Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX2032

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
02357/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX2032
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Handelingen na (gedeeltelijke) inbeslagneming drugs. De ±5 kg cocaïne in een postpakket worden voorafgaand aan de gecontroleerde doorlevering vervangen door een dummylading met ±10 g cocaïne. Ex art. 1.4 Opiumwet is onder binnen het grondgebied brengen begrepen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en elke op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling met betrekking tot die middelen die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht of tot de voorwerpen of goederen waarin die middelen verpakt of geborgen zijn. Nu in de tenlastelegging aan verdachte wordt verweten dat zij ongeveer 5 kg cocaïne daadwerkelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht door die hoeveelheid vanuit Aruba te (doen) zenden naar een adres in A’dam, heeft het hof de vervolgens in de tenlastelegging opgenomen omstandigheid dat verdachte het pakket (daarna) heeft laten openmaken kennelijk niet opgevat als een handeling ex art. 1.4 Opiumwet t.a.v. die binnen het grondgebied gebrachte hoeveelheid cocaïne, maar als een feitelijkheid die de aan verdachte verweten betrokkenheid bij genoemde, op de daadwerkelijke invoer van die hoeveelheid gerichte handelingen ondersteunt. Die uitleg van de tenlastelegging is met haar bewoordingen niet in strijd en moet in cassatie worden geëerbiedigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 443
RvdW 2006, 708
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 02357/05

Mr. Wortel

Zitting:9 mei 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoekster wegens "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van zevenentwintig maanden.

Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder in voorwaardelijke vorm opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.

2. Namens verzoekster heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, bij de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden doordat de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad zijn toegezonden.

4. In aanmerking genomen dat het beroep is ingesteld op 14 december 2004, heeft het ongeveer veertien dagen te lang geduurd voordat de stukken van het geding (op 29 augustus 2005) bij de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dit zal tot matiging van de opgelegde straf moeten voeren.

5. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen is omkleed, aangezien bewezen is verklaard dat verzoekster ongeveer vijf kilogram cocaïne binnen Nederland heeft gebracht, doch uit de bewijsmiddelen blijkt dat de cocaïne reeds door opsporingsambtenaren uit het postpakket was verwijderd, en daarin bij de aflevering op het bestemmingsadres nog slechts een monster van tien gram was achtergelaten. Er wordt een beroep gedaan op HR NJ 1998, 515, HR NJ 1999, 207 en HR 23 augustus 2005, LJN AT6061.

6. Blijkens de bestreden uitspraak gaat het om een postpakket dat is bezorgd op het Amsterdamse adres van verzoeksters broer. Tot de bewijsmiddelen behoort een verklaring van verzoekster inhoudende dat zij wist dat het pakket cocaïne bevatte. In hoger beroep heeft verzoekster evenwel ook verklaard dat zij met het feit niets te maken heeft gehad, en dat zij slechts bij toeval aanwezig was toen haar broer het bij hem bezorgde pakket openmaakte. Dit volgt uit bewijsoverwegingen waarin deze bewering als onwaarschijnlijk van de hand is gewezen. Die luiden:

"Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende:

- de verdachte heeft tot eind februari 2001 een bezoek aan de Nederlandse Antillen en aan Aruba gebracht;

- een pakket dat cocaïne bevat wordt op 19 februari 2001 van Aruba naar het adres [a-straat 1] te [woonplaats] verzonden;

- op dit adres staan de verdachte en haar broer [betrokkene 1] ingeschreven;

- de verdachte gebruikt dit adres als verblijfplaats, maar verblijft na haar terugkeer van de Nederlandse Antillen elders;

- [betrokkene 1] heeft de periode van 13 februari 2001 tot 3 maart 2001 in detentie doorgebracht; hij reageert enigszins verbaasd wanneer op 6 maart 2001 bij hem op voormeld adres via de post een postpakket wordt bezorgd en door hem in ontvangst genomen wordt;

- [betrokkene 1] deelt de verdachte telefonisch mede dat er een postpakket is bezorgd, omdat hij denkt dat zij er iets van weet;

- de verdachte gaat ervan uit dat het postpakket cocaïne bevat;

- hoewel het postpakket omstreeks 10.15 uur is bezorgd, wacht [betrokkene 1] met het openen ervan tot omstreeks 13.00 uur, het moment dat de verdachte ter plaatse is gekomen.

In het licht van voormelde feiten en omstandigheden acht het hof ongeloofwaardig dat het postpakket met cocaïne was bestemd voor [betrokkene 1] en dat de verdachte derhalve niet betrokken is geweest bij het onderhavige feit. Daarbij overweegt het hof dat [betrokkene 1] reeds vóór de verzending van het pakket naar Nederland was gedetineerd en hij tot na de aankomst van het pakket in Nederland op of vóór 27 februari 2001 van zijn vrijheid was beroofd. Het is niet aannemelijk te achten dat een pakket met een dergelijk kostbare inhoud wordt verzonden, indien de beoogde ontvanger niet in staat is of zal zijn het pakket in zijn macht te brengen. Voorts ligt het niet voor de hand dat [betrokkene 1] enkele uren heeft gewacht met het openen van het pakket tot de komst van de verdachte, indien hij wel, maar zij niet bij het onderhavige feit zou zijn betrokken. Onder deze omstandigheden moet het ervoor gehouden worden dat enkel de verdachte betrokken is geweest bij het primair tenlastegelegde. Feiten en omstandigheden die de lezing van de verdachte ondersteunen zijn voorts gesteld noch aannemelijk geworden. Het hof verwerpt daarom het verweer van de verdachte."

7. Opmerking verdient voorts dat aanvankelijk primair was tenlastegelegd dat verzoekster in de genoemde periode

"te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer) 5 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I".

Ten gevolge van een in eerste aanleg toegelaten wijziging is de beschuldiging aldus gewijzigd dat verzoekster in dat tijdvak

"te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (mede als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) (ongeveer) 5 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) in genoemde periode opzettelijk die hoeveelheid van dat materiaal opgezonden of doen opzenden vanuit Aruba naar een adres in Amsterdam en/of dat pakket opengemaakt of open laten maken".

8. De aldus gewijzigde tekst vormt geen lopende zin. Met "dat pakket" moet zijn beoogd terug te grijpen op een eerdere vermelding, maar die ontbreekt. Overigens heeft de Rechtbank de wijziging toegelaten nadat de verdediging had laten weten geen bezwaar te hebben, terwijl in hoger beroep niet is aangevoerd dat (het primaire deel van) de tenlastelegging onbegrijpelijk is.

9. Het Hof heeft bewezen verklaard dat verzoekster in het genoemde tijdvak te Amsterdam

"opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5 kilogram cocaïne, immers heeft verdachte in genoemde periode opzettelijk die hoeveelheid van dat materiaal gezonden of doen opzenden vanuit Aruba naar een adres in Amsterdam en dat pakket open laten maken"

10. Bedacht dient te worden dat binnen Nederlands grondgebied brengen "als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet" niet uitsluitend betrekking heeft op de handelingen die na de eigenlijke grensoverschrijding worden gesteld. Deze bepaling brengt de beide gedragingen - zowel het daadwerkelijk over de landsgrenzen brengen als de daarop aansluitende gedragingen - binnen het wettelijk begrip van "binnen het grondgebied van Nederland brengen".

11. Het kan ervoor gehouden worden dat het Hof de gewijzigde tenlastelegging aldus verbeterd heeft gelezen dat verzoekster wordt verweten dat zij een postpakket met vijf kilogram ("die hoeveelheid") cocaïne vanuit Aruba heeft verzonden of heeft laten verzenden naar een adres te Amsterdam, en vervolgens heeft bevorderd dat het op dat adres afgeleverde pakket werd opengemaakt, terwijl het dit verwijt aldus heeft verstaan dat de laatstgenoemde (aansluitende) gedraging er op wijst dat verzoeksters willens en wetens betrokken is geweest bij het naar Amsterdam brengen van de op Aruba verzonden cocaïne.

12. In deze zin opgevat houden tenlastelegging en bewezenverklaring in dat verzoekster opzettelijk handelingen heeft verricht die waren gericht op het binnen Nederland brengen van een postpakket dat bij aankomst op Nederlands grondgebied vijf kilogram cocaïne bevatte.

13. Het middel behoeft daarom niet tot cassatie te voeren.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, matiging van die straf en verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,