Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AW9383

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
01-09-2006
Zaaknummer
R05/067HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AW9383
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ipr. Nederlandse rechter onbevoegd kennis te nemen van verzoek echtscheiding uit te spreken tussen - op Nederlandse ambassade te Abu Dhabi gehuwde - Nederlandse man en Thaise vrouw; gewone verblijfplaats in de zin van art. 2 Brussel II-Verordening (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-09-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/136 met annotatie van AEO
JOL 2006, 475
RvdW 2006, 769
JWB 2006/264

Conclusie

Rek.nr. R05/067HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 28 april 2006

conclusie inzake

[de man]

tegen

[de vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. De partijen in deze echtscheidingsprocedure zijn op 8 november 1989 te Abu Dhabi, Verenigde Arabische Emiraten, op de Nederlandse ambassade aldaar, met elkaar gehuwd. De man, thans verzoeker tot cassatie, heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij verblijft feitelijk veelal op de Filippijnen. Hij verblijft niet of nauwelijks in Nederland. De vrouw, thans verweerster in cassatie, heeft de Thaise nationaliteit. Zij heeft nimmer in Nederland gewoond.

2. Bij verzoekschrift van 8 augustus 2003 heeft de man zich gewend tot de rechtbank te Leeuwarden met het verzoek tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

3. Bij beschikking van 24 maart 2004 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoekschrift. Daartoe overwoog de rechtbank dat krachtens art. 2 van de Verordening (EG) nr. 1347/2000 van 29 mei 2000, PbEG 2000 L 160, de zgn. Brussel II-Verordening, jo. art. 4 Rv aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, omdat de man zijn feitelijke verblijfplaats in de Filippijnen heeft en de vrouw nimmer in Nederland heeft gewoond en niet de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Op het hoger beroep van de man heeft het gerechtshof te Leeuwarden bij beschikking van 16 februari 2005 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Met betrekking tot de grief die de man had gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt (grief 1), overwoog het hof onder meer het volgende:

- krachtens art. 2 lid 1 sub a van de Brussel II-Verordening is voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter terzake van echtscheiding vereist - voor zover van belang in de onderhavige zaak - bepalend dat de man, die de verzoekende partij is en die tevens de Nederlandse nationaliteit heeft, in ieder geval sinds zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek tot echtscheiding zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft (r.o. 7);

- onder gewone verblijfplaats in de zin van art. 2 van de Brussel II-Verordening moet worden verstaan de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te geven (r.o. 6);

- de enkele omstandigheid dat de man, zoals hij heeft aangevoerd, in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats], brengt niet mee dat de man daar ook zijn gewone verblijfplaats heeft (r.o. 11);

- nu uit de stukken en de behandeling ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man feitelijk veelal op de Filippijnen verblijft en dat de man niet of nauwelijks in Nederland verblijft, is niet aannemelijk geworden dat de man sinds ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek tot echtscheiding zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, zodat niet voldaan is aan het vereiste van art. 2 lid 1 sub a van de Brussel II-Verordening (r.o. 8 en 9);

- ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, nu vaststaat dat de vrouw de Thaise nationaliteit heeft en nimmer in Nederland heeft gewoond (r.o. 10).

5. De man is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

6. Middel I keert zich tegen het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen. Meer bepaald betoogt het middel, naar ik begrijp, dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de man in de zin van art. 2 van de Brussel II-Verordening sinds ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek tot echtscheiding zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, heeft miskend dat onder gewone verblijfplaats in de zin van dat artikel moet worden verstaan het woonplaatsbegrip als bedoeld in art. 1:10 BW en dat de man, ongeacht zijn eventueel verblijf op de Filippijnen of elders, in de zin van art. 1:10 BW woont op het in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven adres te [plaats].

7. Het middel faalt, omdat het berust op een onjuiste rechtsopvatting.

8. Het hof heeft - onbestreden in cassatie - tot uitgangspunt genomen dat de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding beoordeeld dient te worden aan de hand van de bevoegdheidsregeling van de Brussel II-Verordening. Het in art. 2 van deze verordening gebezigde begrip "gewone verblijfplaats" ziet, anders dan het middel voorstaat, niet op het in het interne recht van de lidstaten gehanteerde, van lidstaat tot lidstaat verschillende begrip "woonplaats", doch heeft - om eenvormige toepassing van de bevoegdheidsregeling te verzekeren - een verordeningsautonome betekenis. Hetzelfde geldt voor het overeenkomstige begrip in art. 3 van de hier (temporeel) niet toepasselijke, op 1 maart 2005 van kracht geworden opvolger van de Brussel II-Verordening, de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003, PbEU 2003 L 338/1, de zgn. Brussel IIbis-Verordening. Zie P.P.M. Mostermans, Echtscheiding, Praktijkreeks IPR, 2e dr. 2003, nr. 38, en Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen en Verordeningen, Verordening Brussel II, Art. 2, aant. 3 (P. Vlas).

