Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX6739

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
R05/140HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX6739
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over kinderalimentatie (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-09-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 529
RvdW 2006, 880
JWB 2006/291

Conclusie

R05/140HR

mr. Keus

Parket, 2 juni 2006

Conclusie inzake:

[De man](1)

verzoeker tot cassatie

(hierna: de man)

tegen

[De vrouw]

verweerster in cassatie

(hierna: de vrouw)

Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof, dat de man tot een maandelijkse bijdrage van € 100,- in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn dochter heeft veroordeeld, de vrouw terecht in haar hoger beroep heeft ontvangen en de draagkracht van de man, die over een inkomen op bijstandsniveau zou beschikken, correct heeft vastgesteld.

1. Feiten(2) en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten en omstandigheden worden uitgegaan.

1.2 De man en de vrouw zijn op 25 augustus 1981 gehuwd in Kénitra(3), Marokko. Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 1993 een dochter, [de dochter], geboren. Bij beschikking van de rechtbank van 2 mei 2001 is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken. De man en de vrouw hebben gezamenlijk het gezag over [de dochter] behouden. [De dochter] verblijft bij de vrouw. De echtscheidingsbeschikking voorziet niet in een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter]. Genoemde beschikking is op 14 juni 2001 ingeschreven in het register van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage.

1.3 Bij verzoekschrift van 3 juni 2004, ingekomen op 4 juni 2004, heeft de vrouw de rechtbank 's-Gravenhage verzocht de man te veroordelen tot betaling van een maandelijks bedrag van € 150,- aan kinderalimentatie, met ingang van 3 juni 2004 (de datum van dagtekening van het verzoekschrift). De man heeft als verweer gevoerd dat hij niet in staat is enige bijdrage te voldoen, aangezien hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering op minimumniveau ontvangt.

De rechtbank oordeelde bij beschikking van 25 januari 2005 dat de draagkracht van de man ten tijde van haar beschikking ("de huidige draagkracht"), voor het opleggen van een bijdrage geen ruimte laat.

1.4 De vrouw heeft van de beschikking van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De man heeft opnieuw verweer gevoerd.

Het hof 's-Gravenhage heeft in zijn beschikking van 27 juli 2005 ten aanzien van de man het volgende vastgesteld:

"De vader is geboren op [geboortedatum] 1957 en is opnieuw gehuwd. Zijn inkomen uit WAO-uitkering bedraagt, volgens de uitkeringsspecificatie van 3 januari 2005 € 943,53 netto per maand, exclusief vakantietoeslag. Hij is ziekenfondsverzekerde. Zijn echtgenote ontvangt per maand een bedrag van € 158,- netto ter zake de voorlopige teruggave inkomstenbelasting.

De vader heeft de volgende maandlasten:

- € 362,- huur, waarbij de vader een huursubsidie geniet van € 171,- per maand;

- € 103,- premie aanvullende ziekenfondsverzekering voor hem en zijn echtgenote."

Het hof oordeelde als volgt:

"5. [...] Hoewel de vader heeft gesteld dat hij geen draagkracht heeft, is ter zitting gebleken dat hij in staat is geweest een geldlening af te sluiten - van naar eigen zegge € 1.200,- - ter bekostiging van een reis naar Marokko. Het hof is van oordeel dat nu de vader kennelijk financiële ruimte had om een geldlening van die grootte af te sluiten, waarvoor hij naar schatting maandelijks zo'n € 100,- afloste en gelet op de wettelijke zorgplicht van de vader alsmede gelet op de hoge prioriteit van kinderalimentatie, hij in staat moet worden geacht in ieder geval een bijdrage van € 100,- per maand voor [de dochter] te betalen.

6. Ten aanzien van de ingangsdatum overweegt het hof als volgt. De moeder heeft haar verzoekschrift ingediend op 4 juni 2004. Vanaf die datum heeft de vader er rekening mee kunnen houden dat hij kinderalimentatie verschuldigd zou zijn. Derhalve zal het hof de kinderalimentatie bepalen per datum indiening verzoekschrift."

1.5 Op 26 oktober 2005 is, tijdig en regelmatig, een op die datum gedagtekend verzoekschrift tot cassatie van de man ingekomen. Op 15 november 2005 is een op 11 november 2005 gedagtekend verweerschrift van de vrouw ingekomen(4).

