Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV6064

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-03-2006
Datum publicatie
31-03-2006
Zaaknummer
R05/050HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV6064
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling, goede trouw als bedoeld in art. 288 lid 2 onder b F., motivering (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Wet op de rechterlijke organisatie 91
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 195
RvdW 2006, 334
JWB 2006/107
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R05/050HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 30 januari 2006

Conclusie inzake:

[Verzoeker 1] en

[Verzoekster 2]

1. Inleiding

In cassatie is de vraag aan de orde of het hof bij zijn afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van het goede-trouw-criterium van art. 288 lid 2 onder b Fw, de juiste maatstaf heeft aangelegd en of het hof zijn beslissing naar behoren heeft gemotiveerd.

2. Feiten en procesverloop(1)

2.1. Op 24 juni 2004 hebben [verzoeker 1] (hierna: '[verzoeker 1]') en [verzoekster 2] (hierna: '[verzoekster 2]') bij de rechtbank te Arnhem een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend.

2.2. Bij vonnissen van 20 september 2004 heeft de rechtbank de voorlopige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] uitgesproken. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. J.A. Verspui en tot bewindvoerder mr. P.A.W. Eskens.

2.3. De rechtbank heeft de definitieve beslissing aangehouden in afwachting van een door de bewindvoerder te verrichten onderzoek naar de totale schuldenlast en de aard van het ontstaan van de schulden van [verzoeker 1] en [verzoekster 2]. Bij brief van 29 oktober 2004(2) heeft de bewindvoerder hierover verslag uitgebracht aan de rechter-commissaris.

2.4. Na de mondelinge behandeling - ter zitting van 8 februari 2005 - heeft de rechtbank het verzoek van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] tot definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat - kort samengevat - naar haar oordeel voldoende aannemelijk was geworden dat een substantieel deel van de

schuldenlast niet te goeder trouw is ontstaan en onbetaald is gelaten. Voorts is volgens de rechtbank onvoldoende gebleken van persoonlijke omstandigheden op grond waarvan het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling zou moeten worden toegewezen.

2.5 [Verzoeker 1] en [verzoekster 2] zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem.

2.6. Na de mondelinge behandeling, die op 24 maart 2005 plaatsvond in aanwezigheid van [verzoeker 1], diens raadsman en de waarnemend bewindvoerder(3), heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof, voorzover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

'3.2 Uit de stukken en het verhoor ter zitting is gebleken dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd en samen met hun twee nog minderjarige kinderen een gezin vormen. Voorts is gebleken dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] een gezamenlijke schuldenlast hebben van € 139.194,85. De schuldenlast bestaat uit onder meer een schuld aan Comford Card van € 1.829,96, een schuld aan International Card Services (Visa Card) van € 3.523,57, een schuld aan aannemer EBU te Doetinchem van € 7.115,58 wegens een geplaatste dakkapel, een schuld aan Neckermann van € 1.029, 68, telefoonschulden tot een totaalbedrag van € 3.053,47 en een restant hypotheekschuld van circa € 100.000,-. Voorts is gebleken dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ultimo 2000 een schuld hadden van - naar eigen zeggen - ongeveer f 35.000,-. Zij hebben hun woning aan de [a-straat] te [plaats] waarop een hypotheek rustte van f 260.000,--, op 11 november 2000 verkocht voor f 360.000,-. In december 2000 kochten zij een nieuwe woning aan de [b-straat] te [plaats] voor f 440.000,-. De overdracht van de woning aan de [a-straat] vond echter pas plaats in mei 2001, waardoor [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gedurende 6 maanden met dubbele woonlasten werden geconfronteerd. Naast een hypotheek voor de aankoop van de woning aan de [b-straat], hebben [verzoeker 1] en [verzoekster 2] een overbruggingskrediet van f 80.000,- afgesloten om dubbele woonlasten te kunnen voldoen en de oude schulden af te lossen. In 2002 werd een derde hypotheek bij de DSB bank afgesloten van € 50.000,--, waarmee onder andere de kosten van een dakkapel van slechts € 12.000,-- slechts voor een bedrag van € 5.000,-- werd voldaan.

