Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AW0183

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
22-06-2006
Zaaknummer
01535/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AW0183
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Klacht over het door de rolrechter niet verlenen van uitstel voor het indienen van een cassatieschriftuur. Als middelen van cassatie komen voor onderzoek door de cassatierechter alleen in aanmerking klachten die zijn gericht tegen de bestreden uitspraak. De klacht voldoet niet aan dit vereiste zodat zij onbesproken moet blijven. Opmerking verdient dat hier geen sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat in het belang van een behoorlijke rechtspleging van de beslissing van de rolrechter wordt afgeweken (zie ook uitgebreide conclusie AG).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 411
NJ 2006, 646 met annotatie van A.H. Klip
RvdW 2006, 684
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01535/05

Mr. Knigge

Zitting: 4 april 2006 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 15 februari 2005 wegens "medeplegen van poging tot zware mishandeling" veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd en hem veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van het geding, welke door het Hof naar redelijkheid en billijkheid zijn geschat, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de benadeelde partij is een geschrift ingekomen dat echter geen rechtsklachten betreffende de vordering van de benadeelde partij bevat en dat hier verder buiten bespreking kan blijven.

3. Namens verdachte heeft mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel bevat de klacht dat de Hoge Raad ten onrechte geen uitstel heeft verleend voor het indienen van een cassatieschriftuur.

5. Het korte antwoord luidt dat de klacht zich niet keert tegen een handeling of beslissing van een gerechtshof of een rechtbank als bedoeld in art. 78, eerste lid, RO of tegen iets dat daarmee op één lijn kan worden gesteld. De klacht behelst dus geen middel van cassatie in de zin van art. 437, tweede lid, Sv.(1) Als een zodanig middel kan immers slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.(2)

6. Het vorenstaande betekent niet dat er niet meer over te zeggen valt. In enigszins vergelijkbare gevallen heeft de Hoge Raad dat ook wel gedaan, met name wanneer er een beroep werd gedaan op art. 6 EVRM. (3) Ook de procesgang in cassatie zal immers de toetsing aan die bepaling moeten kunnen doorstaan.(4) De stelling in het middel dat verdachtes recht op een eerlijk proces is geschonden, vormt voor mij aanleiding aandacht te besteden aan de gang van zaken.(5)

7. Uit de stukken van het dossier volgt dat de aanzegging op 14 juli 2005 aan verdachte in persoon is uitgereikt. Dat bracht mee dat de termijn van zestig dagen voor het indienen van een schriftuur als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv, afliep op 12 september 2005.

Eerst bij fax van vrijdagmiddag 9 september 2005, binnengekomen om 12.30 uur, heeft mr. Weening de strafgriffie van de Hoge Raad laten weten in de zaak van verdachte als raadsman op te treden. In diezelfde fax heeft hij verzocht om een afschrift van de aanzegging in cassatie en van "alle stukken uit en ten behoeve van de beide feitelijke instanties inclusief de betekeningstukken". Kort daarop, om 12.46 uur is een tweede fax binnengekomen, waarin de raadsman heeft verzocht de termijn voor het indienen van een cassatieschriftuur met enkele weken te verlengen. Aan dit verzoek heeft de raadsman ten grondslag gelegd het vermoeden dat de benodigde afschriften van de stukken door hem om zijn vroegst op 12 september 2005 zouden worden ontvangen en verdachte, voorzover de raadsman bekend, in beide feitelijke instanties geen rechtsbijstand heeft gehad. Bij fax van de strafgriffie van 14.06 uur is de raadsman erop gewezen dat de termijn van art. 437, tweede lid, Sv niet voor verlenging vatbaar is. Vervolgens heeft de strafgriffie nog op 9 september 2005 in drie porties, waarvan de laatste is verzonden om 16.56 uur, aan de raadsman de processtukken(6) gefaxt.

Op maandag 12 september 2005 heeft de raadsman zich bij fax van 14.41 uur opnieuw tot de strafgriffie gericht. Hij heeft erop gewezen dat zich bij de door hem ontvangen stukken niet bevonden de processen-verbaal van de politie, de betekeningstukken, het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg en het vonnis van de rechtbank. Hij heeft verzocht om een afschrift van het complete dossier en om uitstel voor het indienen van een cassatieschriftuur. Bij fax van de griffier van de strafkamer van diezelfde dag, verzonden om 17.00 uur, is de raadsman te kennen gegeven dat geen uitstel wordt verleend en is hem alsnog het vonnis van de Rechtbank in de zaak van verdachte toegezonden. Omtrent die verzending houdt de fax in, dat deze is geschied "naar aanleiding van ons telefoongesprek van heden" met als reden "Naar ik begreep heeft u per fax het vonnis in de zaak van [betrokkene 1] ontvangen". Voorts is de raadsman er in laatstvermelde fax op gewezen dat hij de kernstukken heeft ontvangen en dat hij ter griffie van de Hoge Raad het dossier kan inzien.

