Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX5382

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
R05/133HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2005:AT9503
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX5382
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Geschil tussen de ouders van een minderjarig kind over de vaststelling van bijdrage door de vader in de kosten van diens verzorging en opvoeding; behoefte van het kind, draagkracht van de vader (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 448
RvdW 2006, 739
JWB 2006/242
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R05/133HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 26 april 2006

Conclusie inzake:

[De man]

(hierna: de vader)

tegen

[De vrouw]

(hierna: de moeder)

1. Inleiding

1.1. Het gaat in deze zaak om rechts- en motiveringsklachten tegen 's hofs vaststelling van de behoefte van het alimentatiegerechtigde kind en de draagkracht van de vader.

1.2. M.i. kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Rechtsvragen die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (in de zin van artt. 81 RO) heb ik niet aangetroffen.

2. Feiten en procesverloop(1)

2.1. De vader en de moeder zijn op 18 mei 2001 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk is op [geboortedatum] 2002 [de dochter] geboren. [de dochter] verblijft sinds het uiteengaan van de ouders bij de moeder.

2.2. Op 19 november 2003 heeft de moeder bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. Zij heeft (uiteindelijk) - onder meer - verzocht te bepalen dat de vader aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] zal dienen te betalen een bedrag van € 1.375 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De vader heeft onder meer verweer gevoerd tegen het nevenverzoek betreffende de kinderalimentatie voorzover het verzoek een bedrag van (uiteindelijk) € 525 per maand inclusief kosten kinderopvang te boven gaat.

2.3. Bij beschikking van 7 juni 2004 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken, en - onder meer en uitvoerbaar bij voorraad - ten laste van de vader de alimentatie voor [de dochter] met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 525 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.4. De echtscheidingsbeschikking is op 16 september 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.5. De vader is geboren op [geboortedatum] 1968 en woont samen met een partner. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2004 een kind geboren. Hij is in dienst bij het Ministerie van Economische Zaken. Zijn inkomen uit loondienst bedraagt, volgens de salarisspecificatie van april 2005, € 4.122,91 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en andere emolumenten. De vader ontvangt onder meer een geldelijke toelage in verband met zijn verblijf in het buitenland. Hij is particulier verzekerd voor ziektekosten. Hij neemt deel aan een spaarloonregeling bij zijn werkgever. Het maximale spaarloon wordt op zijn loon ingehouden. Hij heeft een onbetwiste maandlast van € 226,- voor premie ziektekostenverzekering.

2.6. De moeder is geboren op [geboortedatum] 1971. Zij is in dienst bij het Ministerie van Financiën. Per maand bedraagt haar inkomen uit loon € 4.467,49 bruto per maand volgens de salarisspecificatie van april 2005. Zij is particulier verzekerd voor ziektekosten. Zij neemt deel aan een spaarloonregeling. Het maximale spaarloon wordt op haar loon ingehouden. Zij heeft de volgende onbetwiste maandlasten: € 115,65 premie levensverzekering; € 95,- forfait overige eigenaarslasten; € 223,55 premie ziektekostenverzekering voor haar en [de dochter]; € 35,38 WAO-gat verzekering; €100,- FBTO.

2.7. De moeder is in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 7 juni 2004. Zij heeft verzocht de alimentatie voor [de dochter] alsnog te bepalen op (uiteindelijk) € 1.120 per maand. De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarna partijen nog aanvullende stukken hebben overgelegd. Voorts hebben zij hun standpunten nog mondeling doen bepleiten.

2.8. Bij beschikking van 13 juli 2005 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage de bestreden beschikking van de rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en opnieuw beschikkende, kort weergegeven, de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie op € 1.120 per maand bepaald.

2.9. Voor zover in cassatie van belang, heeft het hof overwogen:

'11. De vader stelt allereerst dat de toelage die hij ontvangt, wordt toegekend ter bestrijding van de door de hem en zijn gezinsleden gemaakte noodzakelijke extra kosten voortvloeiende uit het verblijf in het buitenland. Uit de 'costs of living survey 2004' van Mercer Human Resource Consulting blijkt naar de mening van de vader genoegzaam dat de kosten van levensonderhoud hoog zijn in [plaats]. Voorts verwijst de vader naar een folder omtrent echtscheidingen, welke uitgevaardigd is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin met betrekking tot alimentatie uitdrukkelijk is vermeld dat de toeslagen op grond van het DBZV zich naar hun aard niet lenen voor het bepalen van de hoogte van de alimentatie. Dit betekent, aldus de vader, dat de buitenlandvergoeding buiten beschouwing dient te worden gelaten bij de beoordeling van de draagkracht.

12. Het hof overweegt als volgt. Uit de door de vader overgelegde berekeningsgegevens betreffende zijn buitenlandvergoeding, blijkt dat hij maandelijks ongeveer € 3.000,- netto ontvangt aan buitenlandvergoedingen. Het hof overweegt dat in beginsel rekening gehouden mag worden met de buitenlandvergoeding, ongeacht de inhoud van de door de vader overgelegde folder van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, aangezien het hof van oordeel is dat bij het bepalen van de draagkracht van de vader, de vergoeding als inkomen dient te worden beschouwd. Gelet echter op het feit dat het leven in [plaats] duurder is dan in Nederland, hetgeen ook niet wordt betwist door de moeder, acht het hof het redelijk om slechts een bedrag van € 1.000,- in aanmerking te nemen bij het bepalen van de draagkracht van de vader. Dat de buitenlandvergoeding met ingang van 1 september 2006 stopt, maakt het oordeel nu niet anders.

[...]

13. Met inachtneming van het vorenstaande, de Nibud tabel, de kosten opvang avonduren, de ziektekosten en de kosten van een nieuwe bril voor [de dochter], bedraagt de behoefte van [de dochter], aldus de moeder, tot 1 januari 2005 in totaal € 1.654,- per maand en na 1 januari 2005 in totaal € 1.751,06 per maand. Gelet op het feit dat de vader een kind en partner moet onderhouden in Zwitserland, de partner kan volgens de vader om praktische redenen niet werken, stelt de vader zich op het standpunt dat zijn draagkracht het in feite niet toelaat dat hij ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [de dochter] een bedrag van € 525,- per maand betaalt, desalniettemin is de vader bereid een dergelijke bijdrage te voldoen.

