Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV7162

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
22-06-2006
Zaaknummer
01260/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV7162
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verweren niet opgenomen in pv terechtzitting noch in arrest; nietigheid onderzoek en uitspraak. Nu uit de inhoud van het pv van de terechtzitting blijkt dat namens verdachte verweren zijn gevoerd, maar deze ten onrechte niet in het pv van de terechtzitting of het arrest zijn opgenomen, valt in cassatie niet na te gaan welke verweren zijn gevoerd. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de uitspraak meebrengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2006, 368
JOL 2006, 410
RvdW 2006, 686
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01260/05

Mr. Vellinga

Zitting: 21 maart 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk een betaalpas bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk opmaken, met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd de namens de verdachte gevoerde verweren te vermelden in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel in het arrest en dat het Hof niet met redenen omkleed heeft beslist op de namens de verdachte gevoerde verweren.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2005 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij voert daarbij verweren als weergegeven in het arrest."

5. De bestreden uitspraak houdt evenwel niets in omtrent door de raadsman van de verdachte gevoerde verweren.

6. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Indien de raadsman van de verdachte meent dat een verweer van zodanige aard is dat daaromtrent bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing moet worden gegeven, zal hij, om te bevorderen dat die beslissing niet achterwege blijft of, indien die beslissing toch niet is gegeven, opdat kan worden vastgesteld dat zulks ten onrechte is nagelaten, ervoor moeten waken dat het verweer schriftelijk vast komt te liggen. Hij kan zich daarvan verzekeren door hetzij een pleitnota over te leggen waarin dat verweer is vervat hetzij overeenkomstig art. 326, vierde lid, Sv te verzoeken dat van bedoeld verweer aantekening zal worden gedaan in het proces-verbaal van de terechtzitting. Indien noch het een noch het ander is geschied, levert de enkele omstandigheid dat het gevoerde verweer niet of niet volledig in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel het arrest is vermeld en dientengevolge niet of niet volledig in cassatie ten toets kan komen, geen schending van enige rechtsregel op.(1)

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2005 houdt niet in dat door de raadsman van de verdachte een pleitnota is overgelegd(2) en evenmin dat met betrekking tot gevoerde verweren een verzoek is gedaan als bedoeld in art. 326, vierde lid, Sv in verbinding met art. 326, derde lid, Sv. In zoverre is in cassatie dus niet komen vast te staan dat in hoger beroep verweren zijn gevoerd, laat staan welke de inhoud van die verweren zou zijn.

8. De vraag is of dat anders wordt doordat in het proces-verbaal van de terechtzitting voor de inhoud van de gevoerde verweren wordt verwezen naar het arrest en in het arrest geen verweren worden genoemd. Van Dorst wijst erop dat de wijze waarop in de onderhavige zaak het proces-verbaal van de terechtzitting is opgemaakt, het gevaar in zich bergt dat onvoldoende recht wordt gedaan aan het standpunt van de verdediging(3), bijvoorbeeld doordat de rechter het gevoerde betoog ten onrechte niet heeft herkend als een rechtens relevant verweer of doordat hij het anders heeft opgevat dan bedoeld was. In cassatie valt dan niet meer te herstellen dat de verdachte ten onrechte geen of een onbevredigend antwoord heeft gekregen.(4)

9. In HR 22 november 2005, LJN AU1993 overwoog de Hoge Raad als volgt:

"3.4. Anders dan ten aanzien van verweren is in jurisprudentie van de Hoge Raad wel beslist dat voor wat betreft de inhoud van de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van de verdachte - evenals die van getuigen en deskundigen - niet beslissend is het proces-verbaal van die terechtzitting, doch hetgeen de rechter in diens vonnis of arrest omtrent de inhoud en strekking van die verklaringen vaststelt. Die rechtspraak berustte op de gedachte dat de rechter, die de betrokkene zelf heeft gehoord, niet anders op voor hem afgelegde verklaringen recht kan doen dan zoals hij die heeft gehoord en begrepen. In die gedachtegang was de rechter verantwoordelijk voor de juiste vaststelling van de voor hem afgelegde verklaringen en was hij niet gebonden aan de weergave daarvan in het door de voorzitter en de griffier vastgestelde proces-verbaal. Daarbij speelde een rol dat in het verleden het merendeel van de zaken door een meervoudige kamer werd berecht, zodat bij die vaststelling drie rechters waren betrokken.

3.5. De Hoge Raad ziet aanleiding om thans anders te oordelen in aanmerking genomen dat bedoelde benadering leidt tot:

a) een verschil in behandeling, zoals hiervoor onder 3.2 overwogen, van de verklaring die (onder meer) de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd en die welke hij elders heeft afgelegd;

b) het hiervoor onder 3.3 omschreven verschil tussen verweren en verklaringen.

Voor die verschillen bestaat onvoldoende grond, gelet op de belangrijke functie die het proces-verbaal van de terechtzitting heeft voor wat betreft de weergave van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen of aangevoerd."

10. Gezien het gevaar dat aan de in het onderhavige geval gevolgde werkwijze bij het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting is verbonden alsmede gezien het belang dat de Hoge Raad thans in cassatie hecht aan de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting en wel in die zin dat in zijn algemeenheid thans de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting voor wat betreft hetgeen aldaar is voorgevallen of aangevoerd gaat boven de inhoud van het vonnis of arrest, is een werkwijze als thans bij het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting gevolgd niet aanvaardbaar. Bovendien moet er gezien het dus onlangs nog versterkte primaat van de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting boven de inhoud van het vonnis of arrest voor wat betreft de vraag wat op de terechtzitting is voorgevallen of aangevoerd, in beginsel van worden uitgegaan dat er verweren zijn gevoerd, zij het dat deze ten onrechte niet zijn opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting terwijl deze ook niet kenbaar zijn uit het arrest.

11. Nu kennelijk verdachtes raadsman niet van de hiervoor onder nr. 6 geschetste mogelijkheden gebruik heeft gemaakt om te zorgen dat door hem gevoerde verweren in het proces-verbaal van de terechtzitting werden vermeld en ook in de toelichting op het middel niet wordt aangevoerd dat door de raadsman van de verdachte in hoger beroep verweren zijn gevoerd, komt de vraag op of de griffier in het onderhavige geval niet eenvoudigweg een verkeerde "bouwsteen" heeft gebruikt en of de vermelding dat verweren zijn gevoerd dus berust op een misslag in het proces-verbaal van de terechtzitting. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting krijg ik de indruk dat de vraag of de verdachte het feit heeft begaan een centrale rol in het onderzoek ter terechtzitting heeft gespeeld. Na het requisitoir dat strekte tot veroordeling tot straf, heeft de raadsman van de verdachte gepleit, daarna heeft de Advocaat-Generaal gerepliceerd waarna verdachtes raadsman nog weer heeft gedupliceerd. Een en ander wijst erop dat door verdachtes raadsman verweren zijn gevoerd, zij het dat deze de vraag van het bewijs zullen hebben betroffen en daarmee niet steeds zonder meer zullen zijn gevallen in de termen van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Er is dus weinig reden om aan te nemen dat de vermelding in het proces-verbaal van de terechtzitting dat verweren zijn gevoerd, op een vergissing berust, zij het dat het kennelijk verweren zijn geweest van dien aard dat deze in de ogen van het Hof geen uitdrukkelijke verwerping in het arrest vergden.

12. Hoewel de raadsman van de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de onder nr. 6 vermelde mogelijkheden, moet er dus vanuit worden gegaan dat er verweren zijn gevoerd die niet zijn vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting en die ook niet kenbaar zijn uit het arrest. Dat laatste brengt mee dat in cassatie niet kan worden nagegaan of die verweren uitdrukkelijke weerlegging behoefden. Het Hof oordeelde kennelijk van niet, maar dat kan uiteraard niet doorslaggevend zijn.

13. Het voorgaande brengt mee dat het proces-verbaal van de terechtzitting niet voldoet aan de eisen die daaraan met het oog op een deugdelijke behandeling van een zaak in cassatie moeten worden gesteld.

14. Het middel slaagt.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 19 december 1995, NJ 1996, 249, rov. 4.3, HR 24 februari 1987, NJ 1988, 540 en HR 28 juni 1983, NJ 1984, 98.

2 Er bevindt zich ook geen pleitnota in het dossier.

3 Zie voor bezwaren verbonden aan verwijzing naar het arrest voor wat betreft de stukken waarvan ter terechtzitting de korte inhoud is medegedeeld mijn conclusie bij Hoge Raad 4 januari 2005, nr. 01298/04.

4 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2004,vijfde druk, p 83.