Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV6965

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2006
Datum publicatie
23-06-2006
Zaaknummer
C05/058HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV6965
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolg op HR 14 maart 2003, nr. C01/181, NJ 2003, 312; arbeidsgeschil over de inschaling na functiewijziging van een leerkracht in het kader van zijn dienstbetrekking aan een door een ROC in stand gehouden instelling van bijzonder onderwijs; geding na verwijzing (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 399
RvdW 2006, 654
JWB 2006/216
JAR 2006/172 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C05/058HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 24 maart 2006

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

de Stichting Arcus College/de stichting Stichting ROC Oostelijk Zuid-Limburg(1)

verweerster in cassatie

Feiten(2) en procesverloop

1) Deze zaak is een vervolg op de in HR 14 maart 2003, NJ 2003, 312(3) beoordeelde zaak. Volledigheidshalve beschrijf ik het gehele procesverloop.

2) Het gaat in deze zaak om een geschil over de inschaling van de eiser tot cassatie, [eiser], in het kader van [eiser]' dienstbetrekking als leraar aan een door de verweerster in cassatie, ROC, in stand gehouden instelling van bijzonder onderwijs.

3) Dit geschil is ontstaan tegen de achtergrond van een wijziging van [eiser]' functie. Deze wijziging hield verband met de totstandkoming van ROC, aanvankelijk in de vorm van de fusie, per 1 augustus 1993, van drie onderwijsinstellingen (waarvan er één daarvoor de werkgeefster van [eiser] was). Daarnaast zijn van belang de ongeveer in dezelfde tijd tot stand gebrachte nieuwe regels voor de rechtspositie van personeel van onderwijsinstellingen als de onderhavige.

4) In het jaar voor de fusie was [eiser] naast leraar tevens afdelings- en opleidingscoördinator voor de Scholengemeenschap Herland, één van de bij de fusie betrokken onderwijsinstellingen. Na de fusie is [eiser] gedurende een overgangsjaar, waarbinnen een reorganisatie plaatsvond, eveneens afdelings- en opleidingscoördinator geweest bij de gefuseerde instelling(en) en heeft hij, omdat er van "zijn" onderwijsinstelling geen directielid was overgegaan naar de directie van de gefuseerde instelling, gedurende een jaar deel uitgemaakt van het managementteam-overleg teneinde de ontbrekende informatie over "zijn" onderwijsinstelling aan dat team te verstrekken. Voor deze laatste werkzaamheden zijn hem gedurende dat jaar (het schooljaar 1993 -1994) twee extra periodieken toegekend.

5) Per 1 augustus 1993 zijn aan het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (Rpbo) onder meer artikel I-R1504 en bijlage R11 toegevoegd(4). Ingevolge het tweede lid van artikel I-R1504 kunnen in de formatie van leraren aan scholen als die waarbij [eiser] werkzaam is, de drie normfuncties leraar A, B en C met respectievelijk de daarbij behorende maximumschalen 12, 11 en 10 worden opgenomen. In bijlage R11 zijn functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken van deze normfuncties opgenomen.

6) Vóór de fusie en het toepasselijk worden van het Rpbo op "zijn" onderwijsinstelling, had [eiser] een salaris ingevolge salarisschaal 10. ROC heeft hem met ingang van 1 augustus 1993 de functie van leraar C, met schaal 10 aangeboden. [eiser] heeft daar niet mee ingestemd en heeft verzocht om te worden ingeschaald als leraar A met schaal 12. Dat heeft ROC afgewezen.

7) Op verzoek van [eiser] is vervolgens advies gevraagd aan de Algemene bezwarencommissie functiewaardering. Deze commissie heeft de functie van [eiser] gewaardeerd als passend binnen de normfunctie van leraar B(5). ROC heeft [eiser] op basis van dit advies met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 1993 bevorderd naar de functie van leraar B met schaal 11.

8) [eiser] heeft vervolgens gevorderd dat ROC zou worden veroordeeld hem naar schaal 12 te bevorderen. De kantonrechter heeft die vordering afgewezen(6). De rechtbank heeft op [eiser]' hoger beroep het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd(7). Tegen dit (appel)vonnis is namens [eiser] cassatieberoep ingesteld. In cassatie werd onder meer aan de orde gesteld of, en onder welke omstandigheden, een functiewaarderingsbeslissing van de werkgever voor een volle of een marginale toetsing in aanmerking komt.