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 De man voert ter bestrijding van de beschikking van het hof een viertal cassatiemiddelen aan. Middel I betoogt dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het door de man gevoerde verweer dat de vrouw in haar appel niet-ontvankelijk diende te worden verklaard. De vrouw had immers, zo heeft de man gesteld, geen grieven tegen het oordeel van de rechtbank aangevoerd. Alvorens te komen tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil, had het hof op dit verweer van de man moeten ingaan.

De man is van mening dat de Hoge Raad zelf op dit ontvankelijkheidsverweer kan beslissen en de vrouw alsnog niet-ontvankelijk in haar appel dient te verklaren.

2.2 Het hof is inderdaad niet expliciet ingegaan op het door de man opgeworpen ontvankelijkheidsverweer (dat inhield dat "(u)it het beroepschrift van de vrouw (...) niet (is) op te maken dat de vrouw enige (gemotiveerde) grief tegen de beschikking van de Rechtbank d.d. 25 januari 2004 heeft ontwikkeld"; zie het verweerschrift in hoger beroep onder 1), maar heeft in zijn beschikking, na een weergave in rov. 3 van de stellingen van de vrouw in hoger beroep, bij de weergave van het verweer van de man in rov. 4 (en daarbij overigens nauw aansluitend bij de formulering van het verweerschrift in hoger beroep onder 2(5)) slechts vermeld: "De vader stelt dat, zo de moeder al een grief heeft geformuleerd, zij deze in het geheel niet heeft onderbouwd of gemotiveerd."

2.3 Als uitgangspunt kan dienen dat ook in alimentatiezaken, waarin het grievenstelsel overigens niet in volle gestrengheid geldt(6), in het verzoekschrift waarbij het hoger beroep wordt ingesteld de gronden moeten worden vermeld waarop het hoger beroep berust(7). Daarbij is het overigens niet noodzakelijk dat die gronden uitdrukkelijk als grieven worden aangemerkt; niet slechts in alimentatiezaken, maar meer in het algemeen (en ook in dagvaardingsprocedures) kunnen alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, als "grieven" gelden(8). Of uit het beroepschrift van de vrouw blijkt op welke gronden zij meent dat de beschikking van de rechtbank onjuist is en moet worden vernietigd, hangt af van de uitleg van dat beroepschrift. Te dien aanzien geldt dat de uitleg van gedingstukken aan de feitenrechter is voorbehouden(9). In cassatie kan deze uitleg niet op juistheid, maar slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.

Het hof, dat tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep is overgegaan, heeft het beroepschrift van de vrouw kennelijk aldus opgevat dat daaruit voldoende blijkt op welke gronden de vrouw meent dat de beschikking van de rechtbank onjuist is en moet worden vernietigd. Ik acht die uitleg, die impliceert dat het door de man opgeworpen ontvankelijkheidsverweer niet opgaat, niet onbegrijpelijk. Het beroepschrift is (onder het opschrift "GRIEF 1") immers specifiek gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de draagkracht van de man en vraagt daarvan een herbeoordeling. Een en ander wordt in het beroepschrift gemotiveerd ("Immers;") met een beroep op de inkomensgegevens van de man en zijn nieuwe partner, op door de man overgelegde stukken met betrekking tot zijn vaste lasten (waarbij de vrouw heeft aangetekend dat de aflossing van een schuld aan de Postbank terecht door de rechtbank buiten beschouwing is gelaten), op een mondelinge toezegging van de man vrijwillig een bijdrage ten behoeve van [de dochter] te zullen betalen (welke toezegging hij niet is nagekomen) en op de prioriteit die het betalen van kinderalimentatie zou moeten hebben(10).

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Bij die stand van zaken kan er uiteraard evenmin sprake van zijn dat, zoals door het middel bepleit, de Hoge Raad zelf de niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep vaststelt, nog daargelaten dat ook het feitelijke karakter van de voor dat ontvankelijkheidsoordeel noodzakelijke uitleg van het appelrekest daaraan in beginsel in de weg staat.

2.4 De middelen II-IV zijn subsidiair voorgesteld. Middel II klaagt dat het recht is geschonden dan wel vormen zijn verzuimd, doordat het hof ten onrechte heeft bepaald dat de man ingaande 4 juni 2004 aan de vrouw kinderalimentatie ad € 100,- per maand dient te betalen. Blijkens de toelichting op het middel strekt dit ertoe het geschil in volle omvang aan de Hoge Raad voor te leggen. Het hof had, alle relevante feiten en omstandigheden kennende en vastgesteld hebbende, niet tot de thans bestreden beschikking kunnen en mogen komen.

