Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV6084

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
R05/157HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV6084
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, beëindiging van definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling, schending van de informatieplicht schuldenaar, het laten ontstaan van nieuwe schulden (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 212
RvdW 2006, 372
JWB 2006/117

Conclusie

Rek.nr R05/157HR

mr. J. Spier

Parket 13 januari 2006 (schuldsanering)

Conclusie

inzake

[Eiser 1] en

[Eiseres 2]

(hierna: [eiser] c.s.)

1. Feiten en procesverloop

1.1 Uit de stukken blijkt het volgende omtrent de feiten en het procesverloop.

1.2 Bij vonnis van 20 mei 2003 heeft de Rechtbank Breda ten aanzien van [eiser] c.s. de definitieve schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.3 [Eiser] c.s. zijn onder huwelijkse voorwaarden getrouwd; zij voeren een gezamenlijke huishouding tezamen met hun drie kinderen, waarvan er thans nog twee minderjarig zijn (Verslag bewindvoerder d.d. 10 juni 2005).

1.4.1 De bewindvoerder heeft op 13 juni 2005 een schriftelijk verslag (gedateerd 10 juni 2005) aan de rechter-commissaris uitgebracht. Daarin wordt verzocht om beëindiging van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 350 lid 3 sub c, d en e Fw (onder 1.2 genoemde vonnis, eerste pagina).

1.4.2 De bewindvoerder heeft aan zijn verzoek onder meer ten grondslag gelegd dat [eiser] c.s., ondanks herhaald verzoek, geen inlichtingen hebben verstrekt en nieuwe schulden hebben laten ontstaan (onder 1.2 genoemde vonnis, eerste pagina).

1.5 De rechter-commissaris heeft zich bij het oordeel van de bewindvoerder aangesloten (onder 1.2 genoemde vonnis, eerste pagina); de beide zaken zijn in de feitelijke instanties gevoegd behandeld.

1.6.1 Bij vonnis van 15 augustus 2005 heeft de Rechtbank Breda de schuldsanering ten aanzien van [eiser] c.s. beëindigd, omdat zij hun daaruit voortvloeiende verplichtingen niet behoorlijk zijn nagekomen.

1.6.2 In het vonnis wordt overwogen dat, volgens [eiseres 2], [eiser 1] vanwege detentie niet ter zitting is verschenen. [Eiser] c.s. hebben de bewindvoerder van deze detentie niet op de hoogte gesteld. Ook hebben zij gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling verzuimd de bewindvoerder in te lichten over onder meer het feit dat zij betaalde arbeid verrichtten, dat [eiseres 2] in februari 2005 is ontslagen, dat [eiser 1] in september 2004 ontslag heeft genomen en dat hij geen uitkering heeft aangevraagd. Evenmin is voldaan aan de verplichting de bewindvoerder te informeren over inspanningen betaalde arbeid te verwerven. Ook hebben zij niet doorgegeven dat de motor van de zoon op naam van [eiser 1] staat.

1.6.3 Blijkens het p.v. van de mondelinge behandeling heeft [eiseres 2] verklaard dat sprake is van een achterstand op de boedelrekening van € 330. Een auto zou "buiten liquidatie [worden] gehouden".(1) Vervolgens is deze "geruild met een neef". De bewindvoerder is daarover niet ingelicht. [Eiseres 2] heeft niet gereageerd op "de brief van de bewindvoerder". Ze is ontslagen en krijgt geen uitkering omdat zij met het ontslag heeft ingestemd. Ook daarover is de bewindvoerder niet ingelicht. Sprake is van een motor (waaromtrent de bewindvoerder niet is ingelicht) "van onze oudste zoon"; omdat deze er nog niet op mag rijden is "de motor op naam van mijn man gezet".

1.6.4 Naar het oordeel van de Rechtbank zijn [eiser] c.s. toerekenbaar tekortgeschoten in hun informatieplicht.

1.7 [Eiser] c.s. hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. In het beroepschrift hebben zij - kort samengevat - aangevoerd dat zij aan alle verplichtingen op grond van de WSNP hebben voldaan. Daarom zou beëindiging van de saneringsregeling in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Daartoe hebben zij de volgende argumenten aangevoerd:

a. er zijn geen nieuwe schulden ontstaan. De kosten die rezen, zijn door henzelf met hulp van de werkgever van [eiser 1] voldaan;

b. zij hebben nooit bericht van de bewindvoerder ontvangen "dat bepaalde zaken niet orde waren of dat zij niet aan hun verplichtingen voldeden." Zij zijn onvoldoende geïnformeerd over de reikwijdte van de inlichtingenplicht en de gevolgen van het niet melden van bepaalde wijzigingen. Zij verkeerden in de veronderstelling dat zij slechts wijzigingen dienden te melden, die een wijziging in de boedelbijdrage tot stand bracht;

c. de vermeende schending is bovendien niet zo ernstig dat deze een "beëindiging van het WSNP-traject" rechtvaardigt.

1.8.1 Blijkens het in cassatie bestreden arrest is ter zitting van het Hof het volgende aangevoerd door [eiser] c.s.:

a. de bewindvoerder is niet op de hoogte gebracht van het ontslag van [eiseres 2], omdat er naar hun mening sprake is van een onrechtmatig ontslag. Zij voeren aan dat er op dit moment nog een procedure loopt aangaande dit ontslag, waarbij het loon wordt gevorderd vanaf de datum van het ontslag;

b. de bewindvoerder moet volgens [eiseres 2] op de hoogte zijn van door haar gedane sollicitaties omdat zij de bewindvoerder door middel van een brief heeft geïnformeerd. [Eiseres 2] is, gelet op de lopende procedure aangaande haar ontslag, op aanraden van haar advocaat gestopt met solliciteren, omdat hieruit afgeleid kan worden dat zij akkoord is gegaan met haar ontslag;

c. zij hebben, weliswaar niet steeds op het afgesproken tijdstip, altijd de boedelbijdrage voldaan. Vaststaat dat er op dit moment "niet of nauwelijks sprake is van een achterstand in de boedel;"

d. de postblokkade is nog altijd van kracht, zodat de bewindvoerder steeds op de hoogte moet zijn geweest van alle ontwikkelingen.

1.8.2 De bewindvoerder heeft aangevoerd dat tijdens de toelatingszitting en het huisbezoek de inlichtingenplicht is besproken en dat zij [eiser] c.s. meermalen heeft aangeschreven informatie te verschaffen. In deze brieven werd tevens vermeld dat bij het nalaten van het verstrekken van deze informatie de schuldsaneringsregeling beëindigd kon worden. Voorts voert de bewindvoerder aan nooit de gevraagde specificaties te hebben ontvangen.

1.9.1 Het Hof heeft bij arrest van 21 november 2005 het volgende overwogen:

"4.4.1 Uit de stukken en hetgeen [eiser 1] en [eiseres 2] ter zitting naar voren hebben gebracht is het hof gebleken dat de appellanten de bewindvoerder vrijwel nooit uit eigen beweging hebben geïnformeerd. [Eiser 1] en [eiseres 2] hebben onder meer nagelaten de bewindvoerder te informeren over de zeer essentiële feiten dat zij betaalde arbeid verrichtten, dat [eiseres 2] in februari 2004(2) ontslagen is en dat [eiser 1] in september 2004 ontslag heeft genomen en dat [eiser 1] 40 dagen hechtenis moest ondergaan. Eveneens hebben zij verzuimd de bewindvoerder te informeren over hun inspanningen betaalde arbeid te verwerven. Het hof overweegt voorts dat [eiser 1] en [eiseres 2] meermalen zijn gewezen op de inhoud en reikwijdte van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat [eiser 1] en [eiseres 2] de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zijn nagekomen en dat deze tekortkoming hen kan worden toegerekend. Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat de rechtbank de beslissing tot beëindiging van de schuldsanering op goede gronden heeft genomen."