De Hoge Raad heefthet vonnis van de rechtbank vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te 's Hertogenbosch(8). Dit hof heeft het vonnis van de eerste aanleg (weer) bekrachtigd.

9) Namens [eiser] is opnieuw - tijdig(9) en regelmatig - cassatieberoep ingesteld. Van de kant van ROC is tot verwerping geconcludeerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

Bespreking van de cassatiemiddelen

10) In het eerste onderdeel vanhet middel wordt geklaagd dat het hof, in strijd met de daarvoor geldende regels en althans in strijd met de instructie uit het eerder door de Hoge Raad gewezen arrest, nieuwe feiten en verweren die pas na de verwijzing zijn aangevoerd in zijn beoordeling heeft betrokken.

11) Van de kant van ROC wordt verdedigd dat er naar huidig recht - aanzienlijk - meer ruimte voor het aanvullen van de feitelijke stellingen na cassatie en verwijzing zou bestaan, dan in - soms wat oudere - rechtspraak (en in de doctrine) placht te worden aangenomen; en dat de grens hier zou worden bepaald door de maatstaven van goede procesorde (de schriftelijke toelichting namens ROC spreekt van "de tardiviteitsgronden") (10).

In die ruime opvatting kan ik (de geëerde raadsman van) ROC niet volgen. Afhankelijk van de aard van de nog te beoordelen vragen(11), van (het stadium van ontwikkeling van) het geding(12), van de (nieuwe) gezichtspunten die het casserende arrest van de Hoge Raad heeft opgeleverd(13), en ook afhankelijk van feitelijke ontwikkelingen sedert de beslissing die in cassatie vernietigd werd(14), bestaat er inderdaad ruimte voor aanvulling van feitelijke stellingen en "rechtsmiddelen" na cassatie en verwijzing; maar voor het overige is die ruimte er niet. Dat blijkt volgens mij (opnieuw) uit HR 15 november 2002, NJ 2003, 33, rov. 3.2.2. Wanneer, zoals daar wordt overwogen, op feitelijke stellingen die niet eerder waren aangevoerd, in de procedure na verwijzing "dan ook" geen acht kan worden geslagen, ligt in de rede om aan te nemen dat dat het geval is omdat zulke stellingen na verwijzing niet mogen worden ingebracht (en niet alleen, omdat dat in het onderhavige geval met de goede procesorde in strijd zou zijn). Het ligt te meer voor de hand om de aangehaalde overweging zo te begrijpen, omdat dat aansluit bij de gevestigde traditie van (oudere) rechtspraak en doctrine(15) - ware daar inmiddels afstand van genomen, dan zou men een geheel andere formulering van deze overweging verwachten.

Ik denk daarom dat de rechtsopvatting waar onderdeel 1 van het middel op berust, als juist moet worden aangemerkt.

12) Er moet dus worden onderzocht of er in dit geval werkelijk sprake is van nieuwe stellingen, voor het eerst na de verwijzing "ingebracht", die het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Volgens het middelonderdeel gaat het dan om de stellingen die ertoe strekken dat [eiser] in het (school)jaar 1994 - 1995 geen (substantiële) coördinerende werkzaamheden van onderwijskundige aard heeft verricht (en dat dat - mede - reden zou moeten zijn om de vordering van [eiser] als ongegrond te beoordelen).

13) Namens ROC is in de schriftelijke toelichting aangevoerd dat stellingen van de zojuist aangegeven strekking wél al voor de verwijzing waren aangevoerd, en worden ook de vindplaatsen vermeld waar dat zou zijn gebeurd (alinea 3.1.10 en alinea 3.3.11 van die toelichting).

De vraag is dan overigens niet, hoe de Hoge Raad de desbetreffende stellingen van ROC uitlegt, maar of het hof die zo heeft kunnen uitleggen dat datgene wat thans in het middel als "nieuw" wordt aangemerkt, al in die eerdere stellingen besloten lag: het gaat hier immers om uitleg die aan de rechters van de feitelijke instanties is voorbehouden, en die dus in cassatie niet rechtstreeks kan worden getoetst(16).

14) Ik denk dat het hof (na verwijzing) de stellingen waarnaar in de schriftelijke toelichting wordt verwezen zo heeft kunnen uitleggen, dat daarin het feit dat [eiser] de coördinerende onderwijskundige werkzaamheden waarover partijen van mening verschillen slechts gedurende één jaar zou hebben verricht, door ROC mede als grond wordt aangevoerd voor de aanvaarding van de van haar kant verdedigde toepassing van het Rpbo. Dat geldt dan met name voor de stellingen uit alinea's 1 en 3 van de Conclusie van Dupliek in de eerste aanleg (de andere in alinea 3.1.10 van de schriftelijke toelichting aangewezen vindplaatsen laten deze uitleg volgens mij niet toe). Deze stellingen konden ook steun vinden in sommige van de gegevens waarnaar in alinea 3.3.11 van de schriftelijke toelichting (namens ROC) wordt verwezen; daardoor kon het hof die stellingen eens te meer uitleggen, zoals dat van de kant van ROC wordt bepleit(17).

15) Wanneer men, met mij, aanneemt dat het hof de stellingen van ROC uit de instanties vóór het eerste cassatieberoep zo kon uitleggen als zojuist werd aangenomen, ligt ook in de rede om aan te nemen dát het hof die stellingen zo heeft uitgelegd. Bij die stand van zaken mist onderdeel 1 van het middel feitelijke grondslag: de stellingen waar dat onderdeel op doelt kunnen niet worden aangemerkt als "nieuwe", pas na verwijzing voor het eerst aangevoerde stellingen. Wat na de verwijzing is aangevoerd kon door het hof worden beoordeeld als nadere toelichting of onderbouwing van stellingen waar al vóór de verwijzing een beroep op was gedaan(18).

Daarom denk ik dat onderdeel 1 niet behoort te slagen.

16) Ik meen er goed aan te doen, nu eerst onderdeel 3 van het middel te bespreken. Dat klaagt er, kort samengevat, over dat het onbegrijpelijk zou zijn dat het hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de vaststelling dat [eiser] na 1993 - 1994 "uitsluitend" nog met lesgevende taken belast is geweest.

17) Ook bij de beoordeling van deze klachten is beslissend of het hof de partijstellingen zo heeft kunnen uitleggen als het, naar uit het eindarrest mag worden afgeleid, die heeft uitgelegd. De uitleg zelf kan in cassatie niet worden getoetst, omdat die aan de "feitenrechter" is voorbehouden(19).

18) De drie bronnen die subonderdeel 3a van het middel aanwijst lijken mij niet van dien aard dat die de aan het hof toegedichte uitleg onbegrijpelijk doen zijn. Twee van die (drie) bronnen zijn niet "echte" partijstellingen maar (aanhalingen) uit in een vroeg stadium van het geding ingebrachte producties, die het hof niet als partijstellingen hoefde op te merken. Bovendien zijn de beide aangehaalde passages niet onverenigbaar met de aangevochten vaststelling: de passage uit het proces-verbaal van 20 december 1994 kan men zo lezen, dat die betrekking heeft op de in het zojuist verstreken schooljaar bestaande taken (en niet op de taken zoals die op dat ogenblik golden); uit het advies van 12 december 1996 (het tweede stuk dat het subonderdeel aanwijst) blijkt wel dat [eiser] destijds het standpunt innam dat hij (nog steeds) coördinerende werkzaamheden van onderwijskundige aard verrichtte, maar ook, dat de Bezwarencommissie die het advies gaf, die opvatting verwierp. Ook dit stuk belette het hof bepaald niet, in de stellingen van partijen geen herhaling van het destijds door [eiser] bij de Bezwarencommissie voorgedragen standpunt "in te lezen".

Dat is ook daarom het geval, omdat de namens [eiser] in de onderhavige procedure betrokken stellingen zeer wel zo kunnen worden begrepen, dat alleen een beroep op in het schooljaar 1993 - 1994 opgedragen coördinerende taken van onderwijskundige aard wordt gedaan (en dat - blijkbaar - aanvaard wordt dat, zoals namens ROC werd aangevoerd of gesuggereerd, dat daarna niet meer het geval was). Ik noem als plaatsen uit de stukken die die uitleg kunnen ondersteunen: dagvaarding, alinea 4; Conclusie van Repliek, alinea's 2, 3 (slot), 6 en 7; pleitnota na verwijzing (repliek) namens [eiser], p. 3, 6e alinea en voetnoot 3.

