Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX1647

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
08-09-2006
Zaaknummer
R05/159HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX1647
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, afwijzing verzoek schuldenaar toepassing schuldsaneringsregeling, niet te goede trouw ten aanzien van – na onroerend goed transacties ontstane – problematische schuldenlast (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2006-09-08
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-09-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 498
RvdW 2006, 797
JWB 2006/274

Conclusie

Zaaknr. R05/159HR

Mr. Huydecoper

Parket, 12 mei 2006

Conclusie inzake

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

Feiten en procesverloop

1) De verzoeker tot cassatie, [verzoeker], is in een problematische schuldensituatie geraakt doordat hij en zijn toenmalige echtgenote twaalf woningen op hun naam hebben laten zetten, als investering in onroerend goed. [Verzoeker] en zijn toenmalige echtgenote hebben dit gedaan op advies van een aangetrouwd familielid [betrokkene 1], om zo een stuk financiële zekerheid voor de toekomst op te bouwen. [Betrokkene 1] verhuurde en beheerde de woningen. [verzoeker] hoefde alleen een handtekening te zetten op de aanvraag voor de diverse hypotheken. Later bleek dat [betrokkene 1] de hypotheekpremies niet had voldaan en de huurinkomsten in eigen zak had gestoken. De woningen zijn uiteindelijk door de hypotheekhouders verkocht en [verzoeker] is met de restschulden blijven zitten(1). Zijn ex-vrouw heeft actie ondernomen en heeft, volgens [verzoeker], haar deel van de schuldenlast kunnen afhandelen(2). [Verzoeker] heeft geen aangifte bij de politie gedaan of anderszins juridische stappen ondernomen om de schuldenlast op [betrokkene 1] te verhalen.

2) De totale schuldenlast is tenminste(3) € 263.288,66 (in hoofdsom). Daarbij gaat het om schulden aan Ohra Bank van € 98.420,99, aan Direktbank van € 32.568,55, aan Hooge Huys Hypotheken van € 119.100,90 en aan de Gemeentelijke Belastingdienst van € 10.725,38(4).

3) In de eerste aanleg is op 18 maart 2005 een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend(5). Dit verzoek is bij het al even vermelde vonnis van 24 augustus 2005 afgewezen. De rechtbank overwoog daarbij dat [verzoeker] ten aanzien van (zowel het ontstaan als het onbetaald laten van) de schuldenlast niet te goeder trouw is geweest.

In de thans in cassatie bestreden uitspraak heeft het hof dit vonnis bekrachtigd(6). Ook het hof oordeelde dat [verzoeker] niet te goeder trouw was geweest (en wel: bij het ontstaan van de schulden; al geven de overwegingen van het hof er blijk van, dat ook met de behandeling van de schulden na het ontstaan daarvan wel rekening is gehouden).

4) Tegen de uitspraak van het hof is namens [verzoeker] tijdig cassatieberoep ingesteld(7). In cassatie is (evenals in de feitelijke instanties) geen verweer gevoerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) De klachten van het cassatiemiddel betreffen, zoals voor de hand ligt, alle het oordeel van het hof dat er inhoudelijk op neer komt dat het verzoek van [verzoeker] niet voor toewijzing in aanmerking komt omdat [verzoeker] bij het ontstaan van de door het hof in aanmerking genomen schulden niet te goeder trouw is geweest.

De rechtsleer betreffende de maatstaf die art. 288 lid 2 onder b F de rechter hier voorhoudt - namelijk: het niet te goeder trouw geweest zijn bij het ontstaan of onbetaald laten van schulden - is helder en (nagenoeg) volledig beschreven in de conclusie van A- G Verkade voor HR 17 december 2004, NJ 2005, 240(8). Met verwijzing naar het daar besprokene, geef ik een korte samenvatting:

6) Ingevolge art. 288 lid 2 onder b F kán de rechter een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling afwijzen wanneer aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. De maatstaf die daarmee tot uitdrukking wordt gebracht strekt ertoe, een gedragsnorm aan te geven (en niet een geestesgesteldheid)(9). Bij de beoordeling of aan deze gedragsnorm is voldaan dan wel ten opzichte daarvan in betekenisvolle mate is tekortgeschoten kan - ik zou eerder zeggen: moet(10) - de rechter letten op alle relevante omstandigheden die hem zijn voorgelegd. Het gaat daarbij niet alleen om gedragingen "in de financiële sfeer", en het is niet nodig dat de schuldenaar "desbewust" schulden heeft laten ontstaan of onbetaald gelaten(11). Bij de beoordeling gaat het, althans in belangrijke mate, om een taxatie van de "moraliteit" van de schuldenaar(12).

7) De motivering van het oordeel waarbij aan deze afwijzingsgrond toepassing wordt gegeven moet solide zijn(13). Er wordt wel geleerd dat aan hoge motiveringseisen moet worden voldaan(14), maar ik ben geneigd te denken dat niet méér vereist is, dan dat blijkt dat met alle relevante gegevens/argumenten rekening is gehouden (en (alleen) waar dat zich opdringt: hoe die argumenten/gegevens zijn gewogen, en waarom). Dat is misschien een striktere motiveringseis dan wel wordt aangelegd voor de "summierlijk" te beoordelen gegevens waarnaar, bijvoorbeeld, art. 6 lid 3 F verwijst(15); maar het beantwoordt aan wat in het algemeen voor de motivering van rechterlijke beslissingen geldt.

De motiveringsplicht van de rechter hangt nauw samen met wat van de kant van de betrokkenen in de procedure is aangevoerd: relevante (en zeker: essentiële) stellingen vergen een gemotiveerde beoordeling; waar weinig of niets gesteld is, geldt het omgekeerde.

8) Dat een schuldenaar zich niet aan de hier bedoelde gedragsnorm heeft geconformeerd kan op veel verschillende manieren tot uiting komen. Twee voor de hand liggende varianten waarin een gebrek aan respect voor deze gedragsnorm tot uiting kan komen, zijn te omschrijven als: het met (eventueel: voorwaardelijk) opzet benadelen van crediteuren en/of verhaalsbelangen; en het blijk geven van vergaande zorgeloosheid ten aanzien van de bedoelde gegevens ("..er in financieel opzicht bij wijze van spreken maar op los leeft...", zoals de Memorie van Antwoord bij het oorspronkelijke wetsontwerp bij de schuldsaneringsregeling het uitdrukt(16)). Zowel blijken van kwaadwilligheid als blijken van vergaande nonchalance (en uiteraard combinaties van, of tussenvormen tussen deze beide) kunnen steun geven aan het oordeel dat aan de maatstaf van goede trouw niet is voldaan.

9) Met het zojuist kort geschetste kader voor ogen, kom ik ertoe de klachten van het middel als ondeugdelijk te beoordelen. Ik licht dat nader toe:

10) Onderdeel I vecht het oordeel aan dat [verzoeker] zich met het verwerven van twaalf woningen en het aangaan van leningsverplichtingen in verband daarmee in een hachelijk avontuur begaf. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn omdat, kort gezegd, verstrekte hypothecaire leningen door de "overwaarde" van de in hypothecaire zekerheid gegeven onderpanden plegen te worden "gedekt".

Deze klacht faalt omdat, wat er zij van de algemene stelling met betrekking tot hypothecaire financiering waar die op berust, het hof alleen al gezien de vergaand negatieve resultaten van de beleggingen in de onderhavige zaak zonder enige miskenning van rechtregels of logica kon aannemen dat het hier een hachelijk avontuur had betroffen waarvan (gezien de omvang van de tekorten) de risico's iedereen, en dus ook [verzoeker], duidelijk behoorden te zijn.

11) Ook mij heeft overigens - evenals de rechtbank, zoals uit het vonnis van de eerste aanleg blijkt - de vraag bekropen hoe het mogelijk is dat er op alle aangekochte panden financiering - naar zich opdringt: voor de volledige aankoopsom inclusief kosten - is verstrekt, terwijl de inkomenspositie van [verzoeker] en zijn echtgenote kennelijk onvoldoende was om als aanvullende zekerheid te (kunnen) dienen. De "volkswijsheid" waar de klacht van het middel van uit gaat steunt immers op het gegeven, dat hypothecaire financiers een zekerheidsmarge plegen te hanteren, en dus bij leningnemers die overigens weinig verhaal bieden slechts bereid zijn een percentage (bijvoorbeeld 70%, of soms wel 80 %) van de verwervingskosten van het in hypothecaire zekerheid te geven onderpand te lenen. Hier is kennelijk veel minder behoedzaam te werk gegaan. Een aannemelijke verklaring daarvoor is van de kant van [verzoeker] niet gegeven (en ook overigens niet aan het licht gekomen).

12) Bij die stand van zaken is de vaststelling dat hier van een hachelijk avontuur sprake was, eens temeer begrijpelijk.

Tot de "hachelijkheid" droeg nog bij dat [verzoeker], naar uit diens stellingen valt op te maken, zich geen rekenschap heeft gegeven van de omvang van de risico's die op zijn naam werden aangegaan, en ook administratie en beheer geheel aan anderen heeft overgelaten - niet alleen zonder daar enige bemoeienis mee te hebben, maar ook zonder enige relevante administratieve verantwoording te verlangen (of althans: documentatie te vragen, laat staan te bewaren). Een dergelijke overdaad aan "goed vertrouwen" kán door de rechter op een lijn worden gesteld met het "er maar op los leven" dat de Memorie van Antwoord uit 1993 - 1994 als illustratie gebruikt; en kan er althans toe bijdragen dat men de risico's waar de betrokkene zich in heeft begeven, als buitensporig beoordeelt.

13) Onderdeel II klaagt dat het hof niet (uitdrukkelijk) heeft getoetst of [verzoeker] bij het voortbestaan van de schulden te goeder trouw is geweest.

Deze klacht lijkt mij al daarom ongegrond, omdat niet blijkt dat namens [verzoeker] was aangevoerd dat diens gedrag in verband met het voortbestaan van de schulden de negatieve beoordeling van zijn rol bij het ontstaan van die schulden kon "goedmaken".

Zoals ik al opmerkte, blijkt uit de eigen stellingen van [verzoeker] daarentegen dat hij geen enkel initiatief, hoe gering ook, aan de dag heeft gelegd om aan het probleem van de dreigende c.q. inmiddels aan het licht gekomen schulden tegemoet te komen. Het hof stelt in rov. 9 dan ook expliciet vast dat [verzoeker] niets heeft gedaan om te trachten de schade te beperken. Het middel maakt niet duidelijk in welk opzicht er in deze context aanleiding zou kunnen worden gevonden om zich af te vragen of uit [verzoeker]s houding in verband met het voortbestaan van de schulden, aanwijzingen voor zijn goede trouw zouden zijn te putten. Ook deze houding lijkt daarentegen (slechts) te bevestigen dat [verzoeker] met een nagenoeg volledig gebrek aan zorg zijn financiële positie en problemen heeft benaderd.

14) Volledigheidshalve merk ik nog op dat het hof het feit dat [verzoeker] als gevolg van een derdenbeslag genoodzaakt was, op de schuld waarvoor dat beslag gelegd is af te lossen (dat is, denk ik, het gegeven waar Onderdeel II op doelt), niet hoefde op te vatten als een blijk van verbeterd financieel gedrag(17). Men kan dit evengoed, of zelfs beter, beoordelen als een bevestiging van de door inertie en verwaarlozing gekenmerkte houding die ook overigens uit het dossier naar voren komt.

Ook het in dit verband genoemde feit dat [verzoeker] geen stappen heeft gezet die tot verhaal bij [betrokkene 1] zouden kunnen leiden, kan tot dezelfde indruk bijdragen. Het valt niet in te zien dat daaraan af zou doen dat L&L Properties B.V., wat "een rechtspersoon" van [betrokkene 1] zou zijn, inmiddels failliet ging. Overigens: van deze gegevens blijkt niet, dat daarop ten overstaan van rechtbank of hof een beroep is gedaan.

15) Onderdeel III klaagt over het voorbijgaan aan een namens [verzoeker] gedaan beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat hierop berustte dat [verzoeker]s gewezen echtgenote onder dezelfde omstandigheden wél tot de schuldsaneringsregeling zou zijn toegelaten(18).

Ik meen dat het hof om meer dan een reden aan deze vrij summier toegelichte stelling voorbij kon gaan. Zo blijkt uit de in alinea 1 hiervoor aangehaalde vaststelling van de rechtbank in de eerste aanleg (waarvan niet blijkt dat die in appel was bestreden), dat volgens mededelingen van [verzoeker] zelf, zijn gewezen echtgenote wél stappen in het werk had gesteld om haar schuldenproblemen te regelen - en zelfs dat de schuldenlast zou zijn "afgehandeld". Al daarom was dadelijk te onderkennen dat de gevallen van de beide (ex-)echtgenoten niet vergelijkbaar waren.

Daarbij komt, dat het stuk dat met de bedoelde pleitnota ter staving van het onderhavige betoog was overgelegd - een kopie van een brief van Mr. Nijhuis van het kantoor Ploum Lodder Princen in Rotterdam van 16 juni 2005 - er geen twijfel over laat bestaan dat de schuldsanering van de gewezen echtgenote van [verzoeker] al in 2002 was geëindigd onder gelijktijdige uitspreking van het faillissement van de betrokkene. Ook in dit opzicht was de stelling dat er van gelijke gevallen sprake zou zijn dermate gebrekkig onderbouwd dat ik zou menen dat die zonder gemotiveerde weerlegging mocht worden gepasseerd.

16) Onderdeel IV klaagt dat het hof "het vijfjaarscriterium" niet in het voordeel van [verzoeker] heeft toegepast.

Het criterium wat, naar ik aanneem, dit onderdeel op het oog heeft, berust niet op een rechtsregel in de zin van art. 79 lid 1 onder b RO. Vermoedelijk wordt gedoeld op een "beleidsvoornemen" van de gezamenlijke rechters-commissarissen in faillissementszaken, dat blijkbaar in de feitelijke instanties wordt toegepast. Dat strekt er dan toe dat het ontbreken van goede trouw gewoonlijk niet aan toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg hoeft te staan - ook niet bij uit misdrijf ontstane schulden - als het gaat om schulden die meer dan vijf jaar tevoren zijn aangegaan(19). Ik neem aan dat het hier een vuistregel betreft, die steunt op de gedachte dat in een meer verwijderd verleden gebleken gebrek aan goede trouw kan worden "goedgemaakt" wanneer in een tussenliggende, langere periode niet nader van gebrek aan goede trouw is gebleken.

17) Het hof heeft zich van dit gegeven rekenschap gegeven; maar heeft geoordeeld dat gezien de "voornoemde omstandigheden" het feit dat een substantieel deel van de schulden van meer dan vijf jaar geleden dateerde, er niet aan in de weg stond dat die schulden de toelating tot de schuldsaneringsregeling beletten.

Het lijkt mij duidelijk dat het hof hier het oog heeft op de even tevoren genoemde omstandigheid dat (ik parafraseer) zowel bij het aangaan van de schulden als bij de verdere gang van zaken toen de schade aan het licht kwam, [verzoeker] er blijk van heeft gegeven zich de zorg voor hetgeen onder zijn naam werd aangericht, in het geheel niet aan te trekken. Ik gaf al aan dat mij toeschijnt dat zo'n vergaand gebrek aan zorg ten aanzien van de brokken die men maakt - en waar men niet alleen zichzelf, maar ook tal van anderen mee belast - grond kan opleveren om een (nog voortbestaand) gebrek aan goede trouw aan te nemen. Dat het hof dat bij de afweging waarvan rov. 9 blijk geeft heeft gedaan is daarom noch strijdig met de hier toepasselijke rechtsregels, noch onvoldoende begrijpelijk. Aan de uitgangspunten waarop (in de door mij hiervoor uitgesproken veronderstelling) de "vijfjaars"-beleidsregel berust, was immers in dit geval niet voldaan.

18) Ten overvloede roep ik in herinnering dat de motiveringsplicht van de rechter rechtstreeks verband houdt met de stellingen die partijen de rechter hebben voorgelegd. Voor de hiervóór besproken motiveringsklachten geldt telkens - en geldt dus ook hier - dat het dossier maar een minimum aan houvast biedt, als het gaat om wat namens [verzoeker] was aangevoerd. Ook daarom stellen de motiveringsklachten van het middel eisen die (veel) verder gaan dan rechtens verlangd mag worden.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Tot zover: zie rov. 6 van het bestreden arrest; daaraan is ook de laatste vaststelling uit deze alinea ontleend.

2 3e rechtsoverweging van het in de eerste aanleg gewezen vonnis van 24 augustus 2005.

3 Uit de weinig verhelderende (en zeer onvolledige) processtukken zou men kunnen opmaken dat ingevolge een in 1999 onder de werkgever van [verzoeker] gelegd derdenbeslag, afbetalingen plaatsvinden op een vordering van BLG Hypotheekbank N.V. Die vordering wordt overigens niet nader aangeduid. BLG Hypotheekbank is niet vermeld onder de crediteuren waarop [verzoeker]s schuldsaneringverzoek betrekking heeft. Bij het inleidend verzoek om schuldsanering zijn nog een aantal kleinere schulden vermeld die bij de behandeling in appel niet meer genoemd worden (maar waarvan niet blijkt, waarom die niet langer worden genoemd).

4 Rov. 5 van het bestreden arrest.

5 Zo staat het in het in de eerste aanleg gewezen vonnis van 24 augustus 2005. De in het procesdossier overgelegde ongetekende kopie van het verzoekschrift draagt de weinig aannemelijke - immers: na het eindvonnis gelegen - datum van 7 september 2005. Andere exemplaren van het inleidende verzoek zijn niet voorhanden. Ook een proces-verbaal van de mondelinge behandeling die in de eerste aanleg op 17 augustus heeft plaatsgehad, ontbreekt in het dossier. Over de redenen voor het vrij aanzienlijke tijdsverloop tussen de datum van het inleidend verzoek en de mondelinge behandeling en beslissing, durf ik geen veronderstellingen aan.

6 Ik vermeld volledigheidshalve dat hoger beroep zou zijn ingesteld bij een op 19 september 2005 ingediend verzoekschrift (ook het appelrekest ontbreekt echter in het dossier). Dat is later dan met het oog op de termijn van art. 292 lid 2 F. mogelijk is; maar blijkens rov. 2 van de in cassatie bestreden uitspraak heeft het hof geoordeeld dat hier van verschoonbare overschrijding van de appeltermijn sprake is (en dat oordeel wordt in cassatie, begrijpelijkerwijs, niet ter discussie gesteld).

7 Binnen de cassatietermijn van acht dagen van art. 292 lid 4 F. Uit het dossier blijkt van contacten tussen de griffie van de Hoge Raad en de advocaat van [verzoeker] over de vraag of het ingediende verzoek door een daartoe bevoegde advocaat was getekend. Die contacten zijn erin uitgemond dat een nader getekend exemplaar is ingediend. Dat laatste is, zo te zien, veel later gebeurd dan in de rechtspraak op dat stuk als aanvaardbaar is aangemerkt (zie bijvoorbeeld HR 16 december 2005, RvdW 2006, 2, rov. 3.2); maar ik denk dat dit punt kan blijven rusten, omdat het oorspronkelijke verzoekschrift weliswaar niet was getekend door de daarin vermelde advocaat, maar wel was getekend door diens kantoorgenoot mr. M.C. Udink. Deze is, naar bij navraag is gebleken, advocaat bij de Hoge Raad. Aan het voorschrift van art. 426a Rv. was dus van meet af aan voldaan.

8 Als "nieuws" ten opzichte van het daar besprokene zijn slechts te vermelden het na die conclusie gewezen arrest HR 24 december 2004, NJ 2005, 129; en het feit dat het wetsontwerp waarvan in alinea 4.12 van die conclusie sprake is, inmiddels bij de Tweede Kamer aanhangig is, Kamerstukken II 2004 - 2005, 29 942, nrs. 1 - 3.

9 Polak c.s., Faillissementsrecht, 2005, p. 314; T&C Faillissementswet, 2004, Wessels, art. 288, aant. 7; Polak - Wessels, Insolventierecht Deel IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, 1999, nr. 9067 (NB dat de nummering bovenaan p. 40 op een vergissing moet berusten); Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen, 1998, p. 28; Kamerstukken II 1992 - 1993, 22 969, nr. 3, p. 37 - 38.

10 A - G Strikwerda, conclusie voor HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 m.nt. PvS, alinea 10 (zie ook de annotatie)

11 HR 10 januari 2003, NJ 2003, 195 m.nt. PvS, rov. 3.4. Ook hier is de conclusie van A - G Verkade, alinea's 3.1 - 3.14 zeer verhelderend.

12 Polak c.s., Faillissementsrecht, 2005, p. 315; Van Schilfgaarde, noot bij NJ 2000, 567.

13 HR 24 december 2004, NJ 2005, 129, rov. 3.4; zie ook alinea 2.3 van de conclusie van A - G Timmerman; HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178, rov. 3.4.2; zie ook alinea 2.7 van de conclusie van A - G Langemeijer; HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 m.nt. PvS, rov. 3.2.2; HR 25 februari 2000, NJ 2000, 310, rov. 3.3 en 3.4.

14 Dat wordt bijvoorbeeld aangenomen in Kamerstukken II 2004 - 2005, 29 942, nr. 3, par. 7.

15 Zie bijvoorbeeld HR 5 maart 2004, JOR 2004, 150, rov. 3.3; HR 7 september 2001, NJ 2001, 550, rov. 3.2; maar ook HR 7 april 1995, NJ 1997, 21 m.nt. EAA, rov. 3.3 en 3.4.

16 Kamerstukken II 1993 - 1994, 22 969, nr. 6, p. 21.

17 Ofschoon het cassatierekest niet aangeeft dat namens [verzoeker] op dit aspect een beroep is gedaan (en dus ook niet waar men dat in de processtukken vindt) meld ik dat men een betoog van deze strekking kan vinden in de bij de processtukken gevoegde pleitnotitie van Mr. P.H. Ruys van 15 november 2005 - 2e bladzij, eerste alinea.

18 Ook hier wordt niet aangegeven waar namens [verzoeker] op dit gegeven een beroep zou zijn gedaan; maar ook hier geldt dat dat wel gebeurd is, namelijk in de zojuist aangehaalde pleitnota, 2e bladzij, derde alinea.

19 Dit beleidsvoornemen wordt vermeld bij Polak c.s., Faillissementsrecht, 2005, p. 315; Polak - Wessels, Insolventierecht Deel IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, 1999, nr. 9067; Wessels, NJB 2000, p. 1783.