Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX7782

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
08-09-2006
Zaaknummer
C05/158HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX7782
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Geschil tussen gedupeerde beleggers en hun schadebemiddelaar – die op basis van een ‘no cure no pay’-overeenkomst tot verhaal van door toedoen van een bank ontstane beleggingsschade een vaststellingsovereenkomst met de bank had gesloten, die mede door hen is ondertekend – over de betaling van honorarium; vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wegens bedrog? (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-09-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 504
RvdW 2006, 800
JWB 2006/273

Conclusie

C05/158HR

Mr. D.W.F. Verkade

19 mei 2006

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1]

2. [Eiseres 2]

tegen

[Verweerster]

1. Inleiding

1.1. Eisers tot cassatie worden hierna, tenzij anders blijkt, samen aangeduid als [eiser] c.s. (meervoud). Afzonderlijk zullen zij worden aangeduid met [eiser 1] (eiser 1) en [eiseres 2] (eiseres 2). Verweerster in cassatie zal hierna worden aangeduid als S&B.

1.2. [Eiser 1] stelt door toedoen van ING beleggingsschade te hebben geleden en heeft, op basis van een 'no cure, no pay' overeenkomst, aan S&B opdracht verleend deze schade op ING te verhalen. In de uitvoering van de overeenkomst sloten S&B en ING een vaststellingsovereenkomst, die mede door [eiser] c.s. werd ondertekend.

In geschil is de betaling van het honorarium dat [eiser 1] volgens S&B aan haar dient te voldoen. In cassatie gaat het nog om de vraag of de rechter het beroep van [eiser] c.s. op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst, omdat deze door bedrog tot stand zou zijn gekomen, had dienen te honoreren.

1.3. De klachten kunnen m.i. niet tot cassatie leiden. Rechtsvragen, die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (in de zin van art. 81 RO) heb ik niet aangetroffen.

2. Feiten

2.0. In rov. 2 van het vonnis van 31 december 2003 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch de 'vaststaande feiten' vermeld als hieronder in 2.1 t/m 2.8 weergegeven. Hoewel het hof niet met zo veel woorden daarnaar verwijst, is ook het hof klaarblijkelijk daarvan uitgegaan. [Eiser 1] had twee grieven tegen de vaststelling van feiten door de rechtbank aangevoerd, maar het hof heeft deze blijkens rov. 4.4 t/m 4.4.4 van het bestreden arrest verworpen. Daarover wordt in cassatie niet geklaagd.

2.1. S&B houdt zich bezig met het (over)nemen van procesrisico's en het voeren van de regie in procesvoering waaronder begrepen het onderhandelen en vastleggen van (schikkings)overeenkomsten van beleggers in klachtzaken. S&B werkt gewoonlijk op basis van het 'no cure, no pay-beginsel'.

2.2. Op 3 april 2002 hebben S&B en [eiser 1] een voorovereenkomst gesloten, waarbij [eiser 1] aan S&B opdracht gaf onderzoek te doen in verband met geleden schade ten gevolge van de wijze waarop ING het vermogen van [eiser] c.s. had belegd c.q. hen daarbij had geadviseerd.

2.3. Dit onderzoek heeft ertoe geleid dat S&B mogelijkheden zag om voor [eiser 1] een schadevergoeding binnen te halen, waarna S&B en [eiser 1] op 10 april 2002 een overeenkomst van opdracht hebben getekend.

2.4. In deze overeenkomst zijn onder meer de navolgende bepalingen opgenomen:

'3. Opdrachtnemer is geheel vrij in de wijze waarop hij de opdracht uitvoert en is niet gehouden om aanwijzingen en/of instructies van opdrachtgever op te volgen (...)';

'4.1. Opdrachtgever is aan opdrachtnemer een honorarium verschuldigd van 25% van het in het kader van de overeenkomst van opdracht behaalde resultaat te vermeerderen met BTW, waarbij onder resultaat wordt begrepen alle door opdrachtnemer voor opdrachtgever ontvangen gelden en/of geldswaarden en/of goederen (...)'.

