Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX3080

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
C05/147HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX3080
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Kort geding tussen een Zweedse eigenaar en bevrachter van een zeeschip en de Nederlandse eigenaar van een ander zeeschip dat na hun aanvaring op het Nederlandse continentale plat is gezonken, aangaande de teruggave op de voet van art. 13 van het Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid van maritieme vorderingen (Trb. 1980, 23) van de garanties ter opheffing van eerder op het Zweedse zeeschip gelegd conservatoir vreemdelingenbeslag; was het ter opheffing van het beslag toegestaan zekerheden te verlangen?, samenloop tussen het verdrag en de EEX-Verordening, rechtsgevolgen verbonden aan art. 13 wegens de immuniteit van hier gelegd beslag; HR doet zelf de zaak af, in dictum opgelegde dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 393
JOL 2006, 564
RvdW 2006, 897
S&S 2007, 1
JWB 2006/313

Conclusie

Rolnr. C05/147HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 19 mei 2006

conclusie inzake

1. B&N Nordsjöfrakt AB

2. Northsea Shipping AB

tegen

Westereems B.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. Inzet van deze zaak is de vraag of een door een bevrachter van een zeeschip onder het Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, Londen, 19 november 1976, Trb. 1980, 23, hierna: het Verdrag van Londen, bij de Zweedse rechter gevormd beperkingsfonds hier te lande zonder nadere toetsing moet worden erkend, met het rechtsgevolg dat garanties die zijn verstrekt ter opheffing van een hier te lande op het schip gelegd beslag ter verzekering van een vordering die inmiddels tegen het beperkingsfonds is ingediend, moeten worden teruggegeven.

2. De feiten waarvan in cassatie uitgegaan dient te worden, treft men aan in r.o. 1.2 t/m 1.14 van het bestreden arrest. Zij komen op het volgende neer.

(i) Op of omstreeks 25 januari 2003 heeft op de Noordzee benoorden Terschelling buiten de territoriale wateren op een diepwaterroute op het Nederlandse continentale plat - de zgn. Friesland Junction - een aanvaring plaatsgevonden tussen het zeeschip "Seawheel Rine" en het zeeschip "Assi Eurolink". Als gevolg van de aanvaring is de "Assi Eurolink" vrijwel onmiddellijk gezonken.

(ii) De "Seawheel Rhine" behoort in eigendom toe aan thans eiseres tot cassatie sub 2, hierna: Northsea, gevestigd in Zweden, die het schip in bevrachting heeft gegeven aan thans eiseres tot cassatie sub 1, hierna: B&N, eveneens gevestigd in Zweden. De "Assi Eurolink" behoort in eigendom toe aan thans verweerster in cassatie, hierna: Westereems, gevestigd in Nederland.

(iii) Westereems heeft op 10 en 11 februari 2003 zowel Northsea als B&N gedagvaard voor de rechtbank Groningen tot vergoeding van casco- en andere schade verband houdende met het verlies van de "Assi Eurolink", alsmede van eventueel door haar aan de Nederlandse Staat te betalen wrakopruimingskosten.

(iv) Northsea heeft in reactie hierop op 19 februari 2003 een arbitrageprocedure aangespannen tegen B&N bij het Arbitration Institute of the Stockholm Chamber of Commerce in Zweden. Daarin vordert Northsea een verklaring door de arbiters dat B&N gehouden is haar schadeloos te stellen voor alle in verband met de aanvaring tegen haar gerichte aanspraken.

(v) B&N heeft vervolgens op 24 februari 2003 een beperkingsverzoek ingediend bij de Rechtbank in Stockholm, Zweden, die bij beslissing van één of enkele dagen later dit verzoek heeft gehonoreerd en het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van B&N is beperkt voorshands heeft bepaald op Euro 2.255.218,62 (SEK 20.791.629,-/SDR 1.800.093), voor welk bedrag B&N bij het desbetreffende gerecht reeds een fonds had gevormd door middel van garantstellingen door The Swedish Club en Försäkingsaktiebolaget Alandia, respectievelijk de P&I Club en de cascoverzekeraar van de "Seawheel Rhine".

(vi) In het beperkingsverzoek worden als mogelijke crediteuren Northsea en Westereems genoemd. Westereems is niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord voorafgaande aan de beslissing. Zweden kent geen voorschrift dat de mogelijke crediteuren moeten worden geïnformeerd over een verzoek tot fondsvorming.

(vii) Op 13 maart 2003 heeft Westereems te Rotterdam conservatoir vreemdelingenbeslag doen leggen op de "Seawheel Rhine". Tegen het stellen van twee garanties - één van SDR 2.628.375, op 20 maart 2003, door de Swedish Club (voor wrakopruiming) en één van SDR 1.800.093, op 21 maart 2003, door Försäkingsaktiebolaget Alandia (voor het zakenfonds), beide namens Northsea - is het beslag opgeheven.

(viii) Westereems is in beroep gegaan tegen de onder (v) genoemde beslissing van de Zweedse rechter. Het SVEA Gerechtshof te Stockholm heeft dit beroep op 26 juni 2003 verworpen.

(ix) Westereems heeft in oktober 2003 haar vordering aangemeld voor het in Zweden gevormde beperkingsfonds, zij het voorwaardelijk en onder betwisting van - onder meer - de bevoegdheid van de Zweedse rechter.

(x) Naar aanleiding van de door Westereems daarbij gedane verzoeken heeft de Rechtbank te Stockholm bij beslissing van 29 april 2004 overwogen dat de eerdere beslissing over de fondsvorming geen voorlopig karakter heeft en dat, wanneer Westereems wil betogen dat haar vorderingen niet vatbaar zijn voor beperking in Zweden, of dat het fonds niet geldt voor kosten van wrakopruiming, dan wel naar Nederlands recht moet worden afgewikkeld, zij daarvoor een "limitation action", een bodemprocedure, bij de Zweedse beperkingsrechter moet beginnen.

(xi) Nederland en Zweden zijn beide aangesloten bij het Verdrag van Londen.

3. Bij dagvaarding van 26 maart 2003 hebben B&N en Northsea Westereems gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tot (primair) teruggave van de garanties die namens Northsea zijn gesteld ter opheffing van het door Westereems op de "Seawheel Rhine" gelegde beslag. Aan hun (primaire) vordering hebben B&N en Northsea ten grondslag gelegd dat - kort gezegd - de beslissing van de Zweedse rechter, waarbij aan B&N is toegestaan om in Zweden een beperkingsfonds te vormen, hier te lande ingevolge de EEX-Verordening moet worden erkend en dat de garanties ingevolge art. 11 en 13 van het Verdrag van Londen moeten worden geretourneerd.

4. Westereems heeft de vordering bestreden en daartoe onder meer aangevoerd - kort gezegd - dat het Zweedse fonds niet in overeenstemming met art. 11 van het Verdrag van Londen is gevormd, nu Westereems door het instellen van de procedure tegen B&N en Northsea voor de rechtbank Groningen een rechtsgeding als bedoeld in art. 11 aanhangig heeft gemaakt, ruim voorafgaand aan de vorming van het beperkingsfonds in Zweden, zodat de Zweedse arbitrageprocedure niet kan worden gezien als een rechtsgeding in de zin van art. 11 en art. 13 toepassing mist. De EEX-Verordening is volgens Westereems niet toepasselijk aangezien het Verdrag van Londen, dat in art. 11 een bijzondere jurisdictiebepaling bevat, derogeert aan de verordening. Bovendien kan, ook indien toepasselijkheid van de EEX-Verordening zou moeten worden aangenomen, de Zweedse beperkingsbeslissing niet onder de verordening worden erkend, omdat zij "ex parte" is genomen, aldus Westereems.

5. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van B&N en Northsea bij vonnis van 24 april 2003 afgewezen. De voorzieningenrechter was van oordeel dat - kort gezegd - de door Northsea tegen B&N in Zweden aangespannen arbitrageprocedure niet kan worden beschouwd als "legal proceeding" in de zin van art. 11 van het Verdrag van Londen (r.o. 5.6), zodat de Zweedse rechter niet bevoegd was te beslissen op het beperkingsverzoek van B&N (r.o. 5.7) en Westereems de garanties niet op grond van art. 13 van het verdrag behoeft te retourneren (r.o. 5.8).

6. B&N en Northsea zijn van het vonnis van de voorzieningenrechter in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs: bij arrest van 15 maart 2005 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

7. Daartoe overwoog het hof - kort weergegeven - het volgende. Northsea wenst erkenning van de Zweedse beslissing vanwege het volgens haar daaraan naar Zweeds recht en ook ingevolge art. 13 van het Verdrag van Londen verbonden rechtsgevolg dat de namens haar gestelde garanties dienen te worden geretourneerd (r.o. 6 en 7). Uit de door partijen overgelegde legal opinions blijkt niet dat naar Zweeds recht dit rechtsgevolg aan de beslissing van de Zweedse rechter is verbonden (r.o. 7.2 en 7.3). Het rechtsgevolg volgt evenmin dwingend uit art. 13 van het Verdrag van Londen, aangezien dit artikel als voorwaarde stelt dat het beperkingsfonds overeenkomstig art. 11 moet zijn gevormd, aan welke voorwaarde hier niet is voldaan nu Northsea reeds was gedagvaard voor de rechtbank Groningen toen zij zelf een arbitrageprocedure in Zweden begon en zij zich niet kan beroepen op een procedure waarin zij zelf eisende partij is (r.o. 7.4 en 7.5). Mocht in weerwil van het voorgaande naar Zweeds recht aan de Zweedse beslissing wèl het door Northsea gestelde rechtsgevolg zijn verbonden, dan kan die beslissing ten aanzien van dat rechtsgevolg hier te lande niet worden erkend, omdat de beslissing ten aanzien van dat rechtsgevolg nog geen onderwerp is geweest of heeft kunnen zijn van een procedure op tegenspraak waarin Westereems de bevoegdheid van de Zweedse rechter, het recht van B&N op fondsvorming in Zweden en dat van Northsea om zich erop te beroepen, heeft kunnen betwisten. Uit de beslissing van het SVEA Gerechtshof te Stockholm volgt niet het tegendeel; die beslissing behelst geen inhoudelijke beoordeling van de tegenwerpingen en verwijst slechts naar de bodemprocedure (r.o. 8). De vordering tot teruggave van de garanties is naar het oordeel van het hof, nu niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vorderingen waarvoor het beslag is gelegd en ter opheffing waarvan de garanties zijn verstrekt, derhalve terecht afgewezen (r.o. 9).

8. B&N en Northsea zijn tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel, dat door Westereems is bestreden met conclusie tot verwerping van het beroep.

9. Onderdeel I van het middel valt in vier subonderdelen uiteen en betreft de door het Hof gegeven uitleg aan (art. 11 en 13 van) het Verdrag van Londen. Het onderdeel verwijt het hof primair te hebben miskend dat dit verdrag een erkenningstoetsing van de beslissing tot fondsvorming niet toestaat en dat een dergelijke beslissing onmiddellijke rechtskracht heeft in alle verdragsstaten, zodat het hof als in Nederland aangezochte verdragsrechter op grond van de uit de fondsvorming in Zweden voortvloeiende "immuniteit" van beslagen ex art. 13 van het verdrag de door Northsea gevorderde teruggave van de garanties had behoren te bevelen (subonderdeel I.1). Subsidiair, voor zover al toetsing van de beslissing tot fondsvorming aan (de strekking van) art. 11 en 13 van het Verdrag van Londen en/of aan het Zweedse recht is toegestaan, klaagt het onderdeel dat het hof ten onrechte heeft beslist dat de Zweedse beslissing niet voldoet aan (de strekking van) art. 11 en 13 van het verdrag (subonderdeel I.2) en zijn beslissing dat naar Zweeds recht aan de beslissing van de Zweedse rechter niet het rechtsgevolg is verbonden dat de namens Northsea gestelde garanties dienen te worden geretourneerd, heeft gegrond op een onbegrijpelijke uitleg van het Zweedse recht (subonderdeel I.3). Ten slotte klaagt het onderdeel dat het hof derhalve, althans in ieder geval, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de vraag of de garanties moeten worden teruggegeven: door de fondsvorming in Zweden is vrijgave van gestelde zekerheid ingevolge het Verdrag van Londen imperatief (subonderdeel I.4).