Ik denk ook dát het hof het betoog van de kant van [eiser] zo heeft begrepen; en ik beoordeel dat ook hier als begrijpelijk. Dat wordt niet anders door de als derde in dit subonderdeel aangehaalde vindplaats (Memorie van Antwoord, alinea 6), reeds hierom, omdat als men het vervolg van de daar aangehaalde passage in de Memorie zelf leest, daaruit blijkt dat ROC hier juist weersprak dat de bedoelde werkzaamheden van [eiser] als "coördinerend" in de zin van Bijlage R11 bij het Rpbo mochten worden aangemerkt.

19) Subonderdeel 3b noemt onbegrijpelijk dat het hof heeft vastgesteld dat [eiser] op basis van een afspraak in het jaar 1993 - 1994 (tijdelijk) coördinerende werkzaamheden van onderwijskundige aard heeft verricht. Ook deze klacht lijkt mij niet aannemelijk. De stukken bevatten de nodige uitlatingen die men zo kan lezen dat er met wederzijds goedvinden is besloten tot een tijdelijke regeling voor de functie van [eiser] in het - door ROC als overgangsperiode aangeduide - schooljaar 1993 - 1994(20); en ik heb voór de verwijzing geen stellingen aangetroffen (namens [eiser] worden daarvoor ook geen vindplaatsen genoemd) waarin wordt aangevoerd dat hier niet van een afspraak (of: dat van een afspraak met een andere inhoud) mocht/moest worden uitgegaan.

Het is juist dat [eiser] bij pleidooi na verwijzing (op de in subonderdeel 3b aangehaalde plaats) heeft ontkend dat het om werkzaamheden van tijdelijke aard zou gaan. Die stelling houdt echter geen weerspreking in van het gegeven dat tussen ROC en [eiser] afspraken omtrent een tijdelijke regeling voor de "overgangssituatie" zouden zijn gemaakt - hij strekt ertoe dat er in feite (afgezien van wat er zou zijn afgesproken) op de "oude voet" zou zijn doorgewerkt. (Terzijde merk ik op dat het hof overigens vrij was om aan deze stelling, als een pas na verwijzing naar voren gebracht nieuw punt, voorbij te gaan).

20) Ik veroorloof mij een verzuchting: men ziet meer dan eens dat partijen, achteraf bezien, in hun uitlatingen niet optimaal duidelijk blijken te zijn geweest, en dat hun stellingen onduidelijkheden of lacunes bevatten, waarin de rechter dan door een zinnige uitleg moet (trachten te) voorzien. Zoals voor de hand ligt, is de in het ongelijk gestelde partij meer dan eens onaangenaam getroffen door de uitleg van zijn stellingen die hij in de in zijn nadeel uitvallende beslissing aantreft. Dan is weliswaar begrijpelijk dat men die uitleg als onrecht ervaart en er "dus" het epitheton "onbegrijpelijk" aan verbindt - maar tegelijk is duidelijk dat die reacties begrijpelijk, maar ook misplaatst zijn.

Ik meen dat het hof in deze zaak geconfronteerd werd met stellingen die om de nodige uitleg vroegen. Zoals ik al aangaf, is de uitleg waarvoor het hof gekozen heeft niet onverdedigbaar (al had men de stellingen van de kant van [eiser] misschien ook minder restrictief kunnen opvatten). Klachten over die uitleg behoren dan niet te kunnen slagen, hoezeer men ook begrip kan opbrengen voor de onvrede die de beschreven ontwikkeling kan opleveren.

21) Zo kom ik ertoe de klachten tegen de vaststellingen waarvan de rov. 4.4 en 4.9 van het bestreden arrest blijk geven, als ongegrond te beoordelen.

In cassatie mag, als die beoordeling juist is, dan worden aangenomen dat [eiser] weliswaar in het schooljaar 1993 - 1994 coördinerende werkzaamheden van onderwijskundige aard deed waardoor zijn functie aan de omschrijving van leraar A uit Bijlage R11 bij het Rpbo beantwoordde; maar dat dat gebeurde op basis van een afgesproken tijdelijke overgangsregeling voor het jaar 1993 - 1994; en dat de werkzaamheden op die basis daarna niet zijn voortgezet. Met dat uitgangspunt voor ogen bespreek ik onderdeel 2 van het middel.

