Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AW0394

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
01937/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AW0394
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opzet op bijstandsfraude. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan – zoals het hof in zijn nadere bewijsoverweging tot uitdrukking heeft gebracht – volgen dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het werkelijke aantal door haar echtgenoot bij een horecagelegenheid gewerkte uren niet in de mede door haar ondertekende inkomstenformulieren was opgegeven. Nadere motivering behoeft evenwel 's hofs oordeel dat, zoals onder 1 is bewezenverklaard, verdachte heeft gehandeld “met het oogmerk om aldus voor zichzelf en voor haar mededader bijstand of hogere bijstand te verkrijgen”. Gelet op het verweer (echtgenoot regelde alles, verdachte die de Nederlandse taal niet machtig is, tekende enkel zonder er meer van te begrijpen dan dat dat nodig was om een uitklering te krijgen) schiet ook de motivering van het onder 2 bewezenverklaarde opzet (opzettelijk niet de benodigde gegevens verstrekken die van belang waren voor de vaststelling van het recht op de uitkering) tekort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 374
JOL 2006, 493
NJ 2006, 496
RvdW 2006, 806

Conclusie

Nr. 01937/05

Mr. Knigge

Zitting: 4 april 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem vrijgesproken van het haar primair tenlastegelegde en wegens A "medeplegen van in strijd met de waarheid enig gegeven verzwijgen om voor zichzelf hogere bijstand te verkrijgen, meermalen gepleegd" en B "medeplegen van in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl zij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar of eens anders recht op een verstrekking, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de teruggave gelast van de in de bestreden uitspraak genoemde voorwerpen.

2. Deze zaak hangt samen met die onder nummer 01938/05, in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte heeft mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaarde feiten niet uit de bewijsmiddelen kunnen volgen, met name niet waar het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte met (voorwaardelijk) opzet heeft nagelaten de Sociale Dienst (volledig) te informeren.

5. Ten laste van de verdachte is in de bestreden uitspraak onder A bewezenverklaard dat:

"zij in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 2 oktober 2001 in de gemeente Zwolle, in elk geval in Nederland, meermalen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander (te weten haar partner [medeverdachte 1]), (telkens) voor de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Zwolle, (telkens) door verdachtes mededader gewerkte uren en/of (telkens) een deel van door verdachtes mededader gewerkte uren voor horecagelegenheid "[A]" te [plaats] heeft verzwegen, (telkens) met het oogmerk om aldus voor zichzelf en voor haar mededader bijstand of hogere bijstand te verkrijgen."

En onder B dat:

"zij in of omstreeks de periode van 3 oktober 2001 tot en met 22 april 2003 in de gemeente Zwolle, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander (te weten haar partner [medeverdachte 1]), meermalen, (telkens) in strijd met een haar en/of haar mededader bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65, eerste lid, van de Algemene Bijstandswet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit (telkens) kon strekken tot bevoordeling van zichzelf en haar mededader, terwijl verdachte en haar mededader (telkens) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die gegevens (telkens) van belang waren voor de vaststelling van verdachtes en haar mededader of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten (telkens) een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet, dan wel (telkens) voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met haar mededader, althans alleen, opzettelijk (telkens) niet door verdachtes mededader gewerkte uren en/of een deel van de door verdachtes mededader gewerkte uren voor horecagelegenheid "[A]" te [plaats] opgegeven aan, althans verzwegen, voor de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Zwolle."

6. Aandacht verdient dat het in casu niet gaat om het opgeven van te weinig inkomen. Tenlastegelegd en bewezenverklaard is uitsluitend het niet opgeven van verrichte werkzaamheden. Dat het om betaalde werkzaamheden ging, blijkt uit de bewijsmiddelen niet. Daarvan mag dus ook in cassatie niet worden uitgegaan.(1) De vraag is daarom of verdachte geweten heeft dat haar man onbetaalde werkzaamheden in [A] verrichtte en begrepen heeft dat deze werkzaamheden op het formulier vermeld hadden moeten worden.(2)

7. Het Hof heeft tot het bewijs van de bewezenverklaarde feiten de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

(I) een proces-verbaal van relaas van de opsporingsambtenaar J.A. Roossien van 2 juni 2003, waarin deze voor zover hier van belang het volgende verklaart:

- verdachten ontvingen met ingang van 10 juni 1996 een uitkering naar de norm 'echtpaar';

- op 2 augustus 1999 heeft [medeverdachte 1] tegenover de politie verklaard eigenaar te zijn van restaurant "[A]" te [plaats];

- op 9 augustus 2001 was [medeverdachte 1] met een bestelauto met daarop het opschrift "Pizzeria eetcafé [A]" betrokken bij een ongeval;

- uit waarnemingen van de Sociale Recherche in de periode van 2 september 2002 tot 7 januari 2003 bleek dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van een bestelauto met het opschrift "Pizzeria eetcafé [A]", voorzien van het kenteken [AA-00-BB] en dat hij deze auto placht te parkeren nabij zijn woning;

- uit deze waarnemingen bleek voorts dat [medeverdachte 1] buiten de door hem aangegeven uren aanwezig was / werkzaam was in het eetcafé "[A]" in [plaats];

- uit observaties in de periode 20 januari 2003 tot 20 april 2003 bleek dat verdachte [medeverdachte 1] vijf dagen per week aanwezig was in eetcafé "[A]". Op maandagen en dinsdagen was hij alleen in de zaak. Hij opende en sloot diverse keren het eetcafé. Ook in deze periode maakte hij gebruik van meergenoemde bestelauto;

- in de periode van 6 februari 2003 tot 7 maart 2003 werkte [medeverdachte 1] circa 148, 5 uur in "[A]";

- uit onderzoek bleek dat deze werkzaamheden en de inkomsten daaruit niet volledig aan Sociale Zaken van de Gemeente Zwolle, noch aan de Belastingdienst en het GAK waren opgegeven.

(II) een proces-verbaal van de opsporingsambtenaren J.A. Roossien en G. de Haan van 22 april 2003, inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik weet dat mijn man een pizza en een shoarma zaak heeft gehad in [plaats]. Dit liep niet zo goed en hij heeft de zaak verkocht. Mijn man regelde dit.

Ik weet niet meer wanneer mijn man naar [plaats] is gegaan om te gaan werken bij [A] in [plaats]. Volgens mij een jaar geleden ofzo.

Hij gaat 's middags nadat hij wakker is geworden weg.

Hij komt de volgende ochtend meestal terug.

Hierna gaat hij slapen.

Mijn man rijdt weleens in de bestelauto van restaurant [A].

Ik vraag niet aan mijn man hoeveel hij verdient en wat hij met het geld doet. Ik krijg weleens wat extra geld voor kleding e.d. als dit nodig is."

(III) het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank Zwolle van 6 januari 2004, inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik heb die inkomstenformulieren inderdaad mede-ondertekend. Ik wist een beetje wat er op de formulieren stond."

(IV) een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Sv, zijnde een zogenoemd inkomstenformulier ABW van de gemeente Zwolle, betreffende de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 januari 1999,(3) gesteld op naam van [medeverdachte 1], gedagtekend en ondertekend door [medeverdachte 1] en de verdachte(4), waarop achter de vraag "Zijn er inkomsten of is er een wijziging ten aanzien van werkgever?" is aangekruist: "nee". Tevens bevat dit formulier boven de dagtekening en handtekeningen de tekst:

"Ondergetekende(n) verklaart (verklaren) de hiervoor gevraagde gegevens naar waarheid te hebben verstrekt en kennis te hebben genomen van de aan de achterzijde vermelde informatie. Bovendien zijn geen omstandigheden, werkzaamheden of inkomsten verzwegen, waardoor in het geheel geen of minder uitkering zou zijn verstrekt, wanneer de afdeling Sociale Zaken daar van op de hoogte zou zijn geweest."

(V) een soortgelijk geschrift als onder (IV) vermeld, voor de periode van 1 april 2001 tot en met 30 april 2001, gesteld op naam van de verdachte, gedagtekend en ondertekend door verdachte en [medeverdachte 1], waarop is ingevuld dat er in de maand maart 2001 ƒ 150 bij "[A]" is verdiend.

(VI) een soortgelijk geschrift als onder (IV) en (V) vermeld, voor de periode van 1 april 2003 tot en met 30 april 2003, gesteld op naam van [medeverdachte 1], gedagtekend en ondertekend door [medeverdachte 1] en de verdachte, waarop is ingevuld dat er in de voorgaande maand € 115,01 bij "[A]" is verdiend.

8. Het Hof heeft aan de bewezenverklaring voor zover hier van belang de volgende nadere bewijsoverweging gewijd:

"Overwegingen omtrent het (voorwaardelijk) opzet

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Verdachte had geen idee van wat haar man deed of vanuit de uitkeringsgedachte mocht doen en evenmin wist zij precies wat zij ondertekende en moest ondertekenen terwijl haar dat ook niet is uitgelegd. De man van verdachte was wel vaker van huis, maar aan haar werd door hem dan nooit verteld waar hij heen ging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting er in de onderhavige zaak sprake is van tenminste voorwaardelijk opzet van verdachte.

Uit de observaties, gedaan door de politie, is onder andere gebleken dat een bestelauto met daarop het opschrift Pizzeria eetcafé "[A]" in de straat stond geparkeerd in de nabijheid van de woning van verdachte. De man van verdachte gebruikte deze auto veelvuldig in de weekenden en de (late) avonduren. Op de dagen dat verdachte werkte was hij dan ook gedurende langere tijd van huis. Gelet op het vorenstaande kan het niet anders dan dat verdachte heeft beseft dat - minst genomen - de aanmerkelijke kan bestond dat haar man (aanzienlijk) meer uren bij "[A] heeft gewerkt dan aan de Sociale Dienst werd opgegeven op het mede door haar ondertekende formulier."

9. Het ter terechtzitting gevoerde verweer waarop het Hof doelt, houdt blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van 23 december 2004 gehechte pleitnotitie, onder meer het volgende in:

"Bij de aanvraag om een uitkering is [verdachte] niet aanwezig geweest. Alleen haar man is geweest. Vast staat ook dat zij toen nog geen althans onvoldoende Nederlands sprak en dat ook thans nog gebrekkig is. (ABW rapportformulier p. 1.2 strafdossier). Ook daarna is het steeds de man die de fysieke contracten heeft en de vrouw laat tekenen. Dat blijkt ook uit haar verklaringen (O.M. pag. 5.3 e.v. van het strafdossier) en het feit dat zij zelfs in april 2003 nog met behulp van een tolk moest worden gehoord. De regels en voorwaarden zijn haar derhalve nimmer door de sociale dienst uitgelegd of ter hand gesteld. Niet persoonlijk en evenmin in het Turks. Zij zegt ook: "Mijn man vertelt mij niets" en "...inkomstenformulieren voor Sociale Zaken vult mijn man in en ondertekent deze ook. Ik onderteken deze formulieren ook. Ik weet niet waarom ik dit moet [d]oen, maar mijn man zegt dat ik daar moet ondertekenen en dan doe ik dat ook. Ik weet alleen dat als ik geen handtekening zet, we geen uitkering krijgen."

Het komt er dus op neer dat [verdachte] geen idee had wat haar man deed of vanuit de uitkeringsgedachte mocht doen en evenmin wist wat zij nou precies ondertekende en moest ondertekenen terwijl haar dat ook niet is uitgelegd."

10. Het Hof heeft - gelet op het gebruik voor het bewijs van de door haar ondertekende formulieren en op het slot van de onder 8 weergegeven bewijsoverweging - kennelijk geoordeeld dat het onder A en B bewezenverklaarde, telkens meermalen gepleegde verzwijgen samenviel met het ondertekenen (en doen inleveren) van de inkomstenformulieren.(5) Dat ondertekenen leverde kennelijk het relevante moment op waarop het verzwijgen telkens opnieuw werd gepleegd.(6) In dit licht bezien bevreemdt het enigszins dat het Hof heeft vrijgesproken van het primair tenlastegelegde medeplegen van valsheid in geschrift. Hoewel deze vrijspraak niet nader is gemotiveerd, lijkt het - in het licht van het gevoerde verweer - aannemelijk dat de vrijspraak berust op onvoldoende (overtuigend) bewijs voor opzet. Maar als dat de verklaring is, valt niet goed te begrijpen dat het Hof het subsidiair tenlastegelegde - waarvoor evenzeer opzet is vereist - wel bewezen heeft verklaard. Ik laat dit punt verder rusten.

11. Verdachtes als bewijsmiddel twee opgenomen verklaring houdt in dat haar man doorgaans 's middags wakker werd en dan het huis verliet om pas de volgende ochtend weer thuis te komen. Verder wist zij dat hij de beschikking had over een bestelauto van restaurant "[A]". Verdachte gaf zijn vrouw voorts in voorkomende gevallen wat extra geld. En dat alles gedurende een periode vanaf, volgens opgave van de verdachte, in ieder geval het jaar voorafgaand aan 22 april 2003. Uit de bewijsmiddelen kan verder worden opgemaakt dat verdachtes man in ieder geval reeds sinds 2 augustus 1999 voor "[A]" werkzaam was. Hij heeft toen zelfs verklaard de eigenaar van het etablissement te zijn. De als bewijsmiddel drie opgenomen verklaring van de verdachte houdt in dat zij "een beetje [wist] wat er op de formulieren stond."

12. Uit deze vaststellingen heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar man meer uren voor "[A]" werkte dan het aantal van 3,5 uur dat hij aan de afdeling Sociale Zaken had opgegeven. Daarmee is het vereiste opzet echter nog niet gegeven. Want de vraag blijft of de verdachte heeft begrepen (al was het maar in de vorm van voorwaardelijk opzet) dat zij en haar man verplicht waren deze meer gewerkte, onbetaalde uren op te geven.(7) Aan dit onderdeel van het verweer gaat het Hof wel erg gemakkelijk voorbij. Ik merk daarbij op dat - anders dan het slot van 's Hofs bewijsoverweging suggereert - op de formulieren die de verdachte ondertekende, niet stond vermeld hoeveel uren verdachtes man had gewerkt. Alleen de inkomsten uit de werkzaamheden bij "[A]" waren opgegeven, en dat die opgave onjuist was blijkt uit de bewijsmiddelen als gezegd niet. Ik merk daarbij voorts op dat de brief (met opgave van uren) die verdachtes man op 7 november naar Sociale Zaken stuurde, niet door de verdachte is ondertekend, terwijl uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat zij met de inhoud daarvan op de hoogte was. Ik merk tenslotte op dat de aan dit onderdeel van het verweer ten grondslag gelegde feiten - kort gezegd dat zij zelf nimmer van Sociale Zaken uitleg heeft gehad over haar verplichtingen op dit punt, dat zij uiterst gebrekkig Nederlands spreekt en dat haar man haar nooit iets vertelt(8) - door het Hof in het midden zijn gelaten en in cassatie derhalve voor juist moeten worden gehouden. Dit alles in aanmerking genomen meen ik dat beide bewezenverklaringen onvoldoende met redenen zijn omkleed.

13. Het middel slaagt.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik merk daarbij op dat het Hof in de zaak van verdachtes mededader (haar man) kennelijk geloof heeft gehecht aan de als bewijsmiddel 2 gebezigde ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachtes man waarin deze verklaart dat hij weliswaar "vaker" in [A] werkte, maar slechts voor 5 tot 6 uur kreeg uitbetaald (150 gulden in de maand). Dat bedrag aan inkomsten komt overeen met hetgeen op de formulieren is ingevuld.

2 Opgave van alle (dus ook onbetaalde) werkzaamheden is vereist om te kunnen controleren of daarmee (eventueel fictief) inkomen wordt vergaard en daarnaast om te kunnen beoordelen of die werkzaamheden de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet verminderen. Vgl de conclusie van Jörg bij HR 13 mei 2003, NJ 2003, 472.

3 Deze periode betreft klaarblijkelijk de periode waarover bijstand wordt, althans zal worden genoten. Men dient op het formulier de relevante gegevens betreffende de voorgaande maand in te vullen.

4 Verdachte heeft twee van de drie tot het bewijs gebezigde inkomstenformulieren ondertekend met de naam [betrokkene 1]. Gelet op de onder de bewuste namen ([betrokkene 1] en [verdachte]) vermelde geboortedata en de overige inhoud van het dossier betreft het echter driemaal dezelfde persoon (de verdachte).

5 Daarbij heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat er meer inkomstenformulieren onjuist zijn ingevuld dan de drie die onder de bewijsmiddelen zijn opgenomen.

6 Vgl. NLR, aant. 4 bij art. 227b Sr, dat onder verwijzing naar de MvT bij dit artikel vermeldt dat het gaat om het tijdstip waarop de informatie behoort te worden verstrekt, en De Hullu, Materieel strafrecht, 2e, p. 514, met verwijzing naar HR 16 december 1975, NJ 1976, 254.

7 Dit "boze" opzet ligt besloten in het oogmerk om hogere bijstand te verkrijgen (feit A), en in het opzettelijk nalaten te verstrekken van gegevens waarvan de verdachte weet dat ze van belang zijn (feit B). Een complicerende factor is nog dat het Hof ten aanzien van feit B geen keuze heeft gemaakt tussen weten en redelijkerwijs moeten vermoeden. De vraag is hoe zich dit verhoudt tot de bewijsoverweging waarin voor opzet wordt geopteerd. Voor de beoordeling van het middel maakt het uiteindelijk niet veel uit, omdat voor beide alternatieven (dus ook voor het weten) bewijs moet zijn, terwijl men zich bovendien kan afvragen of de bewezenverklaring van het "redelijkerwijs moeten weten" in het licht van het aangevoerde voldoende met redenen is omkleed.

8 Deze aangevoerde feiten vinden mijns inziens hun weerlegging niet in de verklaring van de verdachte dat zij een beetje wist wat er op de formulieren stond. De feiten zijn voorts te rijmen met de - overigens niet voor het bewijs gebezigde - verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat zij zich er van bewust was dat zij deze formulieren diende in te vullen om haar uitkering te verkrijgen c.q. te behouden