd.

4 Ik denk dan vooral aan de in alinea's 7 t/m 10 hiervóór besproken redenen.

5 HR 17 februari 2006, RvdW 2006, 205, rov. 4.2; HR 14 oktober 2005, NJ 2006, 117, rov. 5.2;HR 4 maart 2005, C03/274, LJN AR 6176, rov. 4.3.3; HR 14 juni 2002, NJ 2002, 481, rov. 3.4; HR 6 oktober 2000, NJ 2001, 147, ; HR 31 maart 2000, NJ 2000, 357, rov. 3.3; Asser-Hartkamp 4-II, 2005, nr. 284 en Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 107 - 111.

6 Voor alle duidelijkheid wijs ik er op dat ik ervan uit ga - al is daar in de stukken niet over uitgeweid - dat de gelden waar [eiseres] op doelt zgn. "giraal" geld betroffen, dus gelden die in de vorm van een bank- of giroboeking aan SJB waren gecrediteerd. Er is in dit geding niets aangevoerd dat, in welke vorm dan ook, een goederenrechtelijke aanspraak van [eiseres] op de bank- of girosaldi van SJB had kunnen onderbouwen. (Men zou overigens geredelijk kunnen menen dat de bank- en girorekeningen van SJB - destijds kennelijk in financiële moeilijkheden - in de relevante periode gewoonlijk geen creditsaldi zullen hebben vertoond - wat de discussie over de vraag of daarop goederenrechtelijke aanspraken zouden bestaan eens temeer onwerkelijk zou maken).

7 Ik ontleen deze gegevens aan de bij Memorie van Grieven van de kant van [eiseres] overgelegde jaarstukken van SJB.

8 Ik merk in dit verband op dat niet is verduidelijkt hoe [eiseres] in dit opzicht benadeeld zou zijn: er is niet gesteld dat het debetsaldo ten gunste van [eiseres] in de relevante periode belangrijk is opgelopen. Als het zo zou zijn dat er, nadat (volgens [eiseres]) gebleken had moeten zijn dat er onvoldoende verhaal voor de vordering van [eiseres] meer beschikbaar was, nog enige tijd is doorgegaan met het "vooruitschuiven" van de problemen - maar zonder dat de onverhaalbare vordering van [eiseres] verder is opgelopen - valt niet dadelijk in te zien wat [eiseres] daarbij is ingeschoten. In elk geval is niet meteen aannemelijk dat voor het hele debetsaldo zou gelden, dat dat bij tijdige onderkenning van de problemen wel voldaan had kunnen worden, terwijl dat in een later stadium niet meer zo was.

9 Zie wederom de bij Memorie van Grieven van de kant van [eiseres] overgelegde jaarstukken van SJB.