Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AW3043

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2006
Datum publicatie
15-09-2006
Zaaknummer
C05/148HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AW3043
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Geschil tussen voormalig echtelieden over vergoeding door de vrouw overeenkomstig hun huwelijkse voorwaarden van de geldbedragen die de man uit eigen middelen had uitgegeven in verband met de staande het huwelijk door de vrouw gekochte onroerende zaak (echtelijke woning, manege) bestaande in verbouwingskosten en aflossingen van de hypothecaire schuld; devolutieve werking van het appel, toewijzing van in eerste aanleg afgewezen deel van vordering zonder in te gaan op in hoger beroep niet prijsgegeven weren van de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/18 met annotatie van BER onder «JPF» 2009/31
JOL 2006, 524
RvdW 2006, 863
JWB 2006/283

Conclusie

C05/148HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 21 april 2006

Conclusie inzake:

[de vrouw]

tegen

[de man]

In deze zaak vordert de man van de vrouw terugbetaling van bedragen die hij heeft geïnvesteerd in een onroerende zaak die de vrouw in privé toebehoorde(1).

1. De feiten en het procesverloop(2)

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende(3):

1.1.1. Eiseres tot cassatie (de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn op 20 juni 1974 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.

1.1.2. In de akte van huwelijkse voorwaarden is onder meer opgenomen:

"Artikel 1:

Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen, welke ook, bestaan.

Artikel 3:

1. De kosten der huishouding, daaronder begrepen die van de verzorging en opvoeding der kinderen, en de belastingschulden, voorzover zij uit de inkomsten plegen te worden voldaan, worden door de man gedragen en betaald.

2. Het vorderingsrecht jegens de andere echtgenoot tot het bijdragen in kosten en belastingschulden als voormeld, vervalt bij het einde van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin die kosten zijn betaald, respectievelijk die belastingschulden definitief zijn vastgesteld."

1.1.3. De vrouw heeft in 1975 een perceel grond met opstallen gekocht aan de [a-straat 1 en 2] te [woonplaats] en heeft daarvoor een hypothecaire lening gesloten. Het adres [a-straat 1] betreft de voormalige echtelijke woning. Op het adres [a-straat 2] is een manege gehuisvest, welke is ondergebracht in [A] B.V. De aandelen van [A] B.V. worden (op één na) gehouden door [B] B.V. De man en de vrouw zijn ieder voor 50 % aandeelhouder van [B] B.V.

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 31 maart 1993 heeft de man de vrouw gedagvaard voor de rechtbank te Breda en betaling gevorderd van f 1.241.343,50, te vermeerderen met wettelijke rente. De man heeft daartoe aangevoerd dat hij gedurende het huwelijk uit eigen middelen de hypotheeklasten van de vrouw heeft voldaan; in totaal heeft hij van de hypotheekschuld van de vrouw f 287.746,51 afgelost. Daarnaast heeft hij tijdens het huwelijk uit zijn eigen middelen verbouwingen van de onroerende zaak van de vrouw bekostigd tot een bedrag van f 896.997,- in totaal. Volgens de man is de vrouw gehouden deze voorgeschoten bedragen aan hem te vergoeden; het zijn geen `kosten der huishouding' die volgens de huwelijkse voorwaarden voor rekening van de man komen(4).

1.3. De rechtbank te Breda heeft de zaak verwezen naar de rechtbank te Rotterdam, in verband met de daar tussen partijen aanhangige procedure. De vrouw heeft de vordering van de man bestreden en een vordering in reconventie ingesteld. De vordering in reconventie speelt in cassatie geen rol en blijft verder onbesproken(5).

1.4. Bij tussenvonnis van 14 april 1997 heeft de rechtbank vastgesteld dat de aflossingen op de hypothecaire schuld en de kosten van verbouwingen niet behoren tot de `kosten der huishouding' als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden. Indien de man uit zijn privévermogen betalingen heeft verricht ten behoeve van de verbouwing van een aan de vrouw toebehorende onroerende zaak, heeft hij in beginsel recht op vergoeding van het nominaal door hem daaraan bestede bedrag(6). De rechtbank heeft in conventie de man toegelaten te bewijzen: (a) dat hij uit eigen middelen de aflossingen heeft betaald op de hypothecaire schuld van de vrouw en (b) dat hij uit eigen middelen de kosten heeft betaald van bouwkundige werkzaamheden in of aan de aan de vrouw toebehorende onroerende zaak.

1.5. Na getuigenverhoor heeft de rechtbank bij vonnis van 7 september 2000 de vordering van de man toegewezen tot een bedrag van f 80.726,94 met rente, ter zake van aflossingen die de man heeft verricht op de hypothecaire schuld van de vrouw. Met betrekking tot de door de man gestelde kosten van verbouwingen achtte de rechtbank het bewijs niet geleverd.

1.6. De man heeft tegen beide vonnissen hoger beroep ingesteld. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld(7). Bij arrest van 2 februari 2005 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het tussenvonnis met de bewijsopdracht aan de man vernietigd, alsmede het eindvonnis voor zover daarin de vordering van de man werd afgewezen. Het hof heeft, opnieuw rechtdoende, de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van f 1.104.017,- (€ 500.981,07) met wettelijke rente, zulks naast het bedrag dat reeds door de rechtbank was toegewezen.

1.7. De vrouw heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1 klaagt dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, is voorbijgegaan aan twee stellingen van de vrouw. De klacht betreft allereerst de stelling dat het instellen van deze vordering door de man in strijd is met de redelijkheid en billijkheid omdat het niet aangaat dat de man in de parallelprocedure, waarin hij door de vrouw tot terugbetaling van de kosten van de huishouding is aangesproken, zich beroept op het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden en tegelijkertijd, in deze procedure, van de vrouw het `volle pond' verlangt. De vrouw voegde hieraan toe dat de uitgaven ook tot voordeel van de man strekten en dat hij deze uitgaven zonder overleg met de vrouw heeft gedaan(8).

2.2. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof over dit (in hoger beroep niet prijsgegeven) verweer van de vrouw in conventie een beslissing behoorde te nemen. De klacht dat het hof dit heeft nagelaten zonder opgaaf van redenen is m.i. terecht voorgesteld. In de s.t. namens de man wordt het standpunt ingenomen dat de in het middelonderdeel bedoelde stelling van de vrouw te vaag was en dat het hof daarom aan deze stelling voorbij kon gaan. Ik ben het daarmee in zoverre eens, dat de enkele omstandigheid dat de man in de parallelprocedure een beroep heeft gedaan op het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden terwijl de vrouw omgekeerd in dit geding niet een vervalbeding aan de man kan tegenwerpen, op zichzelf onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat het instellen van deze vordering door de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De vrouw heeft zich echter niet beperkt tot die stelling. Of de uitgaven de man tot voordeel hebben gestrekt en of hij deze uitgaven zonder overleg met de vrouw heeft gedaan, en zo ja, welk gewicht dat dan in de schaal werpt bij de beantwoording van deze vraag, kan na verwijzing alsnog worden onderzocht.

2.3. Het middelonderdeel betreft in de tweede plaats de stelling van de vrouw dat wanneer haar vordering in de parallelprocedure afstuit op het vervalbeding, de bedragen welke vanuit haar privévermogen zijn aangewend om de kosten van de huishouding te betalen, moeten worden beschouwd als `deelbetalingen' van de vrouw op de (volgens de man toen al bestaande) vordering van de man met betrekking tot de kosten van verbouwingen aan de onroerende zaak van de vrouw en/of de aflossingen op de hypothecaire schuld van de vrouw(9). Volgens de vrouw waren de kosten van de huishouding ingevolge de huwelijkse voorwaarden voor rekening van de man.

2.4. Het hof heeft over dit essentiële verweer van de vrouw geen beslissing genomen. Het bestreden arrest kan daarom niet in stand blijven. Na verwijzing zal dit verweer alsnog moeten worden onderzocht. Met het oog op de afdoening na verwijzing valt nog op te merken dat over het rechtskarakter van betalingen uiteenlopend wordt gedacht(10). In de vakliteratuur heeft de opvatting de overhand dat de betaling niet een tweezijdige rechtshandeling is. Haar werking berust niet op een, op het tenietgaan van de verbintenis gerichte, wilsovereenstemming. Na verwijzing behoeft m.i. om deze reden geen onderzoek te worden verricht of tussen partijen hieromtrent overeenstemming is bereikt. Over de vraag of een betaling is aan te merken als een éénzijdige rechtshandeling dan wel slechts een feitelijke handeling oplevert, bestaat meer discussie. Een op schuldbevrijding gerichte wil van de schuldenaar (animus solvendi) is, hoewel in de meeste gevallen aanwezig, niet steeds vereist: betaling is mogelijk zonder medewerking en zelfs buiten medeweten van de schuldeiser. Hartkamp heeft betoogd dat aan de betaling van een geldsom meer dan één titel ten grondslag kan liggen (zoals bijv. de betaling van een schuld, schenking, uitvoering van een overeenkomst van geldlening). Om dit onderscheid te kunnen maken is de animus solvendi zijns inziens wel een vereiste; om die reden merkt hij de betaling aan als een eenzijdige rechtshandeling(11). Ook Scheltema merkt de betaling aan als een eenzijdige rechtshandeling. Hij wijst daarnaast op de betekenis van het vertrouwen van de wederpartij, wanneer onenigheid bestaat over het doel van een betaling:

"Aangezien betaling een rechtshandeling is, moet aansluiting worden gezocht bij de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Dit houdt in dat de wil van de prestant op grond van artikel 3:33 BW bepalend is. De prestant geeft derhalve in beginsel het doel van een betaling aan. Indien echter degene aan wie wordt betaald meent dat een ander doel wordt nagestreefd, kan hij een beroep doen op artikel 3:35 BW."(12)

Naast de reeds genoemde bepalingen kunnen de imputatiebepalingen van belang zijn (art. 6:43 en 6:44 BW) alsmede de bepaling in art. 6:29 BW dat de schuldeiser geen genoegen behoeft te nemen met betaling van een schuld in gedeelten(13). Uit overeenkomst, wet, gewoonte of de maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan echter voortvloeien dat de schuldeiser toch nakoming in gedeelten moet aanvaarden(14).

2.5. Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 13. In deze overweging heeft het hof het verweer van de vrouw verworpen dat, wanneer de man inderdaad uit zijn privévermogen de verbouwingskosten en aflossingen van de hypotheekschuld van de vrouw heeft betaald, hij dit slechts heeft gedaan ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw, zodat hij het bedrag niet als onverschuldigd betaald kan terugvorderen. Het hof is in rov. 13 tot de volgende slotsom gekomen:

"In dit specifieke geval waarbij partijen bewust en in overleg met de wederzijdse families en in overleg met de notaris hebben gekozen voor een totale scheiding van vermogens, rekening houdend met het feit dat de vrouw zelf stelt dat zij bij de aanvang van het huwelijk al over een vermogen beschikte en voorts rekening houdend met het gegeven dat de vrouw van haar familie een aanzienlijk vermogen mocht verwachten, mocht de vrouw er niet op vertrouwen dat de man voldeed aan een natuurlijke verbintenis toen hij de verbouwingskosten alsmede de aflossing van de hypothecaire geldlening betaalde."

2.6. In dit geding dient tot uitgangspunt dat tussen echtgenoten die bij hun huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap hebben uitgesloten, vergoedingsrechten kunnen ontstaan doordat de goederen, die gedurende het huwelijk op naam van de ene echtgenoot zijn verkregen, geheel of ten dele met geld van de ander zijn gefinancierd(15). Dit kan anders zijn wanneer een en ander is geschied ter uitvoering van een natuurlijke verbintenis van de ene echtgenoot tot verzorging van de andere(16).

2.7. Een natuurlijke verbintenis bestaat wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt (art. 6:3, tweede lid, aanhef en onder b, BW). Dit brengt mee, dat de vraag of er sprake is van een natuurlijke verbintenis naar objectieve maatstaven wordt beoordeeld en dat derhalve aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie voldoet geen beslissende betekenis toekomt. In het algemeen zal als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis mogen worden beschouwd: de omstandigheid dat de prestatie heeft bestaan in het verstrekken door de man van gelden voor de aankoop van een (geheel of mede) op naam van de vrouw te plaatsen gemeenschappelijke, of uitsluitend voor de vrouw bestemde, woning. Het ligt immers voor de hand, dat een zodanige prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw ook na het einde van het huwelijk in de woning kan blijven wonen. Deze waarborg zou niet tot zijn recht komen wanneer de vrouw het gevaar loopt de woning te moeten verkopen om aan een vergoedingsplicht jegens de man of diens erfgenamen te kunnen voldoen. Het verschaffen van een zodanige prestatie zal vaak naar maatschappelijke opvattingen kunnen worden beschouwd als een prestatie die aan de vrouw op grond van een dringende morele verplichting toekomt. Daarbij zal evenwel acht moeten worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis, is bepalend de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie, niet hoe partijen er later financieel blijken voor te staan(17).

2.8. Het hof heeft in rov. 11 kennelijk deze jurisprudentiële maatstaf voor ogen gehad. Het hof is - ondanks de bovenbedoelde "objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis" - tot de slotsom gekomen dat in dit geval geen sprake is geweest van voldoening door de man aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw. Het hof heeft dit oordeel gebaseerd op de omstandigheden van het onderhavige geval, waaronder met name de wederzijdse welstand en behoefte van partijen.

2.9. Het middelonderdeel klaagt dat de omstandigheden waarop het hof dit oordeel heeft gegrond niet toereikend zijn om de hierboven bedoelde "objectieve aanwijzing" te doorbreken. De omstandigheid dat partijen in hun huwelijkse voorwaarden bewust en in overleg met de wederzijdse families en de notaris hebben gekozen voor een huwelijksvermogensregime met uitsluiting van iedere goederengemeenschap, kan volgens het middel het oordeel niet dragen: dat is niet een uitzonderlijke situatie als waarop de jurisprudentiële maatstaf ziet. De bovengenoemde "objectieve aanwijzing" voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis doet zich immers juist voor in die gevallen waarin echtelieden buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Voor zover het hof het oog heeft gehad op het vermogen waarover de vrouw destijds beschikte, heeft het hof miskend dat dit vermogen niet toereikend was om de vrouw in de echtelijke woning te laten wonen. Het door het hof in aanmerking genomen vooruitzicht van de vrouw op verkrijging van vermogen door middel van schenkingen of erfenis, biedt haar volgens het middel te weinig zekerheid.

2.10. Het bestreden oordeel is mijns inziens te zeer verweven met een waardering van de - wel zeer bijzondere - omstandigheden van het geval om in een cassatieprocedure op juistheid te worden getoetst. Het hof heeft een toetsing uitgevoerd aan de hand van de maatstaf die in de jurisprudentie daarvoor is aangewezen. Het hof heeft bij de beoordeling betekenis mogen toekennen aan de wijze waarop de huwelijkse voorwaarden tot stand zijn gekomen en waarbij - in de woorden van de vader van de vrouw - grote vermogens aan de orde waren en de vrouw "maar hoefde te kikken om van mij schenkingen te krijgen" (zie rov. 12). Het hof heeft vermeld dat de vrouw - naar eigen stelling - bij de aanvang van het huwelijk al over een vermogen beschikte en heeft rekening gehouden met het gegeven dat de vrouw van haar familie een aanzienlijk vermogen mocht verwachten (rov. 13). De beslissing dat onder deze omstandigheden geen sprake is van het voldoen door de man aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het hof heeft blijkbaar niet eraan getwijfeld dat, ook zonder deze financiële bijdragen van de man, de vrouw niet onverzorgd zou achterblijven en dat zij in haar huis zou kunnen blijven wonen. De slotsom is dat onderdeel 2 faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het verdient aanbeveling eerst kennis te nemen van de parallelzaak onder rolnr. C 05/150 HR.

2 Deze procedure heeft rolnr. 185/94 bij de rechtbank, rolnr. 00/1187 bij het hof en rolnr. 05/148 bij de Hoge Raad. In de procesdossiers zijn de rolnummers soms verwisseld met die van de parallelzaak.

3 Het hof verwijst in rov. 1 naar de feiten zoals vastgesteld in de vonnissen van 14 april 1997 en 7 september 2000. De feiten worden hier verkort weergegeven.

4 Naast de aflossingen op de hypothecaire schuld en de verbouwingskosten omvatte de vordering van de man een bedrag van f 56.600,- m.b.t. kosten van de paarden van de vrouw in de periode 1982 - 1984. Dit deel van de vordering speelt in cassatie geen rol meer. Bij CvR in conventie, onder 28, heeft de man zijn vordering voorwaardelijk vermeerderd met f 35.000,- wegens beschadiging van zijn veewagen door de vrouw. Ook die kwestie is in cassatie niet meer aan de orde.

5 De vrouw vorderde in reconventie f 1.523.944,20. Hiervan had een bedrag van f 1.200.000,- betrekking op waardevermindering van haar aandelen in [B] B.V., welke verband hield met een kwestie over gederfde managementvergoedingen, f 123.944,20 op betaling door de vrouw voor een veewagen die op naam van de man stond en f 200.000,- op obligaties van de vrouw die de man onder zich zou hebben gehouden.

6 De rechtbank verwees naar HR 15 september 1995, NJ 1996, 616 m.nt. WMK.

7 Het incidenteel appel had betrekking op het toegewezen deel van de vordering en op de - hierna te bespreken - vraag of sprake was van een natuurlijke verbintenis.

8 CvA in conventie/CvE in reconventie, blz. 9.

9 CvA in conventie/CvE in reconventie, blz. 9 onderaan; pleitaantekeningen zijdens de vrouw in eerste aanleg, blz. 8-9.

10 Voor een literatuuroverzicht: losbl. Verbintenissenrecht, aant. 6 op Titel 1, afdeling 6 (R.M.Ch.M. Koot en A.T. Bolt).

11 Asser-Hartkamp 4-I, 2004, nr. 186. Enigszins anders: H.A.M. Aaftink, Het rechtskarakter van betaling, in: Van Opstall-bundel (1972), blz. 217-225. Zie over dit vraagstuk ook: C.J.H. Brunner en G.T. de Jonge, Verbintenissenrecht, algemeen (2004) nr. 77; J.M. van Dunné, Verbintenissenrecht deel 1, Contractenrecht (2001), blz. 809-821, waarin ook de rechtspraak wordt besproken.

12 M.W. Scheltema, Onverschuldigde betaling, diss. 1997, blz. 51-53.

13 Art. 1426 (oud) BW bevatte eenzelfde regel.

14 Vgl. Toelichting Meijers, Parl. Gesch. Boek 6, blz. 156.

15 HR 12 juni 1987 (Kriek/Smit), NJ 1988, 150 m.nt. EAAL, rov. 3.3. De onderhavige vordering van de man strekt slechts tot teruggaaf van het nominale bedrag, niet tot verrekening van een eventuele waardevermeerdering van de woning.

16 HR 30 januari 1991, NJ 1992, 191 m.nt. EAAL, herhaald in HR 15 september 1995, NJ 1996, 616 m.nt. WMK, rov. 3.3.

17 HR 15 september 1995, NJ 1996, 616 m.nt. WMK, rov. 3.5. Uit de jurisprudentie nadien: HR 17 oktober 1997 ,NJ 1998, 692 m.nt. WMK; HR 19 december 2003, NJ 2004, 185; HR 27 februari 2004, LJN-nr. AN9689; HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 1 m.nt. WMK.