Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AW4479

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
20-06-2006
Zaaknummer
03152/05
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2005:AT3414
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AW4479
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen; niet redengevend onderdeel van bewijsmiddel doet i.c. niet af aan bewijsvoering. ‘s Hofs bewijsvoering in haar geheel beschouwd, kan niet anders worden begrepen dan dat het hof heeft geoordeeld dat verdachte het slachtoffer in brand wilde steken en haar wilde doden en dat hij daartoe bewust en nauw heeft samengewerkt met X en Y. De verklaring van verdachte voorzover inhoudende dat hij heeft gezegd tegen die X en Y “Niet doen, het is te riskant.”, is door het hof blijkens zijn nadere bewijsoverweging als ongeloofwaardig aangemerkt. Weliswaar heeft het hof dat onderdeel van de verklaring van verdachte ten onrechte onder de bewijsmiddelen opgenomen, aangezien dat als zodanig niet redengevend is voor het bewezenverklaarde handelen tezamen en in vereniging met anderen, maar dat staat hier, gelet op de bewijsvoering in haar geheel bezien, aan een behoorlijke motivering van die bewezenverklaring niet in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 390
RvdW 2006, 668
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03152/05

Mr. Vellinga

Zitting: 18 april 2006 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1 primair medeplegen van poging tot moord, en 2 primair medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren. Voorts heeft het Hof vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en ter zake schadevergoedingsmaatregelen opgelegd als in het arrest omschreven.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 03151/05 en 03152/05. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel houdt in dat het bewezenverklaarde medeplegen niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen, althans dat de nadere bewijsoverweging van het Hof omtrent het medeplegen onjuist en/of onbegrijpelijk en/of in strijd is met de gebruikte bewijsmiddelen.

5. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

(1 primair)

"hij op 06 juli 2003 te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, benzine over of in de richting van [slachtoffer] heeft gespoten, en vervolgens die benzine heeft aangestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

(2 primair)

"hij op 06 juli 2003 te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, gelegen aan de [a-straat 1], immers heeft/hebben een of meer van zijn mededaders toen aldaar opzettelijk tegen de voordeur en in de hal van die woning in de richting van zich in die woning bevindende [slachtoffer] gespoten en vervolgens die benzine aangestoken ten gevolge waarvan een deel van de hal van die woning is verbrand terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en belendende percelen en levensgevaar voor [slachtoffer] en andere, zich in die woning bevindende personen was."

6. De bewijsmiddelen houden het volgende in. Op 4 juli 2003 heeft de verdachte tegen [slachtoffer], van wie hij gescheiden was, gezegd dat hij haar wilde vermoorden en dat hij haar wilde verbranden (bewijsmiddelen 5,6). In de nacht van 4 op 5 juli 2003 heeft de verdachte [slachtoffer] gebeld en gezegd dat hij haar, de kinderen en haar huis zou verbranden (bewijsmiddel 2). Op 5 juli 2003 heeft de verdachte [betrokkene 1] benaderd en [betrokkene 1] [betrokkene 2]. De verdachte heeft [betrokkene 1] en [betrokkene 2] € 1000 in het vooruitzicht gesteld wanneer zij [slachtoffer] in brand zouden steken. Dat moest gebeuren met benzine. Verdachte is met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar het huis van [slachtoffer] gereden om hen dit te laten zien. Onderweg heeft hij nog eens uitdrukkelijk gezegd dat hij wilde dat zijn ex-vrouw in brand werd gestoken. Hij heeft hen € 50 gegeven voor benzine. In de morgen van 6 juli 2003 zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar het huis van [slachtoffer] gereden. [Betrokkene 1] heeft daar benzine op de grond en tegen de deur gegooid (bewijsmiddel 9). Toen zij op hun aanbellen in de deuropening verscheen heeft [betrokkene 1] benzine de gang in gegooid, heeft [betrokkene 2] een hele fles benzine over [slachtoffer] heen gegooid en heeft [betrokkene 1] op bevel van [betrokkene 2] de benzine op ooghoogte met een aansteker in brand gestoken (bewijsmiddelen 8, 9). [Slachtoffer] liep tweede- en derdegraads brandwonden op, met ernstige littekens als gevolg (bewijsmiddel 3). De woning van [slachtoffer], die deel uitmaakt van aaneengesloten bebouwing liep brandschade op (bewijsmiddel 10). Nadat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun "werk" gedaan hadden, betaalde de verdachte hen € 950 (bewijsmiddel 9).

7. Het middel richt zich blijkens de toelichting op het volgende onderdeel van de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte als afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep:

"Voordat zij weggingen, realiseerde ik plotseling wat het risico zou kunnen zijn van brandstichting in een huis. Ik heb tegen hen gezegd "niet doen, het is te riskant". Dit heb ik echter niet hard genoeg gezegd;

zij zeiden niets terug. Ik heb niet gezegd dat het absoluut niet door mocht gaan. Ik ben het met u eens dat het niet zo slim is om twee junks te vragen iets voor me te doen. Ik weet nu dat ik een vreselijke blunder heb gemaakt. Ik heb gezegd dat haar ouders in het huis waren. In het begin heb ik gezegd dat de kinderen in huis waren."

8. Te dien aanzien overwoog het Hof in een nadere bewijsoverweging:

"De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2005 gesteld aan het einde van de avond van 5 juli 2003 tegen de medeverdachten te hebben gezegd: "Niet doen, het is te riskant". Voor zover de verdachte daarmee heeft willen aangeven uiteindelijk geen medepleger te zijn van de tenlastegelegde feiten, verwerpt het hof dit verweer. Deze verklaring wordt niet ondersteund door een verklaring van de medeverdachten, terwijl de verdachte ter zitting zelf heeft verklaard dat hij het bovenstaande niet hard genoeg heeft gezegd en dat daarop niet is gereageerd door de medeverdachten. Ook het latere gedrag van de verdachte op 6 juli 2003 ten aanzien van de medeverdachten is in strijd met deze bewering."

9. Volgens de toelichting op het middel is onbegrijpelijk dat het Hof enerzijds verdachtes hiervoor aangehaalde verklaring voor het bewijs heeft gebruikt en anderzijds overweegt dat deze verklaring geen steun in de verklaringen van de medeverdachten.

10. Uit de nadere bewijsoverweging blijkt onmiskenbaar dat het Hof aan verdachtes hiervoor aangehaalde verklaring geen geloof heeft gehecht. Hetgeen het Hof te dien aanzien overweegt is niet onbegrijpelijk en vindt steun in de gebezigde bewijsmiddelen. Met een en ander is onverenigbaar dat bedoelde verklaring is opgenomen onder de bewijsmiddelen. Deze misslag kan door de Hoge Raad worden hersteld zonder tekort te doen aan de rechtens beschermde belangen van de verdachte. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan immers zonder meer worden afgeleid dat de verdachte [slachtoffer] wilde doden en dat hij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] had aangezocht om in bewuste en nauwe samenwerking met hen aan die wil uitvoering te geven.

11. Het tweede middel stelt dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid althans dat de motivering van dit opzet onbegrijpelijk is.

12. Blijkens de toelichting op het middel berust het op de stelling dat het Hof heeft aangenomen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer].

13. Met betrekking tot het bewijs van het opzet heeft het Hof overwogen:

"Uit de bewijsmiddelen in hun onderling verband bezien, acht het hof wettig en overtuigend dat de verdachte het opzet had op de dood van het slachtoffer en dat hij tezamen en in vereniging met anderen na kalm beraad en rustig overleg benzine over haar heeft gespoten en aangestoken. Ten overvloede overweegt het hof dat de verdachte op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer om het leven zou komen door twee junks de opdracht te geven het slachtoffer in brand te steken met benzine."

14. Gezien de inhoud van de bewijsmiddelen 3, 4, 5, en 6 wilde de verdachte [slachtoffer] vermoorden en verbranden. Hetgeen het Hof opmerkt over het voorwaardelijk opzet is dus inderdaad, zoals het Hof overweegt, ten overvloede. Derhalve kan de vraag of het Hof terecht voorwaardelijk opzet heeft aangenomen buiten beschouwing blijven.(1)

15. Het middel faalt.

16. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2004, vijfde druk, p. 86.