14. Omtrent de hoogte van de totale behoefte van [de dochter] overweegt het hof als volgt. Tussen partijen staat vast dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk ongeveer € 5.000,- bedroeg. Partijen strijden over de vraag of de tabel eigen aandeel kosten van kinderen lineair doorgetrokken mag worden voor de bepaling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen per maand bij een netto gezinsinkomen dat de hoogste tabel overstijgt. De tabel eigen aandeel kosten van kinderen geldt in beginsel als richtsnoer bij het bepalen van de behoefte van een kind tenzij de ouders op basis van feiten en omstandigheden aannemelijk maken dat van andere gegevens uitgegaan moet worden. Het gezinsinkomen van de ouders is hoger dan het maximum gezinsinkomen dat uit de tabel voortvloeit. In de tabel is een minimum behoefte bedrag opgenomen, hetgeen blijkt uit het feit dat de tabel spreekt over 'of meer'. Het hof acht het aannemelijk dat de levenswijze, en daarmee de behoefte van een kind, anders zal zijn naarmate het inkomen verder uitstijgt boven de in de tabel genoemde inkomens. Gelet hierop acht het hof een behoefte van [de dochter] van € 890,- per maand niet onaannemelijk. Voorts rekening houdend met de onbetwiste lasten met betrekking tot ziektekosten (€ 27,06 per maand), de kosten voor de aanschaf van een bril (€ 34,- per maand) en de opvangkosten van € 483,- netto per maand in de periode tot en met december 2004, en € 580,- netto per maand vanaf 1 januari 2005, stelt het hof de totale behoefte van [de dochter] op € 1.434,- per maand voorzover het de periode tot 1 januari 2005 betreft, en op € 1.531,- per maand voor zover het de periode na 1 januari 2005 betreft.

15. Beide partijen zullen naar rato bij moeten dragen in de kosten van [de dochter]. Bij het berekenen van de draagkracht van partijen zal het hof het vorenstaande in acht nemen, voor zover hieronder niet anders wordt bepaald. De vader heeft de hypotheeklasten van de moeder gemotiveerd betwist. Volgens de vader bedragen de hypotheeklasten maximaal € 757,-, vermeerderd met € 136,-, derhalve € 893,- per maand. Nu de moeder de door haar gestelde hogere woonlast van € 924,15 per maand onvoldoende nader heeft onderbouwd, zal het hof enkel rekening houden met een woonlast van € 893,- per maand. Voorts zal het hof geen rekening houden met de door de moeder opgevoerde lening personeelsfonds van € 200,45 per maand, aangezien de vader deze lening betwist, en het hof van oordeel is dat de moeder de noodzaak tot het aangaan van de lening onvoldoende heeft aangetoond, dan wel aannemelijk heeft gemaakt. Verder ziet het hof aanleiding om bij het bepalen van de draagkracht van de moeder rekening te houden met een bedrag van € 2.577,60 per jaar wegens de inkoop van 10 vakantiedagen, aangezien het hof, mede gelet op het feit dat de moeder alleenstaande is, van oordeel is dat de moeder in staat moet worden geacht [de dochter] te allen tijde op te kunnen vangen, hetgeen voor haar vrijwel onmogelijk zal zijn indien zij geen extra vakantiedagen heeft. Bij beide partijen zal het hof de nominale premie in mindering brengen op de ziektekostenpremie. Bij het berekening van de draagkracht van de moeder gaat het hof voorts uit van de alleenstaande oudernorm en een draagkrachtpercentage van 45%. Ook de vader zal het hof beschouwen als alleenstaande ouder, aangezien het hof van oordeel is dat de partner van de vader, gelet op haar leeftijd en werkervaring, in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Dat zij niet mag werken heeft de vader onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het hof zal bij de vader een draagkrachtpercentage van 52,5% hanteren, aangezien de nieuwe partner van de vader tevens gedeeltelijk in het levensonderhoud van haar kind(eren) moet kunnen voorzien.

16. In ogenschouw nemend de behoefte van [de dochter] en de draagkracht van de beide ouders, acht het hof een bijdrage van de vader van € 1.120,- per maand, zoals door de moeder in hoger beroep is gevorderd, redelijk, en acht het hof de vader in staat deze te voldoen."

2.10 Van deze beschikking is de man - tijdig(2) - in cassatieberoep gekomen. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Enkele inleidende opmerkingen

3.1 Het hof heeft op basis van art. 1:397 BW de hoogte van de door de vader te betalen kinderalimentatie ten behoeve van zijn niet bij hem inwonende kind [de dochter] vastgesteld. Met het oog op deze vaststelling heeft het hof de behoefte van [de dochter] en de draagkracht van de vader beoordeeld. Een deel van de klachten van de vader richt zich tegen de vaststelling van zijn draagkracht. Deze klachten houden verband met zijn stellingen dat hij inmiddels een nieuw gezin gevormd heeft en zich met hen in het buitenland heeft gevestigd, waarbij hij als kostwinner zijn nieuwe partner en hun kind onderhoudt.

3.2 Bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige dient in beginsel rekening gehouden te worden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de onderhoudsplichtige komen. Indien de vader een nieuw gezin gevormd heeft, zullen zijn uitgaven mede door deze factor worden bepaald. Bij die beoordeling zal rekening moeten worden gehouden met wat als redelijk dient te worden beschouwd jegens het niet in het nieuwe gezin verblijvende kind in welks verzorging en opvoeding hij verplicht is bij te dragen. In dit kader zal ook een afweging van de belangen van het kind tegenover die van de nieuwe partner aan de orde kunnen komen. Voor de vraag wat jegens het niet in het nieuwe gezin verblijvende kind als redelijk moet worden beschouwd, dient als uitgangspunt te zijn dat het enkele feit dat de onderhoudsplichtige zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich dus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, die tot een ongunstigere verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is om de ten behoeve van het kind verschuldigde bijdrage op een lager bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn, en zo de belangen van het kind in het kader van de hiervoor bedoelde afweging bij die van de nieuwe partner achter te stellen. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel anders meebrengen, waarbij onder meer van belang zal zijn: de mate waarin de voor het kind verlangde bijdrage een redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin zou aantasten; de aanwezigheid van kinderen in het nieuwe gezin; en de mogelijkheid voor de vader en zijn nieuwe partner om zich door werkzaamheden als van hen kunnen worden gevergd, verdere inkomsten te verwerven.(3)