22) Dit onderdeel bestrijdt als eerste, in subonderdeel 2a, een rechtsopvatting met betrekking tot het Rpbo die het onderdeel aan het hof toeschrijft. Ik begrijp de klacht aldus, dat het hof ten onrechte zou hebben geoordeeld dat voor de aanspraak op "inschaling" ingevolge het Rpbo niet (alleen) beslissend zijn de werkzaamheden die men bij de aanvang van de aanstelling in de desbetreffende functie verrichtte. Anders gezegd: het hof zou ten onrechte hebben geoordeeld dat het Rpbo de ruimte laat om een tijdelijke overbruggingsregeling te treffen zoals ik die aan het einde van de vorige alinea omschreef, en daarmee te bewerkstelligen dat geen aanspraak wordt verkregen op "inschaling" aan de hand van de werkzaamheden die gedurende de tijdelijke overbruggingsregeling worden verricht.

23) Die klacht lijkt mij niet juist. Ik kan slechts met het hof instemmen dat de uitleg van het Rpbo waar het hof voor heeft gekozen, zich als redelijk aandient (en, omgekeerd, dat de uitleg in de tegengestelde zin - dus ongeveer zo, dat ook wie uit hoofde van een tijdelijke overgangsregeling met bepaalde werkzaamheden belast wordt, aanspraak krijgt op (permanente) "inschaling" overeenkomstig die werkzaamheden - treft als onredelijk).

Het feit dat het Rpbo voor één geval van tijdelijke inschakeling voor "andere" werkzaamheden expliciete regels geeft(21) die met de door het hof gekozen uitleg overeenstemmen, lijkt mij een bescheiden bijdrage aan ondersteuning van die uitleg te (kunnen) geven. Daaruit blijkt immers dat de opstellers van het Rpbo de tijdelijke waarneming van een bepaalde functie (hier: van iemand anders) nu juist niet hebben gezien als een basis die aanspraken op meer bestendige honorering overeenkomstig die functie rechtvaardigt.

24) Men vraagt zich allicht af waarom die opstellers alleen het in art. I-R1507 omschreven geval expliciet hebben geregeld (en andere gevallen van tijdelijke tewerkstelling dus niet); en of hier misschien aanleiding kan zijn voor toepassing van de a contrario-redenering. Ik denk echter dat die redenering, zoals in de meeste gevallen waarin men die zou kunnen toepassen, hier de verkeerde weg wijst. Het antwoord op de zojuist opgeworpen vraag zal, denk ik, zijn dat aan andere gevallen niet is gedacht óf dat, bij overweging, een regel die voor de veelheid van denkbare andere gevallen een pasklare oplossing biedt, niet kon worden opgesteld (of niet de daarvoor noodzakelijke steun bleek te kunnen verkrijgen)(22). Tegen die achtergrond biedt de regel die wel in het Rpbo is opgenomen, enige steun voor analogische uitleg van die regeling in gevallen die met het geregelde geval veel punten van overeenstemming vertonen. Zo'n geval lijkt mij hier (met inachtneming van het in alinea 21 hiervóór omschreven uitgangspunt) aan de orde.

25) Voorzover subonderdeel 2a er mede toe strekt te betogen dat, ook al zou tewerkstelling op een tijdelijke basis in een overgangsperiode geen aanspraak geven op "permanente" inschaling overeenkomstig de tijdelijk waargenomen functie, het met een juiste uitleg van het Rpbo strookt dat er althans gedurende de periode van tijdelijke waarneming van de functie wèl aanspraak bestaat op honorering op de voet van de bij die functie behorende schaal, denk ik dat die klacht er op afstuit dat de vraag in deze vorm niet aan de rechter ter beoordeling was voorgelegd.

[Eiser] had immers gevorderd dat ROC zou worden bevolen hem in te schalen als leraar A in schaal 12(23). Hij had niet gevorderd dat, wanneer de genoemde vordering niet voor toewijzing vatbaar zou worden bevonden, hij toch tenminste gehonoreerd zou (moeten) worden overeenkomstig schaal 12 voor de periode dat hij een functie had vervuld waar die schaal bij hoort. Kennelijk heeft het hof ook een dergelijke subsidiaire vordering niet als "stilzwijgend" in [eiser]' vordering inbegrepen aangemerkt(24). In dit geval vind ik dat niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk(25).

26) Subonderdeel 2b van het middel gaat uit van de veronderstelling dat het hof zijn hier bestreden oordeel zou hebben gebaseerd op het rechtsinstituut van de "derogerende werking" van redelijkheid en billijkheid. Die veronderstelling lijkt mij niet gewettigd. Zoals ik hiervoor al aangaf, meen ik dat het hof bedoeld heeft een met de redelijkheid sporende uitleg te geven aan de - op het thans te beoordelen punt enigszins lacuneuze, of in elk geval niet volstrekt duidelijke - regeling van het Rpbo (én meen ik dat de door het hof gevonden uitleg ook verdient te worden geaccepteerd).

De vereisten voor toepassing van het instituut van de "derogerende werking", waren bij deze uitleg niet in het geding. Overigens geef ik de steller van het middel na dat die vereisten verder gaan dan met de door het hof gegeven beoordeling spoort (reeds de in het middelonderdeel aangehaalde jurisprudentie toont dat aan); en dat de klacht dus, wanneer die op de juiste lezing van de beslissing van het hof zou berusten, als gegrond zou moeten worden aangemerkt.

27) Subonderdeel 2c berust eveneens op een verkeerde (alternatieve) lezing van de daarin bestreden overweging. Bij de hiervóór voor juist gehouden uitleg van die overweging gaat ook de hier aangevoerde klacht niet op.

Zo kom ik ertoe onderdeel 2 in zijn geheel - en daarmee ook: het cassatieberoep in zijn geheel - als niet-doeltreffend te beoordelen.

28) Ik wil niet onvermeld laten dat ik de uitkomst van dit langslepende geding niet als werkelijk bevredigend ervaar, al was het maar omdat mij toeschijnt dat de bevindingen van het hof in het bestreden arrest (zouden moeten) meebrengen dat er wél aanspraak bestaat op honorering overeenkomstig schaal 12 voor het jaar 1993 -1994. Dan kan het niet echt bekoren dat die aanspraak, na de uitvoerige procesgang die zich tussen partijen heeft voltrokken, niet aan bod is gekomen.

Maar zulke gevoelens van onvrede leveren niets op - in elk geval niet, dat in cassatie een betere uitkomst kan worden bewerkstelligd.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Er is sprake van een opeenvolging van wijzigingen in de (rechts)persoon die de eiser tot cassatie als werkgeefster tegenover zich heeft (gehad), met corresponderende wijzigingen van de naam waarmee die wordt aangeduid. Ik zal de werkgeefster, met voorbijgaan aan de bedoelde, voor deze zaak niet terzake doende wijzigingen, aanduiden als ROC.

2 De feiten blijken uit rov. 3.1 en 3.2 van HR 14 maart 2003, NJ 2003, 312 en rov. 4.1 - 4.4 van het (daarbij vernietigde) vonnis van de Rechtbank Maastricht van 1 februari 2001.

3 Tevens gepubliceerd in JAR 2003, 89.

4 Dit Besluit, en de bedoelde bijlage, zijn opgenomen in Schuurman en Jordens editie deel 60a-I (2002).

5 Dat is niet zonder slag of stoot gegaan. De elkaar opvolgende adviezen van de bezwarencommissie functiewaardering zijn als prod. 1 bij de inleidende dagvaarding overgelegd.

6 Vonnis Kantongerecht Heerlen van 3 februari 1999.

7 Vonnis Rechtbank Maastricht van 1 februari 2001.

8 HR 14 maart 2003, NJ 2003, 312.

9 Het arrest van het hof is van 16 november 2004. De cassatiedagvaarding is van 16 februari 2005.

10 De schriftelijke toelichting namens ROC wijst er tevens, en met recht op, dat in Frankrijk en Duitsland na cassatie dan wel Revision inderdaad aanvulling van feiten aan de hand van een (min of meer) vergelijkbare maatstaf wordt toegelaten, zie: Baumbach c.s., Zivilprozessordnung, 2006, § 563, rndnrs. 5-8; Cadiet - Jeuland, Droit judiciaire privé, 2004, nr. 1305; Guinchard (red.), Droit et pratique de la procédure civile, Dalloz 2002/2003, nr. 6521; Jauernig, Zivilprozeßrecht, 2002, par. 74, VIII 2a; Zöller c.s., Zivilprozessordnung, 2002, § 563, rndnr. 2.

11 Vragen die de rechter ambtshalve mag of moet onderzoeken laten in dit opzicht bijvoorbeeld veel ruimte, HR 3 mei 2002, NJ 2003, 642 m.nt. DA, rov. 4.3; HR 13 november 1998, NJ 1999, 173, rov. 3.2.

12 Bijvoorbeeld: er is nog slechts over aansprakelijkheid gedebatteerd - dan is er veel ruimte voor het alsnog "inbrengen" van argumenten over de te vergoeden schade, HR 2 oktober 1998, NJ 1999, 683 m.nt. JBMV, rov. 3.7; in dezelfde zin HR 1 november 1996, NJ 1997, 134, rov. 3.3; over nog openstaande "bewijsthema's" mag nader materiaal worden "ingebracht", HR 14 december 1962, NJ 1964, 372, "O. aangaande het vierde middel".

13 Een "beroemd" geval dat dit illustreert is HR 27 november 1981, NJ 1982, 503 m.ntn. EAAL en WHH, rov. 15.

14 HR 22 oktober 1999, NJ 1999, 799, rov. 3.2.

15 Bijvoorbeeld HR 19 december 1980, NJ 1982, 65 m.nt. EAAL, "O. omtrent dit middel", sub 1; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Korthals Altes, art. 424, aant. 3; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 200; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 2005, Winters, art. 424, aant. 1 sub d en aant. 5; Asser, Civiele cassatie, 2003, p. 111 -113; Winters, Advocatenblad 2000, p. 692-694; Ten Kate, WPNR 6082, p. 151; Winters, De procedure na cassatie en verwijzing in civiele zaken, diss. 1992, p. 154, 157, 172 e.v.

16 HR 15 november 2002, NJ 2003, 33, rov. 3.2.2; HR 3 mei 2002, NJ 2002, 348, rov. 3.2.

17 Als namens ROC wordt aangevoerd dat er van een tijdelijke, voor een jaar getroffen regeling sprake was ligt enigszins voor de hand dat zo te begrijpen, dat bedoeld wordt dat de regeling daarna niet gecontinueerd is; en ook, ROC hier een argument meent te zien dat afdoet aan de door [eiser] geldend gemaakte aanspraken.

18 Nadere toelichting en onderbouwing na verwijzing is geoorloofd, zie bijvoorbeeld HR 27 april 1990, NJ 1990, 528, rov. 3.2.

19 Een greep uit de bronnen die dit bevestigen: HR 2 december 2005, RvdW 2005, 135, rov. 5.5.2; HR 28 oktober 2005, rechtspraak.nl LJN AU2902, rov. 3.5; HR 3 juni 2005, NJ 2005, 324 m.nt. JBMV, rov. 3.3.1; HR 20 mei 2005, RvdW 2005, 76, rov. 3.3; HR 18 februari 2005, NJ 2005, 283, rov. 3.6, 3.8.3; HR 11 februari 2005, NJ 2006, 44, rov. 4.2.3; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 103, 121, 169.

20 Bijvoorbeeld: Conclusie van Antwoord in eerste aanleg, p. 4 en 5; Conclusie van Repliek, alinea's 6 en 7; Conclusie van Dupliek, alinea 1; Memorie van Antwoord, 2e bladzij, tweede volle alinea, 5e bladzij, tweede volle alinea en par. 6.

21 Namelijk voor het geval van tijdelijke vervanging van een collega die anders dan wegens vakantie verhinderd is, zie art. I-R1507.

22 Al is men geneigd te denken dat art. 14 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (door mij geraadpleegd in Schuurman en Jordens editie 43 II, 2005), dat ogenschijnlijk wel bij de opsteller van het Rpbo bekend was, een bruikbaar aanknopingspunt biedt. Zie ook Reit, ARAR 2004 Verklaard, p. 201.

23 Bij Memorie na Verwijzing is de vordering iets anders geformuleerd dan - laatstelijk - bij dagvaarding in eerste aanleg. Voor het thans te beoordelen probleem is het nuanceverschil in formulering overigens niet van belang.

24 Daartoe kan hebben bijgedragen dat men erover kan aarzelen, welke subsidiaire vordering hier gekozen zou (moeten) worden: verklaring voor recht, bevel tot herberekening van het verschuldigde, "gewone" vordering tot betaling van salaris en/of schadevergoedingsactie lijken mij alle - deels: gelijktijdig of alternatief - denkbaar.

25 Er kunnen zich gevallen voordoen waarin dat anders is (en de beperkte beoordeling van het gevorderde zelfs als rechtens onjuist moet gelden), zie bijvoorbeeld HR 5 januari 1996, NJ 1996, 449 m.nt. HER, rov. 3.5.