Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV7250

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
23-04-2019
Zaaknummer
01990/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV7250
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal (d.m.v. braak en inklimming) bij diverse bedrijven (art. 311.1 Sr) en deelneming aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr). 1. Mocht Hof door OM ingesteld rechtsmiddel (beroep in cassatie) converteren in juist rechtsmiddel (h.b.)? 2. OM n-o in h.b. zaak A, nu appelakte parketnummer zaak A niet vermeldt? 3. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM vanwege aanhouding verdachte door arrestatieteam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01990/05

Mr. Vellinga

Zitting: 21 maart 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 8 juli 2004 wegens - kort gezegd - diverse bedrijfsinbraken en deelneming aan een criminele organisatie veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof op de vorderingen van de benadeelde partijen beslist zoals in het arrest vermeld.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 01990/05 t/m 01995/05. In al deze zaken behalve in de zaak 01991/05 zal ik vandaag concluderen. In laatstgenoemde zaak is het cassatieberoep ingetrokken.

3. Namens verdachte heeft mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. In het vierde middel wordt naar voren gebracht dat in de cassatiefase de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in art. 6 EVRM en 14 IVBPR is overschreden omdat vanaf het moment waarop beroep in cassatie werd ingesteld teveel tijd is verstreken tot het moment waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.

5. De verdachte heeft op 14 juli 2004 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 25 juli 2005 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden en de straf dus moet worden verminderd.

6. Het middel slaagt.

7. Het eerste middel klaagt over de beslissing van het Hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk te verklaren in zijn beroep tegen het vonnis van de Rechtbank te Haarlem.

8. Naar aanleiding van een daartoe gevoerd verweer heeft het Hof overwogen(1):

"Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in het hoger beroep, nu uit de akte rechtsmiddel van 10 juni 2003 blijkt dat de officier van justitie, mr. Van der Sluis, cassatie heeft ingesteld. Mocht het hof van oordeel zijn dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in het hoger beroep, dan is de verdediging van mening dat dit hoger beroep slechts betrekking kan hebben op de zaak met parketnummer 15/035618-02, nu alleen dit parketnummer vermeld is op de akte rechtsmiddel.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende.

1)Op de akte rechtsmiddel van 10 juni 2003 is vermeld dat de officier van justitie "cassatie" instelt tegen het eindvonnis van 26 mei 2003; op de akte staat het parketnummer 15/035618-02 vermeld.

2)Op 29 december 2003 is aan verdachte de 'aanzegging hoger beroep' betekend, waarin staat beschreven dat de officier van justitie hoger beroep heeft aangetekend tegen het eindvonnis van de rechtbank Haarlem van 26 mei 2003.

3)In de door de officier van justitie opgestelde appèlmemorie van 19 augustus 2003 is vermeld dat de omschrijving 'cassatie' in de akte rechtsmiddel berust op een kennelijke misslag en de officier van justitie verzoekt het hof dit als zodanig op te vatten en haar te ontvangen in het hoger beroep.

4)De stukken van het geding zijn - op grond van het bepaalde in artikel 409 lid 1 Wetboek van Strafvordering - verstuurd naar de griffie van het gerechtshof te Amsterdam, waar zij 8 januari 2004 zijn ontvangen.

Aan het voorgaande kan bezwaarlijk een andere gevolgtrekking worden verbonden dan dat de officier van justitie heeft bedoeld het rechtsmiddel aan te wenden dat tegen het eindvonnis van de rechtbank van 26 mei 2003 openstond, te weten hoger beroep. Een en ander moet in redelijkheid aan verdachte en zijn raadsman duidelijk zijn geweest. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in het hoger beroep. Het verweer wordt verworpen.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat het hoger beroep zich alleen uitstrekt tot de zaak met parketnummer 15/035618-02, geldt het volgende.

Uit het proces-verbaal van terechtzitting van 13 mei 2003 blijkt dat de rechtbank, gehoord de officier van justitie en de raadsman van de verdachte, de voeging heeft bevolen van de zaken met parketnummer 15/035618-02 en 15/132259-03. Het verkorte strafvonnis van 26 mei 2003 maakt nogmaals melding van deze voeging. Daaruit volgt dat het op de akte rechtsmiddel bedoelde vonnis van 26 mei 2003 zowel een beslissing bevat in de zaak met parketnummer 15/035618-02 als in de zaak met parketnummer 15/132259-03 en dat - nu de zaken gevoegd zijn - geen sprake is van twee afzonderlijke beslissingen, waartegen afzonderlijk hoger beroep openstaat. Het hoger beroep van de officier van justitie richt zich - en zulks blijkt ook uitdrukkelijk uit de appèlmemorie van 19 augustus 2003 - ook tegen de beslissing in de gevoegde zaak met parketnummer 15/132259-03. Het hof merkt daarbij op dat het op strafgriffies van rechtbanken en gerechtshoven gebruikelijk is om - in geval van voeging van zaken - slechts één parketnummer op de akte rechtsmiddel te vermelden.

Het hof acht het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in het hoger beroep tegen het eindvonnis van de rechtbank van 26 mei 2003 in de zaken met parketnummers 15/035618-02 en 15/132259-03."

9. Ik geef een korte schets van het verloop van het proces tegen de verdachte voor zover dat voor de beoordeling van het middel van belang is.

10. Aan de verdachte wordt op 6 december 2002 in persoon de dagvaarding voor de terechtzitting van de Rechtbank op 17 december 2002 uitgereikt. Het parketnummer van die dagvaarding is 15/035618-02. De aan de verdachte verweten feiten behelzen één diefstal en één verzamelfeit, dat diverse inbraken betreft. Op die terechtzitting wordt het onderzoek aangehouden.

11. Op 4 maart 2003 wordt het onderzoek opnieuw aangevangen vanwege een wijziging in de samenstelling van de Rechtbank. Voor die zitting is aan de verdachte op 20 februari 2003 een oproeping in persoon uitgereikt. Het op die oproeping vermelde parketnummer luidt 15/035618-02. Tevens wordt aan de verdachte op die dag een dagvaarding uitgereikt voor dezelfde terechtzitting. Het parketnummer van deze dagvaarding luidt 15/132259-03. Het aan de verdachte tenlastegelegde feit is het deelnemen aan een criminele organisatie.

12. Op deze terechtzitting vordert de Officier van Justitie wijziging van de tenlastelegging in de zaak onder het parketnummer 15/035618-02. De Rechtbank wijst deze vordering toe. Het onderzoek wordt opnieuw geschorst en beide zaken worden naar de rechter-commissaris teruggewezen.

13. Op 12 mei 2003 vangt de inhoudelijke behandeling van beide zaken aan. Wederom wordt het onderzoek geschorst en wel tot 13 mei 2003. Op die terechtzitting beveelt de Rechtbank de voeging van de zaak met parketnummer 15/132259-03 bij de zaken met parketnummer 15/035618-02. Opnieuw wordt het onderzoek geschorst en wel tot 15 mei 2003. Op die terechtzitting wordt het onderzoek gesloten en de Rechtbank wijst op 26 mei 2003 vonnis. Daarin vermeldt de Rechtbank dat op de terechtzitting van 13 mei 2003 de zaken met de parketnummers 15/035618-02 en 15/035618-02 zijn gevoegd.

14. De akte rechtsmiddel vermeldt dat op 10 juni 2003 de Officier van Justitie cassatie instelt tegen het vonnis van 26 mei 2003. Als parketnummer vermeldt de akte 15/035618-02.

15. Het hoger beroep van de Officier van Justitie is op 29 december 2003 aan de verdachte in persoon aangezegd. Die aanzegging vermeldt dat de Officier van Justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank Haarlem van 26 mei 2003.

16. De appelmemorie van de Officier van Justitie van 19 augustus 2003 houdt op het punt van de akte rechtsmiddel in:

"Allereerst een opmerking over de akte rechtsmiddel. In de akte staat ten onrechte vermeld dat er cassatie zou zijn ingesteld door de officier van justitie. Er moet sprake zijn van een kennelijke verschrijving. In de akten rechtsmiddel van de andere 6 verdachten wordt wel het woord 'beroep" gehanteerd. Bovendien is er een e-mail gestuurd naar de strafgriffie waarbij is aangegeven dat het OM in alle zaken hoger beroep wilde instellen met vermelding van de parketnummers (zie bijlage). Hetgeen vermoedelijk is gebeurd is het volgende. De vader van verdachte [verdachte] had zich bij de rechtbank beklaagd over de onder zijn zoon inbeslaggenomen auto. De vader meent de rechthebbende te zijn, omdat het kenteken van de auto op zijn naam staat. De rechtbank heeft het beklag echter ongegrond verklaard en hiertegen is de vader op 5 juni 2003 in cassatie gegaan. De cassatie is in COMPAS geregistreerd onder het parketnummer van de zoon. Kennelijk 'pakt" het systeem dan niet meer het woord "beroep", maar volgt de eerder ingestelde actie, namelijk cassatie en zo is het woord 'cassatie" vermoedelijk in de akte terecht gekomen. De officier van justitie verzoekt u het woord 'cassatie" in de akte rechtsmiddel op te vatten als een kennelijke verschrijving en haar te ontvangen in het hoger beroep."

17. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat nu het Openbaar Ministerie het verkeerde rechtsmiddel heeft aangewend, conversie niet mogelijk is, omdat van het Openbaar Ministerie verwacht mag worden het juiste rechtsmiddel in te stellen. Ten tweede wordt betoogd dat geen bevel verlenging gevangenhouding is gedaan, waaruit opgemaakt zou dienen te worden dat geen geldig rechtsmiddel is ingesteld.

18. In de literatuur wordt aangenomen dat voor conversie van een door een lid van het Openbaar Ministerie verkeerd ingesteld rechtsmiddel minder ruimte is of dient te zijn dan voor een verkeerd rechtsmiddel dat wordt ingesteld door de verdachte of diens raadsman.(2) Voor die opvatting worden verschillende redenen aangevoerd. Zo meent Krabbe dat de Officier van Justitie geacht moet worden voldoende deskundig te zijn.(3) En Remmelink meent dat zijn ambt die deskundigheid met zich mee brengt.(4)

19. In het onderhavige geval doet zich niet de vraag voor of het Hof het door het Openbaar Ministerie ingestelde rechtsmiddel heeft mogen converteren in het juiste rechtsmiddel. Het Hof heeft immers niet het door de Officier van Justitie volgens de akte aangewende rechtsmiddel van cassatie opgevat als het rechtsmiddel van hoger beroep, maar aangenomen dat de vermelding van "cassatie" in de akte rechtsmiddel op een kennelijke verschrijving berustte voor "hoger beroep" en dat dus de Officier van Justitie het juiste rechtsmiddel heeft aangewend. Dat brengt mij op de vraag of de door het Hof gegeven uitleg aan de akte rechtsmiddel de toets in cassatie kan doorstaan.

20. Bij de beantwoording van deze vraag dient te worden vooropgesteld dat de uitleg van een akte rechtsmiddel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en dat daarom die uitleg in cassatie louter op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst (HR 24 oktober 1996, NJ 1996, 148, rv. 6.5)(5)

21. In HR 15 maart 1988, DD 88.337 ging het om een fout in de akte hoger beroep terwijl het hoger beroep was ingesteld door een door de Officier van Justitie gemachtigde. De bestreden uitspraak betrof een beschikking van de raadkamer om de verdachte buiten vervolging te stellen. De akte vermeldde dat hoger beroep werd ingesteld namens de verdachte. Het Hof overwoog dat het slechts de vrijheid zou hebben de akte verbeterd te lezen als de verdachte daardoor niet op ontoelaatbare wijze in zijn belangen zou worden geschaad. Die belangen zouden in het gedrang komen als het Hof de akte verbeterd zou lezen. Daarom ging het Hof daartoe niet over. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof de juiste maatstaf had aangelegd en dat diens oordeel niet onbegrijpelijk was.

22. In de zaak die ten grondslag lag aan HR 22 februari 2005, LJN AR8923 (niet gepubliceerd) zag het Hof wel reden de akte houdende hoger beroep van de Officier van Justitie verbeterd te lezen. In die akte was vermeld dat hoger beroep was ingesteld in de ontnemingszaak terwijl er helemaal geen ontnemingszaak was maar wel een hoofdzaak waarin de verdachte was vrijgesproken. Daarom oordeelde het Hof dat van een evidente vergissing in de appelakte sprake was en las het Hof de akte hoger beroep aldus dat deze betrekking had op de hoofdzaak. De Hoge Raad deed een middel dat klaagde over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in hoger beroep, af op de voet van het bepaalde in art. 81 RO.

23. De benadering die uit de beslissing van het Hof, die ten grondslag lag aan laatstgenoemd arrest, spreekt, strookt met de opvatting van De Hullu en Elzinga(6) die ervoor pleiten om fouten in de akte niet steeds voor rekening van het Openbaar Ministerie te laten komen. De Hoge Raad biedt daarvoor kennelijk en in mijn ogen terecht ruimte.

24. In het onderhavige geval heeft het Hof feitelijk vastgesteld dat van een vergissing sprake was en dat dit aan de verdachte en zijn raadsman duidelijk moet zijn geweest. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Ik wijs erop dat dat de Officier van Justitie de verdachte heeft aangezegd dat hij hoger beroep had ingesteld en niet, zoals de akte rechtsmiddel vermeldt, cassatie.

25. Op de in de toelichting aangevoerde omstandigheid dat het Openbaar Ministerie niet om verlenging van de gevangenhouding van de verdachte heeft verzocht, wordt pas in cassatie voor het eerst een beroep gedaan. Omdat hier sprake is van een beroep op een omstandigheid van feitelijke aard moet daaraan in cassatie voorbij worden gegaan. Overigens zat de verdachte ten tijde van het aflopen van de gevangenhouding al ruim negen maanden vast (verdachte was aangehouden op 24 oktober 2002, de gevangenhouding eindigde vermoedelijk(7) op 25 juni 2003), dus een periode die de tijd die de verdachte ingevolge het vonnis van de Rechtbank in gevangenschap zou moeten doorbrengen benaderde (gelet op de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling tweederde deel van de door de Rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 15 maanden). Daarin kan heel wel een reden zijn gelegen voor het achterwege laten van een vordering tot verlenging van de gevangenhouding.

26. Het middel faalt.

27. Het tweede middel klaagt over de beslissing van het Hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk te achten in het hoger beroep in de zaak onder parketnummer 15/132259-03. In die zaak zou geen hoger beroep zijn ingesteld, omdat de appelakte dat parketnummer niet vermeldt.

28. Het Hof heeft naar aanleiding van een gelijkluidend verweer overwogen zoals hierboven onder 8 weergegeven. De gang van zaken met betrekking tot de dagvaarding en de voeging van de zaak met parketnummer 15/132259-03 is uiteengezet onder de nummers 10 t/m 14.

29. In de toelichting wordt gesteld dat de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg sinds de zitting van 4 maart 2003 beide parketnummers vermelden. Dat is op zich juist , zij het dat het proces-verbaal van 15 mei 2003 alleen parketnummer 15/035618-02 vermeldt.

30. Ook hier geldt dat de uitleg van de appelakte een feitelijke kwestie is die in cassatie alleen op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het feitelijke oordeel van het Hof dat sprake was van één vonnis en dat het vonnis van 26 mei 2003 zowel een beslissing bevat in de zaak met parketnummer 15/035618-02 als in de zaak met parketnummer 15/132259-03 en dat geen sprake is van twee afzonderlijke uitspraken, is gelet op de door het Hof vastgestelde gang van zaken niet onbegrijpelijk. Voorts in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat indien een vonnis betrekking heeft op gevoegde zaken ter identificatie van het vonnis waartegen het rechtsmiddel zich richt niet meer dan één van de parketnummers pleegt te worden vermeld van de zaken waarop het vonnis betrekking heeft, is het oordeel van het Hof dat het onderhavige rechtsmiddel betrekking heeft op het hele vonnis niet onbegrijpelijk. Hoofdregel is immers dat van het vonnis slechts in zijn geheel hoger beroep kan worden ingesteld (art. 407 lid 1 Sv). Wie gebruik wil maken van de in art. 407 lid 2 Sv verwoorde uitzondering op die hoofdregel pleegt dat met zoveel woorden ter griffie te verklaren waarna in de appelakte van een dienovereenkomstige beperking melding pleegt te worden gemaakt en niet wordt volstaan met het weglaten van een parketnummer waaronder de zaak oorspronkelijk is aangebracht.

31. Het middel faalt.

32. Het derde middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, dan wel dat strafvermindering dient te volgen, omdat de verdachte is aangehouden door een arrestatieteam.

33. Het Hof heeft op dit punt overwogen:

"Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de strafvervolging wegens de inzet van een arrestatieteam bij de aanhouding van de verdachte. De raadsman heeft in de eerste plaats gesteld dat uit het dossier niet valt op te maken dat door het bevoegde gezag toestemming is verleend om een arrestatieteam in te zetten ten behoeve van de aanhouding van de verdachte en dat de beslissing een arrestatieteam in te zetten is gebaseerd op de onjuiste informatie dat verdachte vuurwapengevaarlijk zou zijn. Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat het inzetten van een arrestatieteam inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer en dat, omdat het toepassen van een dergelijk dwangmiddel in dit geval onrechtmatig is geweest, is gehandeld in strijd met de beginselen van de goede procesorde. Mocht het hof het openbaar ministerie wel ontvankelijk verklaren dan is volgens de raadsman plaats voor strafvermindering of bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof overweegt als volgt.

Uit een door de advocaat-generaal bij repliek overlegd 'Registratieformulier Toestemming Inzet Aanhoudings- en Ondersteuningseenheid' blijkt dat op 24 oktober 2003 (lees: 2002; WHV) om 10.50 uur door de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, mr. J.H. Schussel, toestemming is verleend voor het verrichten van een planmatige aanhouding van een vuurwapengevaarlijke verdachte. Gesteld noch gebleken is dat disproportioneel geweld is aangewend, en/of dat de verdachte op enigerlei wijze nadeel heeft ondervonden van de wijze waarop hij is aangehouden.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen en het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vervolging.

Uit het voorgaande volgt dat evenmin sprake is van een vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek op grond waarvan voor strafvermindering of bewijsuitsluiting plaats zou zijn."

34. De toelichting op het middel bevat twee klachten. De eerste klacht is dat uit geen enkel dossierstuk blijkt van toestemming tot inzet van een arrestatieteam. Deze klacht mist feitelijke grondslag. De ter terechtzitting overgelegde repliek van de Advocaat-Generaal bevat als bijlage 2 een kopie van het registratieformulier toestemming inzet aanhoudings- en ondersteuningseenheid. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt niet dat de verdediging de inhoud van dit formulier heeft betwist.

35. De tweede klacht houdt in dat het Hof niet heeft gereageerd op het verweer dat de inzet is gebaseerd op onjuiste informatie over de vuurwapengevaarlijkheid van de verdachte.

36. De vraag of een dergelijke verweer aan de rechter-commissaris of aan de feitenrechter moet worden voorgelegd kan hier in het midden blijven.(8) Immers, noch het proces-verbaal van de terechtzittingen, noch de overgelegde pleitnota houdt in dat de verdediging heeft gesteld dat de verdachte enig nadeel heeft ondervonden van de aanhouding door het arrestatieteam. Het oordeel van het Hof dat de inzet van een arrestatieteam bij de aanhouding van de verdachte niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging, tot bewijsuitsluiting of tot strafvermindering, is dan ook niet onjuist en niet onbegrijpelijk.(9)

37. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering..

38. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

39. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het Hof neemt zijn beslissing op de terechtzitting van 14 juni 2004 naar aanleiding van een op die terechtzitting gevoerd verweer. De raadsman herhaalt zijn verweer in de pleitnota, waarop het Hof op zijn beurt zijn eerdere beslissing herhaalt. De tekst van beide beslissingen is gelijkluidend.

2 H.K. Elzinga, In beroep, diss. Tilburg, p. 156 e.v.

3 H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, Alphen aan den Rijn 1983, p. 61.

4 Zie zijn conclusie voor HR 10 april 1979, NJ 1979, 432.

5 Zo ook J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, diss. Groningen, Arnhem 1989, p. 382.

6 J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, diss. Groningen, Arnhem 1989, pp. 382-383; H.K. Elzinga, In beroep, diss. Tilburg, p. 157.

7 De stukken m.b.t. het voorarrest ontbreken in het dossier.

8 HR 8 mei 2001, NJ 2001, 587; HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376; HR 21 december 2004, NJ 2005, 172.

9 Zie HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, rov. 3.5.