10. De primaire klacht van het onderdeel stelt de vraag aan de orde of de rechter van een bij het Verdrag van Londen aangesloten staat bij wie uit hoofde van art. 13 van het verdrag een vordering tot vrijgave van gestelde zekerheid is ingesteld, de vrijheid heeft de (impliciete) beslissing van de rechter van een andere verdragsluitende staat bij wie een beperkingsfonds is gevormd, dat is voldaan aan de in art. 13 van het verdrag gestelde voorwaarde dat het beperkingsfonds is gevormd overeenkomstig art. 11 van het verdrag, zelfstandig te toetsen, dan wel zonder "révision au fond" aan die beslissing is gebonden.

11. Bij de beoordeling van deze vraag dient vooropgesteld te worden dat het Verdrag van Londen, hoewel de regeling van art. 13 erkenning van de beslissing van de fondsrechter veronderstelt (vgl. D. Sinkus, Die grenzüberschreitende Haftungsbeschränkung des Reeders, 1995, blz. 45-49), geen regeling kent inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van onder dit verdrag gegeven beslissingen. Zie de conclusie P-G onder 12 voor HR 20 december 1996, NJ 1998, 489 nt. M.H. Claringboult. De vraag onder welke voorwaarde en in welke omvang de beslissing van de Zweedse fondsrechter hier te lande voor erkenning in aanmerking komt, dient derhalve beoordeeld te worden aan de hand van bestaande regelingen van internationaal privaatrecht inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen. In de onderhavige zaak komt daarvoor de erkennings- en tenuitvoerleggingsregeling van de EEX-Verordening in aanmerking, nu de beslissing gegeven is door de rechter van een EU-lidstaat waarvoor de verordening van toepassing is.

12. De beslissing van de Zweedse rechter is aan te merken als een beslissing in de zin van art. 32 van de EEX-Verordening en valt derhalve onder de erkenningsregeling van deze verordening. De omstandigheid dat de Zweedse beslissing "ex parte" staat hieraan niet in de weg. Hoewel volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie het EEX-Verdrag hoofdzakelijk ziet op rechterlijke beslissingen die, voordat in een andere staat dan in de staat van herkomst om erkenning en tenuitvoerlegging ervan wordt verzocht, in die staat op diverse wijze het onderwerp zijn geweest of konden zijn van een procedure op tegenspraak (zie HvJEG 21 mei 1980, zk 125/79, Denilauler/Couchet, Jur. 1980, p. 1553, NJ 1981, 184 nt JCS), heeft het Hof van Justitie bij arrest van 14 oktober 2004, zk C-39/02 (Maerks/De Haan), NIPR 2004, nr. 357, Rev. Crit. d.i.p. 2005, blz. 118, IPRax 2006, blz. 262 geoordeeld dat een zonder voorafgaande betekening aan de betrokken schuldeiser gegeven beschikking tot het vormen van een beperkingsfonds niettemin een beslissing is in de zin van art. 25 EEX-Verdrag en dus onder de erkenningsregeling van het EEX-Verdrag valt. In aanmerking genomen dat uit het oogpunt van de waarborging van de continuïteit tussen het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening de rechtspraak van het Hof van Justitie op het EEX-Verdrag zijn betekenis behoudt voor de uitlegging van overeenkomstige bepalingen in de EEX-Verordening (vgl. de preambule bij de EEX-Verordening onder 19), mag het Maerks/De Haan-arrest hier derhalve tot leidraad worden genomen en kan de conclusie geen andere zijn dan dat de beslissing van de Rechtbank in Stockholm een beslissing is in de zin van art. 32 van de EEX-Verordening en dus onder de erkenningsregeling van de EEX-Verordening valt. De vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden en in welke omvang de beslissing van de Zweedse fondsrechter in Nederland voor erkenning in aanmerking komt, dient derhalve, nu de erkenningregeling van de EEX-Verordening niet alleen materieel (volgens het Maerks/De Haan-arrest) en formeel (de beslissing is gegeven door een gerecht van een EU-lidstaat), maar ook temporeel (de beslissing is gegeven na de inwerkingtreding van de verordening; zie art. 66 lid 2 EEX-Verordening) van toepassing is, beoordeeld te worden aan de hand van de EEX-Verordening.

13. Onder de erkenningsregeling van de EEX-Verordening worden de in een lidstaat gegeven beslissingen in de overige lidstaten zonder vorm van proces, derhalve "automatisch", erkend (art. 33 lid 1). Behoudens hier niet van toepassing zijnde uitzonderingen, mag de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet worden getoetst (art. 35 lid 3) en wordt in geen geval overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing (art. 36). De gronden voor weigering van erkenning staan limitatief opgesomd in art. 34. Van deze vier gronden zijn de gronden genoemd onder punt 1, 3 en 4 thans niet aan de orde. De grond onder punt 2 is niet van toepassing. Het Hof van Justitie heeft in het Maerks/De Haan-arrest voor recht verklaard dat aan een zonder voorafgaande betekening aan de betrokken schuldeiser gegeven beschikking tot het vormen van een beperkingsfonds erkenning niet kan worden geweigerd op basis van art. 27 punt 2 EEX-Verdrag (thans art. 34 punt 2 EEX-Verordening), mits deze beschikking regelmatig en tijdig aan de schuldeiser werd betekend of medegedeeld. Dit geldt blijkens de Maerks/De Haan-uitspraak ook wanneer de schuldeiser beroep tegen de beschikking ter betwisting van de bevoegdheid van de fondsrechter heeft ingesteld en op dit beroep nog niet is beslist. De juistheid van het door subonderdeel I (onder 3.g) aangevallen oordeel van het hof dat het SVEA Gerechtshof in de door Westereems aangespannen beroepsprocedure nog geen inhoudelijke beoordeling heeft gegeven op de tegenwerpingen tegen de bevoegdheid van de Zweedse rechter en het recht van B&N op fondsvorming in Zweden doch deze kwesties heeft verwezen naar de bodemprocedure, kan derhalve in het midden blijven.

14. In het onderhavige geval staat vast dat Westereems bij het SVEA Gerechtshof te Stockholm in beroep is gegaan tegen de beslissing van de fondsrechter. Daaruit volgt noodzakelijkerwijze dat deze beslissing aan Westereems tijdig en regelmatig ter kennis is gebracht, zodat aan de door het in het Maerks/De Haan-arrest gestelde voorwaarde is voldaan en erkenning van de beslissing van de Zweedse fondsrechter niet kan worden geweigerd op de grond genoemd onder punt 2 van art. 34. Onder de EEX-Verordening dient de beslissing van de Zweedse fondsrechter derhalve in Nederland te worden erkend.

15. Ingevolge de EEX-Verordening worden de omvang van het gezag van gewijsde dat aan een rechterlijke beslissing toekomt en het rechtsgevolg daarvan bepaald door het recht van de lidstaat waarin de beslissing is gegeven. Vgl. HvJEG 4 februari 1988, zk 145/86 (Hoffmann/Krieg), Jur. 1988, p. 645; zie ook HR 12 maart 2004, NJ 2004, 284. In het onderhavige geval wordt het gezag van gewijsde en het rechtsgevolg van de beslissing van de Zweedse fondsrechter derhalve bepaald door Zweeds recht, met inbegrip van het voor Zweden inwerkinggetreden Verdrag van Londen. Uit art. 13 van het Verdrag van Londen volgt dat de daar bedoelde, uit de fondsvorming voortvloeiende "immuniteit" van beslagen zich uitstrekt tot het rechtsgebied van alle staten die partij zijn bij het verdrag. Dit betekent dat erkenning van de beslissing van de Zweedse fondsrechter "immuniteit" van beslagen niet alleen in Zweden, maar ook in Nederland tot rechtsgevolg heeft.

16. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de primaire klacht (subonderdeel I.1) van onderdeel I, voor zover deze ertoe strekt te betogen dat het hof heeft miskend dat de beslissing van de Zweedse fondsrechter hier te lande moet worden erkend en dat dit tot gevolg heeft dat de in art. 13 van het Verdrag van Londen bedoelde "immuniteit" van beslagen zich ook uitstrekt tot het rechtsgebied van Nederland, doel treft. Indien de primaire klacht van onderdeel I slaagt, behoeven de subsidiaire klachten (subonderdelen I.2 en I.3) van onderdeel I geen behandeling.

17. In aanmerking genomen dat de beslissing van de Zweedse rechter op de voet van de EEX-Verordening hier te lande zonder "révision au fond", dus ook zonder een onderzoek naar de juistheid van de daarin opgenomen (impliciete) beslissing dat is voldaan aan de door art. 11 van het Verdrag van Londen gestelde voorwaarde voor fondsvorming, te weten dat in Zweden door de arbitrageprocedure een rechtsgeding aanhangig is gemaakt met betrekking tot voor beperking vatbare vorderingen, moet worden erkend, en voorts in aanmerking genomen dat het mede door het Verdrag van Londen bepaalde gezag van gewijsde en rechtsgevolg van die beslissing inhoudt dat de uit de fondsvorming voortvloeiende "immuniteit" van beslagen zich ook uitstrekt tot het Nederlandse rechtsgebied, rijst vervolgens de door subonderdeel I.4 aan de orde gestelde vraag of dit meebrengt dat de Nederlandse rechter ingevolge art. 13 van het Verdrag van Londen zonder meer gehouden is de door Northsea gevorderde teruggave van de garanties te bevelen, dan wel beoordelingsvrijheid heeft.

18. Art. 13 van het Verdrag van Londen strekt ertoe na de vorming van een beperkingsfonds het overige vermogen van de persoon door of namens wie het fonds is gevormd te vrijwaren van juridische acties van schuldeisers; de schuldeisers kunnen alleen nog rechten tegen het fonds uitoefenen. Daartoe bepaalt het eerste lid van art. 13 dat het een persoon die een vordering tegen het fonds heeft ingediend, niet is toegestaan enig recht met betrekking tot een zodanige vordering uit te oefenen ten aanzien van enige andere activa van een persoon door of namens wie het fonds is gevormd. Beslagen die vóór of na fondsvorming zijn gelegd door een persoon die zijn vordering tegen het fonds heeft ingediend, missen derhalve na de fondsvorming rechtsgevolg. Beslagen die vóór de fondsvorming zijn gelegd ter zake van vorderingen die tegen het fonds kunnen worden ingesteld, kunnen, nadat fonds is gevormd, ook indien de persoon namens wie het beslag is gelegd zijn vordering (nog) niet heeft ingediend tegen het fonds, ingevolge het tweede lid van art. 13 worden opgeheven. Deze opheffing is facultatief (het tweede lid spreekt van "kan"). De opheffing is evenwel imperatief, indien sprake is van één van de situaties genoemd onder punt a t/m d in het tweede lid. Zie nader N. Trotz, Zur Internationalen Konvention von 1976 über die Haftbeschräkung für Forderungen aus der Seeschiffahrt, 1980, blz. 103-107; S. Rittmeister, Das Seerechtliche Haftungsbeschränkungsverfahren nach neuem Recht, 1995, blz.65-70; R. Cleton, De beperkte aansprakelijkheid van de scheepseigenaar, 2e dr. 1998, blz. 94-96; P. Griggs, R. Williams & J. Farr, Limitation of Liability for Maritime Claims, 4th ed. 2005, blz. 74-78.

19. Bij de toepassing van art. 13 dienen derhalve drie gevallen te worden onderscheiden. In de eerste plaats het geval waarin (voor of na fondsvorming) beslag is gelegd door een persoon die zijn vordering tegen het fonds heeft ingediend. In dit geval mist het beslag ingevolge art. 13 lid 1 rechtsgevolg en is opheffing dus imperatief. In de tweede plaats het geval waarin beslag is gelegd voordat fondsvorming heeft plaatsgevonden en de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd (nog) niet tegen het fonds is ingediend. De opheffing is ingevolge art. 13 lid 2 imperatief, indien sprake is van één van de situaties genoemd onder punt a t/m d. Is daarvan geen sprake dan is opheffing facultatief.

20. In het onderhavige geval heeft Westereems op 13 maart 2003 beslag doen leggen op de "Seawheel Rhine", derhalve nadat in Zweden fonds was gevormd. Vervolgens heeft Westereems in oktober 2003 haar vordering bij dit fonds ingediend. Hier is dus sprake van het eerste geval, bedoeld in art. 13 lid 1 van het verdrag: het beslag is (na fondsvorming) gelegd door een persoon die zijn vordering tegen het fonds heeft ingediend. In een zodanig geval mist het beslag ingevolge art. 13 lid 1 rechtsgevolg en is opheffing dus imperatief.

21. Het oordeel van het hof dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vorderingen waarvoor het beslag door Westereems is gelegd en ter opheffing waarvan de garanties zijn verstrekt, en dat daarom de vordering tot teruggave van de garanties door de rechtbank terecht is afgewezen, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting. Ingevolge het hier toepasselijke eerste lid van art. 13 van het Verdrag van Londen is de deugdelijkheid van de vordering waarvoor het beslag is gelegd niet van belang bij de beoordeling van de vordering tot teruggave van de garanties en is, nu fondsvorming in Zweden heeft plaatsgevonden en Westereems haar vordering ter verzekering waarvan zij het beslag heeft gelegd bij dit fonds heeft ingediend, vrijgave van de gestelde zekerheden imperatief. Subonderdeel I.4 treft derhalve doel.

22. Onderdeel II van het middel, dat naar de kern het oordeel van het hof - in r.o. 8 - de door het SVEA Gerechtshof bekrachtigde beslissing van de Rechtbank in Stockholm hier te lande niet kan worden erkend als onjuist, want in strijd met het erkenningsregime van de EEX-Verordening, bestrijdt, treft doel. Verwezen zij naar hetgeen hierboven onder 12 t/m 15 is aangetekend bij de primaire klacht van onderdeel I van het middel.

23. Onderdeel III van het middel, dat zich keert tegen de afwijzing door het hof van de subsidiair door B&N en Northsea gevorderde verlaging van de namens Northsea gestelde garanties, behoeft geen behandeling indien de tegen de afwijzing van de primaire vordering tot teruggave van de garanties aangevoerde onderdelen I en II van het middel doel treffen.

24. Onderdeel IV van het middel, dat zich voortbouwend op de eerder aangevoerde onderdelen richt tegen de in r.o. 11 en het dictum weergegeven slotsom van het hof dat het bestreden vonnis van de rechtbank moet worden bekrachtigd, treft doel indien de onderdelen I en II slagen.

25. Na cassatie kan de Hoge Raad de zaak op het bestaande hoger beroep zelf afdoen door, met gegrondbevinding van de eerste drie door B&N en Northsea tegen het vonnis van de voorzieningenrechter aangevoerde grieven, dit vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, de primaire vordering van B&N en Northsea tot teruggave van de door Northsea verstrekte garanties toe te wijzen.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als is weergegeven onder 25.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden