Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV6178

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
12-09-2006
Zaaknummer
01441/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV6178
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat aan verdachte een bevel is gegeven ex art. 163 WVW 1994 medewerking te verlenen aan een onderzoek ex art. 8.2.a van deze wet. Blijkens die bewijsmiddelen is immers aan verdachte door de opsporingsambtenaar gevraagd zijn medewerking aan bedoeld onderzoek te verlenen, waarna verdachte vrijwillig is meegegaan naar het politiebureau, waar aan verdachte vervolgens door de opsporingsambtenaar is verzocht 'even te blijven wachten' (waarna verdachte het bureau heeft verlaten). Deze verzoeken scheppen voor verdachte niet de verplichting zijn medewerking aan de voorgenomen ademanalyse te verlenen, omdat blijkens het wettelijk stelsel slechts de bestuurder aan wie het in art. 163.1 WVW 1994 bedoelde bevel is gegeven, verplicht is ademlucht te blazen in het voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Daarom is de bewezenverklaring wat betreft het onderdeel "door die opsporingsambtenaar ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 8 en/of 163 van de Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit alcohol-onderzoeken ondernomen handelingen" onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 402
JWR 2006/97 met annotatie van Van der Pluijm
JOL 2006, 510
NJ 2006, 564
RvdW 2006, 865
VR 2007, 18

Conclusie

Nr. 01441/05

Mr Machielse

Zitting 14 maart 2006

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is op 30 november 2004 door het Gerechtshof te Arnhem wegens het opzettelijk enige handeling door een ambtenaar, bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, beletten en verijdelen, veroordeeld tot een geldboete van tweehonderd euro, subsidiair vier dagen hechtenis.

2. De verdachte heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. G.F.M.G. Heutink, advocaat te Apeldoorn één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het enige middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 02 december 2002 in de gemeente Apeldoorn toen F.J.A. Smit (agent van politie team Apeldoorn Noord-Oost), belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten hem, verdachte, als verdacht van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, op heterdaad ontdekt [AM; had], had gevraagd medewerking te verlenen aan een onderzoek naar het alcoholgehalte van zijn (verdachtes) adem (als bedoeld in artikel 8, tweede lid onder a van de Wegenverkeerswet 1994) en hem, verdachte, daartoe naar een plaats van onderzoek, te weten het politiebureau te Apeldoorn aan de Vosselmanstraat had geleid, deze door die opsporingsambtenaar ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 8 en/of 163 van de Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit alcoholonderzoeken ondernomen handelingen opzettelijk heeft belet en verijdeld, door (nadat voornoemde Smit hem, verdachte, in voornoemd politiebureau had verzocht voor de (afgesloten) deur van de kamer waarin het ademanalyse-apparaat stond te wachten, opdat zij, Smit, de sleutel van die kamer kon gaan halen bij de wachtcommandant) het politiebureau te verlaten".

5. De bewijsmiddelen houden onder meer in:

- een proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 2 december 2002 omstreeks 19.20 uur zag ik, verbalisant Smit voor mij, op de mr. Van Rhemenslaan te Apeldoorn een grijze Ford Fiësta rijden met het kenteken [AA-00-BB]. Bij de kruising met de Regentesselaan zag ik, verbalisant Smit, dat de bestuurder van de grijze Ford Fiësta het rode verkeerslicht negeerde. Ik, verbalisant Smit, gaf de bestuurder een stopteken. De bestuurder van de Ford Fiësta stapte uit. Hij gaf mij zijn rijbewijs. Tijdens het inzien van zijn rijbewijs zag ik dat er een politielegitimatiebewijs in zijn portemonnee zat. De bestuurder hield zijn portemonnee dusdanig dat ik dit legitimatiebewijs wel moest zien. Ik zag de naam [verdachte] op de legitimatie staan. Ik zag dat het rijbewijs ook op naam van [verdachte] stond. Om 19.30 uur nam ik de bestuurder een blaastest af. Ik zag dat de Honac 4 alco sensor een A-indicatie gaf. Ik, verbalisant Smit, vertelde de bestuurder dat dit teveel was en dat hij mee moest naar het bureau voor een ademanalyse. Hierop hoorde ik, verbalisant, [verdachte] vragen of dit echt nodig was en of ik hem niet kon laten gaan. Verder vertelde bestuurder [verdachte] mij dat hij wist hoe de ademanalyse werkte. Ik, verbalisant, verzocht bestuurder [verdachte] nogmaals of hij mee wilde gaan. Ik, verbalisant, vroeg bestuurder [verdachte] of hij vrijwillig mee ging naar het bureau of dat ik hem aan moest houden. Bestuurder [verdachte] gaf aan vrijwillig mee te gaan en stapte bij mij, verbalisant, in het dienstvoertuig. Op weg naar het politiebureau Vosselmanstraat te Apeldoorn vertelde [verdachte] mij, verbalisant, ongevraagd dat hij de nodige collega's kende op de Vosselmanstraat. Hierop heb ik, verbalisant, gereageerd met de woorden dat ik de dienstauto zou parkeren voor de ingang van team de Binnenstad en niet voor de ingang van de wachtcommandant.

Vervolgens heb ik, verbalisant, de auto geparkeerd waarna [verdachte] de deur met zijn pas opendeed. [verdachte] liep voor mij uit naar de kamer waar het ademanalyse apparaat staat. Toen wij daarvoor stonden verzocht ik, verbalisant, [verdachte] te wachten zodat ik de sleutel van deze kamer bij de wachtcommandant kon halen. Toen ik, verbalisant, terug kwam bij de ademanalysekamer was [verdachte] niet bij deze kamer.

Ik, verbalisant Smit, ben vervolgens naar de wachtcommandant gelopen.

Ik, verbalisant Den Haan, was op dat moment wachtcommandant. Nadat verbalisant Smit mij had verteld dat zij voornoemde collega had binnengebracht naar aanleiding van het besturen onder invloed van alcoholhoudende drank trof ik brigadier A. Wilzing. Wilzing vertelde mij dat zij [verdachte] rennend het terrein van het politiebureau Vosselmanstraat had zien verlaten."

- de ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2004 afgelegde verklaring van de verdachte luidend:

"Ik zou op 2 december 2003 bij vrienden voor Sinterklaas spelen. Ik had wijntjes gedronken. Ik stapte in de auto en ik ging op weg naar het adres waar ik voor Sinterklaas zou gaan spelen. Ik reed door rood en ik werd aangehouden. Ik moest blazen en de test gaf een A-indicatie aan. Vervolgens ben ik vrijwillig mee gegaan naar het bureau. Op het bureau moest ik wachten en de politieagente ging naar de wachtcommandant. Ik dacht: "Ik moet hier weg." Ik ben niet blijven wachten, ik ben weggegaan."

6. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:

"Bewijsoverweging

Daarbij heeft het hof het volgende overwogen.

De verbalisant Smit heeft naar aanleiding van de uitkomst van het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht aan verdachte gevraagd medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2 onder a van de Wegenverkeerswet 1994 - kortweg: de ademanalyse -en daarvoor mee te gaan naar het politiebureau (Vosselmanstraat) te Apeldoorn.

Daarmee gaf verbalisant uitvoering aan de haar bij artikel 141 Sv. opgedragen taak tot opsporing van strafbare feiten volgens de procedure die is vastgelegd in het samenstel van voorschriften dat geacht wordt te behoren tot het stelsel van strikte waarborgen, waarmee de wetgever het onderzoek ter bepaling van het alcoholgehalte in de door verdachte uitgeademde lucht heeft omgeven.

Blijkens zijn verklaring aan verbalisant was verdachte - zelf politieman - met die procedure bekend. Verdachte heeft op het verzoek van verbalisant geantwoord vrijwillig mee te gaan om zich aan de ademanalyse te onderwerpen en heeft daartoe eigener beweging plaatsgenomen op de bijrijdersstoel van de politieauto.

Na aankomst op het politiebureau liep verdachte in gezelschap van verbalisant vrijwillig naar de afgesloten ruimte, waarin - naar verdachte bekend was - het ademanalyseapparaat stond opgesteld. Verbalisant heeft aan verdachte gevraagd even op haar te wachten, terwijl zij bij de wachtcommandant de sleutel van de ruimte ging ophalen met de bedoeling na haar terugkomst verdachte te onderwerpen aan de ademanalyse. Die bedoeling was verdachte volkomen duidelijk en verdachte heeft daadwerkelijk enige tijd ter plaatse gewacht als uitdrukking van de medewerking die hij aan het onderzoek verleende.

Door zich vervolgens eigenmachtig en onaangekondigd voor de terugkomst van verbalisant Smit uit de voeten te maken heeft verdachte zich aan de voortgang van het onderzoek onttrokken en heeft hij de verbalisant belet haar reeds ondernomen ambtshandelingen voort te zetten en heeft hij verijdeld dat zij datgene verrichtte, wat uit een oogpunt van opsporing volgens genoemd samenstel van voorschriften geboden was."

7. Volgens de steller van het middel volgt niet uit de bewijsmiddelen dat de verbalisant al een handeling had ondernomen ter uitvoering van het bepaalde in art. 8 en/of 163 WVW 1994 en in het Besluit alcoholonderzoeken. Een bevel tot medewerking aan de ademanalyse was nog niet gegeven. Het enkele verzoek aan de verdachte om bij de kamer van het ademanalyse-apparaat te wachten - waartoe hij niet verplicht was - totdat de afgesloten deur met de te halen sleutel zou worden geopend, kan niet als zo'n handeling worden aangemerkt.

8.1. Art. 184 lid 1 Sr luidt:

Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

8.2. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 184 Sr blijkt dat de wetgever een algemeen voorschrift in het leven heeft geroepen "tot sanctie van menigerlei bijzondere wettelijke regelen". Met name had hij de feitelijke verhindering of belemmering op het oog die zich op andere wijze uit dan door geweld of bedreiging met geweld (en de weigering van het geven van inlichtingen). In het Oorspronkelijk Regerings Ontwerp werd het onderscheid tussen de ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast en de ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen (of onderzoeken(1)) van strafbare feiten nog in separate artikelen tot uitdrukking gebracht (art. 199 resp. art. 206 ORO). Naast het verzet of de belemmering bij de uitoefening van dat toezicht, had de wetgever dus het verzet of de belemmering bij het opsporen van misdrijven of overtredingen op het oog, in ieder geval: "verzet of belemmering van ambtenaren aan wie door het wetboek van strafvordering (titels I en II) het opsporen of instruëren van strafbare feiten is toevertrouwd, of weigering van het onderzoek waartoe dat wetboek de bevoegdheid geeft (...)."(2) Onder opsporing is thans, in het algemeen, te verstaan alle, buiten het door rechters verrichte, onderzoek dat geschiedt ter opheldering van een vermoedelijk gepleegd strafbaar feit en ter voorbereiding van een terzake daarvan eventueel op te leggen strafrechtelijke sanctie.(3)

8.3. Naast het niet voldoen aan een bevel of vordering, is in art. 184 lid 1 Sr het (opzettelijk) belemmeren, beletten of verijdelen van door een ambtenaar ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift ondernomen handelingen strafbaar gesteld. Onder "beletten" wordt verstaan het voorkomen van de voltooiing van de handeling, onder "belemmeren" het bemoeilijken ervan. Van "verijdelen" is sprake als de reeds voltooide handeling krachteloos wordt gemaakt of mislukt doordat daaraan het beoogde gevolg wordt ontnomen.(4)

Om van een "ondernomen" handeling in de zin van art. 184 lid 1 Sr te kunnen spreken dient er een begin van uitvoering aan de handeling te zijn gegeven. Zo is het beletten, belemmeren of verijdelen van een opsporingshandeling uit de aard der zaak pas strafbaar bij een verdenking van een strafbaar feit; een handeling die vooruitloopt op de mogelijkheid dat zo'n verdenking zal ontstaan is geen opsporingshandeling in de zin van gemelde strafbepaling.(5)

8.4. In een aantal arresten heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat onder de zoëven genoemde handelingen opsporingshandelingen vallen in de ruime zin van het woord. Strafbaar zijn:

- de inzittenden van een auto die een verbalisant belemmeren naar de personalia te vragen van een onbekende die op zijn verzoek uit de auto was gestapt en die hij wilde verhoren op de gerezen verdenking dat een der inzittenden als souteneur uit de ontucht van een vrouw voordeel trok;(6)

- de inzittende van een zojuist ondanks een stopteken doorgereden motor met zijspan, die met de hand de nummerplaat afdekt en daarmee belet dat een gemeenteveldwachter, die aanstalten maakte om het nummer in zijn zakboekje te noteren, dat kon lezen(7).

In de hierboven genoemde uitspraken is al sprake van een begin van uitvoering doordat de ambtenaar aanstalten heeft gemaakt om een verhoor af te nemen of een strafbaar feit te verbaliseren.

Voorbeelden van belemmering etc. van handelingen waarvan wij tegenwoordig wellicht zouden zeggen dat deze waren ondernomen ter controle zijn:

- de keurmeester die voorzien van een lepel, een trechter en een fles een erf oploopt om een monster te nemen uit een bus met melk (welke handeling wordt belet althans belemmert doordat de verdachte het deksel van de bus neemt en de melk over het erf stort);(8)

- de ambtenaar die zijn hand uitstrekt naar een glaasje om de inhoud ervan te onderzoeken en het in beslag te nemen (welke handeling wordt belet doordat de verdachte het glaasje wegneemt)(9).

8.5. De vraag is hier of het feit, dat artikel 163 WVW 1994 een procedure in het leven roept om tot een ademanalyse van verdachtes adem te geraken, complicerend werkt. Die procedure houdt onder meer in dat de opsporingsambtenaar de verdachte bestuurder kan bevelen zijn medewerking aan een ademanalyse te verlenen en dat de verdachte bestuurder verplicht is gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Voor een goed begrip van de problematiek lijkt het mij zinvol eerst de rechtspraak aan de orde te stellen die betrekking heeft op het toepassingsbereik van het eerste deel van artikel 184 lid 1 Sr, waarin straf is bedreigd tegen degene die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of vordering.

In 1927 oordeelde de Hoge Raad dat artikel 52 Sv, dat de opsporingsambtenaar de bevoegdheid geeft verdachte naar zijn naam te vragen en hem daartoe staande te houden, niet een wettelijke antwoordplicht inhoudt waarvan de niet-naleving onder artikel 184 lid 1 Sr wordt begrepen.(10) De geest van het nieuwe Wetboek van strafvordering zou zich hiertegen verzetten. Artikel 52 Sv spreekt van vragen en niet van bevelen. De Hoge Raad wijst er reeds dan op dat enkel het noemen door verdachte van zijn naam voor hem bezwaarlijk kan zijn en geeft er aldus blijk van wat wij thans de verklaringsvrijheid zouden noemen van groot gewicht te achten.(11)

In 1928 sprak de Hoge Raad zich nog in algemenere zin uit. Een Rijksveldwachter verdacht twee personen ervan dat zij gevangen mollen vervoerden zonder de vereiste machtiging. Hij naderde hen en toen zij wegliepen beval hij hen stil te blijven staan om dat vervoer te kunnen onderzoeken. Beide personen hebben niet aan dat bevel voldaan maar zijn snel weggevlucht. Ze werden vervolgd voor het misdrijf van artikel 184 Sr. Het gerechtshof oordeelde dat dit feit niet strafbaar was en de AG bij het hof ging in cassatie. De Hoge Raad leerde dat de stelling, dat de enkele bevoegdheid tot de een of andere maatregel van opsporing of onderzoek noodzakelijk insluit het recht tot het doen van een vordering om tot die maatregel in de gelegenheid te worden gesteld, in de wet geen steun vindt. Hij verwees in dit verband weer naar de geest van het nieuwe Wetboek van strafvordering en naar enige bepalingen die op het tegenovergestelde wijzen.(12)

Artikel 7 der Rijwielbelastingwet 1924 verleende aan opsporingsambtenaren de bevoegdheid een rijwiel te onderzoeken en daartoe de berijder te doen stilhouden en hem desnoods met geweld tot stilhouden te dwingen. Ook waren opsporingsambtenaren bevoegd bij ontdekking van overtreding van die wet het rijwiel in beslag te nemen en op te brengen naar een ontvangstkantoor der accijnzen. Toen een fietser het bevel om halt te houden van een opsporingsambtenaar, die het rijwiel in beslag wilden nemen, negeerde en er snel vandoor ging werd hij vervolgd voor het misdrijf van artikel 184 Sr. Het hof bevestigde in hoger beroep het vonnis van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde niet strafbaar oordeelde. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de AG omdat de wet een opsporingsambtenaar niet de bevoegdheid gaf enkel ter inbeslagneming van het rijwiel een fietser te doen stilhouden. Een bevel om halt te houden, om aldus in staat te worden gesteld de bevoegdheid tot inbeslagneming uit te kunnen oefenen, had dus geen wettelijke grondslag en was dus geen vordering als in art. 184 Sr bedoeld.(13)

Ambtenaren, belast met controle op de naleving van de Warenwet, vorderden in 1929 toegang tot de stal van een veehouder om te zien of door deze veehouder de bepalingen van het Melkbesluit werden nageleefd. De veehouder voldeed opzettelijk niet aan die vordering en werd vervolgd voor art. 184 Sr. Hij werd veroordeeld tot een geldboete. De Hoge Raad casseerde. De ambtenaren, bevoegd tot controle op de naleving van bepalingen bij of krachtens de Warenwet gegeven, mogen bepaalde plaatsen ook tegen de wil van de bewoner of gebruiker binnentreden. Artikel 184 Sr verplicht de bewoner of gebruiker er wel toe zich te onthouden van het opzettelijk belemmeren of verijdelen van de door die ambtenaren ondernomen handelingen, maar legt geen verplichting op om aan die ambtenaren medewerking tot binnentreden te verlenen. Die ambtenaren behoeven deze medewerking ook niet omdat zij volgens de wet zichzelf kunnen helpen.(14)

De rechtspraak die artikel 184 Sr toepaste op beletten, belemmeren of verijdelen heeft telkens betrekking op een situatie waarin de opsporingsambtenaar iets wil van iemand bij wie hij een controle wil uitvoeren, of, in het kader van een opsporingsonderzoek, van een ander dan verdachte zelf.

Verdachte moet dus dulden dat hij wordt staande gehouden of aangehouden, maar hij mag proberen uit handen van de opsporingsambtenaar te blijven. Hij moet dulden dat opsporingsambtenaren zich de toegang verschaffen tot bepaalde ruimten maar behoeft geen medewerking te verlenen. Plichten tot medewerking hebben een wettelijke basis nodig.

Opsporingsambtenaren die verdachte willen aanhouden en hem daartoe bevelen te blijven staan worden niet door artikel 184 Sr beschermd. De verdachte die er vandoor gaat maakt zich niet schuldig aan dat misdrijf. Het zou dan ongerijmd zijn om de verdachte wel schuldig aan artikel 184 Sr te oordelen omdat hij onder die omstandigheden enige handeling, door die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt door het hazenpad te kiezen. Op die manier zou de rechtspraak van de Hoge Raad over het eerste onderdeel van artikel 184 Sr (niet voldoen aan bevel of vordering) worden ondermijnd doordat de verdachte weliswaar niet aan het bevel gehoor hoefde te geven, maar door er vandoor te gaan na zo een bevel zich toch schuldig zou maken aan dat misdrijf, maar dan omdat hij een ondernomen handeling, strekkende tot staandehouding of aanhouding, zou verijdelen.

8.6. Tijdens de totstandkoming van de Wegenverkeerswet is de verhouding tussen artikel 33a WVW en artikel 184 Sr even aan de orde geweest. Het eerste lid van artikel 33a WVW hield in dat bij verdenking van het misdrijf van artikel 26 WVW de opsporingsambtenaar aan de verdachte kan vragen of hij zijn toestemming geeft voor een onderzoek in de zin van artikel 26, lid 2 WVW, de bloedproef. Het tweede lid bepaalde dat de verdachte kon worden bevolen zijn medewerking te verlenen als hij geen toestemming gaf zoals bedoeld in het eerste lid, en het derde lid bepaalde dat verdachte aan wie het bevel was gegeven verplicht was daaraan gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen.

In de memorie van toelichting merkte de minister op dat het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel al op grond van artikel 184 Sr strafbaar is. Een afzonderlijke bepaling in de WVW was echter noodzakelijk niet alleen omdat de strafmaxima van het voorgestelde artikel hoger zijn maar vooral om de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid te kunnen opleggen.(15) De memorie van antwoord benadrukte dat de wet de methoden aangeeft om bewijs te verzamelen en dat aantasting van de lichamelijke integriteit hetzij op toestemming hetzij op een wettelijke basis moet berusten.(16) De memorie van antwoord gaf toe dat het eerste lid van artikel 33a WVW strikt genomen niet onontbeerlijk was maar dat het de uitdrukking vormde van het beginsel dat eerst geprobeerd moet worden vrijwillige medewerking aan een bloedproef te verkrijgen.(17)

Eerst het bevel verplichtte.

Bij Wet van 1 juli 1987 (Stb. 315, in werking getreden 1 oktober 1987) is de ademanalyse in artikel 33a WVW ingevoerd. De memorie van toelichting op het wetsvoorstel schrijft dat de verplichting tot medewerking aan het ademonderzoek in het leven wordt geroepen door een bevel van opsporingsambtenaar. De procedure dat eerst een verzoek moet worden gedaan om medewerking en dat, ingeval van weigering, het bevel volgt leek de minister overbodig. Maar dat staat er niet aan in de weg dat verdachte zich ook vrijwillig aan één ademonderzoek moet kunnen onderwerpen.(18)

8.7. Voor art. 163 WVW 1994 geldt mijns inziens een soortgelijke uitleg. Alleen de verdachte bestuurder aan wie een bevel is gegeven om zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyse is daartoe verplicht en is voorts verplicht gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Een verdachte aan wie zo een bevel niet is gegeven is niet verplicht om mee te werken. Ook hier geldt dan dat de systematiek van art. 163 WVW 1994 zal worden doorkruist als verplichtingen zouden kunnen ontstaan voor een verdachte bestuurder, zonder dat een bevel aan hem is gegeven, maar op het moment dat de ambtenaar handelingen onderneemt die uiteindelijk tot een ademanalyse moeten leiden. Dan zou immers via de band van art. 184 Sr een verplichting op verdachte komen te rusten tot medewerking buiten de procedure om die de wetgever speciaal daarvoor heeft gecreëerd.

8.8. In zijn bewijsoverweging neemt het hof niet als vaststaand aan dat verbalisant aan verdachte heeft bevolen zijn medewerking te verlenen. Verdachte heeft volgens het hof op het verzoek van verbalisanten geantwoord vrijwillig mee te gaan om zich aan de ademanalyse te onderwerpen. Kennelijk was er volgens het hof nog geen sprake van een bevel in de zin van artikel 163 lid 1 WVW 1994. Naar mijn mening mag dan niet art. 184 Sr te hulp worden geroepen om verdachte te bestraffen voor het feit dat hij ervandoor is gegaan voordat hem op grond van het stelsel van de WVW 1994 de verplichting was opgelegd om medewerking te verlenen.

9. Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom. Als verbalisante een verplichting tot medewerking van verdachte in het leven had willen roepen had zij verdachte het bevel moeten geven aan de ademanalyse mede te werken en alle in dat verband gegeven aanwijzingen op te volgen. Gelet op het stelsel van verplichtingen in artikel 163 WVW 1994 zou toepassing van artikel 184 Sr neerkomen op het scheppen van extra verplichtingen voor een verdachte bestuurder. Mijns inziens zou aldus het stelsel dat aan de wetgever voor ogen heeft gestaan op ongeoorloofde wijze worden doorkruist. Als artikel 184 Sr van toepassing zou zijn op de verdachte bestuurder aan wie het bevel van artikel 163 lid 1 WVW 1994 niet is gegeven valt niet in te zien waarom ook niet de verdachte die zich aan aanhouding probeert te onttrekken door de weg te rennen zich aan het misdrijf van artikel 184 Sr zou schuldig maken.

Het middel, dat klaagt over toepassing van artikel 184 Sr lijkt mij gegrond, zij het dat ik langs een andere weg tot deze conclusie komt.

10. Deze conclusie strekt ertoe dat het bestreden arrest wordt vernietigd en dat de Hoge Raad de zaak zal terugwijzen naar het hof te Arnhem om deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met de term "onderzoeken" werd gedoeld op de werkzaamheden van de Rechter-Commissaris.

2 Smidt II 1881, p. 173-178.

3 Corstens 2005, p. 249.

4 HR 2 december 1901, W 7694.

5 HR 18 februari 1927, W 11750 en HR 15 november 1926, NJ 1926, p. 1363.

6 HR 2 maart 1931, NJ 1931, p. 1011; het gaat overigens om het ingevolge de Wet van 28 oktober 1999, Stb. 1999, 464 geschrapte art. 432 aanhef en onder 2º (oud) Sr.

7 HR 15 november 1926, NJ 1926, p. 1363.

8 HR 13 november 1933, NJ 1934, p. 170.

9 HR 18 maart 1907, W 8511.

10 HR 27 juni 1927, NJ 1927, p. 926. Herhaald in HR 25 juni 1934, NJ 1934, p. 1038. Zie onder meer over dit arrest mr. Ernst Polak, Nieuwe jurisprudentie op art. 184 Sr, in TvS XXXVII, p. 414 e.v.

11 Zie ook HR 26 november 1957, NJ 1958, 356. Corstens leidt uit dit arrest af dat de opsporingsambtenaar onder omstandigheden zoals in de Wet genoemd wel bevoegd is om over te gaan tot aanhouding, maar niet de bevoegdheid heeft een bevel om zich aan aanhouding te onderwerpen te geven. Wie wegloopt is niet strafbaar uit hoofde van artikel 184 Sr; Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 5e druk, p.361.

12 HR 16 januari 1928, NJ 1928, p. 233.

13 HR 16 juni 1930, NJ 1930, p. 1331.

14 HR 22 juni 1931, NJ 1932, p. 88.

15 Kamerstukken II 1968/69, 10038, nr. 3, p. 10, rk.

16 Kamerstukken II 1970/71, 10038, nr. 6, p. 5, rk.

17 Kamerstukken II 1970/71, 10038, nr. 6, p. 12 rk.

18 Kamerstukken II 1985/86 19285, nr. 3, p. 11.