Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX5765

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
01901/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX5765
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Veroordeling journalist t.z.v. smaad. Verdachte heeft als journalist een artikel geschreven naar aanleiding van de commotie in NL over de vrijlating in Turkije van een van de veroordeelden in de Alanya-zaak. A.g.v. die commotie werd een bezoek van Prins Willem-Alexander aan Turkije afgelast. Het artikel luidt “Nederland moet de hand in eigen boezem steken – Met opportunisme kom je geen stap verder”. Dat artikel heeft verdachte in de NL taal in het in NL verschijnende tijdschrift Dünya geplaatst en tevens ter publicatie toegezonden aan diverse Nederlandse dagbladen. Daarin waarschuwt hij met verwijzing naar de Alanya-zaak voor de gevaren die NL meisjes in een vreemde omgeving lopen a.g.v. tijdens hun vakanties betoond uitdagend gedrag. In dat verband bezigt hij de bewoordingen als bewezenverklaard. De namen van de slachtoffers worden niet genoemd, maar zij zijn door de verwijzing naar de Alanya-zaak te identificeren. Het hof heeft de beperking van verdachtes recht op vrije meningsuiting in het kader van de persvrijheid in het belang van de bescherming van de goede naam en de rechten van anderen noodzakelijk heeft geoordeeld. Daartoe heeft het hof een afweging gemaakt tussen enerzijds het belang van de slachtoffers niet in hun eer of goede naam te worden aangetast en anderzijds het belang van verdachte om als journalist de bewezenverklaarde uitlatingen als onderdeel van het door verdachte bedoelde publieke debat te kunnen doen. Het hof heeft het in dat verband kennelijk van doorslaggevend belang geacht dat verdachte als journalist op geruchten over slachtoffers van zeer ernstige misdrijven is afgegaan en die geruchten als feiten heeft gepresenteerd.’s Hofs oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat verdachte ter terechtzitting in appel heeft verklaard dat hij de desbetreffende geruchten niet heeft geverifieerd, de door de Turkse rechter vastgestelde feiten pas na de publicatie heeft gelezen en heeft toegegeven een verkeerd beeld te hebben gegeven en gelet op de onmiskenbaar grievende aard van de uitlatingen. Bij e.e.a. neemt de HR in aanmerking dat de opgelegde straf niet van dien aard is dat deze de beperking van de vrijheid van meningsuiting disproportioneel maakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 407
JOL 2006, 641
NJ 2007, 25
RvdW 2006, 1004
Silvis annotatie in VA 2008/3

Conclusie

Nr. 01901/05

Mr Machielse

Zitting 23 mei 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 13 juni 2005 voor 1. Smaadschrift, meermalen gepleegd en 2. Smaadschrift ten aanzien van een overledene, veroordeeld tot een geldboete van € 500,-. Het hof heeft tevens de vordering van de benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest aangegeven.

2. Mr. M.R. Jobsis, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van het door verdachte gedane beroep op artikel 10 EVRM.

Bewezenverklaard is dat

(1) "hij omstreeks 15 juni 2002 tot en met 21 juni 2002 te Amsterdam, door middel van een geschrift opzettelijk de eer en goede naam van personen, genaamd [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], heeft aangerand door telastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door opzettelijk in een door hem, verdachte, geschreven artikel met als titel "Nederland moet de hand in eigen boezem steken" en dat is gepubliceerd in het weekblad Dünya, jaargang 5, uitgave week 24,15 juni 2002/21 juni 2002, onder meer te vermelden:

"er zijn ook verhalen die de ronde doen over de gebeurtenissen in Alanya. Maar wij kunnen niet beslissen of deze verhalen op waarheid berusten of niet. Wij kunnen alleen aannemen dat deze verhalen waar zijn en zorgen dat er voorzorgsmaatregelen genomen worden" en "iemand uit de reisbureauwereld vertelde iets zeer vreemds. Deze man had gezien dat een van de meisjes met een wijnfles in haar hand, tegen de ochtend bij het hotel aankwam en schreeuwde '[Betrokkene 1] come fuck me'" en "Het is toch nodig om de dingen die er beweerd worden te herhalen: Volgens de beweringen liepen de drie Nederlandse meisjes halfnaakt en met wijnflessen in hun handen rond toen zij [betrokkene 2] en zijn vrienden tegenkwamen" en "Zij besloten om samen te gaan wandelen en gingen de bergen in" en "Op een verlaten plaats stopten zij" en "Toen deze jongens, die niet gewend waren om met jonge, aantrekkelijke vrouwen om te gaan, probeerden om hun seksuele behoeften te bevredigen, werden zij geweigerd" en "Toen is de ramp gebeurd" en "Natuurlijk is het niet zo dat het feit dat de Nederlandse meisjes dronken waren en halfnaakt, de reden moet zijn om hen aan te vallen ofte vermoorden" en "Maar deze gebeurtenis laat wel zien dat het soms gevaarlijk is om deze onbegrensde vrijheid op te zoeken";

(2) "hij omstreeks 15 juni 2002 tot en met 21 juni 2002 te Amsterdam, opzettelijk de eer en goede naam van een overleden persoon, genaamd [benadeelde partij 3] door middel van een geschrift, heeft aangerand door telastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door opzettelijk in een door hem, verdachte, geschreven artikel met als titel "Nederland moet de hand in eigen boezem steken" en dat is gepubliceerd in het weekblad Dünya, jaargang 5, uitgave week 24, 15 juni 2002/21 juni 2002, onder meer te vermelden:

"er zijn ook verhalen die de ronde doen over de gebeurtenissen in Alanya. Maar wij kunnen niet beslissen of deze verhalen op waarheid berusten of niet. Wij kunnen alleen aannemen dat deze verhalen waar zijn en zorgen dat er voorzorgsmaatregelen genomen worden" en "iemand uit de reisbureauwereld vertelde iets zeer vreemds. Deze man had gezien dat een van de meisjes met een wijnfles in haar hand, tegen de ochtend bij het hotel aankwam en schreeuwde '[Betrokkene 1] come fuck me'" en "Het is toch nodig om de dingen die er beweerd worden te herhalen: Volgens de beweringen liepen de drie Nederlandse meisjes halfnaakt en met wijnflessen in hun handen rond toen zij [betrokkene 2] en zijn vrienden tegenkwamen" en "Zij besloten om samen te gaan wandelen en gingen de bergen in" en "Op een verlaten plaats stopten zij" en "Toen deze jongens, die niet gewend waren om met jonge, aantrekkelijke vrouwen om te gaan, probeerden om hun seksuele behoeften te bevredigen, werden zij geweigerd" en "Toen is de ramp gebeurd" en "Natuurlijk is het niet zo dat het feit dat de Nederlandse meisjes dronken waren en halfnaakt, de reden moet zijn om hen aan te vallen ofte vermoorden" en "Maar deze gebeurtenis laat wel zien dat het soms gevaarlijk is om deze onbegrensde vrijheid op te zoeken".

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de gemachtigd advocaat van verdachte aangevoerd dat verdachte als journalist een bijdrage wilde leveren aan een maatschappelijk debat naar aanleiding van het afzeggen van het bezoek van prins Willem-Alexander aan Turkije vanwege de commotie die in Nederland ontstond door berichten over vrijlating van een van de personen die in Turkije waren veroordeeld voor verkrachting van drie Nederlandse vrouwen en voor moord op een van hen, in mei 1995 te Alanya. In hoger beroep is betoogd dat verdachte nooit de intentie heeft gehad om een van de slachtoffers te beledigen. Voorts dient aan een journalist, die een bijdrage wil leveren aan een maatschappelijk debat, overeenkomstig artikel 10 EVRM de vrijheid te worden gelaten om informatie en ideeën te publiceren die "offend, shock or disturb."

Het hof heeft de stellingen van de raadsman verworpen met de volgende overwegingen:

"Artikel 10 EVRM

Verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat -kort samengevat en zakelijk weergegeven- de hem verweten uitlatingen met betrekking tot de personen genoemd in de tenlastelegging, te weten [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en (wijlen) [benadeelde partij 3], zijn gedaan in het kader van het publieke debat dat in Nederland was ontstaan als gevolg van het afzeggen van het bezoek van Z.K.H. prins Willem Alexander aan Turkije, welke afzegging betrekking had op de in Nederland ontstane commotie naar aanleiding van de eerder bedoelde gebeurtenissen in Alanya, de strafvervolging van de verdachten en de vrijlating van een van de "verkrachters/moordenaars van Alanya". In dit licht bezien staat artikel 10 van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan een veroordeling in de weg, aldus de verdachte.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Het recht op vrije meningsuiting, als gegarandeerd in het eerste lid van artikel 10 EVRM, kan ingevolge het tweede lid van dat artikel worden onderworpen aan beperkingen, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van -onder meer- de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Artikel 10, eerste lid, EVRM laat daarbij weinig ruimte voor beperkingen van het recht op vrije meningsuiting ten aanzien van politieke uitlatingen of uitlatingen met betrekking tot het publiek belang. Daarnaast zullen de grenzen van toelaatbare kritiek minder snel overschreden worden in geval de uitlatingen een politicus betreffen dan in geval van een gewone burger.