3.3. Bij de beoordeling van motiveringsklachten in alimentatieprocedures geldt dat de taak van de cassatierechter een beperkte is, maar ook voor deze beschikkingen geldt dat zij ten minste zodanig moeten worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing voor zowel partijen als voor derden, in het geval van het openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen, controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Hoe ver de motiveringsplicht van de rechter gaat, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort mede het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat(4). Aan een beslissing die uitsluitend betreft het vaststellen en wegen van de draagkracht en de behoefte kunnen geen al te hoge eisen worden gesteld(5). De vaststelling en de waardering van de feiten en omstandigheden, die bepalend zijn voor de draagkracht van de tot uitkering verplichte, zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt(6). Bij de vaststelling van de draagkracht is de rechter niet gehouden alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt(7).

3.4. Tegen deze achtergrond zal ik de drie onderdelen die de vader tegen de bestreden beschikking van het hof heeft opgeworpen, bespreken.

Onderdeel 1.

3.5. Het eerste onderdeel klaagt over de vaststelling van de draagkracht van de vader in rov. 15 van 's hofs beschikking. Het onderdeel voert tegen deze vaststelling een rechtsklacht en verschillende motiveringsklachten aan.

3.6. De onderdelen 1.1 t/m 1.3 bevatten geen zelfstandige klachten. Onder 1.2 wordt verwezen naar stellingen, waarin de vader heeft aangegeven dat hij - kort samengevat - in [plaats] óók in het levensonderhoud van de kinderen van zijn nieuwe partner en hemzelf dient te voorzien.

3.7. Onderdeel 1.4 werpt op, zo lees ik deze (rechts)klacht, dat door de afweging van het hof in het kader van de beoordeling van de draagkracht van de vader, de kinderen uit zijn nieuwe relatie ten onrechte worden achtergesteld bij zijn kind [de dochter], die niet in diens nieuwe gezin verblijft. Het klaagt ook voor zover het hof heeft geoordeeld dat de kinderen uit het nieuwe gezin van de vader niet op gelijke voet aanspraak kunnen maken op levensonderhoud als [de dochter] en stelt dat de kinderen uit zijn nieuwe gezin op gelijke voet op levensonderhoud aanspraak kunnen maken en dat voor hen dezelfde afweging moet worden gemaakt als voor het kind van de vader dat niet in diens nieuwe gezin verblijft.

3.8. De omvang van de door een ouder verschuldigde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van het kind is afhankelijk van de behoeften van het kind en de draagkracht van de ouder (art. 1:397, lid 1 en art. 1:404, lid 1 BW). Zoals ik in mijn inleidende opmerkingen al aangaf, dient bij de beoordeling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige in beginsel rekening te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van hem komen, inclusief die welke verband houden met een nieuw door de onderhoudsplichtige gevormd gezin. Bij de bespreking van deze klacht stel ik voorop dat het hof, zoals overigens ook in onderdeel 1.2 tot uitgangspunt wordt genomen, wél rekening heeft gehouden met de kinderen uit het gezin van de vader. Dit blijkt uit het slot van rov. 15 van de bestreden beschikking, waar het hof overweegt dat de nieuwe partner van de vader tevens gedeeltelijk(8) in het levensonderhoud van haar kind(eren) moet kunnen voorzien.

3.9. De kern van de klacht is dat de bij de vader verblijvende kinderen worden achtergesteld bij de niet in zijn nieuwe gezin verblijvende [de dochter], terwijl de kinderen recht hebben op dezelfde afweging. De klacht werkt echter niet uit waaruit blijkt dat de kinderen uit het nieuwe gezin van de vader wordt achtergesteld ten opzichte van [de dochter]. Het voldoet daarom niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv en faalt m.i. reeds daarom.

Ik merk overigens nog het volgende op. Als de draagkracht van de vader onvoldoende is, dient het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen de kinderen in beginsel gelijkelijk te worden verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden, zoals een duidelijk verschil in behoefte, tot een andere verdeling aanleiding geven(9). De vader klaagt echter niet dat zijn draagkracht onvoldoende is om in het levensonderhoud van al zijn kinderen te voorzien. In zoverre kan de klacht dus ook niet slagen.

M.i. gaat de klacht overigens ook uit van een onjuiste rechtsopvatting voor zover deze betoogt dat de vader aan ieder van zijn kinderen een gelijk bedrag dient te (kunnen) besteden ten behoeve van de kosten van levensonderhoud, ongeacht eventuele verschillen in hun behoeften, óók als zijn draagkracht toereikend is om aan ieders eventuele verschillende behoeften te voorzien. Het miskent m.i. dat als er voldoende draagkracht is om in de behoefte van alle kinderen te voorzien, het bijdragenpatroon van een ouder die kinderen heeft uit verschillende relaties, niet ten aanzien van alle kinderen gelijk hoeft te zijn. Dit is inherent aan het gegeven dat de behoefte van een alimentatiegerechtigde vaak bepaald wordt door de welstand waarin de betrokkene gewend was te leven en dit kan per gezinssituatie verschillen. Het wordt dus bepaald door de bijzonderheden van het concrete geval(10), terwijl ook de behoefte per individueel kind nog kan verschillen. Ook hierop loopt deze klacht m.i. stuk. Tenslotte kan nog herinnerd worden aan de regel van de reeds genoemde beschikkingen van HR 25 november 1994 en HR 2 december 1994, NJ 1995, 286-287, dat voor de vraag wat jegens het niet in het nieuwe gezin verblijvende kind als redelijk moet worden beschouwd, uitgangspunt dient te zijn dat het enkele feit dat de onderhoudsplichtige zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich dus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, die tot een ongunstigere verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is om de ten behoeve van het kind verschuldigde bijdrage op een lager bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn. Weliswaar kunnen de omstandigheden van het geval anders meebrengen, waaronder de aanwezigheid van kinderen in het nieuwe gezin, maar dat is niet zonder meer zo. De in de beschikkingen genoemde factor van de mogelijkheid (of onmogelijkheid) voor de vader en zijn nieuwe partner om zich door werkzaamheden als van hen kunnen worden gevergd, verdere inkomsten te verwerven, komt nog aan de orde bij verdere klachten van het onderdeel (maar onmogelijkheid is ook niet zonder meer beslissend). De m.i. 'zwaarste' omstandigheid die in deze beschikkingen van 1994 is genoemd, is: 'de mate waarin de voor het kind verlangde bijdrage een redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin zou aantasten'. Dat dit laatste zich zou voordoen (resp. dat het hof dit miskend zou hebben), is door de man echter niet gesteld.

