Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX8680

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
02779/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX8680
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid verdachte in appel. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit NJ 2004, 462. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat aan verdachte door een baliemedewerker in het gerechtsgebouw onjuiste informatie is gegeven dat hij moest wachten op de brief met de uitspraak en daarna eventueel in appel kon gaan. Gelet daarop is 's hofs kennelijke oordeel dat geen sprake is van bijzondere, verdachte niet toe te rekenen omstandigheden die een overschrijding van de wettelijke beroepstermijn verontschuldigbaar doen zijn, niet zonder meer begrijpelijk. Aan het voorgaande doet niet af de omstandigheid dat een algemene, op de achterzijde van de dagvaarding opgenomen mededeling inhoudt dat een verdachte die tevoren op de hoogte is van de dag van de terechtzitting binnen 14 dagen na de einduitspraak appel moet instellen. Immers daar wordt ook aanbevolen zich tot de griffie te wenden om informatie te ontvangen over het instellen van een rechtsmiddel. Verdachte heeft, naar in cassatie moet worden aangenomen, van die mogelijkheid gebruik gemaakt en de hiervoor bedoelde specifieke informatie ontvangen. Dat die werd ontvangen van een centrale baliemedewerker maakt dit niet anders. Dit leidt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 416
JOL 2006, 607
RvdW 2006, 957

Conclusie

Nr. 02779/05

Mr. Knigge

Zitting: 13 juni 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Amsterdam van 7 januari 2004, waarbij de verdachte wegens overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A1 van bijlage I, van het RVV 1990 is veroordeeld tot een geldboete van €616,- subsidiair 12 dagen hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden.

2. Namens de verdachte hebben mrs. G.P. Hamer en B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter.

4. Blijkens de zich bij de stukken bevindende en aan de inleidende dagvaarding gehechte akte van uitreiking, is de dagvaarding om op 7 januari 2004 om 10.00 uur op de zitting van de kantonrechter te verschijnen in persoon aan verdachte uitgereikt. Bij vonnis (ex art. 395a Sv) heeft de kantonrechter verdachte bij verstek veroordeeld tot een geldboete en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden.

5. Blijkens de stukken is op 12 juni 2004 de zogenaamde kennisgeving ingang ontzegging rijbevoegdheid aan een door verdachte schriftelijk gemachtigde persoon uitgereikt (art. 180 lid 3 WVW 1994). Zoals de naam al zegt, is die kennisgeving bedoeld om de veroordeelde in kennis te stellen van de ingangsdatum van de ontzegging en van de verplichting het rijbewijs in te leveren. Twee dagen later, op 14 juni 2004, is de verdachte bij de griffie verschenen en heeft daar hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 7 januari 2004.

6. Aan de akte instellen rechtsmiddel is een voorblad gehecht ondertekend door de Officier van Justitie met het verzoek bijgaande - en tevens gehechte - stukken bij de akte te voegen. Het betreft ten eerste een brief van 15 juni 2004 van verdachte, die het volgende inhoudt:

"Hierbij wil ik aangeven dat ik verkeerde informatie gekregen heb en dat ik dus niet op tijd in hoger beroep kon gaan en daardoor een uitspraak gekregen heb waar ik het totaal niet mee eens ben.

Op 7 januari 2004 om 15.30 ben ik op het Arrondissementsparket te Amsterdam verschenen. Ik was te laat voor mijn afspraak met de kantonrechter. Bij de centrale balie heb ik toen om informatie gevraagd betreffende de uitspraak van de kantonrechter. De baliemedewerker heeft mij toen medegedeeld dat hij over het vonnis niets kon zeggen. Tevens vertelde hij me dat ik op de uitspraak moet wachten en dat ik niets meer hoef te ondernemen totdat ik de uitspraak in de brievenbus zou krijgen. Omdat ik niet wist wat ik verder moest doen, heb ik toen om een bewijs gevraagd, dat ik wel langs geweest ben. Een bewijs kon ik niet krijgen. Daarvoor in de plaats heeft hij op de envelop van mijn dagvaarding een stempel gezet met een paraaf en tijdstip. Vervolgens vroeg ik hem of ik een rijontzegging gekregen heb. Hij zei me dat ik me niet druk hoefde te maken en dat het maar een geldboete is. Ik ben toen weggegaan. Toen ik de uiteindelijke uitspraak thuis gestuurd gekregen heb, bleek het een geldboete te zijn. Een rij ontzegging kreeg ik ongeveer een week later in de brievenbus. Hierna heb ik gehoord gekregen dat ik eigenlijk in beroep had moeten gaan binnen 14 dagen na dagvaarding. Hier was ik zeer boos over geworden, omdat de baliemedewerker mij verkeerd ingelicht had. Hij vertelde me namelijk dat ik niets meer hoefde te ondernemen totdat ik de uitspraak van het vonnis thuisgestuurd zou krijgen.

Omdat ik vind dat ik de hele situatie uit kan leggen, wilde ik in hoger beroep gaan. Deze kans is mu echter ontnomen, doordat ik verkeerde informatie gekregen heb van de centrale balie medewerker. En daarom vind ik dat ik die kans weer zou moeten krijgen om toch in hoger beroep te kunnen gaan."