2.5. S&B en [eiser 1] hebben op 10 april 2002 tevens een aanvullende overeenkomst gesloten, waarbij zij zijn overeengekomen dat in afwijking van het bepaalde in boven vermeld art. 4.1, het behaalde resultaat verminderd wordt met € 90.0000. Tevens heeft S&B zich bereid verklaard zonodig het inkomen van [eiser 1] aan te vullen tot € 2.000 per maand, door middel van een lening tegen een rentetarief van 6 % per jaar, waarbij [eiser 1] aan S&B zekerheid diende te verstrekken. S&B heeft in totaal aan [eiser 1] € 5.000 geleend.

2.6. Op 7 juni 2002 hebben ING Bank NV enerzijds en S&B anderzijds een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij de materiële en immateriële schade van [eiser 1] is gefixeerd op € 1.200.000. Deze overeenkomst is dezelfde dag door [eiser] c.s. medeondertekend. Na aftrek van een vordering onder hypothecair verband van de ING op [eiser 1] van € 564.947,76, diende er ingevolge artikel 1.2 van deze overeenkomst een bedrag van € 635.052,24 te worden overgemaakt op de derdenrekening van de advocaat van [eiser 1]. Op 13 juni 2002 is dit bedrag door de ING overgemaakt op rekening [001] t.n.v. [A] BV.

2.7. Bij brief van 19 juni 2002 verzocht S&B aan [eiser] c.s. opdracht te geven aan hun advocaat om het op de derdenrekening ontvangen bedrag over te maken op haar bankrekening en tevens het geleende bedrag ad € 5.000 vermeerderd met de vervallen rente binnen vijf dagen na dagtekening over te maken op de bankrekening van Stichting Derdengelden [B]. Tevens werd [eiser] c.s. meegedeeld dat bij niet tijdige betaling in rechte nakoming gevorderd zou worden, vermeerderd met schadevergoeding dan wel boete.

2.8. Er is niets betaald aan S&B. S&B hebben op 15 juli 2002 conservatoir beslag gelegd op het woonhuis van [eiser] c.s. alsmede conservatoir derdenbeslag onder de Stichting Derdengelden [A].

Bij vonnis in kort geding van 1 oktober 2002 heeft de rechtbank te Rotterdam [eiser 1] onder meer veroordeeld [betrokkene 1] instructie te geven een bedrag groot € 277.500, vermeerderd met de verschuldigde BTW ten laste van het saldo van de derdenrekening van [A] te [plaats] te betalen aan S&B, onder de opschortende voorwaarde dat S&B zekerheid stelt tot dat bedrag. [Eiser 1] heeft aan deze veroordeling gevolg gegeven en een bedrag ad € 330.225 inclusief BTW aan S&B voldaan. Door Staal Bank NV is ten gunste van [eiser] c.s. een bankgarantie verstrekt, voor het geval in de bodemprocedure S&B wordt veroordeeld aan [eiser] c.s. dit bedrag terug te betalen.

3. Procesverloop

3.1. Bij inleidende dagvaarding van 12 juli 2002 heeft S&B [eiser] c.s. gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch. Na wijziging van eis(1) vorderde zij, samengevat, een verklaring voor recht dat de door [eiser] c.s. aan S&B gedane betaling van € 330.225 heeft te gelden als een rechtsgeldige (deel)betaling, met veroordeling van [eiser] c.s. om binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis de ten laste van S&B opgestelde bankgarantie aan haar te retourneren. Tevens vorderde zij [eiser] c.s. hoofdelijk te veroordelen te betalen, samengevat, de incassokosten over het honorarium ad € 49.533,75; de geldlening met rente ad € 5.029,43; de incassokosten over de geldlening ad € 750; alsmede de contractuele boete over twee dagen ad € 100.000, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over € 485.567,61, met veroordeling van [eiser] c.s. in de proceskosten.

3.2. [Eiser] c.s. hebben de vordering gemotiveerd bestreden. Zeer kort weergegeven hebben zij, voor zover in cassatie nog van belang, onder meer aangevoerd dat indien komt vast te staan dat een tussenvonnis van 5 juni 2002 van de rechtbank te Amsterdam vóór de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst van 7 juni 2002 bij S&B of de ING bekend was, deze overeenkomst door bedrog tot stand is gekomen. ING had al op 5 juni 2002 via haar procureur kennis gekregen van het tussenvonnis van gelijke datum. Dit verklaart de haast van ING om tot een deal te komen. [Eiser 1] kreeg eerst op 11 juni 2002 kennis van het tussenvonnis. Indien [eiser 1] bekend was geweest met het tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2002 had hij zich nooit laten dwingen de vaststellingsovereenkomst van 7 juni 2002 te tekenen. Bovendien hebben [eiser] c.s. de vaststellingsovereenkomst onder druk getekend, omdat S&B in de persoon van [betrokkene 2] dreigde met een boete van € 50.000.

3.3. [Eiser] c.s. hebben een vordering in reconventie ingesteld, waarbij zij onder meer hebben gevorderd dat S&B aan hen een bedrag van € 330.225, vermeerderd met rente dient te betalen en voorts de overeenkomst van 10 april te ontbinden, althans te vernietigen dan wel nietig te verklaren, met veroordeling van S&B in de proceskosten. Aan deze vordering hebben zij onverschuldigde betaling ten grondslag gelegd.

3.4. S&B heeft de vordering in reconventie gemotiveerd betwist.

3.5. Bij vonnis van 31 december 2003 heeft de rechtbank in conventie de vordering, voor zover gericht tegen [eiseres 2], afgewezen. De vordering jegens [eiser 1] werd toegewezen, met uitzondering van de gevorderde boete, en onder matiging van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

De rechtbank wees de vordering in reconventie af.

3.6. [Eiser] c.s. zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Zij hebben bij memorie van grieven 14 grieven, waarvan twee voorwaardelijk, geformuleerd. S&B heeft deze grieven bestreden en tevens met één grief incidenteel geappelleerd.

3.7. Na pleidooien, waarbij [eiser] c.s. tevens het incidenteel appel hebben bestreden, heeft het hof bij arrest van 1 februari 2005 [eiser] c.s. gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep, en voor zover zij wel in hun hoger beroep konden worden ontvangen, de grieven verworpen. Ook het incidenteel appel werd verworpen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.

3.8. [Eiser] c.s. zijn - tijdig(2) - in cassatieberoep gekomen. S&B is in cassatie niet verschenen. [Eiser] c.s. hebben de zaak schriftelijk doen toelichten.

4. Bespreking van de cassatiemiddelen

Middel I

4.1. Het eerste van de twee middelen richt zich tegen rov. 4.6.1, en de rov. 4.13 en 4.14 en het dictum voor zover die daarop voortbouwen. Het hof overweegt in rov. 4.6.1:

'4.6.1. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge de vaststellingsovereenkomst diende ING aan [eiser 1] en [eiseres 2] gezamenlijk een bedrag van € 635.052,24 te betalen door storting op de derdenrekening van de advocaat van [eiser 1] en [eiseres 2] (art. 1.2). [Eiser 1] stelt nu wel dat op grond van de onderlinge verhouding tussen hem en [eiseres 2] het grootste deel van dit bedrag aan [eiseres 2] behoort en dat de claim van S&B uitsluitend betrekking kan hebben op het deel van [eiser 1] zèlf, nu enkel [eiser 1] opdracht heeft gegeven aan S&B, maar deze stelling gaat niet op. Blijkens de vaststellingsovereenkomst is, zoals [eiser 1] zèlf ook aanvoert (MvG, nr. 13), het eerdergenoemde bedrag aan [eiser 1] en [eiseres 2] gezamenlijk uitgekeerd en is de verdeling van dit bedrag tussen [eiser 1] en [eiseres 2] niet in de vaststellingsovereenkomst opgenomen. Naar het oordeel van het hof staat S&B buiten deze verdeling, die immers enkel de interne relatie tussen [eiser 1] en [eiseres 2] betreft. S&B kan dan ook in beginsel, namelijk in afwachting van het oordeel ten aanzien van de overige door [eiser 1] opgeworpen grieven, aanspraak maken op het tussen [eiser 1] en haar overeengekomen percentage van het behaalde resultaat (art. 4.1 overeenkomst van opdracht). Terecht heeft de rechtbank dan ook voor recht verklaard dat de betaling door [eiser 1] van het bedrag van € 330.225,-- aan S&B rechtsgeldig is. De derde grief faalt derhalve.'

4.2. Onderdeel 1.1 bevat geen zelfstandige klacht, maar een inleiding. Onderdeel 1.2 stelt dat [eiseres 2] geen partij was bij de overeenkomst en klaagt over de begrijpelijkheid van de met dit middel bestreden rechtsoverwegingen van het hof. Het verwijst onder meer naar rov. 4.1 van het vonnis van de rechtbank, waar de rechtbank overweegt dat [eiseres 2] geen partij is bij de overeenkomst van opdracht van 10 april 2002, zodat zij geen honorarium aan S&B verschuldigd is. Het onderdeel verwijst ook naar een aantal stellingen van [eiser] c.s. waaruit, als ik het goed begrijp, blijkt hoe [eiser 1] en [eiseres 2] de investeringen in de beleggingen zouden hebben verdeeld. Aan het slot van dit onderdeel beroepen [eiser] c.s. zich nog op art. 1:116 lid 1 BW, dat zo nodig voor ambtshalve toepassing in aanmerking komt.

4.3. Bij de beoordeling van dit middel moet het volgende voorop worden gesteld.

Tussen partijen staat - in cassatie onbestreden - vast:

a. dat partijen [eiser 1] en S&B op 10 april een overeenkomst van opdracht hebben getekend, waarin is opgenomen de bepaling:

'4.1. Opdrachtgever is aan opdrachtnemer een honorarium verschuldigd van 25% van het in het kader van de overeenkomst van opdracht behaalde resultaat te vermeerderen met BTW, waarbij onder resultaat wordt begrepen alle door opdrachtnemer voor opdrachtgever ontvangen gelden en/of geldswaarden en/of goederen (...)';(3)

b. dat ING Bank NV en S&B op 7 juni 2002 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarbij de materiële en immateriële schade van [eiser 1] is gefixeerd op € 1.200.000;

c. dat deze overeenkomst is dezelfde dag door [eiser 1] - en [eiseres 2] - medeondertekend;

d. dat ingevolge artikel 1.2 van deze overeenkomst, na aftrek van een vordering onder hypothecair verband van de ING op [eiser 1] van € 564.947,76, een bedrag van € 635.052,24 diende te worden overgemaakt op de derdenrekening van de advocaat van [eiser 1] en dat dit bedrag op 13 juni 2002 aldus door de ING is overgemaakt.(4)

4.4. Uit deze feiten heeft het hof in rov. 4.6.1 klaarblijkelijk afgeleid, en zonder schending van een rechtsregel en zonder dat dit onbegrijpelijk is, ook kunnen afleiden, dat [eiser 1] ermee heeft ingestemd dat het bedrag van € 1.200.000 gold als het 'resultaat' dat 'in het kader van de overeenkomst van opdracht' door S&B was 'behaald'. Evenzo heeft het hof daaraan, met de rechtbank, het gevolg kunnen verbinden dat de betaling door [eiser 1] van het bedrag van € 330.225 aan S&B verschuldigd was (behoudens de beoordeling van verdere door het hof in rov. 4.6.1 bedoelde grieven).

4.5. Hieraan kunnen de in het middel bedoelde stellingen niet afdoen.

4.6. De klacht onder 1.3 (in verbinding met 1.2), dat het hof zou hebben miskend dat [eiser 1] met [eiseres 2] onder huwelijke voorwaarden met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen is gehuwd, en dat [eiseres 2] zelf andere schade aan de vordering tegen ING had gelegd dan [eiser 1], en zelfstandig ageerde uit onrechtmatige daad, kan hieraan niet afdoen, omdat óók onder die omstandigheden het onder 4.4 bedoelde oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, en begrijpelijk blijft.

4.7. Hetzelfde geldt voor de klacht onder 1.4 (in verbinding met 1.2), dat het hof zou hebben miskend dat het (ook) gaat om - wat de klacht noemt - het doelkarakter van de uitkering (nl. delging van de aan de zijde van [eiser 1] én [eiseres 2] opgekomen verliezen), en dat S&B dat wist of behoorde te weten. Nog steeds maakt dit 's hofs onder 4.4 bedoelde oordeel niet rechtens onjuist of onbegrijpelijk.

4.8. De klacht onder 1.5 bouwt geheel voort op de voorafgaande klachten en deelt het lot daarvan.

4.9. Onderdeel 1.6 bouwt grotendeels voort op de voorafgaande klachten en moet in zoverre het lot daarvan delen. Voor zover het - in verbinding met onderdeel 1.2 - nader klaagt dat het hof zou hebben miskend dat in de overeenkomst van opdracht alleen [eiser 1] als opdrachtgever staat vermeld, moet gelden dat ook dat gegeven er niet aan afdoet dat het hof uit de onder 4.3 vermelde feiten en omstandigheden zonder schending van een rechtsregel en zonder dat dit onbegrijpelijk is, heeft kunnen afleiden, dat [eiser 1] (niettemin) ermee heeft ingestemd dat het bedrag van € 1.200.000 gold als het 'resultaat' dat 'in het kader van de overeenkomst van opdracht' door S&B was 'behaald', en daaraan het in nr. 4.4 vermelde gevolg heeft kunnen verbinden.

4.10. Onderdeel 1.7 bouwt geheel op de voorafgaande onderdelen voort en deelt het lot daarvan.

4.11. Ik teken nog aan dat het in onderdeel 1.2 gememoreerde beroep op art. 1:116 lid 1 BW in het middel niet in een klacht resulteert en ook anderszins niet nader wordt uitgewerkt. Het middel voldoet in zoverre dus reeds niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv(5). Overigens meen ik dat ook de eventuele toepasselijkheid van art. 1:116 lid 1 BW niet in de weg staat aan 's hofs oordeel in rov. 4.6.1, waartoe ik andermaal verwijs naar 4.3 en 4.4.

Middel II

4.12. Middel II klaagt over rov. 4.9, 4.9.1, 4.9.2, en de rov. 4.13 en 4.14 en het dictum voor zover die daarop voortbouwen.

4.13. Het hof heeft in rov. 4.9 t/m 4.9.2 het volgende overwogen:

'Bedrog?

4.9. De zesde grief betreft het oordeel van de rechtbank dat de vaststellingsovereenkomst niet door bedrog is tot stand gekomen.

4.9.1. [Eiser 1] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat ING in tegenstelling tot [eiser 1] mogelijk al op 5 juni 2002 op de hoogte was van het tussenvonnis van 5 juni 2002 van de rechtbank Amsterdam, waarbij de rechtbank [eiser 1] toeliet om het rapport [betrokkene 2] in het geding te brengen.

4.9.2. Deze grief faalt. Noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep is gesteld of gebleken dat [betrokkene 2], die namens [eiser 1] met ING heeft onderhandeld, op 5 juni 2002 kennis had van eerdergenoemd tussenvonnis, zodat er van bedrog aan de zijde van S&B geen sprake kan zijn. Eventueel bedrog aan de zijde van ING kan in deze procedure, waarin ING geen partij is, niet aan de orde zijn. Daarenboven geldt nog dat waar [eiser 1] zich kennelijk bij wege van verweer in de zin van art. 3:51 lid 3 BW beroept op een vernietigingsgrond, niet is gesteld of gebleken dat aan de niet-verschenen partij (in casu ING) mededeling is gedaan van het beroep op een vernietigingsgrond.'

4.14. Onderdeel 2.1 bevat geen zelfstandige klacht, maar een inleiding.

4.15. In onderdeel 2.2 verwijzen [eiser] c.s. naar 'de stukken van het geding'. Voorts maken zij gewag van een aantal feiten en stellingen zonder de vindplaatsen van deze feiten en stellingen aan te geven. Deze klachten voldoen daarom niet aan de eisen van 407 lid 2 Rv, en falen (reeds) daarom. (Ook) overigens maken dit onderdeel en het daarop voortbouwende onderdeel 2.3 niet duidelijk dat en waarom 's hofs in deze onderdelen (kennelijk) aangevallen oordeel in rov. 4.9.2 dat '(n)och in eerste aanleg, noch in hoger beroep is gesteld of gebleken dat [betrokkene 2], die namens [eiser 1] met ING heeft onderhandeld, op 5 juni 2002 kennis had van eerdergenoemd tussenvonnis, zodat er van bedrog aan de zijde van S&B geen sprake kan zijn' in strijd met een rechtsregel of onbegrijpelijk gegeven zou zijn. Net als onderdeel 2.2 faalt dus het geheel daarop voortbouwende onderdeel 2.3.

4.16. Onderdeel 2.4 bestrijdt rov. 4.9.2 nader met de klacht dat niet de feitelijke bekendheid met het tussenvonnis bepalend is, maar de mogelijke verwachting omtrent de inhoud daarvan, die - volgens het onderdeel - ING en S&B ertoe brachten om de vaststellingsovereenkomst tot stand te brengen, terwijl met [eiser] c.s. nog geen contact had plaats gehad en [eiser] c.s. onkundig waren van de inhoud van het tussenvonnis. Volgens het onderdeel is enkel relevant het totaal van de feitelijke gedragingen zoals dat uit de gedingstukken blijkt of valt af te leiden daar waar S&B (vervolgens en/of op die basis) is gaan handelen c.q. heeft gehandeld.

Ook deze klacht kan (reeds) niet tot cassatie leiden omdat in het middel niet de vindplaatsen van de feiten en stellingen waarop [eiser] c.s. zich beroepen, zijn aangegeven, zodat de klacht niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Bovendien klaagt het onderdeel kennelijk mede over de uitleg van de stukken, welke uitleg is voorbehouden aan de feitenrechter(6). Het onderdeel werkt niet of in elk geval onvoldoende uit waar het beroep op de gedragingen waarop [eiser] c.s. het oog (zouden) hebben, in de stukken te vinden is, en waarom de uitleg die de feitenrechter aan de stukken heeft gegeven onbegrijpelijk is, en het faalt ook daarom.

Ten overvloede voeg ik hier aan toe dat niet valt in te zien dat - zoals het onderdeel vooropstelt - het tot stand brengen van een vaststellingsovereenkomst in het licht van (mogelijke) verwachtingen over de inhoud van een (tussen-)vonnis bedrog zou opleveren.(7) Als een feit van algemene bekendheid kan gelden dat verwachtingen bij elk van partijen, met ieders inschatting van goede en kwade kansen, nu juist kan bijdragen tot een klimaat waarin - juist vaak 'vlak voor' - de datum van de uitspraak schikkingen resp. vaststellingsovereenkomsten tot stand komen. Zo zijn rechters in Nederland - de Hoge Raad niet uitgezonderd - alleszins bekend met bijv. verzoeken om aanhouding van een uitspraak, met het oog op schikkingsonderhandelingen, en met de ontvangst van zulke verzoeken zéér kort voor de datum van de voorgenomen uitspraak. Net zo goed komt het voor dat partijen (kort) vóór de datum van een uitspraak de zaak schikken, zónder de rechter daarvan in kennis te stellen, omdat partijen toch wel nieuwsgierig zijn naar de uitspraak, al is onderdeel van de schikking dat partijen daaraan geen rechten zullen ontlenen.

Een beroep van een der (behoorlijk vertegenwoordigde) partijen zélf op 'bedrog', na kennisneming van de voor die partij (mogelijk) gunstiger rechterlijke uitspraak, verdraagt zich hier niet mee. Dat verdient m.i. ook niet gehonoreerd te worden, omdat dit de bijl zou zetten in de wortel van de in algemeen belang nu juist te bevorderen praktijk om zaken zo veel mogelijk (alsnog) buitengerechtelijk tot een einde te brengen.

Het onderdeel stelt niet dat [eiser] c.s. in deze niet behoorlijk vertegenwoordigd zou zijn, of dat S&B buiten de grenzen van haar volmacht zou zijn getreden.(8)

4.17. Onderdeel 2.5 klaagt dat het hof in rov. 4.9.2 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat ook het samenstel van handelingen vanuit ING en S&B met zich mee kan brengen dat sprake is van bedrog. De rechtsklacht kan niet slagen bij gebrek aan feitelijke grondslag, wegens onjuiste lezing van het arrest. Uit de met deze klacht bestreden rechtsoverweging blijkt immers niet dat het hof van oordeel is geweest dat bedrog niet zou kunnen blijken uit een samenstel van handelingen. Voor zover het onderdeel beoogt te klagen over het passeren van essentiële stellingen, faalt het ook. Het vermeldt immers niet de vindplaatsen van de stellingen en feiten waarnaar in dit onderdeel wordt verwezen, en voor zover het zich daartoe zou willen beroepen op de voorafgaande onderdelen moet het in zoverre het lot daarvan delen. Voor zover in onderdeel 2.5 nog meer klachten te lezen zijn, bouwen die geheel voort op onderdeel 2.4 en delen zij het lot daarvan.

4.18. Onderdeel 2.6 klaagt dat het hof (in rov. 4.9.2) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat het ten onrechte heeft geoordeeld dat noodzakelijk is dat blijkt dat aan de niet-verschenen partij (ING) mededeling is gedaan van het beroep op een vernietigingsgrond.

4.19. Deze klacht faalt bij gebrek aan belang, nu zij voortbouwt op de eerdere klachten van het middel die, zoals ik aangaf, niet tot cassatie kunnen leiden.

4.20. Ook onderdeel 2.7 bouwt voort op eerdere onderdelen en moet het lot daarvan delen.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 De pleitnota is tevens akte houdende wijziging eis en vermeldt op pp. 6 en 7 de eiswijziging.

2 De cassatiedagvaarding tegen het arrest van 1 februari 2005 is uitgebracht op 2 mei 2005; 1 mei 2005 was een zondag.

3 Zie hiervoor, nr. 2.4.

4 Zie voor punten b, c en d hiervoor, nr. 2.6.

5 HR 6 juni 2003, NJ 2003, 707.

6 Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie (2005), nr. 169.

7 Dat [eiser] c.s. onkundig waren van de inhoud daarvan, is in het licht van (de opzet van) dit onderdeel zinledig, want hoe konden [eiser] c.s. ingelicht worden over de inhoud van een nog niet bekend vonnis?

8 Dát het onderdeel dat niet stelt, verbaast niet in het licht van de overeenkomst van 10 april 2002, zoals die in rov. 4.1.2 door het hof - onbestreden in cassatie - is weergegeven. Ik wijs met name op art. 10 lid 1.