1.9.2 Het Hof heeft daarop het vonnis van de Rechtbank Breda van 15 augustus 2005 bekrachtigd.

1.10.1 [Eiser] c.s. hebben bij fax tijdig cassatieberoep doen bezorgen door mr Kleyn. Deze fax is klaarblijkelijk(3) op 29 november 2005 om 18.46 binnengekomen; daarop is door de griffie het stempel "ingekomen 29 nov 2005" geplaatst. Het originele rekest is klaarblijkelijk op 6 december 2005 binnengekomen. Daarop is door de griffie andermaal het stempel "ingekomen 29 nov 2005" geplaatst. Dat laatste kan evenwel niet juist zijn.(4)

1.10.2 Bij fax van 23 december 2005 heeft mr. Kleyn meegedeeld het proces-verbaal van de zitting van het Hof te hebben opgevraagd en dit na ontvangst aan de Hoge Raad te zullen doen toekomen. Dit proces-verbaal was op 12 januari 2006 nog niet ontvangen. Dat kan om twee zelfstandige redenen m.i. blijven rusten:

a. in het cassatieschriftuur wordt op dit punt geen voorbehoud gemaakt;

b. het bestreden arrest vermeldt uitvoerig hetgeen ter zitting is verhandeld; zie onder 1.8.

2. Bespreking van de klachten

2.1 Het middel keert zich vooral met motiveringsklachten tegen 's Hofs arrest. Mogelijk - het is niet goed duidelijk - wordt onder 3 en 13 ook nog een rechtsklacht geformuleerd.

2.2 Naar de kern genomen, blijft het middel steken in de stelling dat [eiser] c.s. zich absoluut niet met "de overwegingen van het Hof" kunnen verenigen (onder 3). Zo'n klacht voldoet evenwel in genen dele aan de daaraan te stellen eisen.

2.3 De klachten berusten op een miskenning van het cassatiestelsel en met name van art. 79 RO. Zij zijn niet gericht tegen de motivering van 's Hofs oordeel, maar tegen het oordeel van het Hof als zodanig.

2.4 Onder 5-12 worden de stellingen die partijen ook in de feitelijke instanties zouden hebben betrokken vermeld.(5) De klacht komt er in feite op neer dat het Hof een andere - voor [eiser] c.s. gunstiger - afweging had moeten maken.

2.5 Het middel faalt reeds omdat het niet aangeeft dat en waarom 's Hofs oordeel onjuist of ontoereikend gemotiveerd zou zijn. Immers wordt, als gezegd, niet ingegaan op hetgeen het Hof heeft overwogen.

2.6 De klachten miskennen bovendien dat de wijze waarop de appèlrechter de stellingen van partijen uitlegt en de feitelijke gevolgtrekkingen die hij daaruit maakt, aan hem zijn voorbehouden; een en ander is in cassatie slechts zeer beperkt toetsbaar. In cassatie kan alleen met vrucht worden geklaagd over de onbegrijpelijkheid of ontoereikendheid van 's Hofs motivering. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer een door partijen naar voren gebrachte essentiële stelling buiten beschouwing is gebleven of wanneer een beslissing met de inhoud van de gedingstukken onverenigbaar is.

2.7.1 Nog daargelaten dat in de klachten moet worden aangegeven waar de stellingen waarop zij steunen in de gedingstukken zijn te vinden (hetgeen in casu niet gebeurt), verliest het middel uit het oog 1) dat het Hof acht heeft geslagen op de daarin genoemde stellingen(6) en 2) daarin geen grond heeft gezien om de beëindiging van de schuldsanering ongedaan te maken.(7)

2.7.2 Het Hof heeft met betrekking tot de aan [eiser] c.s. gedane mededelingen omtrent de op hen rustende verplichtingen klaarblijkelijk meer geloof gehecht aan de verklaring van de bewindvoerder dan aan die van [eiser] c.s. Dat stond het Hof vrij.

2.8.1 Voor zover het middel bedoelt te betogen dat het Hof niet op de daarin vermelde kernstellingen is ingegaan, mist het feitelijke grondslag. Voor zover het Hof er niet op is ingegaan (de zware klappen in de privésfeer) is sprake van een ontoelaatbaar novum waarop de Hoge Raad geen acht kan slaan.

2.8.2 Ten overvloede: de stellingen zijnuit menselijk oogpunt vanzelfsprekend buitengewoon belangrijk; rechtens leggen voor de vraag die het Hof had te beantwoorden onvoldoende gewicht in de schaal. Anders gezegd: deze stellingen zijn rechtens niet essentieel.

2.9.1 Voor zover het middel erover probeert te klagen dat 's Hofs motivering onbegrijpelijk is, faalt het. De door het Hof bijgebrachte gronden kunnen zijn beslissing ruimschoots dragen.

2.9.2 Daarbij verdient nog opmerking dat ook de onder 1.6.3 en 1.8 sub c genoemde omstandigheden steun bieden aan het door het Hof bereikte resultaat.

2.10 Voor zover het middel onder 4 de klacht mocht bevatten dat het Hof bij de beslissing omtrent de beëindiging van de saneringsregeling een redelijkheidstoets ex art. 354 lid 2 Fw had moeten toepassen, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting.

2.11 Nog daargelaten dat deze bepaling hier toepassing mist omdat zij ziet op een andere situatie(8) mist de klacht doel omdat in casu naar 's Hofs alleszins begrijpelijke oordeel geen sprake is van een geringe tekortkoming. Integendeel: de combinatie van de in rov. 4.4.1 genoemde omstandigheden is allerminst gering.

2.12 Voor zover het middel berust op de stelling (onder 1) dat het vonnis van de Rechtbank mede steunt op de omstandigheid dat er nieuwe schulden zouden zijn gemaakt, doet het niet ter zake omdat het thans niet gaat om haar oordeel maar om dat van het Hof.

2.13 Ten slotte zij nog aangestipt dat de wetgever tot de conclusie is gekomen dat de huidige schuldsaneringsregeling moet worden aangepast, onder meer met betrekking tot de regeling inzake beëindiging. Beëindiging moet in meer gevallen plaatsvinden, zo vat ik samen. Blijkens de MvT moet de regeling worden beperkt tot "schuldenaren 'die er klaar voor zijn voor zijn.'"(9) Daarbij wordt erop gewezen dat de regeling neerkomt op een ontneming van het verhaalsrecht van crediteuren. Dat is slechts gerechtvaardigd als het maatschappelijk iets oplevert.(10)

2.14 Dat laatste geldt ongetwijfeld ook voor het geldend recht. Ik wil best aannemen dat niet-juristen niet op de hoogte zijn van alle finesses van de schuldsaneringsregeling. Moeilijk kan evenwel worden aanvaard dat zij ook wezenlijke kwesties als bedoeld in rov. 4.4.1 niet aan de bewindvoerder (behoeven te) melden.

2.15 Aan al het vorenstaande doet niet af dat goed begrijpelijk is dat personen die terecht zijn gekomen in een schuldsaneringssituatie (en a fortiori hun gezinsleden) zich in een weinig benijdenswaardig parket bevinden. Dat brengt evenwel niet mee dat de wettelijke regeling, die er juist toe strekt om hen een kans te geven uit deze troosteloze situatie te geraken, niet zou kunnen of mogen worden toegepast.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Uit het onder 1.4.1 genoemde verslag blijkt dat de bewindvoerder met [eiser] c.s. heeft afgesproken dat deze voorlopig buiten de liquidatie blijft (onder 9).

2 In het vonnis van de rechtbank wordt vermeld dat ontslag volgde in februari 2005. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 8 augustus 2005 vermeldt dat ontslag zou zijn gegeven op 27 maart 2005.

3 Ik leid dat af uit de aan de bovenzijde van de fax voorkomende regel.

4 Het gaat hier om een herhaling van een vergissing die reeds was gesignaleerd in HR 16 december 2005, NJ 2006, 7; ook de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Strikwerda onder 11 wees daarop.

5 M.i. gaat het ten dele om enigszins andere stellingen. Het kan blijven rusten omdat hetgeen wordt aangevoerd hoe dan ook niet tot cassatie kan leiden.

6 Zie rov. 4.3 en 4.4.1.

7 Rov. 4.4.1.

8 Zie art. 352 Fw.

9 TK, zitting 2004-2005, 29942, nr 3 blz. 1 met nadere uitwerking op blz. 2 en 4.

10 Idem blz. 2.