Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AW4397

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
22-06-2006
Zaaknummer
02630/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AW4397
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR verwerpt cassatieberoep met toepassing van artikel 81RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 408
RvdW 2006, 663
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02630/05

Mr. Vellinga

Zitting: 18 april 2006 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "moord", 2. "poging tot doodslag" en 3. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met onttrekking aan het verkeer als in het arrest omschreven.

2. Namens verdachte heeft mr. V. Kraal, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 niet genoegzaam met redenen is omkleed omdat de voor moord vereiste voorbedachte raad niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 6 december 2003 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer 1] met een pistool van zeer korte afstand door het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden."

5. Voor voorbedachte raad is voldoende dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven, waaraan niet afdoet dat die gelegenheid slechts gedurende korte tijd zou hebben bestaan.(1)

6. In aanmerking genomen dat het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat de verdachte achter het slachtoffer is komen staan, een vuurwapen tegen diens achterhoofd heeft gezet en vervolgens daarmee een kogel heeft afgevuurd, kan de voorbedachte raad naar mijn inzicht zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Het middel betoogt dan ook tevergeefs dat het Hof zijn oordeel nader had moeten motiveren en faalt.

7. Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 2 en bestrijdt - zo begrijp ik de toelichting - dat het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer van dit feit uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, omdat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat de verdachte heeft gezien dat het slachtoffer [slachtoffer 2] recht achter het slachtoffer [slachtoffer 1] stond.

8. Onder 2 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 6 december 2003 te Amsterdam ter uitvoeringv an het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool van zeer korte afstand heeft geschoten door het hoofd van [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] in haar hoofd is geraakt."

9. In een nadere bewijsoverweging heeft het Hof het volgende overwogen met betrekking tot dit feit:

"Met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde feit overweegt het hof dat de verdachte door te schieten zoals hij heeft gedaan (het pistool op het achterhoofd van het slachtoffer [slachtoffer 1] zetten en schieten, terwijl het slachtoffer [slachtoffer 2] in een rechte lijn vóór de verdachte aan de andere kant van de taxi stond) welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] eveneens door de door hem afgeschoten kogel zou worden getroffen, zoals het geval is geweest. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het voorzienbaar is dat een op een persoon afgevuurde (gewone) kogel door diens lichaam of, zoals in casu, door diens hoofd, heen kon gaan."

10. Het Hof heeft vastgesteld dat de slachtoffers aan weerszijden van een taxi stonden - kennelijk op het punt stonden om in te stappen - en dat op dat moment de verdachte achter [slachtoffer 1] is komen staan, zijn vuurwapen op diens achterhoofd heeft geplaatst en heeft afgevuurd. De aldus afgevuurde kogel heeft het hoofd van [slachtoffer 1] doorboord en heeft vervolgens ook [slachtoffer 2] in het hoofd getroffen.

11. Het middel berust op de opvatting dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] door het Hof moet zijn vastgesteld dat de verdachte moet hebben gezien waar zij stond en dat die vaststelling uit de gebezigde bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid. Of uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte heeft gezien dat [slachtoffer 2] in een rechte lijn achter [slachtoffer 1] stond, kan in het midden blijven. Het middel faalt reeds omdat het bewezenverklaarde opzet, in het bijzonder dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat het projectiel ook willekeurige omstanders zou kunnen raken en dodelijk kunnen verwonden, ook afgezien van de vraag of de verdachte [slachtoffer 2] heeft gezien, zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Zoals het Hof heeft overwogen is immers niet alleen voorzienbaar dat de kogel die de verdachte heeft afgevuurd het lichaam van zijn slachtoffer direct weer zou verlaten, zeker - zoals het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld - in een geval als het onderhavige waarin op iemand wordt geschoten door hem een pistool op zijn hoofd te zetten, maar ook dat verdachte op voorschreven wijze op [slachtoffer 1] heeft geschoten terwijl blijkens de gebezigde bewijsmiddelen ter plaatse publiek aanwezig was.

12. Het middel faalt.

13. Beide middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605, HR 22 februari 2005, LJN AR5714, HR 11 juni 2002, LJN AE1743