7. Voorts zijn - kennelijk eveneens op verzoek van de Officier van Justitie - aan de akte gehecht een kopie van een envelop met gerechtelijk schrijven met daarop een griffiestempel van 7 januari 2004 met handtekening en de handgeschreven vermelding "te 15.30" en een kopie van de aanschrijving onherroepelijk boetevonnis met als verzenddatum 4 juni 2004. Bij de stukken bevindt zich voorts een brief namens de Officier van Justitie d.d. 1 juli 2004 aan het CJIB met onder meer de volgende tekst:

"Gebleken, is, dat aan veroordeelde verkeerde informatie is gegeven omtrent het vonnis en eventueel instellen van een rechtsmiddel.

Gezien de foutieve informatie is alsnog besloten om het rechtsmiddel als schorsend te beschouwen. Ik verzoek u om e.e.a. in uw systeem aan te passen en de verdere tenuitvoerlegging voorlopig stop te zetten. Zodra het vonnis in hoger beroep bekend is, wordt u hierover bericht."

8. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte - voor zover hier relevant - als volgt verklaard:

"(..) Ik was op de hoogte van de zitting van de kantonrechter van 7 januari 2004, maar was te laat. Bij de balie is mij toen verteld dat ik moest wachten op de brief met de uitspraak en dat ik daarna eventueel in hoger beroep kon gaan. Ik heb een paraafje gekregen op de envelop van de dagvaarding, ten teken dat ik toen bij de balie ben geweest.(..)"

9. Het Hof heeft op dit verweer als volgt beslist:

"De dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van de kantonrechter in het arrondissement Amsterdam van 7 januari 2004, is de verdachte - tijdig - in persoon betekend. De verdachte is op 7 januari 2004 bij verstek veroordeeld.

Tegen dit vonnis heeft verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar pas op 14 juni 2004. Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.

Het hof ziet in de door verdachte gestelde omstandigheid dat aan hem door een baliemedewerker in het gerechtsgebouw onjuiste informatie is gegeven - wat daarvan verder ook zij -, geen reden om tot een ander oordeel te komen, reeds omdat op de achterzijde van de dagvaarding de beroepstermijn in duidelijke bewoordingen staat aangegeven."

10. Het middel stelt dat het Hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat verdachte niet-ontvankelijk moest worden verklaard in het hoger beroep.

11. Vooropgesteld dient te worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan vóór het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit.(1)

12. De rechtspraak van de Hoge Raad vertoont een duidelijke lijn als het gaat om verwachtingen die door ambtenaren van justitie worden gewekt ten aanzien van de mogelijkheden tot het instellen van een rechtsmiddel. In HR 28 januari 2005, LJN AR6618 had het Hof vastgesteld dat een griffiemedewerker telefonisch aan de raadsman had meegedeeld dat zijn schriftelijke aanhoudingsverzoek door de rechter zou worden gehonoreerd(2), met als gevolg dat noch de raadsman noch de verdachte op de zitting verscheen en het hoger beroep uiteindelijk te laat werd ingesteld omdat in werkelijkheid het verzoek niet was gehonoreerd terwijl evenmin bij de griffie was geverifieerd of het onderzoek inderdaad was aangehouden. Volgens de Hoge Raad was de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar en dus niet fataal. (3)

13. In HR 21 juni 2005, LJN AT4371 was de verdachte bij verstek tot een geldboete van vijfonderd euro veroordeeld en raakte binnen de beroepstermijn bekend met die veroordeling. Toch stelde hij pas enkele maanden later het hoger beroep in omdat een parketmedewerker hem gedurende de beroepstermijn op zijn vraag "wat hij nu moest doen" telefonisch had meegedeeld dat hij niets hoefde te doen, maar moest wachten op de brief. Het Hof overwoog dat geen omstandigheid aannemelijk was geworden op grond waarvan het Hof de verdachte in het hoger beroep toch ontvankelijk moest verklaren. Volgens de Hoge Raad was dit oordeel echter niet begrijpelijk gelet op de bedoelde mededeling van de parketmedewerker.

14. In het door de stellers van het middel aangehaalde arrest van 1 februari 2005, NJ 2005/194, r.o. 3.5.2. oordeelde de Hoge Raad dat aan het feit dat de verdachte mocht afgaan op de door de griffiemedewerker verstrekte informatie niet kan afdoen dat op de achterzijde van de dagvaarding staat vermeld dat bij bekendheid met de datum van de zitting een rechtsmiddel altijd binnen veertien dagen moet worden ingesteld. De reden dat dat de verdachte - volgens de Hoge Raad - niet zou kunnen worden tegengeworpen is dat daarop ook "wordt aanbevolen zich tot de griffie te wenden teneinde informatie te ontvangen over het instellen van een rechtsmiddel".

15. Relevante verschillen met de onderhavige zaak zie ik niet. Daarin heeft het Hof overwogen dat het "in de door verdachte gestelde omstandigheid dat aan hem door een baliemedewerker in het gerechtsgebouw onjuiste informatie is gegeven - wat daarvan verder ook zij -, geen reden ziet om tot een ander oordeel te komen, reeds omdat op de achterzijde van de dagvaarding de beroepstermijn in duidelijke bewoordingen staat aangegeven." Gelet op deze formulering heeft het Hof - in plaats van te onderzoeken of verdachtes beweringen aannemelijk waren - in het midden gelaten of er onjuiste informatie is verstrekt, zodat daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Dat maakt dat 's Hofs oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

16. Het middel slaagt.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige beslissing als de Hoge Raad op grond van art. 440 Sv gepast voorkomt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 4 mei 2004, NJ 2004, 462 en HR 21 juni 2005, LJN AT4371.

2 Zie ook HR 20 december 1994, NJ 1995/253 en HR 4 mei 2004, NJ 2004/462.

3 Vgl. ook HR 4 mei 2004, NJ 2004/462.