2.5 Het middel miskent dat de toetsing in cassatie slechts van beperkte omvang kan zijn. De Hoge Raad heeft zich op grond van art. (429 lid 2 jo.) 419 Rv te beperken tot de middelen waarop het beroep steunt, treedt niet in een beoordeling van de feiten en kan het geschil aldus niet in volle omvang toetsen(11).

Voor zover in het middel een algemene (rechts- of) motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof moet worden gelezen, meen ik dat deze klacht vanwege een onvoldoende bepaaldheid niet voldoet aan de eisen die art. 426a lid 2 Rv aan een cassatiemiddel stelt(12).

2.6 Middel III stelt dat het hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd heeft beslist dat de man "in staat moet worden geacht in ieder geval een bijdrage van € 100,- per maand voor [de dochter] te betalen" (rov. 5, slot). De man wijst hier op de zowel in eerste aanleg als in hoger beroep door hem betrokken stelling dat het totale inkomen van zijn gezin een inkomen op bijstandsniveau is, welke stelling de vrouw niet heeft betwist.

De klacht onder a) gaat ervan uit dat het bestreden oordeel van het hof aldus moet worden opgevat dat de man een alimentatie van € 100,- per maand voor zijn kind kan betalen, nu hij dat bedrag kennelijk ook kan missen als maandelijkse afbetaling van een in 2004 aangegane lening (ter bekostiging van een reis naar Marokko). Volgens het onderdeel lost de man geen € 100,- per maand, maar ongeveer € 50,- per maand af. Voorts is de redenering van het hof volgens het onderdeel gezocht c.q. gewrongen, nu zij erop zou neerkomen dat van de man wordt verlangd geld te lenen om alimentatie te betalen.

2.7 Dat het bestreden oordeel zou impliceren dat de man geld zou moeten lenen om alimentatie te betalen, kan ik niet volgen. Het hof heeft niet verlangd dat de man geld leent om aan de onderhoudsverplichting jegens zijn dochter te voldoen(13). Het hof heeft niet méér verlangd dan dat de man de financiële ruimte die hij blijkens de door hem op zich genomen financiële lasten in verband met de financiering van zijn reis naar Marokko heeft, in verband met het prioritaire karakter van zijn alimentatieplicht voor alimentatiebetalingen ten behoeve van zijn dochter aanwendt.

Het hof heeft de lasten in verband met de bedoelde financiering op € 100,- per maand geschat. Voor zover het onderdeel de juistheid van dit bedrag ter discussie stelt met een beroep op het feit dat de man in verband met die financiering in werkelijkheid slechts ongeveer € 50,- per maand zou betalen (zie cassatierekest p. 3, tweede tekstblok, 2e-4e volzin: "Deze redenering van het Hof is om te beginnen feitelijk onjuist. De man lost geen EUR 100 per maand af, maar omstreeks EUR 50. Hij heeft nimmer gesteld dat hij EUR 100 per maand aflost."), ziet het eraan voorbij dat in cassatie voor een toetsing van de feitelijke juistheid van het bestreden oordeel geen plaats is.

Het onderdeel verwijst niet naar reeds in de feitelijke instanties betrokken stellingen in het licht waarvan onbegrijpelijk zou zijn dat het hof de voor de man aan de bedoelde lening verbonden lasten op € 100,- per maand heeft geschat. Waar de man zich niet reeds in de feitelijke instanties op het standpunt heeft gesteld dat de bedoelde lasten ongeveer € 50,- per maand bedragen, vormt de thans beweerde omvang van die lasten overigens een ontoelaatbaar novum in cassatie.

Ten slotte klaagt het onderdeel niet dat het hof, door de omvang van de bedoelde lasten bij wijze van schatting te bepalen zonder partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten, een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen. Of van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing sprake is(14), laat ik verder dan ook onbesproken.

De klacht onder a) kan niet tot cassatie leiden.

2.8 De klacht onder b) neemt als uitgangspunt dat het hof - in strijd met de wet - heeft geoordeeld dat van de man mag worden verwacht dat hij van een inkomen op bijstandsniveau alimentatie betaalt. Voorts geeft dit oordeel, nog steeds volgens het onderdeel, blijk van strijd met de zogenaamde Tremanormen. Het hof had niet mogen treden in de keuzevrijheid van de man ten aanzien van de besteding van zijn inkomen op bijstandsniveau. Na (impliciet) te hebben geoordeeld dat de draagkrachtruimte van de man € 100,- bedraagt, had het bovendien geen alimentatieverplichting van € 100,- mogen opleggen. De Tremanormen schrijven ten aanzien van een alimentatieplichtige met een gezin voor dat slechts 50% van de draagkrachtruimte voor alimentatie behoeft te worden aangewend.

2.9 Bij de bespreking van deze klachten stel ik voorop dat het vaste rechtspraak is dat de zogenaamde Tremanormen géén recht in de zin van art. 79 Wet RO vormen(15). De rechter is ook overigens niet aan deze normen gebonden (16).

2.10 Mede gelet op de verwijzing naar de Tremanormen strekt het onderdeel kennelijk in de eerste plaats ten betoge dat een inkomen dat de bijstandsnorm (waarmee in het Rapport alimentatienormen wordt bedoeld het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als bijstandsuitkering zou ontvangen(17)) niet overstijgt, géén draagkracht zoals vereist door de wet (art. 1:397 lid 1 BW) kan opleveren.

Alhoewel aan de man kan worden toegegeven dat de inkomensgegevens waarop de bestreden beschikking berust, niet wijzen op een inkomen dat de bijstandsnorm en daarmee een draagkrachtloos inkomen, een en ander in de zin van de Tremanormen, (ver) overstijgt(18), kan de door het onderdeel voorgestane regel dat een dergelijk inkomen de door de wet verlangde draagkracht voor een door de rechter vast te stellen onderhoudsverplichting niet (lees: nooit) kan opleveren, in zijn algemeenheid niet worden aanvaard. Wat de wettelijke eis van een voldoende draagkracht beoogt zeker te stellen, is dat aan de onderhoudsplichtige voldoende middelen worden gelaten om te voorzien in het eigen levensonderhoud en het te zijnen laste komende levensonderhoud van anderen. Dat de Tremanormen de aldus aan de onderhoudsplichtige te laten middelen ten behoeve van een eenvoudig te hanteren rekenmodel (mede) aan de hand van de bijstandsnorm kwantificeren, sluit echter geenszins uit dat ook een inkomen op bijstandsniveau in individuele gevallen ruimte laat voor een ten laste daarvan vast te stellen alimentatieverplichting(19). Kennelijk heeft het hof een zodanig geval aanwezig geacht. Zonder de draagkracht overeenkomstig de Tremanormen te hebben berekend, heeft het hof immers geconstateerd dat de man over zodanige middelen beschikt dat hij (kennelijk zonder dat dit ten koste gaat van het eigen levensonderhoud en het te zijnen laste komende levensonderhoud van anderen) in staat is de financiële lasten te dragen die aan de financiering van zijn reis naar Marokko zijn verbonden en heeft het geoordeeld dat hij althans in zoverre (in de termen van het Rapport alimentatienormen (Tremarapport):) over "draagkrachtruimte" voor vaststelling van een (prioritaire) onderhoudsverplichting beschikt. Aldus oordelende heeft het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven.

2.11 Dat, anders dan het onderdeel suggereert, het inkomen van de alimentatieplichtige tot de voor hem geldende bijstandsnorm niet onaantastbaar is, vindt intussen ook steun in de rechtspraak van de Hoge Raad over fictieve draagkrachtberekeningen in verband met aan de alimentatieplichtige verwijtbare inkomensverminderingen. Blijkens die rechtspraak kan het wel degelijk toelaatbaar zijn dat als gevolg van een veroordeling tot het doen van uitkeringen tot levensonderhoud het totale inkomen van de onderhoudsplichtige tot beneden het niveau van de op hem toepasselijke bijstandsnorm zakt(20).

Overigens noopt die rechtspraak wel tot enige voorzichtigheid. De Hoge Raad stelt immers (althans met betrekking tot niet voor herstel vatbare inkomensverminderingen(21)) als benedengrens dat een dergelijke veroordeling van de alimentatieplichtige "in geen geval tot het resultaat (mag leiden) dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm"; gaat het om bedragen waarbij een dergelijk resultaat dreigt, dan zal, nog steeds volgens de Hoge Raad, "een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de onderhoudsplichtige niet achterwege mogen blijven"(22). Kennelijk was het hof van oordeel dat zich hier niet het geval voordeed dat het totale inkomen van de man als gevolg van de opgelegde onderhoudsplicht het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm zou onderschrijden. Nog daargelaten dat het onderdeel daarover niet klaagt, acht ik dit oordeel op zichzelf niet onbegrijpelijk, nu de aan de man opgelegde alimentatie (€ 100,- per maand) minder dan 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm(23) bedraagt. Daarbij wil ik echter niet verhullen dat het hof, dat naast een schatting van de financieringslasten van de man en de daarmee corresponderende draagkracht géén verdere berekeningen heeft uitgevoerd, het punt waarop volgens de rechtspraak van de Hoge Raad een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de onderhoudsplichtige niet achterwege mag blijven, naar mijn mening wel vervaarlijk dicht is genaderd.

2.12 Het onderdeel klaagt in de tweede plaats, dat, als al sprake zou zijn van een draagkrachtruimte van € 100,- per maand, deze draagkrachtruimte volgens de Tremanormen niet in haar geheel, maar slechts voor 50% (het hier toepasselijke "draagkrachtpercentage") voor de verlangde onderhoudsbijdrage dient te worden aangewend.

Ook deze klacht kan niet tot cassatie leiden. In cassatie kan niet worden geklaagd dat de Tremanormen, die de rechter vrijlaten daarvan in individuele gevallen af te wijken, niet of niet goed zijn toegepast. Overigens heeft het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip draagkracht blijk gegeven, door te oordelen dat de financiële ruimte waarover de man blijkens de door hem aanvaarde lasten in verband met de financiering van zijn reis naar Marokko beschikt, zonodig in haar geheel voor de (prioritaire) onderhoudsverplichting jegens [de dochter] dient te worden aangewend.

2.13 Middel IV klaagt erover dat het hof de ingangsdatum voor de kinderalimentatie heeft bepaald op 4 juni 2004, zonder daarvoor een einddatum vast te stellen. Kennelijk, zo voert de man aan, is het hof ervan uitgegaan dat de man jaarlijks een reis naar Marokko maakt, daarvoor ieder jaar geld leent en iedere maand € 100,- aflost c.q. reserveert, en aldus in staat kan worden geacht maandelijks de opgelegde € 100,- te betalen. Er was evenwel slechts sprake van één reis naar Marokko, in 2004. Het middel besluit dat het hof, nu het zijn oordeel geheel heeft gebaseerd op een reis van de man naar Marokko, ten onrechte heeft nagelaten vast te stellen of de man ieder jaar die reis maakt, en, zo dit niet het geval zou zijn, hij in het bijzonder over het jaar dat hij niet naar Marokko reist, over voldoende draagkrachtruimte voor alimentatie beschikt. Het oordeel van het hof is volgens het middel in zoverre onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.

2.14 De veronderstelling van het middel dat het hof ervan is uitgegaan dat de man jaarlijks een reis naar Marokko maakt, daarvoor ieder jaar geld leent en iedere maand € 100,- aflost c.q. reserveert, en dat het hof hem daarom in staat heeft geacht maandelijks een alimentatie van € 100,- te betalen, is in mijn ogen niet juist(24). Het hof heeft het opleggen van de kinderalimentatie niet gebaseerd op de frequentie van de reizen van de man naar Marokko, maar op het gegeven dat de man kennelijk voldoende financiële ruimte had om de lasten, verbonden aan een lening van, naar opgave van de man, € 1.200,-, te kunnen dragen, kennelijk zonder dat dit ten laste ging van het eigen levensonderhoud en het te zijnen laste komende levensonderhoud van anderen (zijn nieuwe partner). Tegen deze achtergrond was nader onderzoek naar de frequentie van de reizen van de man naar Marokko in verband met zijn jaarlijkse draagkrachtruimte niet noodzakelijk, waarbij nog kan worden aangetekend dat in de benadering van het hof het feit dat de man gedurende enig jaar niet naar Marokko reist, de voor vaststelling van alimentatie beschikbare ruimte eerder positief dan negatief zal beïnvloeden.

Overigens lag het mijns inziens in de sfeer van de man om jaarlijkse wisselingen in zijn draagkracht aan te geven(25), terwijl (ook) in geval van zulke wisselingen voor de man uiteraard altijd de mogelijkheid openstaat een wijziging of beëindiging van zijn betalingsverplichting te verzoeken.

Ook het vierde middel kan niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 In het cassatieverzoekschrift en -verweerschrift wordt de man aangeduid als "[de man]"; uit de beschikkingen in de feitelijke instanties, de akte van inschrijving van de rechterlijke uitspraak tot echtscheiding en brieven van onder meer de Belastingdienst en het UWV blijkt dat zijn naam "[de man]" luidt.

2 Zie de beschikking van de rechtbank van 25 januari 2005 (onder "beoordeling", eerste tekstblok) en die van het hof van 27 juli 2005 (onder "vaststaande feiten").

3 De uitspraak van de rechtbank vermeldt "Kentira", maar uit de akte van inschrijving van de rechterlijke uitspraak tot echtscheiding, die bij het verzoekschrift van de vrouw in eerste aanleg is gevoegd, leid ik af dat het "Kénitra" moet zijn.

4 Het door de vrouw overgelegde procesdossier bevat (ogenschijnlijk) slechts het verzoekschrift en het verweerschrift in cassatie. De stukken uit de eerdere instanties zijn echter als producties bij het verweerschrift gevoegd. Het dossier van de vrouw bevat overigens een brief van de procureur van de vrouw aan de rechtbank van 19 oktober 2004, die niet tevens in het dossier van de man is opgenomen. Deze brief dient als begeleidend schrijven bij overlegging van een afschrift van de geboorteakte van [de dochter].

5 Het verweerschrift in hoger beroep onder 2 luidt letterlijk: "2. Als het Hof al zou oordelen dat de vrouw een grief heeft ontwikkeld, is die grief geheel niet onderbouwd of gemotiveerd."

6 Vgl. HR 26 april 1991, NJ 1992, 407, m.nt. JMBV; zie ook de noot van W.D.H. Asser onder 3 bij HR 10 oktober 2003, NJ 2005, 104.

7 HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 2; zie ook de conclusie van A-G Wesseling-van Gent onder 2.3 voor HR 10 oktober 2003, NJ 2005, 104, m.nt. DA.

8 HR 9 september 1994, NJ 1995, 6.

9 Zie bijv. Asser-Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (2005), nr. 169; W.D.H. Asser, Civiele Cassatie (2003), nr. 4.7.3.4.

10 Zie in het algemeen over de uitleg van grieven en vereisten die aan grieven worden gesteld Snijders-Wendels, Civiel appel (2003), nr. 167-169.

11 Zie hierover in algemene zin Asser-Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (2005), hoofdstuk IV, § 3; W.D.H. Asser, Civiele Cassatie (2003), hoofdstuk 4.

12 Vgl. A.E.B. ter Heide, Middelmaat: aan een cassatiemiddel te stellen eisen, in TvCR, 2001, nr. 4, p. 77-83; W.D.H. Asser, Civiele Cassatie (2003), nr. 6.5.1; Asser-Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (2005), nr. 143.

13 Aan de man kan worden toegegeven dat een dergelijk oordeel in het algemeen te ver zou gaan. Naar in HR 25 mei 1962, NJ 1962, 266, ligt besloten, wordt de draagkracht van de onderhoudsplichtige niet mede bepaald door de mogelijkheid schulden te maken, zij het dat, naar de Hoge Raad overwoog, "er echter omstandigheden kunnen zijn waaronder in redelijkheid niet valt aan te nemen dat de onderhoudsplichtige die op grond van een hem gegeven mogelijkheid als bovenvermeld, hoewel zonder vermogen, de beschikking heeft over middelen doordat hij geld kan lenen en die daarvan gebruik maakt om zelf een bepaalde levensstaat te voeren, er zich op zou mogen beroepen dat hij (...) uit deze middelen niets kan afstaan ten behoeve van hen jegens wie hij krachtens de wet tot onderhoud verplicht is."

14 Voor de beantwoording van deze vraag zou HR 2 februari 1996, NJ 1996, 569, rov. 3.2, slot, van belang kunnen zijn.

15 Zie bijv. HR 1 november 1991, NJ 1992, 30, rov. 3.1; HR 23 januari 1998, NJ 1998, 365, rov. 3.3; mijn conclusie onder 2.7 voor HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283, m.nt. SW. Zie ook K. Teuben, Rechtersregelingen als 'recht' in de zin van art. 79 Wet RO (2001), p. 63; A. Heida, Alimentatie, de wettelijke onderhoudsplicht (1997), p. 66.

16 Zie bijv. HR 1 december 1995, NJ 1996, 272, rov. 3.3; de conclusie van A-G Fokkens onder 11 voor HR 1 november 1991, NJ 1992, 30.

17 Zie het (op dit punt in zijn editie van 2006 niet van die van 2004 afwijkende) Rapport alimentatienormen (Tremarapport) onder 4.3. De relevante documenten zijn gepubliceerd op de website van de Rechtspraak en de Hoge Raad (www.rechtspraak.nl) en die van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (www.nvvr.org).

18 De bijstandsnorm, die tezamen met andere relevante lasten het zogenaamde draagkrachtloze inkomen (het deel van het inkomen dat geen draagkracht oplevert) vormt, bedroeg voor gehuwden ten tijde van de bestreden beschikking € 1.154,-, inclusief vakantiegeld (zie Bijlage 2005 (tweede helft) bij het Rapport alimentatienormen (Tremarapport) 2004). Volgens het model voor de nettomethode, behorende bij het Rapport alimenatienormen (Tremarapport) 2006, bedraagt die bijstandsnorm voor de eerste helft van 2006 € 1.201,-. De relevante documenten zijn gepubliceerd op de website van de Rechtspraak en de Hoge Raad (www.rechtspraak.nl) en die van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (www.nvvr.org).

19 Dat het, ook in de benadering van het Rapport alimentatienormen (Tremarapport), niet is uitgesloten dat alimentatieverplichtingen ten laste van het zogenaamde draagkrachtloze inkomen worden gebracht, blijkt mede uit de opmerking onder 4.3, dat alle onderhoudsverplichtingen in beginsel ten laste moeten worden gebracht van de draagkracht, maar dat het partijen natuurlijk vrijstaat een deel van de bestaande onderhoudsverplichtingen (zoals de bijdrage voor een (studerend) kind van 21 jaar of ouder) niet ten laste van de draagkracht maar ten laste van het draagkrachtloze inkomen te brengen, waardoor er meer ruimte overblijft voor de andere onderhoudsgerechtigde(n).

20 Zie HR 23 januari 1998, NJ 1998, 707, m.nt. JdB, alsmede HR 10 september 1999, NJ 2000, 82. In de laatste zaak was aan de orde dat het hof, mede in verband met een korting van 20% op de door de onderhoudsplichtige ontvangen bijstandsuitkering gedurende 12 maanden, ondanks de summiere motivering van zijn uitspraak, volgens de Hoge Raad niet nader behoefde te motiveren waarom de onderhoudsplichtige, nadat hem een bijstandsuitkering was toegekend, onvoldoende draagkracht voor de gevraagde bijdragen had. Blijkens HR 23 november 2001, NJ 2002, 280, m.nt. JdB, rov. 3.4.2, gelden de regels van de beschikking van 23 januari 1998 (ook die met betrekking tot de benedengrens van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm) overigens niet in het geval van een voor herstel vatbare inkomensvermindering.

21 Blijkens de in voetnoot 20 genoemde beschikking van 23 november 2001 geldt, zoals gezegd, de benedengrens van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm niet in het geval van een voor herstel vatbare inkomensvermindering.

22 Zie voor beide citaten rov. 3.3 van de beschikking van 23 januari 1998. Het eerste van beide citaten komt nagenoeg ongewijzigd ook voor in rov. 3.3 van de beschikking van 10 september 1999.

23 Zie voetnoot 18.

24 De stukken zouden aan een dergelijke veronderstelling overigens wel enige steun bieden. Blijkens het gestelde op p. 2 van het proces-verbaal van de zitting bij het hof heeft de man verklaard dat hij zes weken per jaar naar Marokko gaat en dat hij niet begrijpt waarom hij niet op vakantie zou kunnen. Na een schorsing van de behandeling heeft mr. Biemond deze verklaring slechts in zoverre gecorrigeerd dat de man "dit jaar (2005; LK) niet met vakantie (gaat), daar heeft hij geen geld voor" (zie eveneens p. 2 van het proces-verbaal).

25 Vgl. HR 2 februari 1996, NJ 1996, 569, rov. 3.2, waarin is bepaald dat het aan de alimentatieplichtige is om de rechter te overtuigen dat hij niet voldoende draagkracht heeft. De rechter was, de overgelegde gegevens onvoldoende duidelijk oordelend, niet gehouden de man ter zake nader te ondervragen of in de gelegenheid te stellen aanvullende gegevens te verstrekken.