Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV9372

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
30-06-2006
Zaaknummer
C04/243HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV9372
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geschil tussen erfgenamen over de ouderlijke boedelverdeling en over nietigverklaring van de clausule in het testament van de erflater van niet-opeisbaarheid van de vordering wegens overbedeling zoals opgenomen ter voldoening van diens verzorgingsplicht jegens zijn tweede echtgenote “voortvloeiende uit moraal en fatsoen” (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 429
RvdW 2006, 679
JWB 2006/236
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C04/243HR

Zitting 7 april 2006

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

1. [Verweerster 1]

2. [Verweerder 2]

3. Eerst: [verweerster 3]

Thans: de erfgenamen van [verweerster 3]

Inleiding

1. Inzet van het onderhavige geding is de ouderlijke boedelverdeling en de clausule van niet-opeisbaarheid van de vordering wegens overbedeling zoals opgenomen "ter voldoening van mijn verzorgingsplicht, voortvloeiende uit moraal en fatsoen" in het testament van de op 3 december 1996 overleden [betrokkene 1], die tot zijn erfgenamen heeft benoemd: [verweerster 1], met wie hij in tweede echt was gehuwd en zijn drie kinderen, te weten zijn beide kinderen uit zijn eerste huwelijk, [eiser en verweerster 3], en zijn kind uit zijn tweede huwelijk [verweerder 2]. [Eiser] heeft zich op zijn legitieme beroepen en heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat van een verzorgingsverplichting uit moraal en fatsoen geen sprake is gelet op de vermogens- en inkomenspositie van [verweerster 1] en erflater. In dit geding heeft hij gevorderd de nietigverklaring, althans tot het beloop van zijn wettelijk erfdeel, van de clausule van niet-opeisbaarheid in het testament van erflater met veroordeling van [verweerster 1] tot betaling van zijn erfdeel, althans van zijn wettelijk erfdeel. Voorts heeft hij gevorderd [verweerster 1] en [verweerder 2 en verweerster 3] te veroordelen met hem over te gaan tot de (voltooiing van de) verdeling van de nalatenschap, in welk verband hij heeft aangevoerd dat de omvang van de boedel en de waarde van de diverse bestanddelen moet worden vastgesteld. In eerste aanleg is laatstgenoemde vordering toegewezen en zijn de andere vorderingen afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. In cassatie wordt opgekomen tegen 's hofs oordeel dat opschorting van de opeisbaarheid van de legitieme portie gerechtvaardigd is gelet op de (omvang van de) in het testament bedoelde zorgverplichting (met klachten tegen 's hofs overwegingen omtrent de financiële omstandigheden van erflater en [verweerster 1]) en voorts tegen 's hofs oordeel dat [verweerster 1] voldoende inzicht heeft verstrekt in haar financiële positie en in die van erflater. Verder wordt nog geklaagd dat het hof aan het niet-verschijnen van [verweerster 1] en [verweerder 2] ter comparitie de gevolgtrekking had moeten verbinden dat [verweerster 1] en [verweerder 2] onvoldoende gegevens hebben verstrekt.

2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan (zie rechtsoverweging 1.1-1.6 van het tussenvonnis van de rechtbank en rechtsoverweging 4.1 en 4.2 van het tussenarrest van het hof):

i) [Betrokkene 1] (hierna: erflater) is in tweede echt, in gemeenschap van goederen, gehuwd geweest met [verweerster 1]. Uit zijn eerste huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten [eiser] en [verweerster 3]. Uit het huwelijk met [verweerster 1] is [verweerder 2] geboren.

ii) Erflater is op 3 december 1996 overleden.

iii) Bij testament van 21 maart 1974 heeft erflater beschikt over zijn nalatenschap, inhoudende onder meer de volgende bepaling:

"2. Ik benoem mijn genoemde echtgenote met mijn kinderen gezamenlijk tot mijn enige erfgenamen, met inachtneming van de regelen der wettelijke plaatsvervulling, welke zullen gelden voor die van de aanwas.

3. Ik bepaal, overgaande tot verdeling mijner nalatenschap op de voet van artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek en ter voldoening van mijn verzorgingsplicht, voortvloeiende uit de moraal en het fatsoen, dat alle tot mijn nalatenschap

behorende baten worden toegedeeld aan mijn echtgenote tegen de waarde vastgesteld met onderling goedvinden of zoals is voorgeschreven voor boedelscheidingen, waarbij minderjarigen zijn betrokken. Mijn echtgenote heeft alsdan de verplichting om alle tot mijn nalatenschap behorende passiva, taxatiekosten, begrafeniskosten en boedelkosten op de nalatenschap vallende, zomede het op iedere verkrijging verschuldigde successierecht te betalen, alles in mindering op ieders verkrijging uit de nalatenschap.

4. Hetgeen mijn echtgenote uit hoofde van voormelde toedeling boven haar erfdeel mocht ontvangen, zal zij als uitkering wegens overbedeling aan haar mede-erfgenamen, ieder overeenkomstig zijn erfdeel, schuldig blijven tegen een rente gelijk aan twee procent boven het promessedisconto van de Nederlandse Bank met een minimum van zes procent, vast te stellen op twee januari van elk jaar, welke rente bij de schuldig gebleven bedragen zal worden gevoegd. Over de aldus bijgeschreven rentebedragen zal eveneens een zelfde rente berekend worden. Hetgeen die mede-erfgenamen terzake voorschreven toekomt, zal door hen niet kunnen worden opgeëist voor het overlijden van mijn echtgenote, behoudens ingeval zij krachtens enige wettelijke bepaling het beheer over haar goederen mocht verliezen.(...)"

iv) De tot de nalatenschap behorende woonboerderij aan [a-straat 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Nunspeet, sectie [A] nummers [001 t/m 006] is door [verweerster 1] verkocht voor f 700.000,-.

v) Blijkens een jaaropgave van het ABP voor 1998 heeft [verweerster 1] een inkomen uit pensioen inclusief AOW van f 29.317,58 bruto per jaar.

vi) De begrafeniskosten zijn gedekt door de begrafenisverzekering.

3. Bij inleidende dagvaarding van 25 januari 1999 heeft [eiser] zowel [verweerster 1] als [verweerder 2] en [verweerster 3] opgeroepen te verschijnen voor de rechtbank te Zwolle. [Eiser] heeft daarbij, na wijziging van eis, gevorderd:

i) een verklaring voor recht dat de clausule van niet-opeisbaarheid van zijn erfdeel - zoals deze voorkomt in het testament van erflater - nietig is, althans tot het beloop van zijn wettelijk erfdeel nietig is;

ii) een verklaring voor recht dat hij recht heeft zijn erfdeel althans zijn wettelijk erfdeel onvoorwaardelijk in contanten van de nalatenschap van erflater te ontvangen;

iii) een veroordeling van [verweerster 1] tot betaling van zijn erfdeel, althans zijn wettelijk erfdeel, te vermeerderen met de bij testament bepaalde rente en met de wettelijke rente met ingang van de datum van overlijden van erflater althans met ingang van de inleidende dagvaarding.

Voorts heeft [eiser] gevorderd dat de rechtbank:

iv) zal bepalen dat [verweerder 2] en [verweerster 3] het te wijzen vonnis zullen gehengen en gedogen;

v) gedaagden zal veroordelen om met eiser over te gaan tot de verdeling van de nalatenschap van erflater, met benoeming van een notaris

vi) een onzijdig persoon zal benoemen om één of meer gedaagden te vertegenwoordigen bij niet-verschijnen voor de benoemde notaris dan wel - verschenen zijnde - bij weigering om aan de verdeling mee te werken;

vii) zal bepalen dat de kosten van de notaris en van deze onzijdig persoon ten laste zullen komen van de te verdelen nalatenschap;

viii) [verweerster 1] althans gedaagden zal veroordelen in de kosten.

[Eiser] heeft ter adstructie van zijn vorderingen onder i-iii aangevoerd dat de clausule van niet-opeisbaarheid verbonden aan zijn vordering uit overbedeling een aantasting van zijn legitieme oplevert die niet door de gestelde verzorgingsverplichting wordt gerechtvaardigd omdat het testament aldus moet worden uitgelegd dat de gestelde verzorgingsverplichting niet ziet op de clausule van niet-opeisbaarheid maar alleen op de ouderlijke boedelverdeling en/of omdat [verweerster 1] beschikt over voldoende vermogen en inkomsten om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien. In verband hiermee en ter adstructie van zijn vorderingen tot verdeling heeft hij aangevoerd dat [verweerster 1] nog geen deugdelijk overzicht heeft gegeven van de verschillende bestanddelen van de nalatenschap en dat de waarde van de nalatenschap dient te worden vastgesteld opdat de omvang van zijn vordering kan worden vastgesteld en voorts dat alle gedaagden als mede-erfgenamen hun medewerking dienen te verlenen aan de voltooiing van de verdeling van de nalatenschap.

[Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben verweer gevoerd. Tegen de niet verschenen [verweerster 3] is verstek verleend.

4. Bij tussenvonnis van 8 december 1999 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van [eiser] tot vernietiging van de clausule van niet-opeisbaarheid niet kan slagen. De rechtbank heeft de aan deze vordering ten grondslag gelegde stelling van [eiser] dat de verzorgingsverplichting alleen is gesteld ten aanzien van de ouderlijke boedelverdeling zelf en niet ten aanzien van de clausule van niet-opeisbaarheid, verworpen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [eiser], mede in het licht van hetgeen door [verweerster 1] en [verweerder 2] naar voren is gebracht, zijn vordering tot vernietiging van de clausule van niet-opeisbaarheid op de grond dat een verzorgingsverplichting voor erflater jegens [verweerster 1] ontbreekt, onvoldoende gemotiveerd heeft geadstrueerd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de vordering tot het verlenen door gedaagden van medewerking aan de verdelingswerkzaamheden voorzover het de waardering van de boedelbestanddelen betreft, kan worden toegewezen nu de verdeling nog niet als voltooid beschouwd kan worden omdat de waarde van verschillende boedelbestanddelen nog niet vaststaat en dus ook niet vaststaat wat de omvang van de overbedelingsvorderingen is. Onder meer voor het verkrijgen van inlichtingen ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden van de te benoemen boedelnotaris, heeft de rechtbank een comparitie gelast.

Bij eindvonnis van 19 april 2000 heeft de rechtbank partijen veroordeeld over te gaan tot verdeling van de nalatenschap, met benoeming van een boedelnotaris en van deskundigen voor de waardering van bepaalde boedelbestanddelen zoals het woonhuis en van de bedrijfspanden. Zij heeft afgewezen hetgeen meer of anders is gevorderd.

5. Onder aanvoering van vijf grieven heeft [eiser] tegen beide vonnissen van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem met een wijziging van eis (toewijzing van een aantal goederen in natura) die in cassatie niet terzake doet. [Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Tegen [verweerster 3] is verstek verleend.

Bij tussenarrest van 29 oktober 2002 heeft het hof grief 4, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verzorgingsverplichting in het testament zowel is gesteld ten aanzien van de ouderlijke boedelverdeling zelf als ten aanzien van de clausule van niet-opeisbaarheid, verworpen. In verband met de grieven 1-3 die alle betrekking hebben op de vraag of gelet op de omvang van de in het testament bedoelde verzorgingsverplichting van erflater in verband met de verzorgingsbehoefte van [verweerster 1], opschorting van de opeisbaarheid van de legitieme portie door [eiser] gerechtvaardigd is, heeft het hof een comparitie van partijen gelast ter verkrijging van inlichtingen met betrekking tot de (financiële) omstandigheden van [verweerster 1] in de periode vanaf het overlijden van erflater en met betrekking tot de (financiële) omstandigheden van [verweerster 1] en erflater gedurende hun huwelijk tot het tijdstip van overlijden van erflater; het hof heeft daarbij aangegeven welke stukken [verweerster 1] in ieder geval dient over te leggen.

Na een op 11 februari 2003 gehouden comparitie van partijen heeft het hof op 28 oktober 2003 eindarrest gewezen. Het heeft in de rechtsoverwegingen 2.2-2.4 aangegeven hetgeen uit de door [verweerster 1] overgelegde stukken blijkt met betrekking tot de financiële positie van [verweerster 1] en erflater tot aan diens overlijden en voorts met betrekking tot de financiële positie van [verweerster 1] in de periode na het overlijden van erflater. Het heeft in rechtsoverweging 2.5 het saldo van de huwelijksgoederengemeenschap berekend mede gelet op de door [verweerster 1] overgelegde conceptakte van de boedelnotaris d.d. 14 november 2002. In rechtsoverweging 2.6 heeft het hof, onder verwijzing naar de in de rechtsoverwegingen 2.2- 2.4 opgesomde financiële omstandigheden van erflater en [verweerster 1], geconcludeerd dat gelet op de omvang van de in het testament bedoelde zorgverplichting van erflater in verband met de verzorgingsbehoefte van [verweerster 1], opschorting van de opeisbaarheid van de legitieme portie gerechtvaardigd is en voorts in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheid die deelgenoten jegens elkaar in acht dienen te nemen. In rechtsoverweging 2.7 heeft het hof overwogen dat [verweerster 1] met de stukken die zij voorafgaand aan de comparitie aan het hof en [eiser] heeft toegezonden en waarop [eiser] tijdens de comparitie heeft gereageerd, voldoende inzicht heeft verstrekt in haar financiële positie en in die van erflater in de periode vóór het overlijden van erflater en in haar financiële positie na het overlijden van erflater, zodat zij ook is tegemoet gekomen aan de jegens haar geuite klacht dat zij in verband met de beoordeling van het geschil onvoldoende informatie heeft verstrekt en [verweerster 1] - gelet hierop - geen nader bewijs meer behoeft te leveren ten aanzien van de door haar gestelde en door het hof vastgestelde verzorgingsbehoefte en een eventuele (tegen)bewijslevering door [eiser] niet meer aan de orde is waarbij geldt dat [eiser] ook geen enkel bewijsaanbod heeft gedaan. Het hof heeft voorts in rechtsoverweging 2.8 geoordeeld zich te kunnen verenigen met de door de rechtbank in het vonnis van 19 april 2000 gegeven motivering om de kosten van de door [eiser] gelegde beslagen voor zijn rekening te laten. Het hof is tot de slotsom gekomen dat geen van de grieven slaagt en het heeft de bestreden vonnissen van de rechtbank bekrachtigd voorzover aan zijn oordeel onderworpen met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

6. [Eiser] heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest en het eindarrest. Na het instellen van het cassatieberoep is [verweerster 3] overleden. Tegen haar erfgenamen is verstek verleend. [Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Zij hebben de zaak schriftelijk toegelicht, evenals [eiser].

De cassatiemiddelen

7. Middel I keert zich met een vijftal onderdelen tegen de rechtsoverwegingen 5.5 en 6.1 van het tussenarrest in samenhang met de rechtsoverwegingen 2.1-2.9 en de beslissing gegeven onder 3 in het eindarrest. In rechtsoverweging 5.5 van zijn tussenarrest heeft het hof overwogen dat het behoefte heeft aan nadere inlichtingen met betrekking tot de financiële omstandigheden en dat het mede in verband daarmee een comparitie van partijen gelast. In rechtsoverweging 6.1 heeft het hof bepaald dat partijen in persoon vergezeld van hun raadslieden dienen te verschijnen. De rechtsoverwegingen 2.1-2.9 en de beslissing onder 3 van het eindarrest betreffen de gehele beoordeling van het geschil in hoger beroep.

8. Middelonderdeel 1.2 (onderdeel 1.1 vormt een inleiding) klaagt dat het hof heeft nagelaten aan het niet ter comparitie verschijnen van [verweerster 1] en [verweerder 2] - gezien art. 19a lid 4 (oud) Rv. - de gevolgtrekkingen te verbinden die hem geraden voorkomen, "of wel hier dat [verweerster 1] en [verweerder 2] niet de verlangde informatie en/of medewerking hebben gegeven".

Deze klacht die kennelijk strekt ten betoge dat het hof gehouden was aan het niet in persoon ter comparitie verschijnen van [verweerster 1] en [verweerder 2] (hun advocaat is wel verschenen terwijl bovendien door deze advocaat namens [verweerster 1] op voorhand aan de wederpartij en aan het hof de door het hof gevraagde stukken zijn toegezonden) de gevolgtrekking te verbinden dat [verweerster 1] en [verweerder 2] niet de verlangde informatie en/of medewerking hebben gegeven, faalt omdat zij eraan voorbijziet dat uit de bepaling van art. 19a lid 4 (oud) Rv. (thans art. 88 lid 4 Rv.) dat de rechter "uit een niet-verschijnen of uit een weigering om te antwoorden de gevolgtrekking kan maken, die hij geraden zal achten" niet kan worden afgeleid dat de rechter gehouden is aan het niet in persoon verschijnen van een partij bepaalde gevolgtrekkingen te verbinden.

9. Middelonderdeel 1.3 bouwt voort op onderdeel 1.2 met de klacht dat het onder 1.2 gestelde doorwerkt in de einduitspraak en met zijn nadere adstructie inhoudende dat immers de gegevens zijdens [verweerster 1] door [eiser] gemotiveerd "op volledigheid en/of deugdelijkheid" ter zitting zijn bestreden en dat op basis daarvan om een aanhouding is verzocht (gezien de aantekeningen van mr. de Boer inzake comparitie) zodat vraagpunten niet konden worden beantwoord respectievelijk ontbrekende stukken niet werden aangevuld dan wel mondeling konden worden geduid.

Nu het onderdeel voortbouwt op middelonderdeel 1.2, moet het het lot daarvan delen. Voorzover het middelonderdeel zou willen betogen dat onbegrijpelijk is 's hofs oordeel in rechtsoverweging 2.7 van zijn eindarrest dat [verweerster 1] met de stukken die zij voorafgaand aan de comparitie aan het hof en [eiser] heeft toegezonden en waarop [eiser] tijdens de comparitie heeft gereageerd, voldoende inzicht heeft verstrekt in haar financiële positie en in die van erflater in de periode vóór het overlijden van erflater en in haar financiële positie na het overlijden van erflater, zodat zij ook is tegemoet gekomen aan de jegens haar geuite klacht dat zij in verband met de beoordeling van het geschil onvoldoende informatie heeft verstrekt, faalt het onderdeel omdat het niet voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan het middel te stellen eisen van 'bepaaldheid en precisie' (Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, (2005), nr. 143).

10. Middelonderdeel 1.4 klaagt dat het hof - gegeven de kenbare noodzaak dat [eiser] deugdelijk en voldoende werd geïnformeerd - had moeten onderkennen dat het op basis van de verstrekte gegevens de zaak niet kon afdoen, omdat het hof zijn eindarrest heeft gebaseerd op onjuiste althans onvolledige gegevens.

Voorzover dit middelonderdeel naast de vorige middelonderdelen al een zelfstandige klacht bevat en aldus niet reeds faalt op dezelfde gronden als die onderdelen, voldoet het niet aan de daaraan ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan het middel te stellen eisen van 'bepaaldheid en precisie'.

11. Middelonderdeel 1.5 klaagt dat het hof de beginselen van behoorlijk procesrecht heeft geschonden doordat het aan [eiser] de mogelijkheid heeft onthouden de gegevens waarop het zijn eindarrest heeft gebaseerd te boordelen en van commentaar te voorzien en doordat het niet bij tussenarrest [eiser] van zijn voorlopige bevindingen op de hoogte heeft gesteld van zijn visie omtrent de door [verweerster 1] in het geding gebrachte stukken.

Voorzover het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat de rechter in het algemeen na een gehouden (inlichtingen)comparitie steeds eerst een tussenarrest moet wijzen om partijen in de gelegenheid te stellen zich over haar daaruit getrokken conclusies uit te laten, vindt het geen steun in het recht. Voorzover het onderdeel betoogt dat het niet-verschijnen van [verweerster 1] en [verweerder 2] in persoon in het onderhavige geval meebrengt dat het hof zo'n tussenarrest had dienen te wijzen faalt het reeds omdat het niet (in het licht van art. 407 lid 2 Rv. voldoende gespecificeerd) aangeeft over welke door partijen (al dan niet) verstrekte gegevens [eiser] na comparitie nog in de gelegenheid had moeten worden gesteld zich met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor uit te laten en welke daaromtrent door het hof gegeven beslissingen dientengevolge als een ontoelaatbare verrassingsbeslissing moeten worden aangemerkt. Bovendien verliest het onderdeel uit het oog dat [eiser] - die naar 's hofs vaststelling in zijn eindarrest tijdens de comparitie heeft gereageerd op de stukken die [verweerster 1] voorafgaand aan de comparitie aan het hof en [eiser] heeft toegezonden - ter comparitie bezwaren als de onderhavige had kunnen aanvoeren, terwijl het middelonderdeel evenmin aangeeft waarom onbegrijpelijk is 's hofs oordeel in rechtsoverweging 2.7 dat [verweerster 1] met de stukken die zij voorafgaand aan de comparitie aan het hof en [eiser] heeft toegezonden en waarop [eiser] tijdens de comparitie heeft gereageerd, is tegemoet gekomen aan de jegens haar geuite klacht dat zij in verband met de beoordeling van het geschil onvoldoende informatie heeft verstrekt.

12. Middel II keert zich - aldus middelonderdeel 2.1 - tegen de rechtsoverwegingen 2.2 en 2.3 van het eindarrest (waar het hof heeft aangegeven wat uit de door [verweerster 1] overgelegde stukken is gebleken met betrekking tot de financiële positie van [verweerster 1] en erflater) in samenhang met de rechtsoverweging 2.5 (waar het hof het saldo van de huwelijksgoederengemeenschap heeft berekend mede gelet op de door [verweerster 1] overgelegde conceptakte van de boedelnotaris d.d. 14 november 2002), en de rechtsoverwegingen 2.6-2.8 waarin het hof heeft geconcludeerd dat opschorting van de opeisbaarheid van de legitieme portie gerechtvaardigd is gelet op de omvang van de in het testament bedoelde zorgverplichting, dat [verweerster 1] voldoende inzicht heeft verstrekt in haar financiële positie en in die van erflater, en dat het hof zich kan verenigen met de door de rechtbank gegeven motivering om de kosten van de door [eiser] gelegde beslagen voor zijn rekening te laten.

13. Middelonderdeel 2.2 (middelonderdeel 2.1 bevat slechts een inleiding) klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof in rechtsoverweging 2.5 de vordering op de paardenhouderij die volgens het onderdeel blijkt uit de als producties 12, 15 en 16 bij de brief van 24 januari 2003 door [verweerster 1] in hoger beroep overgelegde fiscale aangiften, buiten beschouwing laat en alleen het eigen vermogen van erflater in de paardenhouderij in de vermogensopstelling betrekt. Het onderdeel acht zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat het hof genoemd eigen vermogen heeft vastgesteld op f 18.733,-, althans is volgens het onderdeel niet begrijpelijk waarop het hof dit bedrag heeft gebaseerd. Voor het geval het hof dit bedrag heeft ontleend aan de concept-akte van de notaris klaagt het onderdeel: dat [eiser] zich niet over dat concept heeft kunnen uitlaten, dat de balans van 1996 bij dat concept niet is overgelegd en dat de minderwaarde paarden niet geheel ten laste van erflater mag worden gebracht gelet op de wederzijdse inbrengverhoudingen en de verdeling van de verliezen.

Voorzover het onderdeel met de daarin vervatte klacht dat het hof bij de bepaling van het eigen vermogen van de paardenhouderij een vordering op de paardenhouderij buiten beschouwing heeft gelaten al voldoet aan de aan de daaraan te stellen eisen nu niet is aangegeven op welke vordering de klacht precies doelt, mist het onderdeel, voorzover het daarbij het oog heeft op de in de genoemde producties vermelde hypothecaire vordering op de paardenhouderij, feitelijke grondslag. Deze vordering heeft het hof namelijk wel in aanmerking genomen, hetgeen blijkt uit rechtsoverweging 2.2 (privé-bezittingen) en rechtsoverweging 2.6 (de inkomsten van [verweerster 1] in de vorm van rente in verband met een hypothecaire vordering op [B]).

Voorzover het onderdeel klaagt dat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waaraan het hof het bedrag van f 18.733,- heeft ontleend faalt het, omdat het hof dit bedrag klaarblijkelijk heeft ontleend aan de door [verweerster 1] overgelegde conceptakte opgesteld door de boedelnotaris die was aangewezen door de rechtbank.

Voorzover het onderdeel klaagt dat [eiser] zich niet over deze conceptakte heeft kunnen uitlaten, verliest het uit het oog dat deze conceptakte door [verweerster 1] voorafgaand aan de comparitie als productie was overgelegd (productie 10 bij de brief met bijlagen die [verweerster 1] met het oog op de door het hof bevolen comparitie aan het hof en [eiser] heeft toegezonden), zodat [eiser] zich ter comparitie over de inhoud van de conceptakte had kunnen uitlaten.

Voorzover het onderdeel ten slotte klaagt dat de minderwaarde paarden niet geheel ten laste van erflater mag worden gebracht gelet op de wederzijdse inbrengverhoudingen en de verdeling van de verliezen, vormt het een ontoelaatbaar feitelijk novum in cassatie.

14. Middelonderdeel 2.3 klaagt dat waar het hof "onweersproken" heeft gelaten de stelling van [eiser] dat de woning na het overlijden van erflater voor een te laag bedrag is verkocht, het hof niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, de waarde uit de concept-akte van de notaris tot uitgangspunt heeft kunnen nemen nu niet blijkt dat [eiser] bij die concept-akte betrokken is geweest.

Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag met zijn veronderstelling dat het hof de door het onderdeel genoemde stelling van [eiser] "onweersproken" (lees: onbesproken?) heeft gelaten. Het hof heeft in rechtsoverweging 2.5 van zijn eindarrest, waar het heeft overwogen dat [eiser] met zijn stellingen zoals vermeld op pagina 5 onder 1 tot en met 7 van het door hem tijdens de comparitie van partijen overgelegde stuk niet, althans onvoldoende heeft toegelicht waarom de in de concept-akte vermelde uitgangspunten onjuist zouden zijn, gerespondeerd op deze op pagina 5 onder 1 van het desbetreffende stuk verwoorde stelling van [eiser]. Bovendien heeft het hof zich in het kader van zijn bespreking van de vijfde grief in rechtsoverweging 2.8 nog uitgesproken over deze stelling van [eiser] dat [verweerster 1] het woonhuis voor een te lage prijs heeft verkocht, waarbij het hof heeft overwogen dat het hier een omstandigheid betreft die in de eerste plaats voor risico van [verweerster 1] komt en dat dit ook blijkt uit de conceptakte waarin de later getaxeerde waarde van deze woning in aanmerking is genomen. Het hof heeft derhalve met de overname van het bedrag uit de conceptakte wel rekening gehouden met de hogere getaxeerde waarde van het woonhuis. Het middel klaagt niet dat de aldus overgenomen waarde van het woonhuis onbegrijpelijk is in het licht van de verrichte taxatie van het woonhuis. Mede in het licht daarvan faalt ook de klacht dat het hof de waarde uit de concept-akte niet heeft mogen overnemen omdat niet blijkt dat en hoe [eiser] bij die concept-akte betrokken is geweest; de enkele omstandigheid dat niet blijkt dat en hoe [eiser] bij de concept-akte betrokken is geweest behoefde het hof niet ervan te weerhouden de waarde uit de concept-akte over te nemen in het kader van de beoordeling van de vraag of sprake was van een zodanige verzorgingsbehoefte dat opschorting van de opeisbaarheid van de legitieme portie gerechtvaardigd is.

15. Middelonderdeel 2.4 klaagt dat het hof heeft miskend dat sprake is van een eigen vermogen van erflater tot het bedrag van het ondernemingsvermogen van de toenmalige vennootschap onder firma [C] zodat het niet alleen gaat om dat eigen vermogen van erflater tot dat bedrag in deze toenmalige vof zoals deze met [verweerder 2] heeft bestaan, maar ook om het winstaandeel van erflater in de vof, welk winstaandeel het hof geheel buiten beschouwing heeft gelaten. Daarnaast klaagt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat op grond van art. 13 leden 1 tot en met 3 van de als productie II bij conclusie van dupliek overgelegde vof-akte de overnemende vennoot tot inlossing jegens de erven is gehouden, zodat zowel de boedel als [eiser] een vordering hebben op [verweerder 2]. Ten slotte bevat het onderdeel de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het op grond van art. 13 lid 3 van genoemde vof-akte gaat om een niet-opeisbare vordering.

Voorzover het onderdeel wil betogen dat het hof heeft miskend dat sprake was van een ondernemingsvermogen van f 138.117,- en dat dit vermogen tot de huwelijksgoederen-gemeenschap moet worden gerekend, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft blijkens rechtsoverweging 2.2 van zijn eindarrest onder "1996" zowel onder A1 bij het overzicht van het inkomen van erflater (ondernemingsvermogen bij einde boekjaar) als onder B.1 het inkomen van [verweerster 1], het ondernemingsvermogen ter hoogte van f 138.117,- in zijn beoordeling betrokken, welk vermogen het hof in rechtsoverweging 2.5 onder de bezittingen heeft opgenomen. De overige klachten van het onderdeel stuiten reeds af op art. 407 lid 2 Rv. omdat het onderdeel niet met vindplaatsen in de gedingstukken aangeeft waar in feitelijke instanties [eiser] - onder verwijzing naar de in het onderdeel genoemde producties - de desbetreffende stellingen heeft betrokken. Voorzover [eiser] deze stellingen niet had aangevoerd, vormt het onderdeel een ontoelaatbaar feitelijk novum. (Zie in dit verband Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, (2005), nrs. 137 en 138.)

16. Middelonderdeel 2.5 bevat de klacht dat het hof heeft nagelaten te onderzoeken of de onroerende zaken op zodanige wijze kunnen worden bezwaard dat zij [eiser] tot financieel voordeel kunnen strekken.

Het middelonderdeel faalt. Het voldoet niet aan de aan het middel te stellen eisen (art. 407 lid 2 Rv) nu het niet met vindplaatsen in de gedingstukken aangeeft waar [eiser] heeft gesteld dat de onroerende zaken door bezwaring [eiser] tot financieel voordeel moeten strekken en evenmin op welke onroerende zaken het onderdeel betrekking heeft. Overigens betreft het - voorzover dit door [eiser] niet was gesteld - een in cassatie ontoelaatbaar feitelijk novum.

17. Middelonderdeel 2.6 keert zich tegen rechtsoverweging 2.6 met de (motiverings)klacht dat daaruit niet blijkt of het hof heeft onderzocht of [verweerder 2] meer dan zijn wettelijk erfdeel heeft verworven in welk geval hij tot terugbetaling jegens de boedel is gehouden, hetgeen gevolgen heeft voor het erfdeel van [eiser].

Het onderdeel moet falen. Het hof heeft in rechtsoverweging 2.6 de vraag beantwoord of gelet op de financiële omstandigheden van erflater en [verweerster 1] sprake is van een zodanige verzorgingsbehoefte aan de zijde van [verweerster 1] dat opschorting van de opeisbaarheid van de legitieme portie gerechtvaardigd is. Het onderdeel geeft niet voldoende begrijpelijk aan in welk opzicht de daarin vervatte stelling voor deze beslissing relevant is. Bovendien wordt in het onderdeel niet met verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken aangegeven waar in de feitelijke instanties de desbetreffende stelling is aangevoerd, zodat het onderdeel niet voldoet aan de daaraan ingevolge art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen, terwijl voorzover de in het onderdeel vervatte stelling en omstandigheden niet waren gesteld, sprake is van een in cassatie ontoelaatbaar feitelijk novum.

18. Middelonderdeel 2.7 klaagt vooreerst dat de eraan voorafgaande middelonderdelen tevens rechtsoverweging 2.6, middengedeelte en volgende, raken. Daarnaast bevat het onderdeel een meer algemene klacht dat de geschetste feiten en omstandigheden breder zijn dan die welke het hof heeft beschouwd en dat meer of andere bedragen tot de boedel behoren en voorts een rechtsklacht dat het hof de eisen van redelijkheid en billijkheid tussen deelgenoten uit het oog heeft verloren nu het heeft nagelaten naar de 'werkelijke verhoudingen en/of mogelijkheden' te kijken.

Voorzover het onderdeel voortbouwt op de voorgaande onderdelen moet het het lot daarvan delen. Wat de overige klachten van het onderdeel betreft, geldt dat zowel de zelfstandige klacht dat het hof bepaalde bedragen niet in zijn beoordeling heeft betrokken, als de klacht dat het hof de eisen van redelijkheid en billijkheid uit het oog heeft verloren, niet voldoen aan de eisen van bepaaldheid die art. 407 lid 2 Rv aan het middel stelt nu het niet voldoende gespecificeerd (met vindplaatsen) aangeeft op welke bedragen en 'werkelijke verhoudingen en/of mogelijkheden' het onderdeel doelt.

19. Middel III komt met 5 onderdelen op tegen de rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.9 en de beslissing onder 3 van het eindarrest.

Onderdeel 3.2 (onderdeel 3.1 bevat een inleiding) strekt ten betoge dat rechtsoverweging 2.7 onjuist althans onbegrijpelijk is. In rechtsoverweging 2.7 overwoog het hof dat [verweerster 1] met de voorafgaande aan de comparitie toegezonden stukken voldoende inzicht heeft verstrekt in haar financiële positie na het overlijden van erflater, dat zij tegemoet is gekomen aan de klacht van [eiser] dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt en dat [verweerster 1] geen nader bewijs meer behoeft te leveren ten aanzien van de door haar gestelde verzorgingsbehoefde en een eventuele (tegen)bewijslevering door [eiser] niet meer aan de orde is. Volgens onderdeel 3.2 blijkt uit de klachten van het tweede middel evenwel dat het hof meer of andere gegevens in de beoordeling had moeten betrekken.

Onderdeel 3.2 bouwt voort op het tweede middel en moet daarom het lot daarvan delen.

20. Ook onderdeel 3.3, dat opkomt tegen rechtsoverweging 2.8 waarin het hof overweegt dat het zich kan verenigen met de door de rechtbank in het vonnis van 19 april 2000 gegeven motivering om de kosten van de door [eiser] gelegde beslagen voor zijn rekening te laten, bouwt voort op eerdere klachten en moet daarom falen.

21. Onderdeel 3.4, dat zich eveneens tegen rechtsoverweging 2.8 keert, komt neer op een herhaling van de eerste in onderdeel 2.3 vervatte klacht en faalt derhalve op de bij de bespreking van die klacht aangegeven gronden.

22. Onderdeel 3.5 bestrijdt ten slotte rechtsoverweging 2.9 en de beslissing onder 3 en bouwt daarbij (eveneens) voort op de voorgaande middelonderdelen, zodat het onderdeel eveneens faalt.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden