Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX7805

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-11-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
R05/126HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX7805
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden bij verdeling van de huwelijksgemeenschap over de toescheiding van een geldschuld aan de man en over de vraag of een schadevergoeding aan de man in verband met een bedrijfsongeval, als aan hem verknocht in de gemeenschap valt; verknochtheid als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW, maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 258 met annotatie van L.C.A. Verstappen
JOL 2006, 667
RFR 2006, 125
RvdW 2006, 1032
FJR 2007, 22 met annotatie van I.J. Pieters
JWB 2006/370
JPF 2007/5
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R05/126HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 2 juni 2006

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze echtscheidingsprocedure, waarin over een weer voorzieningen met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap worden verzocht, strijden de echtgenoten over de vraag of en in hoeverre een door de man tijdens het huwelijk ontvangen uitkering tot vergoeding van letselschade, alsmede een door de man vóór het huwelijk aangegane schuld in de verdeling moeten worden betrokken.

2. De partijen, hierna: de man en de vrouw, zijn op 28 april 2003 te Wateringen, gemeente Westland, met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren.

3. De vrouw heeft op 3 maart 2004 bij de Rechtbank te 's-Gravenhage een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Als nevenvoorziening heeft zij de rechtbank verzocht de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. In dit verband heeft zij de rechtbank onder meer verzocht een schuld die de man bij de Postbank is aangegaan en waarop nog Euro 10.354,38 openstaat in zijn geheel, zonder verrekening, aan de man toe te scheiden.

4. De man heeft - onder referte voor het overige - verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, met name tegen de door de vrouw verzochte toescheiding aan de man van de schuld bij de Postbank. Voorts heeft de man zelfstandig verzocht dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat een door hem tijdens het huwelijk van Nationale Nederlanden ontvangen uitkering ad Euro 15.000,- ter zake van letselschade als gevolg van een arbeidsongeval als een aan de man verknocht goed in de zin van art. 1:94 lid 3 BW buiten de gemeenschap valt.

5. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de man.

6. Bij beschikking van 3 december 2004 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 28 april 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

7. Voorts heeft de rechtbank bij genoemde beschikking het verzoek van de vrouw om de schuld bij de Postbank zonder verrekening aan de man toe te scheiden afgewezen. Het verzoek van de man inzake de uitkering van Nationale Nederlanden heeft de rechtbank evenwel toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze uitkering naar haar aard op bijzondere wijze aan de man verknocht, terwijl die bijzondere verknochtheid meebrengt dat de vergoeding bij ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling moet blijven en dus in zoverre niet in de gemeenschap valt (blz. 4, 2e alinea).

8. De vrouw is van de beschikking van de rechtbank, voorzover de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap betreffende, in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Zij richtte haar grieven tegen zowel het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de schuld bij de Postbank (grief 1) als het oordeel van de rechtbank inzake de uitkering van Nationale Nederlanden (grief 2).

9. Bij beschikking van 29 juni 2005 heeft het hof de eerste grief (betreffende de schuld bij de Postbank) verworpen (r.o. 5, eerste alinea).

10. De tweede grief (betreffende de uitkering van Nationale Nederlanden) heeft het hof evenwel gegrond geoordeeld. Daartoe overwoog het hof onder meer (r.o. 5, tweede alinea):

"Ten aanzien van de uitkering van Nationale Nederlanden is het hof van oordeel dat de man onvoldoende feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan die uitkering als aan hem verknocht zou moeten worden beschouwd. Het enkele feit dat de man voornoemde uitkering heeft verkregen op grond van een bedrijfsongeval is naar het oordeel van het hof onvoldoende om tot verknochtheid van die uitkering te concluderen. Ten overvloede weegt het hof mee dat de man in zijn verweerschrift heeft gesteld dat hij de uitkering in 2003 aan de vrouw ter hand heeft gesteld om er op te passen en om vervolgens de echtelijke woning te kunnen inrichten. De man had derhalve kennelijk de bedoeling om de uitkering in de gemeenschap te laten vloeien en derhalve mede aan de vrouw ten goede te laten komen. Dat de vrouw niet lang daarna te kennen heeft gegeven dat zij van de man wilde scheiden kan er niet toe leiden dat de uitkering dan ineens als aan de man verknocht moet worden beschouwd."

11. Het hof heeft vervolgens de bestreden beschikking van de rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, vastgesteld dat zowel de schuld bij de Postbank als de uitkering van Nationale Nederlanden in de gemeenschap valt, onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

12. De man is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel, gericht tegen het oordeel van het hof betreffende de uitkering van Nationale Nederlanden. De vrouw heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde cassatieberoep, althans het cassatieberoep te verwerpen. Voorts heeft de vrouw van haar kant voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld met twee middelen, gericht tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de schuld bij de Postbank. De man heeft een verweerschrift in cassatie tegen het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, althans dit cassatieberoep te verwerpen.

Het principaal beroep

13. Het in het principaal beroep voorgestelde middel neemt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht stelling tegen het oordeel van het hof dat de man onvoldoende feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de uitkering van Nationale Nederlanden als aan hem verknocht in de zin van art. 1:94 lid 3 BW zou moeten worden beschouwd.

14. De rechtsklacht komt erop neer dat het hof bij zijn beoordeling van de vraag of de man aan zijn stelplicht heeft voldaan, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat de enkele stelling dat de uitkering het gevolg is van een aan de man op zijn werk overkomen bedrijfsongeval ter zake waarvan hij zowel materiële als immateriële schade heeft geleden, gezien ook HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 693 nt. WMK, reeds voldoende is om de uitkering aan te kunnen merken als een aan de man verknocht goed in de zin van art. 1:94 lid 3 BW.

15. Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard.

16. Uitgangspunt is dat ingevolge de hoofdregel van art. 1:94 lid 1 BW de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat. Vgl. HR 3 januari 1986, NJ 1987, 73 nt. EAAL en HR 22 maart 1996, NJ 1996, 640 nt. WMK. Afwijking van de hoofdregel op de voet van het derde lid van art. 1:94 BW vindt slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Vgl. HR 22 maart 1996, NJ 1996, 640 nt. WMK. Daarbij geldt als vuistregel dat het antwoord op de vraag of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, afhangt van de aard van het goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. De bijzondere omstandigheden van het geval zijn beslissend. Vgl. HR 23 december 1988, NJ 1989, 700 nt. EAAL en HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 693 nt. WMK.

17. Betreft het goed een door een der echtgenoten (te) ontvangen (eenmalige of periodieke) uitkering tot vergoeding van (ook) in de toekomst - dat wil zeggen na de huwelijksontbinding door echtscheiding - te lijden letselschade, waarbij de immateriële schadevergoeding dient als compensatie voor het leed dat de betrokken echtgenoot heeft en in de toekomst zal ondergaan, en de materiële schadevergoeding strekt ter vervanging van door invaliditeit (voorgoed) wegvallende arbeidsinkomsten, alsmede ter compensatie voor in de toekomst te maken extra onkosten als gevolg van het letsel, zoals bijv. kosten van huishoudelijke hulp, dan kan dit "toekomstige schade"-element worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die meebrengt dat de uitkering in zoverre is aan te merken als een verknocht goed in de zin van het derde lid van art. 1:94 BW. Vgl. HR 23 december 1988, NJ 1989, 700 nt. EAAL en HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 693 nt. WMK. Ontbreekt het "toekomstige schade"-element, bijv. omdat niet (voldoende) is gesteld of aannemelijk geworden dat de uitkering mede strekt ter compensatie van blijvend leed en/of blijvend verlies aan verdiencapaciteit (vgl. HR 3 januari 1986, NJ 1987, 73 nt. EAAL) of omdat de uitkering naar haar aard niet strekt ter voorziening in gevolgen van invaliditeit, zoals bij een "gouden handdruk" in verband met beëindiging van een arbeidsovereenkomst (vgl. HR 22 maart 1996, NJ 1996, 640 nt. WMK), dan kan reeds daarom verknochtheid in de zin van het derde lid van art. 1:94 BW niet worden aangenomen.

18. In beginsel valt vergoeding van (materiële en immateriële) letselschade geleden tijdens het huwelijk derhalve in de huwelijksgoederengemeenschap. Betreft de vergoeding evenwel ook schade die in de toekomst, na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding, als gevolg van het letsel zal worden geleden, dan valt zij als op een bijzondere wijze aan de persoon van de gelaedeerde echtgenoot verknocht goed in zoverre niet in de gemeenschap. Vgl. W.R. Meijer, Verknochtheid in het huwelijksvermogensrecht, in: M.L.C.C. de Bruijn-Lückers e.a. (red.), EB Klassiek, 2003, blz. 23 e.v., blz. 31. Zie ook S.D. Lindenbergh, JBN 1998, blz. 2-4, en C.H. van Dijk, A&V 1998, blz. 27-29.

19. Hieruit volgt dat, anders dan het middel betoogt, de enkele stelling dat de uitkering het gevolg is van een aan de man op zijn werk overkomen bedrijfsongeval ter zake waarvan hij zowel materiële als immateriële schade heeft geleden, niet voldoende is om de uitkering te kunnen aanmerken als een aan de man verknocht goed in de zin van het derde lid van art. 1:94 BW. Nader zal moeten worden gesteld dat de immateriële schadevergoeding (mede) dient ter compensatie voor leed dat de betrokken echtgenoot in de toekomst, na de ontbinding van het huwelijk door de echtscheiding, nog zal ondergaan, en dat de materiële schadevergoeding (mede) strekt ter vervanging van door invaliditeit (voorgoed) wegvallende arbeidsinkomsten, alsmede ter compensatie voor in de toekomst te maken extra onkosten als gevolg van het opgelopen letsel. De stelplicht omvat derhalve mede dit "toekomstige schade"-element. De rechtsklacht faalt.

20. De door het middel opgeworpen motiveringsklacht keert zich tegen de overweging van het hof dat de man, door de uitkering aan de vrouw ter hand te stellen, kennelijk de bedoeling had om de uitkering in de gemeenschap te laten vloeien, zodat de omstandigheid dat de vrouw niet lang daarna te kennen heeft gegeven dat zij van de man wilde scheiden niet ertoe kan leiden dat de uitkering dan ineens als aan de man verknocht moet worden beschouwd.

21. De klacht faalt reeds wegens gebrek aan belang, aangezien de gewraakte overweging door het hof ten overvloede is gegeven.

22. De slotsom is dat het in het principaal beroep voorgestelde middel zowel in zijn rechtsklacht als in zijn motiveringsklacht tevergeefs is voorgesteld.

Het voorwaardelijk incidenteel beroep

23. Aangezien de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld niet is vervuld, behoeft dit beroep geen behandeling.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden