Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AW3044

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2006
Datum publicatie
15-09-2006
Zaaknummer
C05/150HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AW3044
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Geschil tussen voormalig echtelieden (zie C05/148) over vergoeding door de man overeenkomstig hun huwelijkse voorwaarden van de aan de vrouw door haar vader geschonken bedragen die zijn aangewend ter bestrijding van de kosten van huishouding die voor rekening kwamen van de man; beroep op vervalbeding, derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid?, bijzondere omstandigheden, motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/19 met annotatie van BER, tevens behorend bij «JPF» 2007/18
JOL 2006, 525
NJ 2007, 217
RvdW 2006, 854
JWB 2006/284

Conclusie

C05/150HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 21 april 2006

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

In deze zaak vordert de vrouw van de man, op grond van een bepaling in de huwelijkse voorwaarden, vergoeding van bedragen die vanuit haar privévermogen zouden zijn aangewend voor de kosten van de huishouding.

1. De feiten en het procesverloop(1)

1.1. In cassatie kan m.i. worden uitgegaan van het volgende(2):

1.1.1. Eiseres tot cassatie (de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn op 20 juni 1974 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden(3).

1.1.2. In de akte van huwelijkse voorwaarden is onder meer opgenomen:

"Artikel 1:

Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen, welke ook, bestaan.

Artikel 3:

1. De kosten der huishouding, daaronder begrepen die van de verzorging en opvoeding der kinderen, en de belastingschulden, voorzover zij uit de inkomsten plegen te worden voldaan, worden door de man gedragen en betaald.

2. Het vorderingsrecht jegens de andere echtgenoot tot het bijdragen in kosten en belastingschulden als voormeld, vervalt bij het einde van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin die kosten zijn betaald, respectievelijk die belastingschulden definitief zijn vastgesteld."

1.1.3. Op 9 december 1983 heeft [betrokkene 1] een fiscaal advies uitgebracht dat ertoe strekte dat de man, die tijdens het huwelijk arbeid verrichtte voor het [C]-concern, zou afzien van salaris, een management-B.V. zou oprichten en aan deze B.V. een managementvergoeding zou laten uitbetalen.

1.1.4. Aan het advies is uitvoering gegeven. Het [C]-concern heeft tot 31 december 1988 voor de werkzaamheden van de man een managementvergoeding ten bedrage van f 240.000,- per jaar betaald aan [B] B.V. De man en de vrouw zijn ieder voor 50 % aandeelhouder van [B] B.V. en voeren samen de directie.

1.1.5. Van september 1984 tot en met begin 1990 heeft de vader van de vrouw aan de vrouw schenkingen gedaan van f 6.500,- per maand, in totaal 66 maal. Deze bedragen werden door de vader gestort op een bankrekening van de vrouw waarover ook de man gemachtigd was te beschikken. De bedragen zijn (in hoofdzaak) aangewend voor de kosten van levensonderhoud en huisvesting van het gezin.

1.2. Op 11 november 1992 heeft de vrouw de man gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam. Zij heeft - na vermindering van eis - betaling gevorderd van f 1.077.433,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vrouw heeft daartoe gesteld dat de man in strijd met art. 3 van de huwelijkse voorwaarden heeft nagelaten de kosten van de huishouding te voldoen; deze zijn sinds 1984 betaald uit de schenkingen die de vrouw van haar vader had gekregen tot een totaalbedrag van f 752.433,-. Bij repliek heeft de vrouw nader aangevoerd dat de man dit bedrag aan haar bankrekening heeft onttrokken en deswege gehouden is tot schadevergoeding(4).

1.3. De man heeft primair het verweer gevoerd dat een eventueel vorderingsrecht van de vrouw m.b.t. de kosten van de huishouding is vervallen op grond van het vervalbeding in art. 3 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden. Bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg heeft de man erkend dat de vader van de vrouw 66 maal een maandbedrag van f 6.500,- aan de vrouw heeft geschonken, derhalve in totaal f 429.000,-. De man betwist dat de schenkingen een hoger bedrag hebben belopen. De man heeft gesteld dat partijen in 1984 in overleg met hun fiscaal adviseur en met de vader van de vrouw hebben besloten dat zij in Nederland een zgn. fiscaal`nulinkomen' zouden creëren. Volgens deze fiscale constructie zou de vergoeding die de man voor zijn arbeid ontving in een management-B.V. vallen. De vader van de vrouw zou haar elke maand f 6.500,- schenken. Volgens de man is tussen partijen afgesproken dat deze schenkingen zouden worden aangewend voor de kosten van het levensonderhoud van het gezin(5). Het is naar zijn mening niet juist dat hij zonder toestemming van de vrouw gelden van haar bankrekening heeft aangewend om de kosten van de huishouding te voldoen.

1.4. In haar tussenvonnis van 14 april 1997 heeft de rechtbank overwogen dat er geen sprake is van onrechtmatige onttrekkingen: voor zover de man gelden van de bankrekening van de vrouw heeft opgenomen, is dit geschied krachtens een kennelijk door de vrouw zelf aan de man verstrekte volmacht om over deze rekening te beschikken. Volgens de rechtbank komt het in wezen erop neer dat niet de man, maar de vrouw zelf - middels volmacht vertegenwoordigd door de man - de kosten van de huishouding voor haar rekening heeft genomen. Voor die vordering is in art. 3 van de huwelijkse voorwaarden een speciale regeling opgenomen die hier van toepassing is (rov. 6.4 Rb).

1.5. Met betrekking tot het vervalbeding overwoog de rechtbank dat de maatstaf van HR 19 januari 1996 (NJ 1996, 617 m.nt. WMK) ook in gevallen als dit van toepassing is. Een beroep op het vervalbeding wordt geacht strijdig met de maatstaf van de redelijkheid en billijkheid te zijn, behoudens door de man te stellen en zo nodig te bewijzen feiten en omstandigheden die een beroep op het vervalbeding rechtvaardigen (rov. 6.5 Rb). De man heeft gesteld dat met de vrouw en haar vader is afgesproken dat haar vader maandelijks schenkingen ten behoeve van de kosten van de huishouding zou doen. Indien die stelling juist is, is volgens de rechtbank sprake van feiten en omstandigheden die rechtvaardigen dat de man een beroep doet op de vervaltermijn (rov. 6.6 Rb). De rechtbank heeft de man toegelaten deze, door de vrouw betwiste, stelling te bewijzen.

1.6. Na gehouden getuigenverhoor heeft de rechtbank bij vonnis van 7 september 2000 beslist dat de man niet in het bewijs is geslaagd. De man komt geen beroep toe op de vervaltermijn. De rechtbank heeft vervolgens de vordering van de vrouw toegewezen tot het (onbetwiste) bedrag van f 429.000,-. Voor het meerdere heeft de rechtbank de vrouw opgedragen te bewijzen dat door haar vader in de periode 1988 - 1990 f 323.433,- aan haar is geschonken, naast het al genoemde bedrag van f 429.000,-.

1.7. De man is van het tussenvonnis en het eindvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de bewijsopdracht die de rechtbank haar in het vonnis van 7 september 2000 had gegeven.

1.8. Het hof heeft bij arrest van 2 februari 2005 op het hoger beroep van de man het tussenvonnis van 14 april 1997 vernietigd voor zover hem daarin een bewijsopdracht was gegeven. Dientengevolge heeft het hof ook het daarop voortbouwende vonnis van 7 september 2000 vernietigd, voor zover de man daarin werd veroordeeld tot betaling van f 429.000,- met wettelijke rente. Het hof achtte het in de omstandigheden van het geval redelijk dat de man zich op het vervalbeding heeft beroepen. Het hof heeft het incidenteel appel van de vrouw verworpen.

1.9. De vrouw heeft tegen dit arrest - tijdig - cassatieberoep ingesteld. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het middel richt een reeks klachten tegen de beslissing van het hof dat de man zich op het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden mag beroepen.

2.2. In huwelijkse voorwaarden kan onder meer een regeling worden getroffen voor de kosten van de huishouding (art. 1:84 BW). In het algemeen kan een vervalbeding worden opgenomen voor de situatie dat een echtgenoot een groter gedeelte van de kosten van de huishouding heeft voldaan dan waartoe hij verplicht was(6). Er bestaat rechtspraak over huwelijkse voorwaarden waarin een periodiek verrekenbeding is opgenomen met een vervalbeding. De Hoge Raad heeft dienaangaande beslist dat een krachtens huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (de hoofdregel van art. 6:248 lid 2 BW). Bij de beantwoording van de vraag of een vervalbeding bij een periodiek verrekenbeding onaanvaardbaar is, achtte de Hoge Raad van betekenis dat zulk een beding naar zijn aard in belangrijke mate de werking ontneemt aan de tussen partijen overeengekomen verrekening van hetgeen jaarlijks van hun zuivere inkomsten resteert; ook achtte hij van belang dat echtgenoten om voor de hand liggende redenen in het algemeen niet tot verrekening zullen overgaan zolang de huwelijkse samenleving voortduurt. Daarnaast wees de Hoge Raad erop dat echtelieden zich veelal niet bewust zullen zijn van de consequenties van een vervalbeding en de overeengekomen jaarlijkse verrekening achterwege zullen laten. Een en ander brengt mee dat een beroep op een vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht in een geval waarin één van de gewezen echtgenoten verrekening vordert van in het verleden overgespaarde inkomsten, tenzij blijkt van door de echtgenoot die zich op het vervalbeding beroept te stellen, en zo nodig te bewijzen, omstandigheden die een beroep op het beding rechtvaardigen(7).

2.3. De rechtbank heeft zoals gezegd deze jurisprudentie overeenkomstig toegepast, ook al is in dit geval geen sprake van een periodiek verrekenbeding. Met grief 1 heeft de man in hoger beroep daartegen bezwaar gemaakt, waarbij hij heeft aangevoerd dat de draagplicht van een echtgenoot van de kosten van de huishouding niet op één lijn kan worden gesteld met een niet-nagekomen periodiek verrekenbeding. Het hof heeft grief 1 behandeld in rov. 2 - 9. In rov. 4 heeft het hof overwogen dat, mede gelet op de zorg waarmee de akte van huwelijkse voorwaarden tot stand is gekomen, de man en de vrouw in beginsel aan het vervalbeding zijn gebonden. Na bespreking van een aantal omstandigheden is het hof in rov. 9 tot de slotsom gekomen dat het in het onderhavige geval redelijk is dat de man zich op het vervalbeding beroept.

2.4. Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 4. Volgens het middel miskent het hof dat, nu tussen partijen vaststaat dat de opgenomen bedragen zijn aangewend ter bestrijding van de kosten van de huishouding, de hoofdregel geldt dat het beroep van de man op het vervalbeding in beginsel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, tenzij de man omstandigheden stelt en zo nodig bewijst, die een beroep op dat beding rechtvaardigen.

2.5. De te beantwoorden vraag is dus, of de jurisprudentie over het vervalbeding bij periodieke verrekening overeenkomstig behoort te worden toegepast op een vervalbeding met betrekking tot de draagplicht van de kosten van de huishouding. Enkele gezichtspunten uit de jurisprudentie over periodieke verrekenbedingen zijn ook hier van betekenis voor de rechtsverhouding tussen de echtgenoten. Ook bij een vervalbeding met betrekking tot de draagplicht kan worden gezegd dat echtgenoten om voor de hand liggende redenen niet geneigd zullen zijn een vordering tegen de andere echtgenoot in te stellen, zolang zij samenwonen en de relatie nog goed is. Ook hier moet erop worden gelet dat echtgenoten zich niet steeds bewust zijn van de consequenties van een vervalbeding.

2.6. Daartegenover staan andere aspecten. Een vervalbeding wordt algemeen aanvaard wanneer het gaat om de kosten van de huishouding(8). De reden daarvan is niet moeilijk te bedenken: het ontbreken in de meeste huishoudens van een behoorlijke boekhouding van dit type uitgaven. Men geeft gewoon uit wat er maandelijks binnenkomt. Het vervalbeding voorkomt dat de echtgenoten vele jaren later een reconstructie moeten maken van hun niet geadministreerde huishoudelijke uitgaven. Bovendien is voor een echtgenoot die kosten voor de huishouding maakt hoewel deze kosten volgens de huwelijkse voorwaarden hadden moeten worden gedragen door de andere echtgenoot, terstond zichtbaar dat hierdoor een vordering op de andere echtgenoot ontstaat. Die zichtbaarheid is veel geringer bij een periodiek verrekenbeding, dat immers inzicht vergt in de inkomsten die de andere echtgenoot het afgelopen jaar heeft ontvangen.