Met inachtneming van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de beledigende passages in het -van verdachtes hand afkomstige- artikel "Nederland moet de hand in eigen boezem steken" die -blijkens de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep- betrekking hebben op de vermeende gedragingen van de drie eerdergenoemde Nederlandse vrouwen in Alanya (Turkije) voorafgaand aan de hen op 23 mei 1995 overkomen verkrachtingen, mishandelingen, beroving en (poging tot) moord, niet noodzakelijk zijn voor het (kunnen) voeren van het door verdachte bedoelde publieke debat. Het hof overweegt daartoe het volgende. De uitlatingen in de bewezenverklaarde passages -gegrond op geruchten - zijn, blijkens de redactie daarvan, door de verdachte tot de zijne gemaakt door deze als feiten te presenteren. De bijdrage van de verdachte aan het publieke debat had, in aanmerking genomen de overige inhoud en strekking van het artikel, zeer wel gevoerd kunnen worden zónder de suggestieve verwijzing naar beweerdelijk promiscue gedrag van eerder genoemde Nederlandse vrouwen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het in het eerste lid van artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op juiste gronden is beperkt door de tegen de verdachte ingestelde strafvervolging, die door het hof als zijnde noodzakelijk in het belang van de bescherming van de goede naam en rechten van anderen wordt geoordeeld. Het verweer wordt dan ook verworpen."

De steller van het middel betoogt dat het hof het verweer heeft verworpen door hantering van verkeerde maatstaf. Het hof zou de maatstaf hebben ontleend aan het derde lid van artikel 261 Sr. Maar gezien de rechtspraak van het EHRM over het tweede lid van artikel 10 EVRM is deze maatstaf volgens de steller van het middel te beperkt. De steller van het middel citeert uit EHRM 29 maart 2001, NJ 2002, 159 (Thoma) waarin het EHRM de waarde van een vrije pers in een democratische samenleving uiteenzet en benadrukt dat beperkingen van het recht van journalisten om informatie te verspreiden slechts onder strikte voorwaarden geoorloofd zijn.

3.2. Artikel 10 EVRM heeft de volgende inhoud:

"1. Everyone has the right to freedom of expression. This right shall include freedom to hold opinions and to receive and impart information and ideas without interference by public authority and regardless of frontiers. This Article shall not prevent States from requiring the licensing of broadcasting, television or cinema enterprises.

2. The exercise of these freedoms, since it carries with it duties and responsibilities, may be subject to such formalities, conditions, restrictions or penalties as are prescribed by law and are necessary in a democratic society, in the interests of national security, territorial integrity or public safety, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, for the protection of the reputation or rights of others, for preventing the disclosure of information received in confidence, or for maintaining the authority and impartiality of the judiciary."

3.3. Het hof heeft zich blijkens de inhoud der aangehaalde overwegingen uitdrukkelijk gericht op de vraag of het instellen van een strafvervolging tegen verdachte voldoet aan de eisen die het tweede lid van artikel 10 EVRM stelt. Dat het hof daarbij heeft betrokken de vraag of de beledigende uitlatingen in het artikel noodzakelijk waren voor het voeren van het publiek debat over de achtergronden van afzegging van de reis naar Turkije van de Koninklijke Hoogheden betekent niet dat de rechter op de stoel van de journalist is gaan zitten, maar vormt een onderdeel van de afweging tussen enerzijds de private belangen van degenen die zich beledigd voelden en anderzijds de vrijheid die de journalist moet hebben om een publiek debat te stimuleren. De vraag of er sprake is van een "pressing social need" die tot inbreuk op het recht van artikel 10 EVRM moeten leiden kan niet beantwoord worden zonder dat de rechter conflicterende belangen tegen elkaar afweegt.

Dat het hof een verkeerde maatstaf zou hebben aangelegd getuigt dus mijns inziens van een verkeerde lezing van de overwegingen die het hof aan de verwerping van het verweer ten grondslag heeft gelegd. Een andere vraag is of het hof die afweging heeft verricht volgens de maatstaven die het EHRM voorschrijft.

3.4. Het EHRM heeft inmiddels zeer veel rechtspraak het licht doen zien over de invulling van het tweede lid van artikel 10 EVRM. Ik citeer uit een uitspraak van 20 mei 1999(1):

"1. According to the Court's well-established case-law, the test of "necessity in a democratic society" requires the Court to determine whether the "interference" complained of corresponded to a "pressing social need", whether it was proportionate to the legitimate aim pursued and whether the reasons given by the national authorities to justify it are relevant and sufficient (see the Sunday Times (no. 1) v. the United Kingdom judgment of 26 April 1979, Series A no. 30, p. 38, § 62). In assessing whether such a "need" exists and what measures should be adopted to deal with it, the national authorities are left a certain margin of appreciation. This power of appreciation is not, however, unlimited but goes hand in hand with a European supervision by the Court, whose task it is to give a final ruling on whether a restriction is reconcilable with freedom of expression as protected by Article 10.

2. One factor of particular importance for the Court's determination in the present case is the essential function the press fulfils in a democratic society. Although the press must not overstep certain bounds, in particular in respect of the reputation and rights of others and the need to prevent the disclosure of confidential information, its duty is nevertheless to impart - in a manner consistent with its obligations and responsibilities - information and ideas on all matters of public interest (see the Jersild v. Denmark judgment of 23 September 1994, Series A no. 298, p. 23, § 31; and the De Haes and Gijsels v. Belgium judgment of 24 February 1997, Reports of Judgments and Decisions 1997-I, pp. 233-34, § 37). In addition, the Court is mindful of the fact that journalistic freedom also covers possible recourse to a degree of exaggeration, or even provocation (see the Prager and Oberschlick v. Austria judgment of 26 April 1995, Series A no. 313, p. 19, § 38). In cases such as the present one the national margin of appreciation is circumscribed by the interest of democratic society in enabling the press to exercise its vital role of "public watchdog" in imparting information of serious public concern (see the Goodwin v. the United Kingdom judgment of 27 March 1996, Reports 1996-II, p. 500, § 39)."

Deze zaak betrof publicaties over wreedheden die zouden zijn begaan bij de jacht op zeehonden door Noorse vissers. De Noorse rechter had een aantal van die publicaties onrechtmatig geacht.

Vervolgens past het EHRM deze algemene beginselen toe op de zaak die hem is voorgelegd. Voor een goede beoordeling moet de gehele achtergrond van de publicaties in ogenschouw worden genomen. Het Hof wijst erop dat indertijd de jacht op zeehonden in de publieke belangstelling stond en een punt van discussie was, ook in Noorwegen. Artikel 10 EVRM beschermt niet alleen informatie die aangenaam of onschuldig is, maar ook informatie of ideeën die "offend, shock or disturb". Gelet op het feit dat de gewraakte publicaties onderdeel uitmaakten van een grotere reeks artikelen en reportages over de zeehondenjacht, waarbij ook de jagers hun stem konden laten horen is er geen sprake geweest van een eenzijdige benadering. De vrijheid van de pers veronderstelt wel dat de pers te goeder trouw handelt in haar streven nauwgezette en betrouwbare informatie te verschaffen aan het publiek:

"3. The Court notes that the expressions in question consisted of factual statements, not value-judgments (cf., for instance, the Lingens v. Austria judgment of 8 July 1986, Series A no. 103, p. 28, § 46). They did not emanate from the newspaper itself but were based on or were directly quoting from the Lindberg report,(2) which the newpaper had not verified by independent research (see the Jersild judgment cited above, pp. 23 and 25-26, §§ 31 and 35). It must therefore be examined whether there were any special grounds in the present case for dispensing the newspaper from its ordinary obligation to verify factual statements that were defamatory of private individuals."

Het Hof wijst er speciaal op dat de gewraakte publicaties de namen van de vissers die over de schreef zouden zijn gegaan niet noemde, zodat het individuele belang van de vissers die zich in hun eer en goede naam door de publicaties aangetast achten niet scherp omlijnd was. Het EHRM achtte het niet nodig dat het dagblad zelf nog pogingen zou doen om de gegevens die in het rapport van de inspecteur waren neergelegd te verifiëren. De pers mag normaliter vertrouwen op de inhoud van dergelijke rapporten. Het individuele belang van de vissers bij bescherming van hun goede naam en reputatie was volgens het EHRM onvoldoende om het publiek belang bij een openbaar debat over deze belangwekkende kwestie weg te drukken.

3.5. Deze zaak onderscheidt zich in een aantal opzichten van de strafzaak tegen verdachte. In de eerste plaats acht ik van belang dat Bladet Tromso de namen van vissers die werden beschuldigd van overtreding van de regels niet publiceerde. In de tweede plaats zijn de bronnen waarop het dagblad in de publicaties over de zeehondenjacht heeft vertrouwd zodanig geweest dat het dagblad te goeder trouw zich daarop heeft kunnen baseren. In de onderhavige zaak zijn de slachtoffers van de misdrijven wel niet bij name genoemd, maar heeft verdachte wel geruchten geopenbaard over liederlijk gedrag van afzonderlijke, geïndividualiseerde personen in relatie tot de gebeurtenissen in 1995 in Turkije,(3) waardoor er geen twijfel aan kon bestaan wie werden bedoeld. In de tweede plaats heeft verdachte de geruchten opgetekend uit de mond van iemand die hij in Nederland kennelijk bij toeval heeft ontmoet en heeft verdachte geen verder onderzoek gedaan naar de waarachtigheid van de inhoud van de hem medegedeelde geruchten.

3.5. De onderhavige zaak heeft daarom een grotere gelijkenis met EHRM 7 mei 2002, NJ 2004, 337, in welke zaak een Britse journalist, McVicar, in een artikel een met name genoemde atleet had beschuldigd van dopinggebruik. Over de bewijslast voor de waarheid van de beweringen in het blad overwoog het Hof:

"4. The Court recalls that a careful distinction is made in its case-law between the reporting of factual statements on the one hand, and value judgments on the other. The existence of facts can be demonstrated, whereas the truth of value judgments is not susceptible to proof (see Lingens v. Austria, judgment of 8 July 1986, Series A no. 103, p. 28, § 46).

5. It recalls further that, in Bladet Tromsø and Stensaas (cited above, § 66) it commented that special grounds were required before a newspaper could be dispensed from its ordinary obligation to verify factual statements that were defamatory of private individuals. The question whether such grounds existed depended in particular on the nature and degree of the defamation in question and the extent to which the newspaper could reasonably regard its sources as reliable with respect to the allegations.

6. In the present case, the jury found, by a majority of ten to two, that the allegations made against Mr Christie in the article at issue amounted to a factual statement that Mr Christie was a cheat who regularly used banned performance-enhancing drugs to improve his success in athletic competition (see paragraph 21 above). Furthermore, the Court notes that the article was directed specifically and exclusively at Mr Christie. The Court considers that the potential consequences of the allegations made in the article for an individual who had achieved fame and fortune purely as a result of his athletic achievements were very grave."

Vervolgens overweegt het Hof dat het weinig zinnigs kan zeggen over de mate waarin journalist redelijkerwijs op zijn bronnen zou hebben kunnen vertrouwen, omdat de identiteit van deze bronnen onduidelijk is. Er zijn zelfs aanwijzingen dat de journalist eerst op zoek is gegaan naar bronnen die zijn beweringen zouden kunnen bevestigen nadat deze beschuldigingen waren gepubliceerd. Het EHRM besluit dan:

"7. In all the circumstances, the Court considers that the requirement that the applicant prove that the allegations made in the article were substantially true on the balance of probabilities constituted a justified restriction on his freedom of expression under Article 10 § 2 of the Convention in the interests of the protection of the reputation and rights of Mr Christie."

3.6. Evenals de gevolgen van de publicatie voor de beschuldigde atleet door het EHRM relevant zijn geacht, heeft het hof in zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat de publicatie van verdachte aantijgingen bevat die gelet op de misdrijven waarvan de vrouwen in Turkije het slachtoffer zijn geworden, door hen als bijzonder grievend en onthutsend kunnen zijn ervaren.

Naar mijn mening heeft het hof de maatstaven van artikel 10 lid 2 EVRM niet miskend, noch de rechtspraak van het EHRM onjuist begrepen.

Daarom faalt het middel.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 EHRM NJ 2001, 64 (Bladet Tromso).

2 Het rapport, opgemaakt door een van overheidswege aangestelde inspecteur.

3 Waarbij ik overigens geen twijfel heb aan de uiteindelijk goede bedoelingen van de auteur.