Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX8618

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
01525/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX8618
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ex art. 359.1 jo. art. 415 Sv dient het arrest, op straffe van nietigheid (art. 359.8 Sv) de vordering van de AG te bevatten. Het hof heeft het PR-vonnis bevestigd, m.u.v. o.m. de strafmotivering. Het zittings-pv vermeldt de inhoud van de vordering. In ’s hofs arrest staat dat het “heeft kennis genomen van de vordering van de AG”. Het arrest voldoet niet aan voormeld vereiste nu daarin niet de vordering van de AG is opgenomen. Dit behoeft niet tot cassatie te leiden. Door een kennelijke vergissing is verzuimd de vordering in het arrest op te nemen. HR leest ’s hofs arrest met verbetering van die misslag, zodat aan het middel de feitelijke grondslag komt te ontvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 592
NJ 2006, 551
RvdW 2006, 938

Conclusie

Nr. 01525/05

Mr. Knigge

Zitting: 13 juni 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft in hoger beroep, behoudens de strafoplegging, bevestigd een vonnis van de Rechtbank waarbij de verdachte wegens - kort samengevat - meerdere diefstallen met braak en een poging diefstal met braak is veroordeeld. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot 192 dagen gevangenisstraf.

2. Namens verdachte heeft mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte heeft verworpen, danwel de verwerping van het verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2005 houdt - voorzover hier van belang - het volgende in:

"Dadelijk na de ondervraging van de verdachte naar personalia voert de raadsman van de verdachte het verweer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging omdat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, lid 1, van het EVRM, is overschreden. Hij voert daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

Verdachte is op 15 november 1998 in verzekering gesteld. Op 4 mei 1999 heeft verdachte beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Utrecht van 29 april 1999. De behandeling bij dit hof van 26 januari 2004 is aangehouden teneinde een nadere rapportage te laten opmaken in het kader van het SOV-traject. Gelet op de verstreken tijd en de omstandigheid dat inmiddels in de persoonlijke omstandigheden sprake is van een goede ontwikkeling, is het zinloos de vervolging voort te zetten, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal voert het woord en concludeert tot verwerping van dit verweer.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verweer wordt verworpen. Het hof is van oordeel dat de behandeling van deze zaak - in haar geheel beschouwd - niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. Echter wat betreft het daaraan te verbinden gevolg overweegt het hof dat bij afweging het belang dat de gemeenschap - ook na overschrijding van de redelijke termijn - heeft bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging, het belang van de gemeenschap in het onderhavige geval moet prevaleren. Het hof zal bij het eventueel opleggen van straf rekening houden met deze overschrijding."

5. Het Hof heeft in zijn arrest de op te leggen straf en de vordering tot tenuitvoerlegging als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan - inclusief de ad informandum gevoegde zaken - achttien woninginbraken, welke inbraken veelal in de nachtelijke uren plaatsvonden terwijl de bewoners lagen te slapen. Dit zijn ergerlijke feiten die financieel nadeel en hinder veroorzaken voor de benadeelden, terwijl bovendien de privacy van de slachtoffers ernstig is aangetast en slachtoffers zich - naar de ervaring leert - vaak nog lange tijd nadat de inbraak heeft plaatsgevonden, niet meer veilig voelen in hun eigen woning.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 13 december 2004 is verdachte vaker terzake van vergelijkbare feiten veroordeeld. Het hof is in beginsel van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde straf gerechtvaardigd is en juist is bepaald.

Echter overwegende:

- dat sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM,

- dat de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn onder de verantwoordelijkheid valt van het openbaar ministerie,

- dat gedurende de inmiddels verstreken tijd er in het leven van verdachte positieve ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, in die zin dat er een einde lijkt te zijn gekomen aan een 30-jarige verslavingsproblematiek die aanleiding was voor de gepleegde feiten, en er thans tevens een reëel toekomstperspectief aanwezig is,

ziet het hof aanleiding een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in deze zaak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tevens ziet het hof in bovengenoemde omstandigheden aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf af te wijzen."