Verder is gebleken dat [verzoeker 1], naast zijn inkomen uit een vroegpensioenregeling, als taxichauffeur extra inkomen genereert en dat [verzoekster 2], naast haar schoonmaakwerkzaamheden bij notariskantoor [A] te [plaats], inmiddels werk op afroepbasis heeft gevonden als bejaardenverzorgster. Met deze werkzaamheden werd tot op heden gemiddeld circa € 600,-- extra inkomen per maand gegenereerd. [Verzoeker 1] en [verzoekster 2] wonen thans in een dure huurwoning te [woonplaats].

(...)

3.4. [Verzoeker 1] en [verzoekster 2] stellen zich in hoger beroep op het standpunt dat zij - hoewel zij niet betwisten dat zij op te grote voet hebben geleefd - pas in de problemen kwamen doordat zij in december 2000 een huis aan de [b-straat] te [plaats] kochten, terwijl hun oude woning aan de [a-straat] te [plaats], die op 11 november 2000 was verkocht, pas in mei 2001 werd geleverd aan de kopers, waardoor zij gedurende zes maanden met dubbele woonlasten werden geconfronteerd. Zij zijn van mening dat dit handelen niet kan worden aangemerkt als een niet te goeder trouw handelen. Dat zij in 2002/2003 een dakkapel hebben laten plaatsen was wellicht niet verstandig maar zij konden toen niet voorzien dat zij niet in staat waren de hieraan verbonden financiële verplichtingen te voldoen. Deze schuld kan niet worden aangemerkt als een substantieel onderdeel van de totale schuldenlast. Voorts is [verzoeker 1] van mening dat de invoering van de euro hem het zicht op zijn financiële situatie heeft ontnomen omdat hij nog rekende in guldens en dat [verzoekster 2] geen verwijt kan worden gemaakt van de ontstane financiële situatie. [Verzoeker 1] stelt daartoe dat alleen hij dwangmatig behoefte heeft om geld uit te geven en dat [verzoekster 2] hem hiervan niet heeft kunnen weerhouden. [Verzoeker 1] meent dan ook dat in elk geval [verzoekster 2] dient te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Tot slot voeren [verzoeker 1] en [verzoekster 2] nog aan dat zij door hun inspanning om extra inkomen uit arbeid te genereren, een aflossingscapaciteit hebben van € 900,- per maand, zodat zij na afloop van de schuldsaneringstermijn in staat zullen zijn een substantieel bedrag aan hun schuldeisers te voldoen.

3.5. Het hof is van oordeel dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] bij het aangaan en onbetaald laten van hun schulden niet te goeder trouw zijn geweest en niet kunnen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat aan [verzoeker 1] en [verzoekster 2] kan worden verweten dat zij in 2000, terwijl zij toen reeds een aanzienlijke schuldenlast hadden, aanmerkelijk hogere schulden zijn aangegaan voor de aankoop van de aanzienlijk duurdere woning aan de [b-straat] te [plaats] en dat zij een overbruggingskrediet hebben afgesloten dat veel hoger was dan nodig ter overbrugging van de dubbele woonlasten. Voorts kan [verzoeker 1] en [verzoekster 2] worden verweten dat zij in mei 2002 een derde hypotheek van € 50.000,-- bij de DSB Bank zijn aangegaan en in september 2002 een dakkapel hebben laten plaatsen voor een bedrag van € 12.000,--. Op die dakkapel hebben zij, ondanks het feit dat door het aangaan van de derde hypotheek een bedrag van € 50.000,-- beschikbaar kwam, slechts een bedrag van € 5.000,-- aanbetaald. Het hof is voorts van oordeel dat het vorengaande ook opgaat voor [verzoekster 2], nu zij de verschillende hypotheekaanvragen mede moet hebben ondertekend en daarmee ook medeverantwoordelijkheid draagt voor het ontstaan van de huidige financiële situatie.

3.6. Dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] thans circa € 600,-- per maand extra inkomsten verwerven, acht het hof weliswaar een wending ten goede, maar dit weegt niet op tegen de omvang en verwijtbaarheid van de schuldenlast. Ten overvloede overweegt het hof nog dat, zolang [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gebruik moeten maken van de dure huurwoning, deze extra inkomsten niet ten goede zullen komen van de schuldeisers.

3.7. Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] desondanks zou moeten worden toegewezen is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.'