3.10. Onderdeel 1.5 bevat geen klacht, maar verwijst naar stellingen van de man ter verklaring dat zijn huidige partner geen inkomsten uit arbeid heeft, als opmaat voor de motiveringsklacht in onderdeel 1.6. Die klacht gaat over het deel van rov. 15 waarin het hof overweegt dat:

'(...) het hof van oordeel is dat de partner van de vader, gelet op haar leeftijd en werkervaring, in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Dat zij niet mag werken heeft de vader onvoldoende aannemelijk gemaakt.'

Kort weergegeven voert deze klacht aan dat onduidelijk is waarom de vader niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en het door hem gestelde niet voldoende aannemelijk is gemaakt. De stelling van de vader dat het visum van zijn nieuwe partner haar niet toestaat in Zwitserland werkzaamheden te verrichten, lijkt ontbetwist, en het hof heeft het tegendeel niet vastgesteld. Ook op de stellingen over de praktische redenen waarom van haar niet gevergd kan worden om werkzaamheden te verrichten, heeft het hof onvoldoende gerespondeerd.

3.11. Ik stel voorop dat het aan de onderhoudsplichtige vader is om de rechter ervan te overtuigen dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om aan zijn onderhoudsplicht te voldoen(11). Hij moet in dat kader dus aan zijn stelplicht voldoen en alle relevante feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zijn draagkracht ontoereikend is, gemotiveerd stellen. In onderhavige zaak diende de vader derhalve voldoende gemotiveerd te stellen waarom zijn nieuwe partner niet in haar eigen levensonderhoud en gedeeltelijk in dat van haar kinderen kon voldoen.

In het middel verwijst de vader naar een aantal door hem in beide voorgaande instanties naar voren gebrachte stellingen, op grond waarvan de rechter niet zonder meer had kunnen oordelen dat het niet voldoende aannemelijk was dat zijn nieuwe partner niet in haar levensonderhoud kon voorzien. Ik geef deze hieronder weer:

'Zijn partner en kind verblijven bij hem in [plaats], voorshands als toerist. Zijn partner komt niet voor een diplomatiek paspoort in aanmerking daar zij niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Zij krijgt eerst een eigen verblijfsvergunning als zij een baan heeft. Het verkrijgen van een baan in [plaats] is moeilijk, evenals het verkrijgen van een goede oppasregeling, nu er in [plaats] voor crèches wachttijden van enige jaren bestaan. Dientengevolge is het voor mensen die tijdelijk in [plaats] wonen en werken vrijwel onmogelijk om daarvoor in aanmerking te komen. Neemt men een oppas aan huis, dan bedragen de kosten daarvan Chf 2.900,00 per maand. Parttime werk is in Zwitserland een zeldzaamheid. Dit betekent dat, zolang de man en zijn partner niet getrouwd zijn het onmogelijk voor haar is een baan in Zwitserland te krijgen en, na een eventueel huwelijk of samenlevingscontract zal dat zeer moeilijk worden, zodat zijn partner en zoon voorshands volledig ten laste komen van de man'(12).

' [...] Op 8 oktober 2004 heeft hij dat [erkenning van de zoon, A-G] alsnog gedaan en voorts een samenlevingsovereenkomst met [betrokkene 1] aangegaan. [...]'(13)

'[...] Zoals ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 10 mei 2004 aangevoerd, zal het om praktische redenen voor de mans partner niet mogelijk zijn om in Zwitserland te werken, dan wel als zij in Zwitserland werkt, zal het financieel voordeel daarvan, afgezet tegen de kosten van kinderopvang minimaal zijn. Blijkens de folder van kinderopvang in [plaats] zijn de kosten tussen de 12 en 15 % van het netto maandelijks gezinsinkomen met een maximum van CHF 2.045,00 per maand (productie 3). Per saldo zal het daarop neerkomen dat de huidige partner van de man en hun beider zoon ten laste van de man zullen komen, waarvoor deze dan wel de aanvullende partnertoelage als vorenvermeld ontvangt. [...]'(14)

'In de praktijk heeft de partner van de man niet de mogelijkheid om te werken. Op de verblijfsvergunning van de partner is gesteld: "Cette carte de légitimation ne lui permet en outre pas d'acceder au marche Suisse du travail." Zelfs als zij wel zou kunnen werken, dan zijn de kansen op de arbeidsmarkt nihil, gelet op het feit dat het tweede kind in augustus verwacht wordt en de man al in september 2006 terug naar Nederland moet. Bovendien zijn de kosten van kinderopvang in Zwitserland dusdanig dat, ook als een tegemoetkoming van werkgeverszijde zou worden verkregen, het uiteindelijk nauwelijks de moeite waard is om te werken. Voorts is er van een vergoeding geen sprake. [...] De crèches als vermeld op productie 15 als overgelegd door de vrouw zijn gemeentelijke crèches, waar men alleen als ingezetene van de gemeente gebruik mag maken. De man woont om kostenbesparende redenen niet in [plaats] en kan derhalve van deze crèches geen gebruik maken. In zijn eigen gemeente is er slechts één crèche en deze zit vol. Voorts zijn er tal van beperkingen waardoor buitenlanders geen gebruik kunnen maken van openbare crèches ten gevolge van lange wachttijden, gekoppeld aan beperkte duur uitzending, terwijl buitenlanders uitgesloten zijn van subsidies. Per saldo kan de man net als de meeste expats feitelijk slechts gebruik maken van private crèches met de daaraan verbonden kosten.'(15)

Uit de gedingstukken maak ik op dat de moeder op deze stellingen onder meer als volgt heeft gereageerd, samengevat, dat het de eigen keuze van het nieuwe gezin is om de nieuwe partner niet te laten werken en de man daarom als alleenstaande gezien moet worden, de nieuwe partner van de vader altijd een goede baan heeft gehad en laatstelijk zelfs meer verdiende dan de partijen in de procedure, het financieel voordeel van werken wel opweegt boven de kosten van de crèche, dat de werkgever bovendien een deel van de kosten kinderopvang vergoedt en er wel degelijk opvang in [plaats] mogelijk is.(16)

3.12. Het middel verwijst niet naar andere stellingen op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de partner geen werkzaamheden zou kunnen verrichten.

3.13. Ik herinner eraan dat de taak van de cassatierechter bij het toetsen van de motivering van alimentatiebeschikkingen een beperkte is. Tegen deze achtergrond en mede in het licht van het partijdebat meen ik dat het hof niet gehouden was in zijn beslissing nader gemotiveerd aan te geven waarom het de nieuwe partner, ondanks haar (actuele) visum, en eventuele problemen bij het organiseren van kinderopvang, wel in staat achtte in haar onderhoud te voorzien. Uit al deze stellingen blijkt m.i. niet dat het verkrijgen van een ander visum dan een toeristenvisum en het regelen van (betaalbare) kinderopvang onmogelijk zou zijn. Bovendien merk ik op dat voor zover het onderdeel klaagt over de waardering van de opgeworpen van feiten en stellingen van de feitenrechter, de klacht niet kan slagen omdat deze waardering is overgelaten aan de feitenrechter en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Ook de vaststelling en de waardering van de feiten en omstandigheden, die bepalend zijn voor de draagkracht van de alimentatieplichtige, is voorbehouden zijn aan de rechter die over de feiten oordeelt. M.i. is begrijpelijk dat het hof uit de stellingen van de vader niet heeft afgeleid dat de nieuwe partner niet in staat was om werkzaamheden te verrichten en in haar eigen onderhoud te voorzien. Het hof behoefde zijn oordeel niet nader te motiveren. Ook zonder de door de vader nodig geachte verdergaande motivering is de beschikking m.i. controleerbaar en aanvaardbaar(17).

3.14. Onderdeel 1.6 voert verder nog aan dat de motivering van het hof onvoldoende is voor zover het hof heeft volstaan met het op grond van leeftijd en werkervaring verwerpen van de door de vader opgeworpen stellingen dat er voor zijn partner ook praktische redenen zijn waardoor zij niet in staat is om te werken.

De klacht faalt omdat het niet onbegrijpelijk is dat het hof uit de leeftijd en werkervaring van de nieuwe partner haar algemene kansen en mogelijkheden op de arbeidsmarkt heeft afgeleid en deze blijkbaar positief heeft beoordeeld. Daarbij is van belang dat de vader, naast de (tweede) zwangerschap en de, m.i. summier onderbouwde, stellingen over het (toeristen)visum, dure kinderopvang, en lastig vinden van parttime werk resp. werk voor een beperkte periode (tot 1 september 2006), geen andere stellingen naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat niettegenstaande de leeftijd en werkervaring, de nieuwe partner niet in haar eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Hij heeft in zijn in eerste en tweede aanleg opgeworpen stellingen - tegenover de stelling van de moeder 'er moet in ieder geval rekening gehouden worden met de nieuwe relatie van de man nu die zelf een goede baan heeft'(18) - nagelaten nader te concretiseren en uit te werken(19) waarom het vinden van werk voor zijn partner, gezien haar specifieke werkervaring en opleidingsniveau in verband met de mogelijke werkzaamheden in [plaats], moeilijk zou zijn; in elk geval wordt er in cassatie niet naar verwezen. Zoals ik eerder opmerkte is het m.i. niet onbegrijpelijk dat het hof uit de stellingen van de vader geen beletsel heeft afgeleid voor het verrichten van werkzaamheden door de nieuwe partner waardoor zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

Het oordeel van het hof kan verder niet op juistheid worden getoetst omdat de vaststelling en de waardering van de feiten en omstandigheden, die bepalend zijn voor de draagkracht van de tot uitkering verplichte, voorbehouden zijn aan de rechter die over de feiten oordeelt(20). Ik meen dat het oordeel van het hof, mede in het licht van het partijdebat en de stukken, ook in dit opzicht voldoende is gemotiveerd.

3.15. Om dezelfde of vergelijkbare redenen als aangegeven bij onderdeel 1.6, moet ook onderdeel 1.7 m.i. falen. Dit onderdeel bestrijdt andermaal het gedeelte van rov. 15, waar het hof overweegt dat:

'(...) de partner van de vader, gelet op haar leeftijd en werkervaring, in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien'.

Geklaagd wordt thans over de ongelijke, innerlijk tegenstrijdige en onevenwichtige wijze van behandeling door het hof van de posities van de nieuwe partner van de man en de ex-partner van de man. Daarbij wordt betoogd dat de ex-partner de zorg heeft voor één kind en dat het hof om de ex-partner in staat te stellen te werken, rekening houdt met de crèchekosten gedurende de volle openingstijden van de crèche en tijdens vakanties en de inkoop van vakantiedagen, terwijl de nieuwe partner die (sinds augustus 2005) de zorg voor twee kinderen draagt, zonder meer in staat wordt geacht te werken. Het hof besteedt geen aandacht aan de tegenwerpingen van de man met betrekking tot de niet te verkrijgen en niet te betalen crèche, c.q. oppaskosten.

Zoals ik bij de bespreking van het voorgaande onderdeel aangaf, heeft de vader in onderhavige procedure, tegenover de in nr. 3.14, tweede alinea geciteerde stelling van de moeder, niet gesteld welk opleidingsniveau en werkervaring zijn nieuwe partner heeft, welk inkomen zijn nieuwe partner voor haar vertrek naar Zwitserland genoot. Ook is niets inzichtelijk gemaakt over het inkomen dat zij, bij toelating tot de Zwitserse arbeidsmarkt en het vinden van werk in Zwitserland zou kunnen verdienen. In dit verband is het niet onbegrijpelijk dat het hof bij zijn oordeel dat de nieuwe partner in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, geen rekening heeft gehouden met de eventuele kosten van kinderopvang. Deze kosten zijn immers pas relevant als er op basis van voldoende gemotiveerde stellingen van de man geoordeeld kon worden over het inkomen dat de nieuwe partner zou kunnen verwerven. De klacht faalt daarom.

3.16. Onderdeel 1.8 werpt een rechts- en motiveringsklacht op tegen de deeloverweging van het hof waaruit blijkt dat hij de vader als alleenstaande ouder heeft beschouwd. Geklaagd wordt (samengevat) dat de vader niet als alleenstaande ouder kan worden beschouwd omdat hij zijn nieuwe partner en zijn gezin moet onderhouden.

Voor zover dit onderdeel voortbouwt op de eerdere klachten, deelt het het lot daarvan. Voor zover het om een zelfstandige klacht gaat, faalt zij bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof overweegt aan het slot van rov. 15 dat de vader wordt beschouwd als alleenstaande ouder omdat de nieuwe partner in haar eigen levensonderhoud en gedeeltelijk in dat van haar kinderen kan voorzien. Het hof hoefde dus geen rekening te houden met het levensonderhoud van de nieuwe partner; en uit de overweging dat de nieuwe partner gedeeltelijk (21) in dat van haar kinderen kan voorzien, blijkt dat de vader als alleenstaande ouder (gedeeltelijk) dient bij te dragen aan het onderhoud van de kind(eren) uit zijn nieuwe gezin. Dit blijkt overigens ook uit het uiteindelijk door het hof gehanteerde draagkrachtpercentage (52,5%).

3.17. Onderdeel 1.9 bevat geen zelfstandige argumenten, en deelt het lot van de voorafgaande klachten.

Onderdeel 2.

3.18. Het tweede onderdeel klaagt over rov. 14 waarin het hof oordeelt over de behoefte van het kind [de dochter].

3.19. Onderdeel 2.1 bevat een inleiding en betoogt voorts dat de uitgangspunten van het hof m.b.t. de kosten van een driejarige peuter zo zeer van realiteitszin zijn gespeend, dat zij op zichzelf reeds op zijn minst tot andere motivering zouden nopen.

Voor zover het bij dit laatste om een zelfstandige klacht gaat, faalt deze. Zoals blijkt uit de beschikking van de Hoge Raad van 17 december 1993(22), worden er geen zwaardere motiveringseisen aan de feitenrechter gesteld, als deze een - volgens het middel - extreem hoge behoefte van het kind aanneemt. Dan ook gelden dezelfde motiveringseisen als voor andere beslissingen die uitsluitend het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op de behoefte of draagkracht naar voren gebrachte omstandigheden betreffen.

3.20. Onderdeel 2.2 bevat geen zelfstandige klacht, maar een inleiding waarin wordt verwezen naar de Nibud tabel die als richtsnoer kan gelden bij het bepalen van behoeften bij kinderen. Voorts geeft dit subonderdeel aan dat er grenzen zijn aan de financiële behoeften van een minderjarige.

3.21. Voortbouwend op onderdeel 2.1 en de inleiding van onderdeel 2.2, klaagt onderdeel 2.3 over de overweging van het hof dat:

'(...) de levenswijze, en daarmee de behoefte van een kind, anders zal zijn naarmate het inkomen verder uitstijgt boven de in de tabel genoemde inkomens. Gelet hierop acht het hof een behoefte van [de dochter] van € 890,- per maand niet onaannemelijk. (...)'.

Met deze overweging geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een niet genoegzame motivering. Daartoe voeren deze onderdelen aan dat het hof de bedoelde Nibud tabel ten onrechte lineair heeft doorgetrokken teneinde de behoefte van het onderhoudsgerechtigde kind vast te stellen. De klacht betoogt verder dat de tabel als direct richtsnoer tekortschiet omdat het netto gezinsinkomen staande huwelijk aanmerkelijk hoger is dan het maximum gezinsinkomen van de tabel. Het hof heeft ten onrechte nagelaten de behoefte van [de dochter] zelfstandig vast te stellen, althans dit genoegzaam te motiveren.

3.22. Allereerst merk ik op dat de door het hof in rov. 14 (en 13) bedoelde Nibud tabel eigen aandeel kosten van kinderen gebaseerd is op onderzoeksgegevens van het CBS. De Werkgroep alimentatienormen heeft op basis van deze gegevens de kosten van het kind, uitgedrukt in percentages van het gezinsinkomen, berekend(23). Deze percentages en de tabel gelden niet bij netto gezinsinkomens die aanzienlijk hoger zijn dan € 3.500, omdat daar geen onderzoek naar is gedaan(24). De rechter is echter niet gebonden aan deze tabel en percentages bij de vaststelling van de behoefte van het kind(25).

3.23. De klacht faalt voor zover het hierop berust dat het hof de Nibud tabel onjuist heeft toegepast. De rechter is immers niet gebonden aan die tabel en percentages en daarover kan dus in cassatie niet worden geklaagd(26).

3.24. M.i. getuigt het gebruik van de tabel als richtsnoer door het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de rechter in beginsel vrij is om de tabel, ook bij hogere inkomens dan € 3.500, en zoals in onderhavige zaak een netto inkomen van ongeveer € 5.000, als hulpmiddel te gebruiken en lineair door te trekken bij de vaststelling van de behoefte, zolang zijn oordeel maar aan de beperkte motiveringseisen voldoet welke gelden bij beslissingen die uitsluitend het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op de behoefte of draagkracht naar voren gebrachte omstandigheden betreffen. Ik merk in dit verband op dat de lijn, als het inkomen veel hoger ligt dan € 3.500, m.i. inderdaad niet zonder motivering kan worden door getrokken. Het hof heeft echter het doortrekken van de lijn gemotiveerd, naar blijkt uit het citaat in nr. 3.21. Deze motivering acht ik begrijpelijk, en daarom heeft het hof m.i. aan de motiveringsplicht voldaan.

Overigens is in de literatuur wel betoogd dat het lineair doortrekken van de lijn niet meer mogelijk is bij netto inkomens boven de € 5.000 à € 6.000 netto(27). Gezien het feit dat het bij het relevante inkomen in onderhavige zaak om ongeveer € 5.000 ging, rustte ook of in elk geval tegen die achtergrond geen verdergaande motiveringsplicht op het hof. Uit de overwegingen in rov. 14 blijkt m.i. genoegzaam dat het hof, in tegenstelling tot hetgeen wordt betoogd, de behoefte van het kind zelfstandig heeft vastgesteld. Uit de bestreden rechtsoverweging blijkt immers dat het hof rekening heeft gehouden met de welstand van het gezin en de daarmee verband houdende levenswijze van [de dochter], de concrete ziektekosten, kosten van de bril en de opvangkosten. Hieruit volgt dat de klacht feitelijke grondslag mist voor zover het klaagt dat het hof de behoefte van [de dochter] niet zelfstandig heeft vastgesteld.