6. De volgende data zijn voor de beoordeling van de redelijke termijn van belang. Verdachte is op 15 november 1998 in verzekering gesteld. Op 26 april 1999 heeft de Rechtbank vonnis gewezen. Op 4 mei 1999 is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De stukken zijn op 4 november 2003 bij het Gerechtshof binnengekomen. Op 26 januari 2004 is de zaak voor het eerst door het Hof ter terechtzitting behandeld. Op die datum is het onderzoek, op verzoek van de Advocaat-Generaal bij het Hof, voor onbepaalde tijd geschorst en verzocht is de zaak zes maanden later te appointeren en een nadere rapportage over het SOV-traject te doen opvragen. Op 2 februari 2005 is de zaak wederom door het Hof behandeld waarna op 16 februari 2005 door het Hof arrest is gewezen. Uit zich in het dossier bevindende informatie komt naar voren dat de reden voor de lange inzendingsduur van de stukken van de Rechtbank naar het Hof gelegen is in de omstandigheid dat er bij de Rechtbank, toen appèl werd ingesteld, geen registratie in het appèlregister heeft plaatsgevonden. Bij de Rechtbank stond de zaak dan ook geregisteerd als afgedaan.

7. Het oordeel van het Hof dat er geen grond is om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging getuigt, ook indien het tijdsverloop van viereneenhalf jaar tussen het instellen van hoger beroep en de binnenkomst van de stukken bij het Hof in aanmerking wordt genomen, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Wellicht had het Hof een en ander iets nader kunnen motiveren, maar in het licht van het ter terechtzitting gevoerde verweer, alsmede gelet op de stukken van het geding is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk.(1) In een vergelijkbaar geval qua tijdsverloop, namelijk na het instellen van cassatieberoep duurde het, als gevolg van een administratief verzuim, bijna vier jaren voordat de stukken bij de Hoge Raad werden ontvangen, oordeelde de Hoge Raad dat het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van deze termijn behoudt diende te prevaleren boven het persoonlijk belang van de verdachte en dat strafvermindering moest worden toegepast.(2) Daarbij merk ik op dat het feit waarvoor de verdachte in die zaak was veroordeeld een poging tot diefstal met geweld betrof die had geleid tot de oplegging van vijf weken gevangenisstraf. De Hoge Raad verminderde deze straf tot vijf weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Het oordeel van het Hof, dat in eerste instantie een gevangenisstraf van 36 maanden gerechtvaardigd achtte maar gelet op de overschrijding van de redelijke termijn strafvermindering toepast en een gevangenisstraf voor de duur van 192 dagen oplegt (een straf gelijk aan de reeds door de verdachte ondergane voorlopige hechtenis), is niet onbegrijpelijk te achten. Het Hof heeft met oplegging van deze straf en afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging sterk rekening gehouden met de (verbeterde) persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Bovendien heeft het Hof afgezien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte het vonnis heeft bevestigd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen nu daarin een verplichting is opgelegd tot het betalen van een in guldens uitgedrukt bedrag.

10. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank voor wat de toewijzing van de vorderingen van de benadelde partijen betreft, bevestigd. Het Hof heeft de door de Rechtbank in guldens toegewezen bedragen niet, althans niet expliciet, omgezet in guldens. Ik denk dat die omzetting strikt genomen wel had gemoeten. Het Hof - dat na 1 januari 2002 uitspraak deed - had niet slechts te onderzoeken of de Rechtbank haar werk goed had gedaan, maar diende in hoger beroep opnieuw over de vorderingen te beslissen. Dat betekent dat het Hof de vorderingen in euro's had moeten toewijzen. Ik meen evenwel dat de bevestiging van het vonnis door het Hof wel in deze zin is te verstaan en dat het arrest derhalve zo gelezen moet worden dat de beslissingen zijn bevestigd met dien verstande dat het equivalent in euros van de door de Rechtbank genoemde bedragen is toegewezen. Bij deze lezing ontvalt aan het middel de feitelijke grondslag.