2.7. Tegen dit arrest hebben [verzoeker 1] en [verzoekster 2] tijdig(4) cassatieberoep ingesteld.(5)

3. Enige inleidende opmerkingen

3.1. Het afwijzen van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is slechts mogelijk op de gronden als vermeld in art. 288 Fw. Doet zich een van de in lid 1 van die bepaling omschreven gevallen voor, dan moet de rechter het verzoek afwijzen. Bij het zich voordoen van de in lid 2 bedoelde gevallen kan de rechter het verzoek afwijzen. In de onderhavige zaak gaat het om de afwijzingsgrond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b Fw. Deze luidt als volgt:

'Het verzoek kan worden afgewezen:

(...)

b. indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest.'

3.2. Deze facultatieve weigeringsgrond heeft als doel te voorkomen dat er misbruik van de schuldsanering wordt gemaakt en dat de schuldsaneringsregeling wordt toegepast op een debiteur van wie, gezien zijn verleden, betwijfeld moet worden of hij in staat is bij de uitvoering van de regeling zijn verplichtingen behoorlijk na te komen.(6)

3.3. Blijkens de wetgeschiedenis gaat het bij deze weigeringsgrond niet om de goede trouw als bedoeld in art. 3:11 BW of de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de art. 6:2 en 248 BW, maar om een gedragsmaatstaf.(7) De rechter kan bij zijn oordeel of de schuldenaar al dan niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden met alle relevante omstandigheden van het geval rekening houden, en dient dat ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad ook te doen voor zover het gaat om essentiële stellingen (vgl. hierna 3.4). Daarbij kan onder meer worden gedacht aan 'de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.'(8) Hieruit volgt dat het dus niet alleen van belang is of de schuldenaar bij het ontstaan of onbetaald laten van de schuld een scheve schaats heeft gereden, maar ook of de schuldenaar er inmiddels blijk van heeft gegeven zich ten opzichte van de schuldeisers naar behoren te willen en kunnen gedragen.(9)

3.4. De rechter dient zijn oordeel, dat een schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest en dat toepassing van de schuldsaneringsregeling daarom niet kan worden uitgesproken, voldoende te motiveren, in het bijzonder wanneer concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd ter adstructie van de stelling dat de schuldenaar toch tot de schuldsaneringsregeling zou moeten worden toegelaten. Dat de jurisprudentie van Uw Raad op dit punt strikt is, blijkt onder meer uit de volgende arresten: HR 12 mei 2000, nr. R99/211HR, NJ 2000, 567 m.nt. PvS; HR 26 januari 2001, nr. R00/138HR, NJ 2001, 178 en HR 24 december 2004, nr. R04/009HR, NJ 2005, 129. Uit deze jurisprudentie kan worden afgeleid dat een arrest onvoldoende is gemotiveerd indien de schuldenaar omstandigheden heeft aangevoerd die, indien zij juist zijn, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden dan het door het hof gegeven oordeel, waarbij die stellingen niet zijn besproken.(10)

3.5. Indien het - zoals in de onderhavige zaak - gaat om een verzoek van een in gemeenschap van goederen gehuwd echtpaar, dient de rechter (ook) een individuele beoordeling als uitgangspunt te nemen. Uw Raad heeft immers uitgemaakt dat de enkele omstandigheid dat tussen echtgenoten enigerlei gemeenschap van goederen bestaat niet meebrengt dat de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot tevens dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de andere. Indien beide echtelieden om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken, dient derhalve ten aanzien van ieder van hen individueel te worden bezien of daartoe voldoende aanleiding bestaat.(11)

3.6. Tot zover mijn inleidende opmerkingen.

4. Bespreking van de cassatiemiddelen

4.1. Het verzoekschrift tot cassatie bevat vijf cassatiemiddelen.

Middel 1 richt zich met een rechtsklacht tegen rov. 3.5 van het bestreden arrest. Het klaagt dat het hof een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de gedragsmaatstaf van art. 288 lid 2 onder b Fw, door te overwegen dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] bij het aangaan en onbetaald laten van hun schulden niet te goeder trouw zijn geweest en niet kunnen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, in aanmerking nemende dat aan [verzoeker 1] en [verzoekster 2] kan worden verweten dat zij in 2000, terwijl zij toen reeds een aanzienlijke schuldenlast hadden, aanmerkelijk hogere schulden zijn aangegaan voor de aankoop van de aanzienlijk duurdere woning aan de [b-straat] te [plaats] en dat zij een overbruggingskrediet hebben afgesloten dat veel hoger was dan nodig ter overbrugging van de dubbele woonlasten. Volgens [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de gedragsmaatstaf van art. 288 lid 2 onder b Fw, omdat hen - althans zo begrijp ik de klacht - geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van de hiervoor bedoelde schuld; zij zouden door de late levering van de woning aan de [a-straat] te [plaats] buiten hun wil 'gedwongen' zijn geweest een overbruggingskrediet af te sluiten.

4.2. Deze klacht dient naar mijn mening te falen. Hiervoor, onder 3.1 e.v., is gebleken dat de wetgever met de facultatieve grond voor afwijzing van de toepassing van de schuldsaneringsregeling in art. 288 lid 2 onder b Fw aanzienlijke beoordelingsvrijheid aan de rechter in feitelijke instanties heeft willen laten. De bepaling verwijst - zoals ook het middel onderkent - naar een gedragsmaatstaf, waarbij de wetgever ervan is uitgegaan dat de rechter in een concreet geval met alle omstandigheden rekening kan houden. Bij zijn oordeel dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] bij het aangaan en het onbetaald laten van hun schulden niet te goeder trouw zijn geweest heeft het hof in aanmerking genomen:

'dat aan [verzoeker 1] en [verzoekster 2] kan worden verweten dat zij in 2000, terwijl zij toen reeds een aanzienlijke schuldenlast hadden, aanmerkelijk hogere schulden zijn aangegaan voor de aankoop van de aanzienlijk duurdere woning aan de [b-straat] te [plaats] en dat zij een overbruggingskrediet hebben afgesloten dat veel hoger was dan nodig ter overbrugging van de dubbele woonlasten. Voorts kan [verzoeker 1] en [verzoekster 2] worden verweten dat zij in mei 2002 een derde hypotheek van € 50.000,-- bij de DSB Bank zijn aangegaan en in september 2002 een dakkapel hebben laten plaatsen voor een bedrag van € 12.000,--. Op die dakkapel hebben zij, ondanks het feit dat door het aangaan van de derde hypotheek een bedrag van € 50.000,-- beschikbaar kwam, slechts een bedrag van € 5.000,-- aanbetaald. Het hof is voorts van oordeel dat het vorengaande ook opgaat voor [verzoekster 2], nu zij de verschillende hypotheekaanvragen mede moet hebben ondertekend en daarmee ook medeverantwoordelijkheid draagt voor het ontstaan van de huidige financiële situatie.

3.6. Dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] thans circa € 600,-- per maand extra inkomsten verwerven, acht het hof weliswaar een wending ten goede, maar dit weegt niet op tegen de omvang en verwijtbaarheid van de schuldenlast. Ten overvloede overweegt het hof nog dat, zolang [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gebruik moeten maken van de dure huurwoning, deze extra inkomsten niet ten goede zullen komen van de schuldeisers.'

4.3. Door aldus te oordelen heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de gedragsmaatstaf als bedoeld in art. 288 lid 2 onder b Fw. Dat het hof aan zijn oordeel mede ten grondslag heeft gelegd het verwijt dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] treft ten aanzien van het ontstaan van het overbruggingskrediet, acht ik bovendien niet onbegrijpelijk. [Verzoeker 1] en [verzoekster 2] hebben immers erkend dat zij op te grote voet hebben geleefd, sterker nog, dat [verzoeker 1] een dwangmatige behoefte heeft om geld uit te geven.(12) Dat [verzoekster 2] zich hiertegen zou hebben verzet, is verder niet gebleken.

4.4. Om deze reden faalt ook middel 2. De daarin vervatte motiveringsklacht tegen 's hofs oordeel in rov. 3.5, dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] bij het aangaan van de schuld terzake van de dakkapel niet te goeder trouw zijn geweest, strekt er immers eveneens toe te betogen dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] geen verwijt treft ten aanzien van de financiële problemen waarin zij zijn geraakt als gevolg van de vertraagde afname van de woning. Voor zover middel 2 nog betoogt dat de schuld ter zake van de dakkapel van te geringe omvang is om de beslissing van het hof te rechtvaardigen, miskent het dat het hof zijn beslissing mede heeft gebaseerd op het ontbreken van goede trouw ten aanzien van de (aanmerkelijk grotere) schuld aan de (drie) verschillende hypotheekverstrekkers. In zoverre mist de klacht derhalve feitelijke grondslag.

4.5. Middel 3 verwijt het hof zich niet expliciet te hebben uitgelaten over - kort samengevat - het ontbreken van de goede trouw aan de zijde van [verzoekster 2]. De klacht faalt m.i. wegens gebrek aan feitelijk grondslag. Het hof heeft zich hierover immers wel degelijk uitgelaten, en wel in rov. 3.5 waar het hof overweegt dat ook [verzoekster 2] niet te goeder trouw is geweest bij het aangaan en onbetaald laten van de door het hof in diezelfde rechtsoverweging besproken schulden, nu, aldus het hof, [verzoekster 2] de verschillende hypotheekaanvragen mede moet hebben ondertekend en daarmee ook medeverantwoordelijkheid draagt voor het ontstaan van de huidige financiële situatie van [verzoeker 1] en [verzoekster 2]. Voor zover het middel aldus moet worden gelezen dat het hof voorbij is gegaan aan de stelling dat [verzoeker 1] een ziekelijke en dwangmatige afwijking heeft daar waar het het uitgeven van geld betreft, faalt de klacht evenzeer. Het hof heeft deze stelling blijkens rov. 3.4 van het bestreden arrest bij zijn beoordeling van het verzoek in aanmerking genomen. Het hof is er kennelijk vanuit gegaan dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] - ondanks de hiervoor bedoelde dwangmatige behoefte c.q. afwijking van [verzoeker 1] - lange tijd welbewust grote uitgaven hebben gedaan en dat zij welbewust binnen een relatief kort tijdsbestek drie hypotheken hebben afgesloten. Nu is gebleken dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] zich bewust zijn van het feit dat zij (te) lange tijd op te grote voet hebben geleefd, mocht het hof hier m.i. ook vanuit gaan.

4.6. Middel 4 keert zich vervolgens met een rechtsklacht tegen 's hofs oordeel dat ook [verzoekster 2] niet te goeder trouw is geweest bij het aangaan en onbetaald laten van de door het hof in rov. 3.5 besproken schulden, omdat zij - aldus het hof - de verschillende hypotheekaanvragen mede moet hebben ondertekend en daarmee ook medeverantwoordelijkheid draagt voor het ontstaan van de huidige financiële situatie van [verzoeker 1] en [verzoekster 2].

4.7. Het hof heeft met deze overweging tot uitdrukking willen brengen dat de afwijzing van het verzoek van [verzoeker 1] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet per definitie leidt tot de afwijzing van [verzoekster 2]s verzoek daartoe. Door aldus te oordelen heeft het hof ervan blijk gegeven uit te gaan van een individuele benadering en - daarmee - van een juiste rechtsopvatting.(13)

4.8. Voor zover het middel betoogt dat [verzoekster 2] juist te goeder is geweest door het mede-ondertekenen van de hypotheekaanvragen, nu daarmee zou zijn beoogd het omzetten van korte termijnverplichtingen in lange termijnverplichtingen teneinde de financiële situatie onder controle te krijgen,(14) kan het evenmin tot cassatie leiden. Een betoog van die strekking is in de feitelijke instanties niet gevoerd. Het kan niet voor het eerst in cassatie aan de orde komen, aangezien het een onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is.

4.9. Ten slotte verwijt middel 5 het hof - in het kader van zijn beoordeling van de vraag of [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden al dan niet te goeder trouw zijn geweest - aan een aantal hierna te noemen omstandigheden voorbij te zijn gegaan. Zo zou het hof geen rekening hebben gehouden met (i) de omstandigheid dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] alle mogelijke moeite hebben gedaan om hun schuldenlast onder controle te krijgen (hetgeen ook zou blijken uit het feit dat zij thans circa € 600 extra inkomsten verwerven ten behoeve van hun crediteuren) en evenmin met (ii) de omstandigheid dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] minderjarige kinderen hebben die nog de basisschool bezoeken. Voorts zou het hof (iii) het belang van een goede en stabiele opvoeding van de kinderen hebben miskend alsmede het (iv) feit dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] zich financieel onder curatele 'hebben laten plaatsen' teneinde het uitgavenpatroon van [verzoeker 1] in bedwang te krijgen.

4.10. Het middel kan m.i. niet tot cassatie leiden. Het hof heeft in rov. 3.5 geoordeeld dat niet aan de gedragsmaatstaf van art. 288 lid 2 onder b is voldaan, waarna het in rov. 3.6 heeft overwogen '(d)at [verzoeker 1] en [verzoekster 2] thans circa € 600,-- per maand extra inkomsten verwerven, acht het hof weliswaar een wending ten goede, maar dit weegt niet op tegen de omvang en verwijtbaarheid van de schuldenlast.' In rov. 3.7 heeft het hof ten slotte geoordeeld dat 'van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek zou moeten worden toegewezen (...) onvoldoende (is) gebleken.' Ik lees 's hofs arrest aldus dat het hof - nadat het de afwezigheid van goede trouw aan de zijde van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] had vastgesteld - de door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gestelde omstandigheden heeft gewogen en te licht heeft bevonden.

Anders dan het middel betoogt heeft het hof naar mijn mening geen essentiële stellingen onbesproken gelaten. De door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] genoemde omstandigheden (i) en (iv) heeft het hof blijkens rov. 3.6 bij zijn oordeel in aanmerking genomen. Dat het hof in deze omstandigheden onvoldoende rechtvaardiging heeft gevonden om [verzoeker 1] en [verzoekster 2] tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te laten, ondanks het feit dat zij bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw zijn geweest, acht ik niet onbegrijpelijk. Ten aanzien van de omstandigheden (ii) en (iii) kan - in het licht van de gedingstukken, en het ontbreken van een verwijzing in de cassatieschriftuur - worden betwijfeld of [verzoeker 1] en [verzoekster 2] die in feitelijke instanties met zoveel woorden aan hun verzoek ten grondslag hebben gelegd. Afgezien daarvan betreffen dit naar mijn mening geen omstandigheden die tot een ander oordeel van het hof hadden kunnen leiden.(15)

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan p. 1 van het vonnis van de rechtbank Arnhem van 3 maart 2005 alsmede aan rov. 1 en 2 van het bestreden arrest.

2 Dit is althans de datum die de rechtbank noemt op p. 1 van haar vonnis van 3 maart 2005. Het eerste verslag van de bewindvoerder is echter gedateerd op 5 november 2004.

3 [Verzoekster 2] is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

4 Het verzoekschrift tot cassatie is, in overeenstemming met de cassatietermijn van art. 292 lid 4 Fw, op 7 april 2005 bij de Hoge Raad binnengekomen.

5 Op 29 september 2005, derhalve nadat het cassatieberoep was ingesteld, heeft de waarnemend bewindvoerder, mr. A.O.C.A. van Schravendijk, het derde verslag (over de periode 19 maart tot en met 28 september 2005) ten behoeve van de crediteuren aan de Hoge Raad gezonden.

6 Zie in dit verband o.m.: Polak-Wessels IX (1999), par. 9067 en H.H. Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei, 2005, p. 32.

7 Kamerstukken II 1992/1993, 22 969, nr. 3, p. 37-38.

8 Aldus de MvA, Kamerstukken II, 1992/1993, 22 969, nr. 6, p. 20; zie ook reeds de MvT, nr. 3, p. 14.

9 Aldus H.H. Dethmers, a.w., p. 32, die het hier gezegde op zijn beurt weer (vrij) heeft overgenomen uit par. 8 van de conclusie van A-G Strikwerda voor het arrest van HR 12 mei 2000, R99/211HR, NJ 2000, 567.

10 Vgl. H.H. Dethmers, a.w., p. 33.

11 HR 4 juni 2004, nr. R04/024HR, NJ 2004, 638 m.nt. PvS; rov. 3.4.

12 Zo heeft de raadsman van [verzoeker 1] en [verzoekster 2], mr. I.P. Rietveld, tijdens de mondelinge behandeling op 24 maart 2005 ten overstaan van het hof verklaard dat het probleem van [verzoeker 1] is dat 'zodra hij geld heeft geleend, hij dit veel te gemakkelijk weer uitgeeft en een slecht financieel beheer voert' (zie p. 2 van het p-v van die mondelinge behandeling). 13 Gelet op o.m. HR 4 juni 2004, R04/024HR, NJ 2004, 638 m.nt. PvS.

14 Volgens [verzoeker 1] en [verzoekster 2] is dit een veelvuldig toegepaste methode van schuldsanering, die bovendien in de financiële wereld volledig is geaccepteerd (zie p. 4 van het verzoekschrift tot cassatie).

15 Vgl. HR 12 mei 2000, R99/211HR, NJ 2000, 567 m.nt. PvS; HR 26 januari 2001, R00/138HR, NJ 2001, 178 en HR 24 december 2004, R04/009HR, NJ 2005, 129.