Tot zover de feitelijke gang van zaken in cassatie.(7)

8. Het middel bevat twee argumenten ter ondersteuning van de stelling dat door het niet gunnen van een nadere termijn het recht op een eerlijk proces zou zijn geschonden. Aangevoerd wordt dat (i) de raadsman pas op 9 september 2005 de aanzegging van zijn cliënt ontving, terwijl de termijn voor het indienen van middelen afliep op 12 september 2005 en (ii) de raadsman ondanks herhaald verzoek geen compleet dossier in afschrift heeft ontvangen. Met betrekking tot het tweede argument wordt meer specifiek naar voren gebracht dat de raadsman van de strafgriffie van de Hoge Raad, ondanks zijn uitdrukkelijk en herhaald verzoek, geen afschrift heeft ontvangen van de politieprocessen-verbaal en van de betekeningstukken uit de beide feitelijke instanties. Voorts wordt erop gewezen dat slechts het vonnis van de Rechtbank in de zaak van een medeverdachte is ontvangen.

9. Alvorens tot een beoordeling van de argumenten van het middel over te gaan, verdient opmerking dat uitgangspunt is dat na het verstrijken van de termijn van art. 437, tweede lid, Sv een middel van cassatie niet meer kan worden ingediend.(8) Slechts onder bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Zo heeft de Hoge Raad beslist dat het verzuim van de strafadministratie van de Hoge Raad om tijdig aan de raadsman afschrift van de kernstukken - de uitspraken en de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep - en andere afzonderlijk gevraagde afschriften (zoals van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie) toe te sturen, zal kunnen meebrengen, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen, dat de raadsman op diens verzoek door de rolrechter alsnog een termijn wordt gegund om zonodig een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken. Dit geldt ook indien het gaat om het verzuim van de griffier van het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gewezen, om een stuk als deel uitmakend van de gedingstukken op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de griffier van de Hoge Raad te zenden.(9) Het moet daarbij overigens wel gaan om de indiening van een aanvullend middel waarvoor kennisneming van het ontbrekende stuk onontbeerlijk is.(10)

Of een dergelijk verzoek wordt toegewezen zal afhangen van het tijdstip waarop het verzoek vóór het verstrijken van de in art. 437, tweede lid, Sv vermelde termijn redelijkerwijs kon worden gedaan, omdat van de verdediging mag worden verlangd dat zij tijdig een verzuim als hier bedoeld ontdekt.(11)

Het vorenstaande brengt mee dat het de verantwoordelijkheid is van verdachte die een cassatieberoep instelt, er voor te zorgen dat een advocaat op een zodanig tijdstip wordt benaderd dat deze in staat is de in art. 437, tweede lid, Sv voorgeschreven schriftuur binnen de gestelde termijn in te dienen.

10. Waarom die eigen verantwoordelijkheid van de verdachte in strijd zou komen met de eisen van een eerlijk proces, vermag ik niet in te zien. Wat het eerste argument van het middel betreft, verdient nog opmerking dat er in de aan verdachte in persoon betekende aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv - zoals gebruikelijk - nadrukkelijk op is gewezen dat de Hoge Raad de zaak alleen in behandeling kan nemen indien binnen zestig dagen na het betekenen van die aanzegging door een advocaat een schriftuur is ingediend. Zeker nu niets is aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte buiten zijn schuld verhinderd is geweest tijdig een advocaat in de arm te nemen, schijnt het mij toe dat de verdachte beter de hand in eigen boezem kan steken.

11. Wat het tweede argument betreft verdient allereerst opmerking dat, voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag mocht liggen dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM meebrengt dat aan de raadsman in cassatie te allen tijde op zijn ongespecificeerde verzoek een "compleet dossier in afschrift" per kerende post - of per fax - dient te worden toegezonden, die - niet beargumenteerde - opvatting mij onjuist voorkomt. Voor het overige geldt het volgende.

12. Het hier toepasselijke art. 21 Besluit orde van dienst gerechten, luidt, voorzover van belang, als volgt:

"1. Aan de raadslieden van verdachten in strafzaken worden zo spoedig mogelijk afschriften toegezonden van processtukken waarvan de kennisneming wettelijk is toegestaan.

2. Op verzoek van de verdachte of diens raadslieden worden zo spoedig als mogelijk is afschriften van processtukken waarvan de kennisneming wettelijk is toegestaan, aan hen verstrekt."

Deze bepaling legt de lat niet hoog, maar enige specificering van een verzoek mag wel worden verlangd, al was het maar om vast te kunnen stellen dat het verzoek ziet op "processtukken waarvan de kennisneming wettelijk is toegestaan". De in de praktijk gehanteerde regel dat de raadsman afschriften van de zogenaamde kernstukken worden toegezonden en dat voor toezending van afschriften van aanvullende stukken een afzonderlijk verzoek nodig is(12), is met deze bepaling dan ook niet onverenigbaar. Voorts moet aan het verzoek "zo spoedig mogelijk" worden voldaan. Dat impliceert dat niet het onmogelijke wordt geëist. Met de voldoening aan het verzoek is enige tijd gemoeid, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat de griffie ook met andere, soms dringende, werkzaamheden is belast. Wat op dit punt in redelijkheid mag worden verlangd, zal daardoor afhangen van de omstandigheden van het geval.

13. Ook de raadsman lijkt te hebben beseft dat het onmogelijke niet kan worden geëist. Aan zijn op vrijdag 9 september 2005 gedaan verzoek om uitstel legde hij immers de verwachting ten grondslag dat de stukken waarom hij een kwartier tevoren had verzocht, door hem "op zijn vroegst" op 12 september 2005 zullen zijn ontvangen.

14. Mede in het licht van het vorenstaande kan mijns inziens niet worden gezegd dat de strafgriffie tekort is geschoten. Aan de raadsman zijn in reactie op diens verzoek nog diezelfde dag de hiervoor in noot 6 genoemde stukken gefaxt. Dat zijn de al genoemde kernstukken, de stukken die voor het indienen van een schriftuur het meest relevant zijn. Voor zover de strafgriffie het ongespecificeerde verzoek van de raadsman om een afschrift van "alle stukken uit en ten behoeve van de beide feitelijke instanties inclusief de betekeningstukken", al letterlijk had behoeven op te vatten, kan in redelijkheid niet worden geëist dat zij daaraan op zo korte termijn voldeed. Op het eerste verzoek van de raadsman is in mijn visie dus zeer snel en adequaat door de strafgriffie gereageerd.

15. Dat geldt ook voor het herhaalde verzoek dat bij fax van 12 september 2005 te 14.41 uur - een uur en iets meer dan een kwartier vóór de sluiting van de griffie(13) - werd gedaan. De gemaakte vergissing (in de haastige spoed was op 9 september 2005 het vonnis in de zaak van een medeverdachte gefaxt) is onmiddellijk nadat zij was bemerkt, rechtgezet. Weliswaar zijn de betekeningsstukken en de politie-pv's (m.i. op zichzelf processtukken waarvan de kennisneming wettelijk is toegestaan), toen niet gefaxt, maar dat was iets dat mijns inziens in redelijkheid niet kon worden gevraagd, temeer daar de raadsman die maandag niets heeft aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat kennisneming van deze stukken voor het indienen van zijn cassatiemiddelen onontbeerlijk was.(14)

16. Bij dit alles moet niet uit het oog worden verloren dat de primaire fout bij de verdachte ligt, die zich in een zeer laat stadium tot een advocaat wendde. Ook de raadsman zelf had wellicht alerter kunnen handelen. De mogelijkheid om de stukken ter griffie in te komen zien, heeft hij niet benut. Het tweede verzoek werd pas op de valreep gedaan, waarbij de raadsman zelfs niet de moeite nam om de griffie op de gemaakte fout te attenderen. Wie meent dat de verantwoordelijkheid voor het eigen tekortschieten op de griffie kan worden afgewenteld, heeft een vertekend beeld van wat een eerlijk proces inhoudt.

17. Het middel, dat geen middel is, kan er niet toe leiden dat de verdachte een nieuwe termijn wordt gegund voor het doen indienen van middelen van cassatie.

18. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof de zaak ten onrechte in hoger beroep heeft behandeld, nu de zaak in eerste aanleg niet is behandeld.

19. Dat dit middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag - uit de stukken blijkt dat de Rechtbank op 10 juni 2004 vonnis heeft gewezen in de zaak tegen verdachte, na een behandeling op 27 mei 2004, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door een raadsman - zal voor de raadsman geen verrassing zijn, reeds omdat ook hij zal begrijpen dat uit het feit dat hij (nog) niet over het vonnis beschikte (maar bijvoorbeeld wel over de appèlakte) niet volgt dat de zaak niet in eerste aanleg is behandeld.

20. Het derde middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet wordt gedragen door de gebezigde bewijsmiddelen. Daartoe wordt, kort samengevat, aangevoerd dat de bewezenverklaarde pleegdatum niet wordt gedragen door de bewijsmiddelen.

21. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 22 oktober 2003, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen en met kracht tegen het hoofd en in het gezicht en het lichaam, te trappen en/of te schoppen en/of te stompen en/of met een stok te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

22. De bewezenverklaarde pleegdatum vindt steun in bewijsmiddel 2, waarin die datum uitdrukkelijk is opgenomen. Het middel wijst echter op de tegenstrijdigheid van bewijsmiddel 2 met bewijsmiddel 1.

Dat laatste bewijsmiddel is door het Hof omschreven als een proces-verbaal van aangifte "op 24 oktober 2003 gedaan tegenover de verbalisant". In de in dat proces-verbaal vervatte verklaring spreekt de aangever over "gisteravond" als moment waarop het feit is gepleegd. Dat lijkt dus te duiden op 23 oktober 2003. Een blik achter de papieren muur biedt hier opheldering. Het desbetreffende proces-verbaal houdt namelijk in dat het is opgemaakt op 24 oktober 2003, maar vermeldt tevens als datum waarop de aangifte is opgenomen 23 oktober 2003 en toen duidde "gisteravond" op 22 oktober 2003. Daarmee valt alles op z'n plaats en faalt het middel.

23. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 4 juli 2000, NJ 2000, 581 (klacht: na instellen cassatie geen - volledige - afschriften van processtukken ontvangen) en HR 15 juni 2004, NJ 2004, 465 (klacht: vordering hof-AG bevindt zich niet bij aan raadsman in cassatie gezonden stukken).

2 Vgl. bijv. recent HR 20 december 2005, NJ 2006, 36, betreffende een ontnemingszaak, waarin de klachten in cassatie gericht waren tegen een tussenbeslissing in de hoofdzaak.

3 Vgl. HR 19 juni 2001, NJ 2001, 501, waarin het - anders dan hier - ging om een verzoek om een langere termijn ten behoeve van het tegenspreken van het cassatieberoep van het OM.

4 Een strak juridisch kader voor een dergelijke beoordeling door de Hoge Raad bestaat niet. Het best past het nog bij de ook wel in andere gevallen in cassatie gehanteerde '6-EVRM-noodrem': vgl. HR 10 mei 2005, NJ 2006, 23 m.nt. YB (verdachte aanvankelijk door administratieve vergissing niet-ontvankelijk verklaard).

5 Ik kan mij overigens zeer wel voorstellen dat de Hoge Raad het kort houdt; vgl. HR 14 mei 2002, 01054/01 (niet gepubliceerd).

6 Waaronder het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg, de vordering van de OvJ, het vonnis van de Rechtbank en de appèlakte, het proces-verbaal van de appèlbehandeling, de vordering van de AG, het arrest van het Hof en de cassatieakte.

7 Op grond van de weergegeven gang van zaken kan het er mijns inziens voor gehouden worden dat de raadsman wel het (juiste) proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg heeft ontvangen. De in het middel betrokken stelling van de raadsman dat hij dit proces-verbaal niet heeft ontvangen, lijkt dus feitelijke grondslag te missen.

8 Vgl. HR 5 november 2002, LJN AE4187.

9 Vgl. HR 14 november 2000, LJN AA8296 en HR 15 juni 2004, NJ 2004, 465.

10 Vgl. HR 5 november 2002, LJN AE4187.

11 Vgl. HR 4 december 2001, LJN AD5183 en HR 15 juni 2004, NJ 2004, 465.

12 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e druk, p. 56.

13 De griffie is geopend van maandag tot en met vrijdag van 08.30 tot 12.00 uur en van 13.00 uur tot 16.00 uur: zie rechtspraak.nl onder Gerechten, Hoge Raad, Voor juristen.

14 Zo is niet duidelijk welk belang de raadsman bij kennisneming van de betekeningsstukken kan hebben gehad, nu uit de aan de raadsman gefaxte stukken kon blijken dat de verdachte in feitelijke aanleg telkens is verschenen. Ik merk daarbij nog op dat door de raadsman ook niet achteraf, na kennisneming van de volledige stukken, duidelijk is gemaakt in welk opzicht de verdachte in zijn verdediging is geschaad doordat niet eerder van die stukken kon worden kennis genomen.