11. Verdedigbaar is ook dat het middel faalt bij gebrek aan belang. Gegrondbevinding van het middel zou er - zoals de stellers van het middel zelf al aangeven - slechts toe kunnen leiden dat de Hoge Raad de fout herstelt en, opnieuw rechtdoende, alsnog het equivalent in euro's toewijst. Als de onjuiste bevestiging in stand wordt gelaten is de verdachte niet beter af. Dan namelijk zal, net als het geval is ten aanzien van voor de invoering van de euro gewezen vonnissen waartegen geen appèl is ingesteld, met betrekking tot de executie gelden dat na invoering van de euro het equivalent van het toegewezen bedrag in euro's moeten worden betaald.(3)

12. Het middel faalt.

13. Het derde middel klaagt dat het Hof ten onrechte en in strijd met artikel 359 lid 1 jo 415 Sv in het arrest de vordering van de Advocaat-Generaal niet heeft opgenomen. Dit zou moeten leiden tot nietigheid.

14. Sinds 1 januari 2005 luidt art. 359 lid 1 Sv als volgt:

"1. Het vonnis bevat het ten laste gelegde alsmede de vordering van de officier van justitie."

Lid 8 van art. 359 Sv vermeldt dat deze eis geldt op straffe van nietigheid. Uit het proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2005 blijkt met betrekking tot het standpunt van de advocaat-generaal het volgende:

"De advocaat-generaal voert het woord, leest zijn vordering voor en legt die aan het gerechtshof over. Hij vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest en dat de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen zoals in eerste aanleg gedaan, echter zonder dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd."

15. Het arrest van het Hof behelst in dit verband de volgende vermelding:

"Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal."

16. De vraag die in het middel wordt opgeworpen luidt of het Hof met laatstgenoemde vermelding aan de eis van art. 359 lid 1 Sv heeft voldaan en als dit niet het geval is, of dat verzuim dan tot vernietiging van het arrest dient te leiden.

17. Uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot aanpassing van de eisen te stellen aan de motivering van de bewezenverklaring bij een bekennende verdachte valt af te leiden dat het evenvermelde voorschrift is geformuleerd in een amendement van de kamerleden Wolfsen en Griffith over aangescherpte motiveringsplicht van de rechter. Daarbij stond tegenover de invoering van dit voorschrift en de toevoeging van een tweede volzin aan het tweede lid van art. 359 Sv, de schrapping van art. 359 lid 7 (oud) Sv. Aandacht verdient dat die schrapping werd ingeluid door een eerder amendement van de beide kamerleden waarin juist werd voorgesteld om de werking van het artikellid uit te breiden en waarbij die uitbreiding vergezeld ging van de verplichting om de vordering van de officier van justitie te vermelden. De bedoeling was dat de rechter ook zou moeten motiveren waarom naar beneden van de eis werd afgeweken en waarom (andere) dragende onderdelen van het requisitoir niet werden gevolgd.(4) Later evenwel werd gas teruggenomen en kwam het amendement te luiden zoals zojuist aangegeven. Dit mede om te voorkomen dat de motiveringsplicht tegenover het OM zwaarder zou worden dan tegenover de verdachte.

18. De kennelijke bedoeling van de wetgever - die correspondeert met de tekst van de wet - is dat, anders dan aanvankelijk werd voorgesteld, niet elke afwijking van de eis nadere motivering behoeft. In het verlengde daarvan ligt dat de vordering als zodanig nog niet een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" oplevert. Of de afwijking van de eis moet worden gemotiveerd, zal afhangen van de argumenten die in het requisitoir aan de eis ten grondslag zijn gelegd. Daarmee staat de toevoeging van een tweede volzin aan art. 359 lid 2 Sv in het teken van het contradictoire debat. Daarnaast geldt dat het vonnis steeds de vordering moet vermelden, ongeacht of daarvan wordt afgeweken of niet. De vraag is welke belangen met dat voorschrift worden gediend.

19. In de toelichting op het amendement worden aan deze verplichting weinig woorden gewijd. Nadat ingegaan is op de aanscherping van de motiveringsplicht die vervat is in de aan het tweede lid van art. 359 Sv toegevoegde volzin, wordt slechts gesteld:

"Bij deze aanscherping past dat het vonnis, waaronder tevens begrepen het verkorte vonnis, tevens blijk geeft van de vordering van de officier van justitie. In het zeer uitzonderlijke geval dat de officier van justitie zijn vordering niet overlegt, geeft het vonnis van dit feit blijk."

20. In het eerste, oorspronkelijke amendement was wel duidelijk waarom de vermelding van de vordering paste bij de aanscherping van de motiveringsplicht. Die aanscherping hield immers in dat elke afwijking van de vordering moest worden gemotiveerd. Als het vonnis de vordering vermeldt, is in één oogopslag te zien of van die vordering is afgeweken en dus of nadere motivering is vereist. Anders gezegd: de nieuwe verplichting bracht mee dat aan de hand van het vonnis zelf kon worden gecontroleerd of de aangescherpte motiveringseis was voldaan. Daarvoor was niet nodig dat in de stukken van het geding werd gespit. Minder duidelijk is evenwel waarom de verplichting om de vordering te vermelden, past bij de aangescherpte motiveringsplicht zoals die uiteindelijk in de wet is terechtgekomen. Of sprake is van een door de officier van justitie ingenomen "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" die tot nadere motivering noopt, kan immers niet uit de vermelding van de vordering blijken.

21. Het voorgaande maakt dat de vraag welke belangen met de vermelding van de vordering van de officier van justitie zijn gediend, niet eenvoudig is te beantwoorden. Als ik het goed zie zijn de volgende drie nbelangen te onderscheiden. In de eerste plaats kan de verplichting gezien worden als een nagalm van het oorspronkelijk door de kamerleden Griffith en Wolfsen ingediende amendement waarmee een sterke binding van de rechter aan de eis van het openbaar ministerie werd nagestreefd. Weliswaar hoeft niet langer elke afwijking te worden gemotiveerd, maar de verplichting om de eis te vermelden maakt de rechter wel duidelijk dat die eis in de oordeelsvorming een belangrijk gegeven dient te vormen. Zogezien vormt het voorschrift een versterking van de positie van het openbaar ministerie. In de tweede plaats kan de verplichting worden gezien als een poging om de begrijpelijkheid van de uitspraak voor derden (dat wil zeggen degenen die niet als deelnemer bij het proces betrokken waren) te vergroten. Omdat het standpunt van de officier van justitie een belangrijk gegeven is om de uitspraak te kunnen begrijpen, moet het publiek daarvan uit het vonnis zelf kennis kunnen nemen. Bij beide belangen kan men zich afvragen of niet van een zekere eenzijdigheid sprake is. Want ook het standpunt van de verdediging dient voor de rechter een belangrijk gegeven te zijn. Waarom zou dat ook niet steeds moeten worden vermeld?

22. Maar misschien dient het nieuwe voorschrift in bepaalde opzichten toch ook het verdedigingsbelang. Dat voorschrift kan namelijk in de derde plaats gezien worden als de voortzetting van de motiveringseis die in artikel 359 lid 7 (oud) Sv was neergelegd. Die motiveringseis vormde voor de verdachte een waarborg tegen zwaardere bestraffing. De MvA bij de Wet vermogenssancties, waarbij het nu vervallen zevende lid werd ingevoerd, legde met zoveel woorden verband met de verdedigingspositie van de verdachte:

"In de praktijk van het strafproces heeft de vordering van de officier van justitie de betekenis gekregen van een indicatieve aanduiding van de strafmaat waarmee de verdachte ten hoogste rekening moet houden. Daarop pleegt hij zijn strafmaatverweer te richten. Indien de rechter zwaarder straft dan uit de vordering van de officier van justitie voortvloeit, wordt dat als opzienbarend aangevoeld."(5)

23. Het belang dat de rechter zich rekenschap geeft van de eis van de officier van justitie, is in gevallen waarin de rechter ten nadele van de verdachte van die eis afwijkt, ook het belang van de verdachte. In zoverre kan verdedigd worden dat de verplichting om de eis in het vonnis te vermelden, ook dient ter bescherming van de verdedigingspositie van de verdachte.

24. Waartoe leidt dit alles? In elk geval tot de conclusie dat met de enkele vermelding in het vonnis of arrest dat van de vordering is kennis genomen, niet aan het nieuwe voorschrift is voldaan. De inhoud van de vordering zal moeten worden weergegeven. Dat kan eventueel door de verwijzing in de uitspraak naar een daaraan gehechte kopie van de overgelegde vordering. Nu het Hof dat niet heeft gedaan, is het middel terecht voorgedragen.

25. De vraag is vervolgens echter of het verzuim, mede gelet op de op het spel staande belangen, tot nietigheid dient te leiden. Meer in het bijzonder is de vraag of gezegd kan worden dat de verdachte door de niet naleving van het voorschrift in zijn belangen is geschaad.

26. Een vergelijking met de eveneens in het eerste lid van art. 359 Sv opgenomen verplichting om de inhoud van de tenlastelegging te vermelden, ligt voor de hand. Niet naleving van die verplichting leidde in elk geval in het verleden nog wel eens tot nietigheid.(6) Dat neemt niet weg dat het voorschrift in de loop van de tijd is genuanceerd en de daarop gestelde nietigheid steeds verder is gerelativeerd.(7) Tegenwoordig blijkt de Hoge Raad bereid de fout te herstellen als de inleidende dagvaarding zich bij de stukken bevindt.(8)

27. Ik teken bij deze vergaande relativering van de nietigheid aan dat het belang van de vermelding van de tenlastelegging mij groter voorkomt dan het belang dat gemoeid is met de vermelding van de vordering van de officier van justitie. De vermelding van de tenlastelegging dient tenslotte om aan de hand van het vonnis zelf te kunnen controleren of de rechter wel heeft beslist op grondslag van de tenlastelegging, en staat dus in direct verband met één van de kernvoorschriften van onze strafvordering. Daar staat misschien tegenover dat de vergaande relativering zich heeft voltrokken tegen de achtergrond van een rechtspraktijk waarin de tenlastelegging plichtsgetouw in het vonnis pleegt te worden vermeld. Het gaat bij de verzuimen om bedrijfsongevallen, om een enkele incidentele misser. Ten aanzien van de verplichting om de vordering te vermelden daarentegen is van een gevestigde praktijk nog geen sprake. Het zou kunnen zijn dat het nieuwe voorschrift een dode letter blijft als de niet-naleving ervan van meet af aan niet wordt gesanctioneerd.

28. Toch zou ik zwaarder willen laten wegen dat de verdachte in casu, nu het Hof in zijn voordeel van de eis is afgeweken, door het verzuim niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad en dat, voor zover het voorschrift het belang van de inzichtelijkheid van de uitspraak voor derden (het publiek) dient, aan dat belang kan worden tegemoet gekomen door het verzuim in cassatie te herstellen.

29. Voor alle duidelijkheid merk ik op dat de door mij gekozen benadering niet betekent dat niet-naleving van het nieuwe voorschrift nimmer tot cassatie zal kunnen leiden. Daarvoor is in tenminste twee gevallen plaats. In de eerste plaats als het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld en daarbij over het verzuim wordt geklaagd in gevallen waarin van de eis is afgeweken. In de tweede plaats als de verdachte over het verzuim klaagt in gevallen waarin in zijn nadeel van de eis is afgeweken.

30. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

31. Het eerste middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

32. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik merk daarbij op dat de in de schriftuur ontwikkelde stelling dat het aan de verdachte is te danken dat het allemaal niet nog langer heeft geduurd, in feitelijke aanleg niet is betrokken. Het Hof behoefde daarop derhalve niet in te gaan.

2 HR 7 juni 2005, LJN: AT3957.

3 Kamerstukken II 2000-2001, 27 472, nr. 3, p. 6 (Aanpassingswet euro).

4 Kamerstukken II 2003-2004, 28 484, nr. 17.

5 Kamerstukken II 1981-1982, 15 012, nr. 5, p. 26 en 27

6 Vgl. HR 18 maart 1986, NJ 1987, 65 en HR 14 februari 1989, NJ 1989, 616 m.nt. ThWvV.

7 Kortheidshalve verwijs ik naar het overzicht in de conclusie van A-G Leijten bij het laatste in de vorige noot genoemde arrest.

8 Vgl. HR 28 mei 1996, DD 96.319 en HR 9 maart 2004, NJB 2004, 64; NS 2004, 158. In het laatste arrest lijkt zelfs niet meer nodig dat blijkt dat de rechter de intentie had de tenlastegging te vermelden.