M.i. getuigt de bestreden overweging van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en geeft de motivering voldoende inzicht aan de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang van het hof en is deze beslissing begrijpelijk.

3.25. Voortbouwend op onderdeel 2.3 klaagt onderdeel 2.4 dat het hof bovenop de gestelde algemene behoefte van [de dochter] (€ 890) nog eens uitgaven stelt die althans ten dele in normbedragen zijn begrepen, zoals met name de kosten van kinderopvang. Volgens de klacht had het hof dienen te motiveren waarom crèchekosten in casu niet, althans niet ten dele, besloten liggen in het van de hoogte van het inkomen afgeleid normbedrag. Hiertoe voert het onderdeel, naar de kern, aan dat niet alle kosten van opvang bovenop het normbedrag tot de behoefte moet worden gerekend, doch alleen die kosten die het normale te boven gaan. Voorts stelt de klacht dat in het geval van een hoog (dubbel) inkomen de kosten van kinderopvang standaard tot de eigen kosten van kinderen gaan behoren, aangezien het verdienen van een dubbel inkomen zich zonder kinderopvang niet goed denken laat.

3.26. Deze klacht faalt om meerdere redenen. In de eerste plaats omdat zij m.i. feitelijke grondslag mist. Uit rov. 14 van de bestreden beschikking blijkt dat het hof de bedoelde tabel slechts gebruikt als richtsnoer waarbij het in aanmerking neemt dat in de tabel een minimum behoefte bedrag is opgenomen. Het hof overweegt dan:

'Het hof acht het aannemelijk dat de levenswijze, en daarmee de behoefte van een kind, anders zal zijn naarmate het inkomen verder uitstijgt boven de in de tabel genoemde inkomens. Gelet hierop acht het hof een behoefte van [de dochter] van € 890,- per maand niet onaannemelijk.'

Hieruit volgt dat het hof de tabel slechts heeft gebruikt als hulpmiddel bij de bepaling van de behoefte. Uit de dan volgende overweging waarin het hof concreet aangeeft welke opvangkosten van [de dochter] nog daarbij opgeteld dienen te worden, blijkt wel dat het hof deze kosten niet heeft inbegrepen bij de post van € 890. Het hof was ook vrij om op deze wijze de behoefte van [de dochter] vast te stellen, omdat bij de bepaling van de hoogte van alimentatie niet gehouden was een bepaalde methode of richtlijn te hanteren(28). Ik merk in dit verband ten overvloede nog op dat de moeder een alleenstaande ouder is, waarbij hoge oppaskosten tot in totaal hogere kosten van kinderen leiden(29). Het is niet onbegrijpelijk als het hof de kosten aan kinderopvang als hoge oppaskosten heeft beschouwd en die daarom als aparte extra kosten van [de dochter] heeft aangemerkt.

In de tweede plaats faalt de klacht omdat zij uitgaat van motiveringseisen die niet kunnen worden gesteld aan beslissingen die uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op de behoefte of draagkracht naar voren gebrachte omstandigheden. Om deze reden was het hof m.i. ook niet gehouden om aan te geven waarom bepaalde kosten van [de dochter] niet vallen onder het bedrag van € 890, zoals het hof dat heeft vastgesteld onder andere met behulp van de tabel van de werkgroep Alimentatienormen als hulpmiddel.

Een derde reden waarom de klacht m.i. faalt, is dat zij uitgaat van de m.i. onjuiste opvatting dat de kosten van kinderopvang meestal inbegrepen zijn in de minimum behoefte bedragen zoals deze door de tabel van de werkgroep alimentatienormen zijn vastgesteld. Uit de toelichting van de werkgroep alimentatienormen blijkt dat ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzonder kosten vallen die niet in de tabel verwerkt zijn(30).

In de vierde plaats kan deze klacht m.i. niet slagen omdat de hier namens de vader ingenomen stellingen met betrekking tot de vraag of oppaskosten in de bedragen van de bedoelde tabel zijn opgenomen, voor het eerst naar voren worden gebracht in onderhavige cassatieprocedure, terwijl voor een eerste beoordeling van zodanige stellingen in cassatie geen plaats is. Voor zover deze stellingen wel eerder in eerste dan wel tweede aanleg door (één der) partijen zijn opgeworpen, voldoet de klacht niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv, nu verwijzingen naar deze stellingen ontbreken.

3.27. Onderdeel 2.5 klaagt dat het onbegrijpelijk is dat het hof de man heeft veroordeeld tot het betalen van een alimentatie van € 1.120,- per maand, zonder onderscheid te maken in de periode voor en na 1 januari 2005, terwijl de advocaat van de vrouw op positieve wijze reageerde toen het hof vroeg of de vrouw wenste dat de alimentatie vastgesteld wordt over verschillende periodes.

Uit de stukken blijkt dat de advocaat van de moeder ter zitting het volgende heeft aangegeven:

'Op de vraag van een van de leden van het hof of ik, vanwege het feit dat de kosten van kinderopvang per 1 januari 2005 zijn gewijzigd, wil dat de alimentatie vastgesteld wordt over verschillende periodes, antwoord ik op positieve wijze. Verder merk ik op dat na de crèche nog buitenschoolse opvang komt, waarvan de kosten nog onbekend zijn.'

M.i. kan deze klacht niet slagen omdat de rechter vrij is bij de wijze van vaststelling van de alimentatie. Zoals ik al meer dan eens heb aangegeven, is de taak van de cassatierechter bij het toetsen van de motivering van alimentatiebeschikkingen bovendien een beperkte. De onderhavige beschikking geeft m.i. voldoende inzicht in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing voor zowel partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Een enkel antwoord ter zitting van de advocaat van de moeder op een vraag van het hof of de vrouw wil dat de alimentatie ook over meerdere periodes zou kunnen worden vastgesteld, schept m.i. niet de verplichting voor het hof om als het de alimentatie niet voor meerdere periodes vaststelt, dit nader te motiveren.

Onderdeel 3.

3.28. Onderdeel 3 betreft de onkostenvergoeding (buitenlandvergoeding) van de man.

Onderdeel 3.1 bevat geen zelfstandige klacht maar een inleiding, die eraan herinnert dat het hof heeft geoordeeld dat bij het bepalen van de draagkracht van de vader de buitenlandvergoeding als inkomen dient te worden beschouwd, ook al neemt een door de vader overgelegde circulaire van het Ministerie een ander standpunt in. Het onderdeel doelt klaarblijkelijk op rov. 12 van de bestreden beschikking.

Onderdeel 3.2 bevat ook geen zelfstandige klacht.

Onderdeel 3.3 klaagt dat het hof, in tegenstelling tot hetgeen de man uitdrukkelijk heeft gesteld, óók de vergoeding van beroepskosten, welke niet ter reparatie van koopkracht strekt (functiegebonden voorzieningen, transportkosten en representatie) tot de draagkracht heeft gerekend.

3.29. De klacht kan niet slagen. De feitenrechter is bij het vaststellen van de financiële middelen waarover de alimentatieplichtige kan beschikken in hoge mate vrij. Hij mag rekening houden met alles wat de alimentatieplichtige rechtens en feitelijk ter beschikking staat(31). De rechter mag dus ook rekening houden met de buitenlandvergoeding, ook al houdt deze tevens een vergoeding in voor beroepskosten e.d.(32) en ook al denkt een andere overheidsinstantie (hier de werkgever van de man) daar, ook in alimentatiecontext, anders over(33). M.i. is de motivering van het hof in rov. 12 ook voldoende begrijpelijk. Zij verwijst naar de door de man overgelegde folder van Buitenlandse Zaken. Het hof overweegt vervolgens dat bij het bepalen van de draagkracht van de vader, de buitenlandvergoeding als inkomen dient te worden beschouwd. Overigens geeft het hof in zijn motivering aan dat het niet het volledige bedrag in aanmerking neemt bij het bepalen van de draagkracht (niet meer dan € 1.000 van de € 3.000 netto per maand), wat al aangeeft dat het hof deze buitenlandvergoeding slechts gedeeltelijk als inkomen kwalificeert.

4. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan de bestreden beschikking, pp. 1 en 2.

2 Het cassatieverzoekschrift is 12 oktober 2005 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

3 HR 25 november 1994 en HR 2 december 1994 (in beide beschikkingen rov. 3.3 en 3.4), NJ 1995, 286-287 m.nt. JdB.

4 Vaste jurisprudentie, vgl. bijv. HR 10 oktober 2003, nr. R03/032, NJ 2004, 37, rov. 3.3, en HR 10 juni 2005, nr. R04/091, LJN AT2452, rov. 3.6.

5 Vaste jurisprudentie, zie bijv. HR 24 november 1995, NJ 1996, 260, rov. 3.3 en HR 10 december 1999, NJ 2000, 4, rov. 3.3.

6 HR 10 maart 1978, NJ 1978, 372.

7 HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313, rov. 3.4.

8 Mijn cursivering, A-G.

9 HR 13 december 1991, NJ 1992, 178; HR 22 april 2005, nr. R04/061, NJ 2005, 379 m.nt. SW.

10 Vgl. nr. 9 van de conclusie van A-G Huydecoper (met verwijzingen) voor HR 15 april 2005, nr. R04/073HR, LJN AS4188.

11 Losbl. Personen- en familierecht (Wortmann), aant. 1 bij art. 397.

12 Pleitnotities eerste aanleg aan de zijde van [de man], 10 mei 2004, p. 9.

13 Verweerschrift in hoger beroep, p. 5.

14 Verweerschrift in hoger beroep, pp. 5-6.

15 Pleitnotities in hoger beroep aan de zijde van [de man], 20 mei 2005, p. 5.

16 Proces-verbaal mondelinge behandeling bij de rechtbank (10 mei 2004), p. 2; pleitnotities in hoger beroep aan de zijde van [de vrouw], 20 mei 2005, pp. 2-3.

17 HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495.

18 Proces-verbaal mondelinge behandeling bij de rechtbank (10 mei 2004), p. 2.

19 Dit punt was ook aan de orde in HR 31 oktober 2003, nr. R03/035, LJN AK 8446, waarin een klacht van de man over een te zware stelplicht door de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO werd verworpen. De voorafgaande CPG gaat in op hierbij in aanmerking te nemen gezichtspunten.

20 HR 10 maart 1978, NJ 1978, 372.

21 Mijn cursivering, A-G.

22 HR 17 december 1993, nr. R8352, LJN ZC1195.

23 Rapport Werkgroep Alimentatienormen, pp. 5-6.

24 L.H.M. Zonnenberg, Behoefte aan kinderalimentatie, EchtscheidingsBulletin 2, jan. 2003, nr. 1.

25 HR 17 juni 1983, NJ 1984, 35, HR 1 november 1991, NJ 1992, 30, en HR 1 december 1995, NJ 1996, 272.

26 HR 22 maart 1996, LJN ZC2026.

27 Zie ook L.H.M. Zonnenberg, a.w. Zonnenberg geeft aan dat de lijn, als het inkomen veel hoger ligt dan € 3.500, niet zomaar kan worden door getrokken en dat het doortrekken van de tabel niet meer kan bij inkomens die tussen de € 5.000 à € 6.000 netto liggen.

28 HR 1 december 1995, NJ 1996, 272, HR 1 november 1991, NJ 1992, 30, en HR 17 juni 1983, NJ 1984, 35.

29 Rapport Werkgroep Alimentatie, 2001, p. 7.

30 Rapport Werkgroep Alimentatie, 2001, p. 7.

31 Vgl. HR 10 maart 1978, NJ 1978, 372 en conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense (met verwijzingen) voor HR 31 januari 2003, R01/114HR, Civiele conclusies 2003, p. 115 (116).

32 Zo ook A-G De Vries Lentsch-Kostense t.a.p. (vorige voetnoot).

33 Zie HR 23 september 1994, NJ 1995, 25, rov. 3.3 en Asser-De Boer (2002), nr. 625.