2.7. Een bijkomend argument is nog, dat voor een niet-nagekomen periodiek verrekenbeding een alternatief voorhanden is wanneer de echtgenoten geen behoorlijke boekhouding hebben bijgehouden: zij kunnen altijd nog afrekenen als ware tussen hen een finaal verrekenbeding overeengekomen(9). Bij een vordering van de ene echtgenoot tegen de andere met betrekking tot de kosten van de huishouding ontbreekt dit alternatief.

2.8. De Hoge Raad heeft, zelfs in gevallen waarin niet een beroep op een vervalbeding was gedaan, mogelijk geacht dat de vordering van een echtgenoot met betrekking tot de draagplicht van de andere echtgenoot van de kosten van de huishouding wordt afgewezen op grond van rechtsverwerking. Het ligt voor de hand aan te nemen dat de onderlinge afrekening periodiek plaats dient te vinden, na het verstrijken van ieder kalenderjaar(10). De Hoge Raad wees op het praktische bezwaar dat bij een afrekening aan het eind van het huwelijk, de voor de berekening van de over en weer verschuldigde bedragen benodigde gegevens veelal niet meer aanwezig zullen zijn. In het licht van het voorgaande schijnt mij toe dat de vuistregel, dat een beroep op een vervalbeding in beginsel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, wél geldt voor niet-nagekomen periodieke verrekenbedingen, maar niet voor vorderingen op grond van de draagplicht van een echtgenoot voor de kosten van de huishouding.

2.9. Het middelonderdeel bevat het volgende tussenzinnetje: "in het onderhavige geval, waarin vaststaat (...) dat de door de vrouw van de man (terug)gevorderde bedragen integraal besteed zijn aan de kosten van de huishouding". De gedachte achter het middelonderdeel is kennelijk, dat het gangbare probleem van de niet-beschikbaarheid van gegevens bij een afrekening aan het einde van het huwelijk zich in het onderhavige geval niet voordoet. Volgens het middelonderdeel staat vast dat de huishoudelijke uitgaven gelijk zijn aan de bedragen die door de vader van de vrouw waren geschonken(11). Daarom zou de ingeroepen vuistregel in dit geval wél voor toepassing in aanmerking komen.

2.10. Deze stelling van de vrouw behoeft enige relativering, in die zin dat in cassatie niet vaststaat dat het gehele bedrag waarvan de vrouw betaling vordert, is aangewend voor de kosten van de huishouding. In rov. 2.6 van het tussenvonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat de 66 maandbedragen van f 6.500,- in hoofdzaak zijn aangewend voor de kosten van de huishouding. Voor zover de vrouw méér vordert dan f 429.000,- (66 maal 6.500), staan noch de schenkingen vast, noch de besteding daarvan.

2.11. Mijn bezwaar tegen de in onderdeel 1 verdedigde opvatting is, dat zij leidt tot een voor de praktijk ingewikkeld resultaat. In de redenering van de vrouw zou het uitgangspunt moeten zijn: de gebondenheid aan de huwelijkse voorwaarden (inclusief het vervalbeding). Op dat uitgangspunt zou een aan art. 6:248 BW te ontlenen categoriale uitzondering worden aanvaard, overeenkomstig de jurisprudentie over het vervalbeding bij niet-nagekomen periodieke verrekenplichten. Op die categoriale uitzondering zou weer een categoriale uitzondering worden aangenomen voor de gevallen waarin vaststaat dat het gevorderde bedrag geheel is besteed aan huishoudelijke kosten. Onderdeel 1 ware te verwerpen. Ook zonder toepassing van de bepleite vuistregel kan de rechter een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beoordelen.

2.12. De onderdelen 2 en 3 zijn in het middel voorwaardelijk voorgesteld, namelijk voor het geval dat in het bestreden arrest het oordeel wordt gelezen dat de man aan de - ingevolge de in onderdeel 1 veronderstelde rechtsnorm - op hem rustende stelplicht heeft voldaan. Beide onderdelen missen feitelijke grondslag, aangezien de gestelde voorwaarde niet is vervuld.

2.13. Onderdeel 4 gaat juist ervan uit dat het hof niet is uitgegaan van de in onderdeel 1 veronderstelde rechtsregel. Indien het hof van oordeel is geweest dat de in rov. 4 uiteengezette omstandigheden met zich brengen dat de vrouw niet heeft voldaan aan de - alsdan op háár rustende - stelplicht ter zake van haar stelling dat het beroep van de man op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, betreffen de onderdelen 1 en 2 mutatis mutandis dat oordeel(12).

2.14. Voor wat betreft onderdeel 4 in verbinding met onderdeel 2: het hof heeft zich niet beperkt tot een beoordeling van de wijze waarop het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden tot stand is gekomen (rov. 4). Het hof heeft zich weliswaar daarvan rekenschap gegeven, maar heeft mede acht geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan het beding over de kosten van de huishouding (zie rov. 5 en rov. 6-8). Zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht stuit hierop af.

2.15. Voor wat betreft onderdeel 4 in verbinding met onderdeel 3: het hof heeft niet miskend dat het een oordeel moest geven over de rechtsbetrekking tussen de man en de vrouw onderling; niet over de rechtsbetrekking van partijen tot de vader van de vrouw. Niettemin heeft het hof in zijn oordeel mogen betrekken dat de vader van de vrouw in de praktijk een belangrijke rol speelde in de wijze waarop de man en de vrouw hun rechtsbetrekking onderling hebben geregeld: zie daarover de rov. 4, 5, 6 en 8. Zo heeft het hof in rov. 8 aannemelijk geacht dat de vader van de vrouw volledig op de hoogte was van de fiscale constructie en dat hij de belangen van de vrouw behartigde. In rov. 4 heeft het hof genoteerd dat de vader van de vrouw nauw betrokken was bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden omdat de wederzijdse ouders van het bruidspaar zeer vermogend waren. In die context heeft het hof mede van belang mogen achten dat de vader van de vrouw de inhoud van de akte van huwelijkse voorwaarden kende en de gevolgen daarvan kon overzien. Ook mocht het hof meewegen dat de akte door de notaris met partijen zelf is besproken. De in rov. 4 genoemde staat van aanbrengsten levert als zodanig inderdaad niet een dragend argument op in het voordeel van één van beide partijen. Dit laatste behoeft niet tot cassatie te leiden: in de redenering van het hof is de staat van aanbrengsten slechts een bijkomstigheid.

2.16. Ik spring even over naar onderdeel 6. Met dit onderdeel klaagt de vrouw dat het hof heeft miskend dat het uitblijven van protest van de vrouw tegen de overboekingen en de opnamen door de man niet de gevolgtrekking kan dragen dat zij de bedragen die haar vader haar geschonken had, heeft gefourneerd ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding. Volgens het onderdeel sluit de door het hof vastgestelde gang van zaken niet uit dat de man, die volgens de huwelijkse voorwaarden immers verplicht was de kosten van de huishouding te voldoen, zich de daarvoor benodigde middelen heeft toegeëigend door de geschonken gelden over te boeken van de bankrekening van de vrouw naar de gemeenschappelijke bankrekening en vervolgens op te nemen.

2.17. In het tussenvonnis van de rechtbank is reeds beslist dat hier geen sprake is van onrechtmatige onttrekkingen door de man van gelden op de bankrekening van de vrouw (zie alinea 1.4 hiervoor). Ook het hof is klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat de man als gevolmachtigde, dus met toestemming van de vrouw, de door de vader van de vrouw geschonken bedragen heeft overgeboekt naar de bankrekening die partijen gebruikten voor het betalen van de kosten van het huishouden. Van toeëigening van gelden door de man is geen sprake geweest. De rechtbank heeft reeds erop gewezen dat de vordering in wezen steunt op de grondslag dat de vrouw uit haar privévermogen gelden ter beschikking heeft gesteld om daarmee de kosten van de huishouding te betalen, hoewel de man op grond van de huwelijkse voorwaarden die kosten had moeten dragen. Het middelonderdeel, dat de onrechtmatige toeëigening als een zelfstandige grondslag ziet, treft geen doel.

2.18. Onderdeel 5 gaat - m.i. terecht - ervan uit dat het eindoordeel van het hof in rov. 9 is gebaseerd op de feiten en omstandigheden die zijn vermeld in de daaraan voorafgaande overwegingen, waaronder de rov. 7 en 8. In het kort houdt de klacht in dat 's hofs vaststelling, dat de vrouw niets ertegen heeft ondernomen dat de gelden die haar vader maandelijks schonk op haar privé-bankrekening werden overgeboekt naar een andere rekening en vervolgens werden aangewend ter bestrijding van de kosten van de huishouding, de beslissing niet kan dragen. Dat de vrouw niets tegen die overboekingen heeft ondernomen, betekent volgens het middelonderdeel niet méér dan het simpele feit dat de vrouw medewerking heeft verleend aan de uitvoering van de fiscale constructie. Haar feitelijke medewerking aan de uitvoering van deze fiscale constructie levert volgens het middelonderdeel geen afdoende weerleging op van haar standpunt dat de man zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op het vervalbeding kan beroepen.

2.19. In het algemeen moet worden gezegd dat het hof, bij de beantwoording van de vraag of het beroep van de man op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, betekenis mocht toekennen aan de omstandigheid dat de vrouw stilzwijgend heeft aanvaard dat de gelden die haar vader haar geschonken had naar een andere bankrekening werden overgeboekt en vervolgens werden aangewend ter bestrijding van de kosten van de huishouding. De vrouw heeft de indirecte benutting van de schenkingen voor de kosten van de huishouding kunnen waarnemen.

2.20. Toch ben ik van mening, dat het hof de stelling van de vrouw dat het beroep van de man op het vervalbeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, niet adequaat heeft weerlegd door slechts te verwijzen naar de zo-even bedoelde stilzwijgende aanvaarding. Aangezien de klacht van onderdeel 5 nader is uitgewerkt in de onderdelen 7 en 8, wil ik deze middelonderdelen nu in de bespreking betrekken.

2.21. Onderdeel 7 klaagt dat het hof zonder motivering voorbij is gegaan aan de stelling van de vrouw dat de in 1984 gekozen fiscale constructie uitsluitend de man tot voordeel heeft gestrekt en dat hij het fiscale voordeel slechts heeft kunnen realiseren dankzij de omstandigheid dat de schenkingen, welke de vader van de vrouw aan haar in privé had gedaan, aan de kosten van de huishouding werden besteed. Het middelonderdeel wijst op hetgeen de vrouw bij repliek in eerste aanleg had aangevoerd(13).

2.22. Het spreekt voor zich dat de in 1984 gekozen fiscale constructie, welke inhield dat de man de tegenprestatie voor zijn arbeid voortaan als managementvergoeding liet overmaken naar [B] B.V. en dat de man zelf geen salaris meer zou ontvangen, voor de man een fiscaal voordeel opleverde: hij behoefde geen inkomstenbelasting meer te betalen over dit inkomen uit arbeid. De constructie bracht hem daarnaast het voordeel dat de kosten van de huishouding feitelijk niet langer te zijnen laste kwamen: zij werden vanaf 1984 betaald vanuit het privévermogen van de vrouw en indirect bekostigd door haar vader.

2.23. Het wekt geen verwondering dat de vrouw haar feitelijke medewerking heeft verleend aan deze fiscale constructie, althans niet tegen de uitvoering van die constructie (met inbegrip van de overboekingen) heeft geprotesteerd. De in 1984 gekozen fiscale constructie was immers voor de echtgenoten gezamenlijk een voordelige constructie: gelet op de hoogte van het arbeidsinkomen van de man, werd door de fiscale constructie een aanzienlijke belastingbesparing bereikt en daarmee een substantiële verhoging van het vrij besteedbaar inkomen van het gezin. De constructie bracht mee dat de man feitelijk niet langer in staat was uit zijn salaris de kosten van de huishouding te voldoen.

2.24. Het geschil draait om de vraag of partijen zich hebben gerealiseerd wat deze fiscale constructie betekende voor hun onderlinge rechtsbetrekking. In de redenering van de man was een logisch en onvermijdelijk gevolg van de gekozen fiscale constructie dat hij door de vrouw werd ontheven van zijn verplichting tot het dragen van de kosten van de huishouding, ook al bleven de huwelijkse voorwaarden onveranderd. Hij had niet langer een salaris waaruit hij de kosten van de huishouding zou kunnen voldoen.

2.25. Daartegenover stond het standpunt van de vrouw dat de fiscale constructie niet meebracht dat de man werd ontheven van zijn draagplicht uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden. Volgens de vrouw zou zo'n ontheffing een niet redelijke bevoordeling van de man en een benadeling van het privévermogen van de vrouw opleveren.

2.26. De redengeving in het bestreden arrest schiet naar mijn mening op dit punt tekort. De vraag of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is dat de man zich op het vervalbeding beroept, kan eigenlijk niet worden beantwoord zonder tevens in te gaan op de vraag of partijen in 1984 inderdaad met elkaar zijn overeengekomen dat de schenkingen van de vader van de vrouw zouden worden aangewend ter bestrijding van de kosten van de huishouding, zoals de man had gesteld. In de stellingname van de man hebben partijen in 1984 onderling een afspraak gemaakt over de draagplicht van de huishoudelijke kosten die afwijkt van de draagplicht volgens de huwelijkse voorwaarden. In de stellingname van de vrouw is zo'n afspraak niet gemaakt en doet de bron, waaruit tussen 1984 en 1990 feitelijk is geput om de kosten van de huishouding te betalen, niet af aan het voortbestaan van de verplichting van de man om de kosten van de huishouding te dragen. Nu de feitelijke toestand afwijkt van de juridische verplichting, moet in het kader van de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk volgens de vrouw alsnog tussen partijen worden afgerekend.

2.27. De stelling van de man, dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de man werd ontheven van zijn verplichting tot het dragen van de kosten van de huishouding, heeft in het debat tussen partijen de vraag opgeroepen waarom de vrouw daarmee accoord zou hebben willen gaan. Het zgn. `oppotten' van het arbeidsinkomen van de man in de management-B.V., in combinatie met het gebruik van privévermogen van de vrouw voor de bestrijding van de kosten van de huishouding, leidt tot een voordeel voor de man ten koste van het vermogen van de vrouw. Kennelijk in aansluiting op de stellingen van de man heeft het hof in rov. 7 in de beoordeling betrokken dat [B] B.V. vanaf maart 1984 de fee voor de werkzaamheden van de man ten bedrage van f 250.000,- per jaar ontving en dat de paardenhobby van partijen direct of indirect werd gefinancierd door de management-B.V. of een dochteronderneming daarvan.

2.28. Onderdeel 8 hangt samen met deze overweging. Voor het geval dat de (volgens onderdeel 7: ontbrekende) motivering van 's hofs oordeel hierin moet worden gezocht dat de vrouw voor 50 % aandeelhoudster is van [B] B.V. en dus meeprofiteert van de waardestijging van de aandelen van die vennootschap ten gevolge van het feit dat de managementfee aan die vennootschap wordt overgemaakt en/of moet worden gezocht in de omstandigheid dat de vrouw haar paardenhobby heeft kunnen uitoefenen op kosten van de vennootschap, klaagt onderdeel 8 dat het hof aan twee essentiële stellingen van de vrouw voorbij is gegaan, te weten:

(i) De stelling van de vrouw dat zij niet meteen in 1984, maar eerst in 1988 50%-aandeelhoudster van [B] B.V. is geworden; tot dan toe was de man de enige aandeelhouder. Voor de overname van de helft van de aandelen heeft de vrouw aan de man een koopsom van f 700.000,- voldaan.

(ii) De stelling dat de paardenhobby niet meteen in 1984, maar eerst in 1988 is ondergebracht in de dochteronderneming van [B] B.V.

Volgens het middelonderdeel kan rov. 7 om deze reden niet het oordeel dragen dat de vrouw in verband met de fiscale constructie afstand heeft gedaan van de bepaling in de huwelijkse voorwaarden dat de man de kosten van de huishouding voor zijn rekening neemt en evenmin het oordeel dragen dat de man zich in redelijkheid op het vervalbeding kan beroepen.

2.29. Indien het hof van oordeel is dat de in onderdeel 8 bedoelde stellingen van de vrouw niet van belang kunnen voor de beantwoording van de vraag of de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat de man een beroep doet op het vervalbeding en daarom deze stellingen onbesproken heeft gelaten, geeft dat oordeel m.i. blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het kader van de toetsing aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid kúnnen omstandigheden als deze van belang zijn (hetgeen de feitenrechter overigens vrijlaat in de mate waarin hij aan deze omstandigheden in het concrete geval gewicht wil toekennen). Indien het hof deze stellingen van de vrouw wél van belang heeft geacht, maar daaraan voorbij heeft willen gaan, ontbreekt iedere motivering van dat oordeel.

2.30. Een gegrondbevinding van de onderdelen 5, 7 en 8 brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven. Na verwijzing zal m.i. moeten worden onderzocht of partijen in of na 1984 aan de fiscale constructie consequenties hebben verbonden voor hun onderlinge (huwelijksvermogensrechtelijke) rechtsverhouding, en zo ja, welke. Met name dient m.i. te worden onderzocht of partijen een afspraak hebben gemaakt dat de man werd ontheven van zijn uit de huwelijkse voorwaarden voortvloeiende verplichting om de kosten van de huishouding te dragen. Daarna kan opnieuw worden beoordeeld of de man in redelijkheid een beroep op het vervalbeding heeft kunnen doen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Deze procedure, waarin de vrouw eiseres in eerste aanleg was, heeft rolnr. 8415/92 bij de rechtbank, rolnr. 00/1186 bij het hof en rolnr. 05/150 bij de Hoge Raad. In de zaak C 05/148 HR gaat het om een tegenvordering van de man. In de procesdossiers zijn de rolnummers hier en daar verwisseld.

2 Het hof verwijst in rov. 1 naar de feiten, vastgesteld in de vonnissen van 14 april 1997 en 7 september 2000. Ik vermeld deze feiten slechts voor zover in cassatie nog van belang en voeg enkele - onbetwiste - feiten toe die elders uit het arrest blijken.

3 De datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking blijkt niet uit het arrest, maar moet vóór 14 april 1997 liggen.

4 Naast het bedrag van f 752.433,- vorderde de vrouw betaling van f 225.000,- als haar aandeel in het door de man genoten fiscale voordeel, alsmede betaling van f 100.000,- wegens opnamen door de man van gelden uit [B] B.V. in 1991-1992. Deze beide laatste vorderingen, door de rechtbank ontzegd, blijven verder onbesproken.

5 CvD punt 9.

6 Tussen echtgenoten, die niet van tafel en bed zijn gescheiden, wordt de wettelijke verjaringstermijn verlengd (art. 3:321 BW). Bijgevolg kunnen echtgenoten na zeer lange tijd nog worden geconfronteerd met vorderingen van de andere echtgenoot tot vergoeding van kosten van de huishouding. Teneinde dit te voorkomen kunnen echtgenoten in hun huwelijkse voorwaarden een vervalbeding opnemen (Parl. Gesch. Inv. Boek 1, ad art. 1:84 BW, blz. 1143-1153).

7 Zie: HR 19 januari 1996, NJ 1996, 617 m.nt. WMK en HR 23 juni 2000, NJ 2001, 347 m.nt. WMK.

8 Zie bijv.: M.J.A. van Mourik en W. Burgerhart, De ontwikkeling in de praktijk der huwelijks- en partnerschapsvoorwaarden in de periode 1997-2003, WPNR 6648 (2005), i.h.b. blz. 1037: "...dat het toevoegen van een vervalbeding aan de verrekening van de kosten van de huishouding in redelijkheid weinig bezwaar kan onmoeten."; W.G. Huijgen, Ter Kuile/Kofman, in: M.L.C.C. de Bruijn-Lückers e.a. (red.), EB Klassiek, 2003, i.h.b. blz. 101.

9 Vgl. HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 93 m.nt. WMK.

10 HR 22 mei 1987, NJ 1988, 231 m.nt. EAAL; HR 29 april 1994, NJ 1995, 561 m.nt. WMK.

11 De pleitnota van mr. Liesker (de raadsman van de vrouw), waarnaar in het middelonderdeel wordt verwezen, hield in: "In de periode dat de maandelijkse schenkingen van f 6.500,- werden gedaan, droeg de man aan het huishouden namelijk geheel niets bij en de vrouw dus alles. Het `praktische probleem' dat zich normaliter voordoet bij dit soort van afrekeningsperikelen speelt hier dus helemaal niet".

12 De verwijzing in onderdeel 4 naar onderdeel 1 moet een verschrijving zijn. In haar s.t., punt 5.5, spreekt de vrouw in dit verband over de onderdelen 2 en 3.

13 Zie ook haar stellingen bij CvA na enquete, blz. 5.