9. Het begrip "gewone verblijfplaats" wordt in de Brussel II-Verordening - en ook in de Brussel II-bis-Verordening - niet gedefinieerd. Een officiële toelichting op de verordening ontbreekt. Voor de uitleg van de verordening kan evenwel informatie worden geput uit het toelichtende rapport van de hand van A. Borrás (PbEG 1998 C 221) bij het op 28 mei 1998 te Brussel totstandgekomen Verdrag betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging in huwelijkszaken (Trb. 1999, 14). Dit tussen de toenmalige lidstaten gesloten verdrag is in verband met de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam (Trb. 1998, 11), waarbij ingevolge art. 65 de bevoegdheid tot het treffen van maatregelen op het gebied van het formele ipr is opgedragen aan de Raad, nimmer inwerkinggetreden. In de Brussel II-Verordening is de inhoud van het Verdrag van 28 mei 1998 evenwel grotendeels overgenomen (zie de considerans bij de verordening onder 6), zodat bij de vaststelling van de betekenis van bepalingen en begrippen in de verordening die overeenstemmen met die van het verdrag belang kan worden gehecht aan het toelichtend rapport bij het verdrag.

10. In het toelichtende rapport bij het verdrag (in par. 32) wordt met betrekking tot het begrip "gewone verblijfplaats" als grond voor bevoegdheid in echtscheidingsprocedures verwezen naar de definitie die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij diverse gelegenheden - in ander verband - heeft gegeven (zie HvJ EG 23 april 1991, Jur. 1991, p. I-O1943, en HvJ EG 15 september 1994, Jur. 1994, p. I-04295; zie ook HvJ EG 12 juli 2001, Jur. 2001, p. I-05547) en die luidt: "de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn". Het gaat hier dus om het in het (materiële en formele) ipr gebruikelijke begrip "gewone verblijfplaats", dat vooral een feitelijk begrip is en dat moet worden onderscheiden van het internrechtelijke begrip "woonplaats". Zie Mostermans, a.w., nr. 39, en Vlas t.a.p. Zie voorts L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 8e dr. 2005, nr. 97.

11. In het licht van dit een en ander geeft het oordeel van het hof dat onder "gewone verblijfplaats" in de zin van art. 2 van de Brussel II-Verordening moet worden verstaan de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te geven en dat de enkele omstandigheid dat de man in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven op een adres te [plaats], niet meebrengt dat de man daar ook zijn gewone verblijfplaats heeft, naar mijn oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op de voet van art. 68 jo. 234 EG bestaat, nu in redelijkheid geen twijfel erover kan bestaan dat het begrip "gewone verblijfplaats" in art. 2 van de Brussel II-Verordening niet verwijst naar het internrechtelijke begrip "woonplaats", m.i. geen aanleiding.

12. Voor zover het middel voorts nog wil betogen (zie de aanhef van het middel) dat het hof zijn oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de man sinds ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek tot echtscheiding zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, zodat niet voldaan is aan het vereiste van art. 2 lid 1 sub a van de Brussel II-Verordening, onvoldoende heeft gemotiveerd, kan het evenmin tot cassatie leiden. Het sterk met waarderingen van feitelijke aard verweven oordeel van het hof vindt een toereikende en begrijpelijke motivering in de overweging dat uit de stukken en de behandeling ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man feitelijk veelal op de Filippijnen verblijft en dat de man niet of nauwelijks in Nederland verblijft.

13. Middel II, dat zich keert tegen het oordeel van het hof dat de man geen belang heeft bij de behandeling van zijn tweede grief, die zich richtte tegen het - ten overvloede gegeven - oordeel van de rechtbank met betrekking tot de regelmatigheid van de betekening van het inleidende verzoekschrift, faalt. Aangezien de rechtbank geen gevolgen heeft verbonden aan de eventuele onregelmatigheid van die betekening en de man heeft ontvangen in zijn inleidend verzoekschrift, en ook haar oordeel inzake de bevoegdheid van de Nederlandse rechter daarop niet heeft doen steunen, is het oordeel van het hof juist.

14. Voor zover in het cassatierekest nog als afzonderlijke cassatieklacht wordt aangevoerd (zie de slotalinea van het cassatierekest) dat het hof "het recht op het uitoefenen van family- dan wel private life" heeft geschonden door de Nederlandse rechter onbevoegd te verklaren, aangezien "geen enkel land bevoegd zou zijn om het huwelijk tussen partijen te ontbinden", faalt ook deze klacht, reeds omdat zij uit het oog verliest dat de Brussel II-Verordening het zgn. forum necessitatis (zie daarover Strikwerda, a.w., nr. 228) niet kent.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden