Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AX1560

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
C05/081HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX1560
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Landinrichtingswet; vordering tot herroeping ex art. 382 Rv. van een vonnis tot afwijzing van bezwaren tegen plan van toedeling, geen doorbreking rechtsmiddelenverbod ex art. 186 LiW.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 388, geldigheid: 2006-09-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 534
RvdW 2006, 883
JWB 2006/300

Conclusie

Rolnr. C05/081HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 12 mei 2006

conclusie inzake

[Eiser]

tegen

1. Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling "Marshoek-Hoonhorst"

2. [Belanghebbende 2]

3. [Belanghebbende 3]

4. [Belanghebbende 4]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij vonnis van 27 februari 2002, gewezen tussen thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], en thans verweerster in cassatie sub 1, hierna: de Landinrichtingscommissie, met thans verweerders in cassatie sub 2 t/m 4, hierna: resp. [belanghebbende 2 t/m 4], als derde belanghebbenden, heeft de Rechtbank Zwolle-Lelystad de bezwaren van [eiser] tegen het plan van toedeling in de ruilverkaveling "Marshoek-Hoonhorst" deels ongegrond verklaard.

2. Bij dagvaarding van 27 mei 2003 heeft [eiser] op de voet van art. 382 Rv herroeping van het vonnis van 27 februari 2002 gevorderd.

3. Nadat de Landinrichtingscommissie en de derde belanghebbenden ieder voor zich verweer hadden gevoerd, met conclusie tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vordering, althans tot afwijzing van de vordering, heeft de rechtbank bij vonnis van 12 januari 2005 de vordering van [eiser] afgewezen. De rechtbank achtte [eiser] weliswaar ontvankelijk in zijn vordering tot herroeping van het toedelingsvonnis van 27 februari 2002 (r.o. 3.1 t/m 3.4), maar was van oordeel dat geen van de daartoe door [eiser] aangevoerde gronden reden geeft voor herroeping van het vonnis van 27 februari 2002 (r.o. 3.4 t/m 4.1).

4. [Eiser] is tegen het vonnis van de rechtbank (tijdig) in cassatie gekomen met vier middelen.

5. De Landinrichtingscommissie heeft bij conclusie van antwoord geconcludeerd tot verwerping van het door [eiser] ingestelde cassatieberoep. Voorts heeft de Landinrichtingscommissie van haar kant incidenteel cassatieberoep ingesteld met een uit drie onderdelen opgebouwd middel. [Eiser] heeft bij conclusie van antwoord in het incidenteel beroep geconcludeerd tot verwerping van het door de Landinrichtingscommissie ingestelde incidenteel cassatieberoep.

6. [Belanghebbende 4] heeft bij conclusie van antwoord primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in diens cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van het door [eiser] ingestelde cassatieberoep.

7. [Belanghebbende 2 en 3] zijn in cassatie niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.

Het principaal beroep

a. Ontvankelijkheid van het beroep

8. [Belanghebbende 4] heeft (primair) een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van [eiser] in diens cassatieberoep. [Belanghebbende 4] heeft daartoe aangevoerd dat in deze herroepingsprocedure krachtens het bepaalde in art. 385 Rv de gewone procesrechtelijke regels van toepassing zijn. [Eiser] had dus hoger beroep bij het gerechtshof moeten instellen, zodat hij, nu aan de voorwaarden voor een sprongcassatie niet is voldaan, in zijn cassatieberoep niet kan worden ontvangen.

9. Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van [eiser] in diens cassatieberoep is ongegrond. Ingevolge art. 388 lid 2 Rv is een beslissing inzake de heropening van het geding niet vatbaar voor hoger beroep. Deze bepaling ziet niet alleen op de tussenuitspraak waarbij het oorspronkelijke geding wordt heropend, maar ook op de einduitspraak, zoals de onderhavige, waarbij de aangevoerde gronden voor herroeping worden afgewezen. Bij een zodanige uitspraak blijft heropening van het oorspronkelijke geding immers eveneens achterwege. Hieruit volgt dat ook in dit laatstbedoelde geval hoger beroep niet openstaat. Indien, zoals in het onderhavige geval, de uitspraak op tegenspraak is gewezen staat slechts cassatieberoep open. Vgl. Th.B. ten Kate en M.M. Korsten-Krijnen, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken, 2005, blz. 145.

b. De voorgestelde middelen

10. De in het principaal beroep voorgestelde middelen keren zich tegen het oordeel van de rechtbank dat geen van de door [eiser] aangevoerde gronden reden geeft voor herroeping van het vonnis van 27 februari 2002. Aangezien het - hierna te bespreken - middel in het incidenteel cassatieberoep naar mijn oordeel doel treft, hetgeen tot gevolg heeft dat [eiser] na vernietiging van de bestreden uitspraak alsnog niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in zijn vordering tot herroeping, kunnen de voorgestelde middelen wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

Het incidenteel beroep

11. Onderdeel 1 van het middel bestrijdt als onjuist, want in strijd met art. 202 jo. art. 186 Landinrichtingswet (LiW), het oordeel van de rechtbank dat [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering tot herroeping van het toedelingsvonnis van 27 februari 2002.

12. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 december 2005, RvdW 2006, 15, de opvatting dat de rechtsmiddelenuitsluiting van art. 186 in verbinding met art. 202, aanhef en letter f, LiW onverlet laat dat de toedelingsuitspraak van de rechtbank kan worden herzien op de voet van art. 382 Rv, verworpen. Daartoe overwoog de Hoge Raad (r.o. 4.6):

"Met de in art. 186 LiW neergelegde uitsluiting van rechtsmiddelen heeft de wetgever beoogd het mogelijk te maken een ruilverkaveling binnen een redelijke termijn te verwezenlijken, hetgeen voor alle betrokkenen van belang is (memorie van toelichting, Kamerstukken II 1979-1980, 15 907, nrs. 3-4, blz. 27). Het zou aan de bedoeling van de wetgever tekortdoen indien art. 186 LiW aldus zou moeten worden uitgelegd dat de daarin neergelegde rechtsmiddelenuitsluiting niet zou gelden voor het buitengewone rechtsmiddel herroeping, geregeld in art. 382 e.v. Rv. De omstandigheid dat bedoeld rechtsmiddel nog niet bestond toen de Landinrichtingswet werd ingevoerd maakt dit niet anders, nu destijds reeds het buitengewone rechtsmiddel request-civiel bestond (art. 382, oud, Rv.), waarvoor de huidige regeling van de herroeping in de plaats is gekomen. Ook het beroep dat het middel doet op art. 6 EVRM en art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM faalt, nu die verdragsbepalingen niet een onbeperkte mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een rechterlijke uitspraak waarborgen."

Hieruit volgt dat de rechtbank [eiser] ten onrechte ontvankelijk heeft geoordeeld in zijn vordering tot herroeping van het toedelingsvonnis van 27 februari 2002. Onderdeel 1 treft derhalve doel.

13. De onderdelen 2 en 3 van het middel nemen stelling tegen een tweetal gronden waarop de rechtbank mogelijk haar oordeel dat tegen een toedelingsvonnis het buitengewone rechtsmiddel herroeping openstaat, heeft doen steunen. De ene grond, bestreden door onderdeel 2, betreft de omstandigheid dat het huidige art. 382 Rv is ingevoerd na de totstandkoming van de artt. 202 en 186 LiW, zodat niet kan worden aangenomen dat het rechtsmiddelenverbod ook betrekking heeft op het in art. 382 Rv bedoelde rechtsmiddel; de andere grond, bestreden door onderdeel 3, betreft de omstandigheid dat het EVRM en het Eerste Protocol bij het EVRM zouden meebrengen dat de mogelijkheid van herroeping moet worden aanvaard. Beide gronden spelen blijkens de tweede alinea van r.o. 3.2 van het bestreden vonnis inderdaad een rol in de door de rechtbank aan haar oordeel meegegeven motivering. Zij zijn in de zojuist aangehaalde rechtsoverweging van de Hoge Raad evenwel als ondeugdelijk afgedaan. De onderdelen zijn derhalve gegrond.

14. Na vernietiging van het bestreden vonnis kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door [eiser] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot herroeping van het vonnis van de rechtbank van 27 februari 2002.

De conclusie strekt

in het principaal beroep: tot verwerping, en

in het incidenteel beroep: tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als is weergegeven onder 14.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden