Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV4316

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
C05/094HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2003:AS3109
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV4316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bedrijfsongeval. Geschil tussen een opdrachtgever tot levering en plaatsing van een stoomketel en een werknemer van een onderaannemer, die tijdens zijn isolatiewerkzaamheden door een ontploffing van een PVC-leiding lichamelijk letsel heeft opgelopen, over de aansprakelijkheid van deze opdrachtgever; bevrijdende verjaring, aanvangstijdstip termijn, bekendheidsvereiste als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW, passeren van een essentiële stelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2006/118
JOL 2006, 222
RvdW 2006, 378
JAR 2006, 118
VR 2006, 103
JWB 2006/115

Conclusie

Rolnr C05/094HR

mr. J. Spier

Zitting 6 januari 2006 (bij vervroeging)(1)

Conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

[Verweerder]

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende door het Hof 's-Hertogenbosch in rov. 7.1 van zijn in cassatie bestreden arrest vastgestelde feiten.(2)

1.2 [Eiseres], toen nog Boka [Handelsmaatschappij B.V.] genaamd, heeft aan Agriculture Engineering Maasbree B.V. (hierna: AEM) opdracht gegeven een stoomketel (ketel en gasstraat) te plaatsen in het nieuwbouwpand waarmee haar bedrijf werd uitgebreid.

1.3 AEM heeft zelf PVC-koelleidingen aangelegd. Zij heeft de isolatie van deze leidingen uitbesteed aan [A] [B.V.], die op haar beurt daarvoor CA-LA B.V. (hierna: CA-LA) als (onder)onderaanneemster heeft aangesteld.

1.4 [Verweerder] was ten tijde van het ongeval in dienst van CA-LA.

1.5 Op 18 mei 1994 kwam [verweerder] met twee collega's op het bedrijf van (toen nog) Boka. Zij zijn op de zolder, die zich bevond boven de ruimte waar de ketel en de gasstraat waren geplaatst, isolatiewerkzaamheden gaan uitvoeren. Daarbij werden kunststofschuimrubber rondom genoemde PVC-leidingen aangebracht.

1.6 Kort nadat [verweerder] en zijn collega's het isolatiewerk begonnen, ontplofte de PVC-leiding waaraan [verweerder] werkte. Dit gebeurde direct nadat de lasser van AEM zijn lasapparaat in werking zette.

1.7 Het rondvliegend PVC raakte en verwondde aldaar werkzame werknemers van AEM en CA-LA. [Verweerder] kreeg onder meer een stuk PVC in zijn rechteroog dat daardoor blind werd. Door de explosie is het trommelvlies van zijn rechteroor geperforeerd en lijdt hij aan gehoorverlies wegens lawaaischade.

1.8 De inspectiedienst SCW is op 24 mei 1994 in kennis gesteld van het ongeval en heeft op 4 juni 1994 ter plekke een onderzoek ingesteld. Het rapport is pas op 13 februari 1996 voltooid. Hierin wordt geconcludeerd dat de oorzaak van het ongeval zeer waarschijnlijk is gelegen in de opeenhoping van gas (dat een lager soortelijk gewicht heeft dan lucht) in de naar de zolder lopende en aan de onderkant in het ketelhuis nog open zijnde PVC-leidingen, die geëxplodeerd zijn op het moment dat de lasser van AEM op diezelfde zolder met zijn laswerk begon.

1.9 Het Hof is er voorts, in cassatie niet bestreden, vanuit gegaan dat enige dagen vóór het ongeluk werknemers van AEM een gaslucht hebben waargenomen. Zij hebben dit gemeld aan werknemers van [eiseres]. Naar aanleiding van deze melding is geen onderzoek ingesteld.(3)

1.10 [Verweerder] is sinds het ongeval arbeidsongeschikt in de zin van de WAO.(4)

2. Procesverloop

2.1.1 [Verweerder] heeft - onder meer - [eiseres] op 29 juni 1999 gedagvaard voor de Rechtbank Roermond. Hij heeft gevorderd dat de Rechtbank voor recht verklaart dat [eiseres] aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden tengevolge van het onder 1.6 genoemde ongeval.

2.1.2 Aan deze vordering heeft [verweerder] in essentie de onder 1 vermelde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd. De vordering is onder meer gebaseerd op art. 6:173 en 6:174 BW.

2.1.3 [Verweerder] heeft er op gewezen dat bij het litigieuze project zoveel ondernemingen waren betrokken dat zelfs de arbeidsinspectie er na langdurig onderzoek niet in is geslaagd precies aan te geven "wie nu wat verkeerd heeft gedaan" (inl. dagv. onder 8). Dat betoog wordt bij repliek en pleidooi in prima uitgesponnen.

2.1.4 Zowel in de dagvaarding als bij repliek staat [verweerder] nog kort stil bij de gasluchtklachten van "mensen bij [eiseres]"(5) waarmee niets is gedaan. Bij pleidooi in eerste aanleg heeft hij in dit verband de aansprakelijkheid van [eiseres] als werkgever genoemd (pleitnota mr Stollenwerck blz. 3).

2.2.1 [Eiseres] heeft de vordering bestreden. Zij bestrijdt met name de bevindingen van de Arbeidsinspectie. Een door haar ingeschakelde expert zou een andere toedracht "aannemelijker" achten. Zij houdt het op een samenloop van omstandigheden, te weten de aanwezigheid van lijmdamp en laswerkzaamheden (cva onder 11).

2.2.2 [Eiseres] heeft zich voorts op verjaring beroepen. [Verweerder]' raadsman heeft haar bij brief van 13 juni 1994 aansprakelijk gesteld; de dagvaarding is op 29 juni 1999 betekend.

2.3 In het dossier trof ik nog pleitnotities aan van (klaarblijkelijk) mr Ekelmans namens [A].(6) Ik heb daarop geen acht geslagen omdat [A] geen partij in deze procedure is.

2.4 [Verweerder] heeft bij pleidooi in prima het beroep op verjaring tegengesproken. Weliswaar heeft hij [eiseres] vóór de dagvaarding aansprakelijk gesteld, maar "slechts in algemene zin zonder over justificatoire bescheiden te beschikken, waarop hij zijn vordering zou kunnen gronden" (pleitnota mr Stollenwerck blz. 3).

2.5 In haar vonnis van 20 juli 2000 heeft de Rechtbank geoordeeld dat [verweerder]' vordering is verjaard. Zij heeft de vordering vervolgens afgewezen. Het "schadefeit" en de aansprakelijke persoon was bij [verweerder] bekend "getuige het feit dat hij reeds op 13 juni 1994 [eiseres] aansprakelijk heeft gesteld" (blz. 8).

2.6.1 [Verweerder] is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen.(7)

2.6.2 In de "korte inleiding" op de grieven zet [verweerder] uiteen dat hij "zekerheidshalve (...) alle betrokkenen na het ongeval aansprakelijk [heeft gesteld], hoewel hij nog geen beschikking had over een rapport van de arbeidsinspectie over de ongevalstoedracht" (blz. 2). Hij heeft van de aansprakelijke persoon "eerst definitief kennis kunnen nemen door het ongevalsrapport van 13 februari 1996". Door dat rapport kreeg hij "voldoende zekerheid" op dit punt (blz. 4).

2.6.3 Als "enige grief" draagt [verweerder] voor dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering is verjaard. De termijn begon zijns inziens eerst op 13 februari 1996 te lopen (blz. 7/8).

2.7 [Eiseres] heeft het appèl bestreden. Zij voert aan dat [verweerder] niet aangeeft "welke voor de vraag van mogelijke aansprakelijkheid van [eiseres] cruciale rechtsfeiten het rapport van de Arbeidsinspectie hem bekend gemaakt zou hebben, in dier voege dat zijn kennisneming van dat rapport hem, ter zake van de vraag of [eiseres] mogelijk een (mede) aan te spreken persoon was, van "onvoldoende zekerheid" tot "voldoende zekerheid" gebracht zou hebben" (mva onder 7). [Verweerder] had, volgens [eiseres], op 13 juni 1994 voldoende zekerheid (onder 8).(8)

2.8.1 In zijn arrest van 30 november 2004 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd. Het heeft de vordering toegewezen.

2.8.2 Het Hof stelt voorop dat [verweerder] de "intentie" had het geschil in volle omvang aan zijn oordeel voor te leggen (rov. 7.4.1).

2.8.3 Naar 's Hofs oordeel was de vordering van [verweerder] nog niet verjaard:

"Pas na ontvangst van de rapportage omtrent het onderzoek dat naar het ongeval is ingesteld, waarbij de toedracht zo goed mogelijk kon worden vastgesteld en eveneens de diverse hoedanigheden van de betrokken aannemers, leveranciers en opdrachtgevers duidelijk werden, kon [verweerder] redelijkerwijs beslissen omtrent het instellen van een rechtsvordering" (rov. 7.4.3).

2.8.4 Het Hof gaat er, in het voetspoor van de arbeidsinspectie, van uit dat de gaslekkage het ongeval heeft veroozaakt (rov. 7.4.4). Het Hof heeft vervolgens als vaststaand aangenomen dat werknemers van AEM aan werknemers van [eiseres] melding hebben gemaakt van een gaslucht. Naar 's Hofs oordeel is het nalaten door de werknemers van [eiseres] om enige controle uit te voeren of melding hiervan te doen onzorgvuldig. [Eiseres] is aansprakelijk voor dit onrechtmatig handelen van haar werknemers in de uitoefening van hun werkzaamheden (rov. 7.4.5).

2.9 [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Tegen [verweerder] is verstek verleend. [Eiseres] heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Het cassatieberoep zet op twee kwesties in. Het eerste onderdeel bestrijdt met een reeks klachten - kort gezegd - 's Hofs oordeel dat [verweerder] zijn vordering mede op art. 6:170 BW heeft gebaseerd. Het tweede bindt met een reeks klachten de strijd aan tegen de verwerping van het beroep op verjaring.

3.2 De onderdelen I.a - I.e stellen - naar de kern genomen - de vraag aan de orde of [verweerder] zijn vordering jegens [eiseres] mede had gegrond op nalaten van de werknemers van [eiseres], in plaats van alleen op de artikelen 6:173 en 6:174 BW.

3.3 Ter beoordeling van deze kernklacht is nodig stil te staan bij de - het kan [eiseres] aanstonds worden toegegeven - niet door helderheid en uitvoerigheid uitmuntende stellingen van [verweerder].

3.4 In de inleidende dagvaarding (onder 9) voert [verweerder] aan:

"Daarbij is nog van belang te vermelden, dat werknemers enige dagen vóór de explosie bij [eiseres] geklaagd hadden over een gaslucht, maar met die melding is blijkbaar niets gedaan."

3.5 In de cva antwoordt [eiseres] (onder 4):

"Het is mogelijk dat de werknemers van AEM B.V. destijds een mededeling omtrent gaslucht hebben gedaan, maar leidinggevenden van [eiseres] achten het onwaarschijnlijk (zij herinneren zich het niet) dat zodanige mededeling omtrent een gaslucht aan hen is gedaan resp. hen heeft bereikt."

3.6 In cvr betoogt [verweerder] (onder 12):

"Enige dagen vóór de explosie hebben mensen bij [eiseres] geklaagd over gaslucht. Met die mededeling is niets gedaan. Leidinggevenden van [eiseres] achten het onwaarschijnlijk dat hen die mededeling heeft bereikt. Dit lijkt niet zo relevant, meer spreekt dat er diverse betrokkenen zijn die bevestigen dat er over gaslucht is geklaagd vóór het ongeval."

3.7 Bij pleidooi heeft mr Stollenwerck namens [verweerder] aangevoerd (blz. 3):

"In dat laatste kader zou ik nog willen aanvoeren - zo nodig dient uw Rechtbank ook de rechtsgronden aan te voeren - dat [eiseres] ook aansprakelijk is te houden als werkgever. Ik verwijs naar bladzijde 11 van het rapport van de Arbeidsinspectie zoals dat door [eiseres] bij conclusie van antwoord in het geding is gebracht. Als de inspecteur de mogelijke oorzaak toelicht maakt hij melding van het ook door mij in de processtukken gesignaleerde gegeven, dat werknemers van AEM bij mensen van [eiseres] hebben geklaagd over een gaslucht in het ketelhuis en het trapgat. [Eiseres] zegt, dat haar deze mededeling niet bereikt heeft, maar dat lijkt niet zo relevant. Dat is dan toe te rekenen aan een fout van haar eigen werknemers en daarvoor is zij ook risico-aansprakelijk.

Anders gezegd: indien de werknemers van [eiseres] de klacht over de gaslucht tijdig aan de directie hadden gemeld, zou de directie van [eiseres] ongetwijfeld maatregelen hebben kunnen nemen en was dit ongeval wellicht voorkomen. Dus ook op die basis houdt mijn cliënt [eiseres] aansprakelijk" (cursivering toegevoegd).

3.8.1 Het vonnis van de Rechtbank rept niet van de zoëven weergegeven stellingen. Zij maakt onder het hoofdje "De vorderingen en stellingen van [verweerder]" slechts melding van de artikelen 6:173 en 174 BW als grondslag van [verweerder]' vordering (blz. 3).

3.8.2 Onder het kopje "De vaststaande feiten" had de Rechtbank eerder vastgesteld dat enige dagen vóór de explosie werknemers van AEM bij [eiseres] hebben geklaagd over een gaslucht, met welke melding niets is gedaan (blz. 2). Naar valt aan te nemen omdat de Rechtbank meende dat het hier, in het licht van het partijdebat, ging om een ter zake dienend feit.

3.8.3 De Rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering. Immers acht zij het beroep op verjaring geslaagd (blz. 9).

3.9 In de mvg (blz. 9 achter de eerste punt) komt [verweerder] opnieuw terug op de melding van de gaslucht:

"Er was blijkbaar al sprake van een gaslucht maar niemand heeft daar iets aan gedaan. De gaslucht duidt uiteraard op een gaslek en als aan die gaslucht wel aandacht was besteed dan was dit arbeidsongeval simpelweg niet gebeurd!"

3.10 Onderdeel I.a richt zich tegen rov. 7.2, 7.4.2 en 7.4.5. In rov. 7.2 oordeelde het Hof dat [verweerder] zijn vordering jegens [eiseres] onder meer heeft gegrond op (i) schending van haar zorgplicht als hulppersoon van zijn werkgever ex art. 6:658 BW(9) en (ii) nalaten van haar werknemers. In rov. 7.4.2 oordeelde het Hof dat [verweerder] blijkens de mvg de intentie had om het geschil in volle omvang aan het Hof voor te leggen. In rov. 7.4.5 gaat het Hof nader in op de gevolgen van het niet reageren op de klachten over een gaslucht.

3.11 Het onderdeel bestrijdt met een rechts- en motiveringsklacht 's Hofs oordeel dat [verweerder] zijn vordering op de onder 3.10 genoemde grondslag(en) heeft gebaseerd.

3.12 Voor zover het onderdeel zich richt tegen 's Hofs oordeel dat [verweerder] zijn vordering mede heeft gegrond op (naar 's Hofs kenneljke bedoeling) art. 7:658 BW, heeft [eiseres] bij deze klacht geen belang. Het Hof heeft [verweerder]' vordering op deze grond immers niet toegewezen (rov. 7.3.2).

3.13 Voor zover het onderdeel zich richt tegen 's Hofs oordeel dat [verweerder] zijn vordering heeft gegrond op nalaten van de werknemers van [eiseres] - zoals nader uitgewerkt in rov. 7.4.5 - is het tevergeefs voorgesteld. De uitleg van de gedingstukken is in beginsel voorbehouden aan het oordeel van de feitenrechter. In het licht van het hiervoor onder 3.4 - 3.7 (en in appèl 3.9) geciteerde debat tussen partijen is 's Hofs oordeel dat [verweerder] zijn vordering mede heeft gegrond op nalatigheid van de werknemers van [eiseres] onjuist noch onbegrijpelijk.

3.14 Het onderdeel werpt ten slotte nog in de strijd dat de Rechtbank de door het Hof omarmde grondslag van [verweerder]' vordering niet heeft genoemd en dat daartegen geen grief is gericht.

3.15 M.i. moet het vonnis van de Rechtbank niet zo worden begrepen dat zij op blz. 3 een uitputtende beschrijving heeft gegeven van de grondslag van de vordering. Ook het Hof heeft het vonnis klaarblijkelijk aldus gelezen. Dat ligt ook voor de hand omdat de precieze grondslag in de benadering van de Rechtbank geen rol speelde; immers heeft zij het verjaringsverweer gehonoreerd.

3.16.1 Dat van een uitputtende beschrijving geen sprake is, valt ook af te leiden uit het onder de vaststaande feiten vermelden van de klachten over een gaslucht en het niet reageren daarop; zie onder 3.8.2. Het vermelden van deze feiten wijst er duidelijk op dat deze, volgens de Rechtbank, voor een inhoudelijke beoordeling van het geschil van belang zouden zijn geweest.

3.16.2 Deze feiten - waarop het Hof een juridisch etiket heeft geplakt - zijn de basis voor de toewijzing van de vordering door het Hof. Daarbij stip ik aan dat [eiseres] in cassatie niet bestrijdt dat zij aansprakelijk is, als a) de vordering niet is verjaard en b) deze grondslag op toereikende wijze door [verweerder] onder zijn vordering is geschoven.

3.17 In het licht van het bovenstaande mist de klacht dat de Rechtbank zou hebben geoordeeld dat de vordering was beperkt tot de artikelen 6:173 en 6:174 BW dan ook feitelijke grondslag.

3.18 Ik kom daarmee niet toe aan de op zich juiste stelling van [eiseres] dat de appèlrechter gebonden is aan de feitelijke vaststelling door de Rechtbank van de grondslag van de eis wanneer daartegen geen grief is ontwikkeld.(10) De setting van de arresten waarin dit totnutoe is beslist, is evenwel niet geheel identiek aan de onderhavige. Anders dan in de aan die arresten ten grondslag liggende casus gaat het hier om een geval waarin de rechter in eerste aanleg aan een inhoudelijk oordeel over de vordering niet is toegekomen en in verband daarmee allicht meende te kunnen volstaan met een summiere vermelding van de grondslagen.(11)

3.19 De onderdelen I.b en I.c lezen het bestreden arrest aldus dat het Hof heeft gemeend dat [verweerder] tegen de weergave door de Rechtbank van de grondslag van zijn vordering een afzonderlijke grief heeft gericht.

3.20 De beide onderdelen zijn gebaseerd op een verkeerde lezing van het arrest en missen daarom feitelijke grondslag. Zoals hiervoor al werd vermeld, heeft de Rechtbank niet geoordeeld dat de vordering slechts was gebaseerd op de artikelen 6:173 en 6:174 BW. Na gegrondbevinding van de tegen haar verjaringsoordeel gerichte grief, was het Hof daarom gehouden om de vordering, zoals deze kennelijk ook door de Rechtbank is verstaan, te beoordelen.

3.21 Zou rov. 7.4.1 evenwel zo moeten worden gelezen dat het Hof in de mvg een grief tegen de - volgens [verweerder] - beperkte omschrijving van de grondslag van zijn vordering heeft gelezen, dan zou dat oordeel m.i. de toest der cassatiekritiek kunnen doorstaan, gezien het feitelijke karakter van zulk een oordeel. Het Hof zou zo'n grief met name hebben kunnen deduceren uit de in iedere andere lezing zinledige hiervoor onder 3.10 weergegeven stelling.

3.22 De beide onderdelen I.d(12) veronderstellen dat [verweerder] de grondslag van zijn eis bij mvg heeft vermeerderd.

3.23 Ook deze onderdelen falen omdat zij feitelijke grondslag ontberen.

3.24 Onderdeel I.e gaat ervan uit dat het Hof (i) niet gebonden was aan de interpretatie en vaststelling door de Rechtbank van de feitelijke grondslag van de eis en (ii) geacht moet worden in de stukken van de eerste aanleg de op art. 6:170 BW gestelde vordering te hebben gelezen. Het verwijt het Hof een onbegrijpelijke uitleg te hebben gegeven aan de stukken in eerste aanleg, dan wel eraan voorbij te zijn gegaan dat voor eisvermeerdering een akte is vereist.

3.25 Ook deze klacht mist feitelijke grondslag voor zover zij is gegrond op de onder 3.24 (i) genoemde veronderstelling. Zij faalt voor het overige omdat van een onbegrijpelijke uitleg van de dingtalen geen sprake is; zie onder 3.4 - 3.13.

3.26 Het tweede onderdeel richt zich tegen rov. 7.4.3 waarin het Hof de grief tegen het honoreren van het beroep op verjaring honoreert:

"7.4.3. De rechtbank heeft het verweer van [eiseres] dat de vorderingen jegens haar zijn verjaard gegrond geoordeeld, omdat [eiseres] reeds bij brief d.d. 13 juni 1994 door [verweerder] aansprakelijk is gesteld, waarna de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW is aangevangen en niet voor 13 juni 1999 is gestuit.

[Verweerder] wijst erop dat hij destijds alle betrokkenen aansprakelijk heeft gesteld, maar nog onvoldoende omtrent de toedracht van het ongeval en de mogelijke aansprakelijke personen wist, om gericht een vordering in te stellen. Pas door de ontvangst van het rapport van de arbeidsinspectie d.d. 13 februari 1996 kon hij bekend zijn met de aansprakelijke personen.

Het hof oordeelt de grief gegrond. Pas door de ontvangst van het rapport van de arbeidsinspectie d.d. 14 februari 1996 kon hij redelijkerwijs beslissen omtrent het instellen van een rechtsvordering. De korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW ving derhalve pas na 14 februari 1996 aan. [Verweerder] heeft [eiseres] derhalve tijdig gedagvaard."

3.27 De onderdelen II.a en II.b klagen erover dat het Hof niet is ingegaan op een essentiële stelling van [eiseres]. Te weten dat [verweerder] door middel van een brief van AEM d.d. 18 mei 1994 reeds kennis heeft gekregen van de aansprakelijke persoon. In de brief van [verweerder]' advocaat d.d. 13 juni 1994 verwijst laatstgenoemde naar het bestaan van deze brief van AEM.

3.28 Daargelaten of mogelijk aanwezige kennis van de rechtshulpbezorger van [verweerder] hier gewicht in de schaal zou kunnen leggen,(13) lopen deze klachten hierop stuk dat:

a. het betoog in appèl waarop beroep wordt gedaan niet goed begrijpelijk is;

b. de betrokken brief van AEM niet in geding is gebracht zodat het Hof deze bezwaarlijk in zijn beschouwingen kon betrekken.

c. [eiseres] ervoor heeft gekozen eerst bij mva een - naar zij stelt - microfiche van de ten dele onleesbare brief aan Boka over te leggen.(14) Zij heeft het aldus aan zich zelf te wijten dat zich geen inhoudelijk debat over deze brief heeft (kunnen) ontspinnen.(15)

3.29 Volgens onderdeel II.a zou de brief van AEM melding maken van gaslucht. De hierop voortbouwende klacht faalt omdat sprake is van een novum én omdat deze stelling niet valt te beoordelen zonder kennisneming van de brief. Deze bevindt zich, als gezegd, niet bij de stukken.

3.30 [Eiseres] ziet dit vermoedelijk anders. Zij begrijpt de mvg (vooral, zo neem ik aan, blz. 8 in fine/9 bovenaan) aldus dat [verweerder] zelf aangeeft dat in de brief van AEM wordt gerept van de gaslucht.

3.31 De uiteenzetting in de mvg kán inderdaad zo worden gelezen. Een andere lezing is evenwel zeer wel mogelijk. In die laatste lezing slaat het woordje "Daarin" niet terug op de brief maar op het in dezelfde alinea genoemde rapport van de arbeidsinspectie.

3.32 De thans door [eiseres] verdedigde opvatting dat in de brief van AEM sprake was van een gaslucht heeft [eiseres] in de mva niet vertolkt. Het Hof heeft de uiteenzetting in de mvg klaarblijkelijk niet gelezen op de thans door [eiseres] verdedigde wijze. Dat brengt mee dat het Hof niet nader op deze kwestie in behoefde te gaan.

3.33 Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van bedoelde microfiche(16) biedt deze geen steun voor het betoog van [eiseres]. Voor zover leesbaar wordt in de brief aangegeven dat de aansprakelijkheid van [eiseres] wordt gezocht in de ondeugdelijkheid van de installatie. Dat is evenwel niet de grond waarop het Hof de vordering heeft toegewezen.

3.34 Voor zover de s.t. (met name onder 18) nog meer of klachten formuleert, moeten deze blijven rusten. In het middel zijn ze niet te lezen.

3.35 Onderdeel II.b - dat blijkens de s.t. onder 22 slechts ondersteunende betekenis heeft - faalt. Dat behoeft in het licht van hetgeen de Rechtbank op blz. 8 overweegt geen toelichting. Nog daargelaten dat het belang van deze klacht niet goed duidelijk is.

3.36 Onderdeel II (eerste) c klaagt erover dat het Hof zijn oordeel dat de vordering niet is verjaard onvoldoende heeft gemotiveerd door niet in te gaan op de door [eiseres] aan de orde gestelde vraag waarom [verweerder] eerst met ontvangst van het rapport van de arbeidsinspectie de rechtens vereiste bekendheid verkreeg. Daarbij wordt erop gewezen dat uit de aansprakelijkstelling van 13 juni 1994 zou blijken dat [verweerder] toen daadwerkelijk in staat was een vordering tegen [eiseres] in te stellen.

3.37 Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

3.38 Immers heeft het Hof aangegeven dat [verweerder] pas na dit rapport van de arbeidsinspectie redelijkerwijs kon beslissen over het instellen van een vordering (tegen [eiseres]). Zulks omdat in dit rapport de toedracht zo goed mogelijk werd vastgesteld en de "diverse hoedanigheden" van de potentiële laedentes duidelijk werden (rov. 7.4.3).

3.39 Voor 's Hofs oordeel pleit de navolgende passage uit het (gedeelte van het) rapport van de arbeidsinspectie dat door [eiseres] bij cva in geding is gebracht:

"Het hierboven beschreven ongeval is erg gecompliceerd wat betreft het aantal betrokken werknemers, het aantal betrokken firma's en de diverse mogelijke oorzaken van de explosie. Naarmate het ongevalsonderzoek vorderde kwam ik steeds weer op nieuwe firma's die ook een rol in het geheel vormden. (...) Het ongeval [was] niet meer in detail te reconstrueren. Om tot een zorgvuldig ongevalsonderzoek te komen is geruime tijd nodig om alle stukjes in elkaar te passen" (blz. 8).

3.40 De stelling die [eiseres] thans ingang wil doen vinden, is ook niet aannemelijk omdat:

a. zij zelf in de cva onder 8 en 9 heeft aangegeven evenmin precies te weten waardoor het ongeval is veroorzaakt. Dit ondanks het inmiddels beschikbare rapport van de arbeidsinspectie en van de door haar zelf ingeschakelde expert;

b. het Hof de lezing van [eiseres] van de hand heeft gewezen. Dat oordeel wordt niet bestreden.

3.41.1 Het onderdeel behelst geen rechtsklacht. Daarop behoeft dan ook niet te worden ingegaan. Ten overvloede sta ik toch kort stil bij wat in feite de kern is van de verjaringsvraag:

speelt een aansprakelijkstelling de benadeelde parten ook dan wanneer hij op het tijdstip van verzending ervan nog onvoldoende concrete feiten had om een vordering op te baseren?

3.41.2 Omdat in de onderhavige zaak nauwelijks een feitelijk kader is voor beoordeling(17), een betekenisvolle discussie over de juridische merites van deze kwestie achterwege is gebleven en het middel op dit punt geen rechtsklacht vertolkt, verdient het m.i. de voorkeur geen algemene regels te formuleren.

3.42 Op de zojuist genoemde belangwekkende rechtsvraag is trouwens geen zwart wit antwoord mogelijk. Het zal m.i. afhangen van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Alvorens daarop kort nader in te gaan, lijkt goed kort stil te staan bij de vraag waarop het bij bekendheid in de zin van art. 3:310 lid 1 BW aankomt.

3.43 Bekendheid in de zin van art. 3:310 lid 1 BW betekent: daadwerkelijke bekendheid. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade is niet voldoende. De termijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van zijn schade in te stellen.(18)

3.44 Wanneer door de (appèl)rechter de juiste maatstaf wordt toegepast, zal de vraag of sprake is van daadwerkelijke bekendheid een hoog feitelijk gehalte hebben.

3.45 's Hofs oordeel dat [verweerder] in 1994 nog onvoldoende feiten ter beschikking stonden om een rechtsvordering in te stellen, is in het licht van het voorafgaande(19) allerminst onbegrijpelijk.

3.46 De gedachte dat de enkele bekendheid met de mogelijkheid dat een bepaalde persoon aansprakelijk zou kunnen zijn voldoende is om de verjaringstermijn een aanvang te doen nemen, is m.i. niet juist.(20) In een dergelijke situatie zijn er immers (veelal) nog onvoldoende aanknopingspunten om (met enige kans op succes) een vordering in te stellen.(21)

3.47 De stelling dat de termijn van art. 3:310 lid 1 BW zou gaan lopen enkel en alleen door een aansprakelijkstelling zou ik niet voor mijn rekening willen nemen. In de eerste en belangrijkste plaats omdat zij niet strookt met de benadering van Uw Raad zoals hiervoor onder 3.43 verwoord.

3.48.1 Daar komt bij dat zo'n aansprakelijkstelling zeer wel kan zijn geschreven door een niet juridisch geschoolde hulpverlener (zoals een goedwillende kennis of buurman) die zich allicht de mogelijke gevolgen van zo'n stuk niet bewust is. Dat is zeker niet zonder meer anders wanneer zij wordt verstuurd door een (gediplomeerde) rechtshulpverlener. Ook zulk een persoon zal, naar de onderhavige zaak lijkt te illustreren, zich van die mogelijke gevolgen evenmin steeds bewust zijn.(22)(23)

3.48.2 In het Saelman-arrest heeft Uw Raad geoordeeld dat de verkorte verjaringstermijn niet alleen in het teken staat van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid.(24) Een vordering op grond van verjaring in rook doen opgaan als gevolg van een allicht niet in alle consequenties doordachte brief (aansprakelijkstelling) van een hulpverlener is in het algemeen onbillijk. De rechtszekerheid kán daarmee in voorkomende gevallen zijn gediend, maar dat is geenszins zonder meer en steeds het geval.

3.49.1 De door [eiseres] - zij het niet in de vorm van een rechtsklacht - verdedigde stelling zou, ontdaan van alle franje, de laedens een onverdiend voordeel in de schoot werpen. Zeker in een situatie waarin hij weet of redelijkerwijs kan weten dat de benadeelde op het moment van de verzending van de aansprakelijkstelling nog niet over voldoende feiten beschikt om te kunnen beoordelen of daadwerkelijk een vordering kan worden ingesteld.

3.49.2 Ik kan het ook anders zeggen: waarom zou de laedens ten koste van de benadeelde mogen profiteren van (uit juridisch oogpunt) eventuele onhandigheid van degene die zich heeft opgeworpen als (rechts)hulpbezorger van de benadeelde? Deze vraag heeft voor mij een hoog retorisch gehalte.

3.50 Ten slotte teken ik nog aan dat [eiseres] (die klaarblijkelijk tegen wettelijke aansprakelijkheid is verzekerd bij Aegon)(25) niet heeft aangegeven dat en waarom de door het Hof aanvaarde opvatting voor de praktijk problematisch zou zijn. Dat valt ook niet aanstonds in te zien.

3.51 Het tweede onderdeel II.c klaagt er in de eerste plaats over dat het Hof heeft miskend dat indien de schuldeiser diens debiteur "formeel en zich bekend noemende met de later aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten, aansprakelijk heeft gesteld" op hem de stelplicht en de bewijslast rust ten aanzien van zijn latere stelling dat hij ten tijde van de aansprakelijkstelling niet beschikte over de bekendheid welke de verjaringstermijn doet aanvangen.

3.52 Ten aanzien van de (verdeling van de bewijslast omtrent de vaststelling van de) bekendheid met de aansprakelijke persoon als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW heeft Uw Raad het volgende overwogen:

"Aangenomen moet worden dat, mede gelet op de tekst van deze bepaling, het criterium "bekend is geworden" subjectief moet worden opgevat. Het komt er dus op aan dat degene die zich op voormelde verjaringstermijn beroept, stelt en zonodig bewijst dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. Dat neemt evenwel niet weg dat de rechter, indien de benadeelde zulks betwist, die bekendheid zal kunnen afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden. De rechter zal in een zodanig geval tot de slotsom kunnen komen dat op grond van die feiten en omstandigheden voorshands, dat wil zeggen behoudens door de benadeelde te leveren tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de tekortkoming."(26)

3.53 Uit dit arrest volgt dat de stelplicht en bewijslast in beginsel op de schuldenaar rust. Hij zal moeten aangeven dat en waarom de vordering is verjaard.

3.54 [Eiseres] is op dit punt in lapidaire stellingen blijven steken. Een - volgens haar - relevant stuk heeft zij eerst bij mva overgelegd. Een ander in haar ogen ter zake dienend stuk is niet in geding gebracht; zie onder 3.28. Evenmin heeft [eiseres] erop aangedrongen dat dit door [verweerder] in geding zou worden gebracht omdat zij er zelf niet over beschikte. M.i. is daarom zeer de vraag of [eiseres] aan haar stelplicht heeft voldaan.

3.55 Hoe dit zij, uit het onder 3.52 geciteerde arrest volgt dat zich omstandigheden kunnen voordoen waaruit bekendheid van de benadeelde wordt afgeleid. Het is m.i. niet onmogelijk dat zij in voorkomende gevallen uit een aansprakelijkstelling kan worden afgeleid. Maar dat is zeker geen wet van meden en perzen, afhankelijk als zulks is van de (waardering van de) feiten en omstandigheden in een concreet geval.

3.56 De algemeen geformuleerde rechtsregel waarop het onderdeel is gestoeld, is daarom onjuist. Mr. Van der Woude ziet dat blijkens haar s.t. onder 25 trouwens ook in. De primaire klacht loopt hierop stuk.

3.57 Ten overvloede teken ik nog aan dat de klacht vertrekt van een verkeerde feitelijke grondslag. Immers is het stuk dat door [eiseres] wordt aangeduid als de aansprakelijkstelling van 13 juni 1994, voor zover leesbaar, niet gestoeld op de feiten waarop het Hof aansprakelijkheid heeft gebaseerd.

3.58 Subsidiair stelt het onderdeel dat onbegrijpelijk is dat het Hof niet is uitgegaan van een vermoeden dat [verweerder] in elk geval op 13 juni 1994 beschikte over de bekendheid waarop in art. 3:310 lid 1 BW wordt gedoeld.

3.59 Deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Immers wordt niet onthuld waarop het Hof dit vermoeden had moeten baseren.

3.60 Ten overvloede nog het volgende. Hiervoor werd reeds gesignaleerd dat:

a) het rapport van de arbeidsinspectie eerst in 1996 beschikbaar was;

b) de feitelijke situatie volgens dit rapport zéér gecompliceerd was;

c) [eiseres], na het beschikbaar komen van dit rapport en een door haar zelf geïnitieerd rapport van een deskundige, ook in deze procedure niet nauwkeurig en stellig heeft kunnen aangeven wat de oorzaak van het ongeval was;

d) het Hof de lezing van [eiseres] niet heeft gevolgd; 's Hofs oordeel is in zoverre niet bestreden.

3.61 Bij deze stand van zaken is allerminst merkwaardig dat het Hof geen vermoeden in de onder 3.52 bedoelde zin heeft aangenomen.

3.62 Ook deze klacht faalt dus.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 In deze zaak is tegen [verweerder] verstek verleend. Hij heeft daarom niet op versnelde behandeling kunnen aandringen. Uit het pleidooi van zijn raadsman in prima (pleitnota blz. 4) valt af te leiden - het ligt voor de hand - dat [verweerder] lijdt onder deze procedure en hetgeen daaraan vooraf is gegaan. Mede gezien de aard van de vordering en de omstandigheid dat het gaat om een ongeval dat in mei 1994 plaatsvond, wordt heden bij vervroeging geconcludeerd.

2 Dit feitenoverzicht is wellicht uitvoeriger dan strikt noodzakelijk. In het kader van het beroep op verjaring - één van de twee poten van het cassatieberoep - zou van belang kunnen zijn dat sprake was van een heel ondoorzichtige situatie (de kernstelling van [verweerder] op dit punt). De onder 1 weergegeven feiten illustreren dat. Daarom worden ze hier alle vermeld.

3 Rov. 7.4.5.

4 In elk geval was hij dat ten tijde van het wijzen van 's Hofs arrest.

5 Cvr onder 12.

6 Zie ook het vonnis van de Rechtbank onder verloop van de procedure.

7 Ik ga voorbij aan het voegingsincident. In cassatie speelt dat geen rol.

8 In de procesmap bevindt zich ook nog de mva van [A]. Ook daarop heb ik geen acht geslagen.

9 Het Hof heeft daarmee - blijkens rov. 7.3.2 - bedoeld art. 7:658 BW.

10 O.m. HR 24 april 1981, NJ 1981, 494 WHH, impliciet herhaald in HR 1 februari 1991, NJ 1991, 598; HR 28 februari 1992, NJ 1992, 355 en HR 6 februari 2004, NJ 2004, 271.

11 Als gezegd blijkt uit het vonnis voldoende duidelijk dat de Rechtbank de vordering niet zo beperkt heeft opgevat als [eiseres] meent.

12 Blijkens de s.t. onder 15 moeten deze laatste twee onderdelen luiden I.e (i.p.v. het tweede I.d) en I.f (i.p.v. I.e).

13 Vgl. J.L. Smeehuijzen, WPNR 6572 (2004) blz. 253 en 255, welke beschouwingen in tegengestelde richting lijken te wijzen; en Asser-Hartkamp I (2004) nr 664.

14 Zie mva onder 14.

15 Ik veronderstel dat [eiseres] aanvankelijk meende dat de brief niet behulpzaam voor haar standpunt was en dat zij hem daarom niet aanstonds heeft overgelegd.

16 Opmerkelijk is dat deze in de linkerbovenhoek prominent AEGON Verzekeringen vermeldt, terwijl sprake zou zijn van een brief van mr Stollenwerck. Z.E.G. verstuurt zijn brieven allicht niet op AEGON-briefpapier. Ik heb evenwel geen reden aan te nemen dat het niet zou gaan om een microfiche van een brief van mr Stollenwerck.

17 Immers is niets concreets bekend over hetgeen [verweerder] in 1994 al wist, al wijst alles er op dat hij toen nog geen (voor het instellen van een vordering toereikend) inzicht had, noch ook kon hebben in de feitelijke situatie. Partijen hebben ervoor gekozen om mogelijk relevante stukken, zoals de brief van AEM en de verklaring van [verweerder] tegen de arbeidsinspectie niet in geding te brengen. Uit blz. 1 van het bij cva overgelegde gedeelte van dat rapport blijkt dat die verklaring wél bestaat.

18 HR 31 oktober 2003, RvdW 2003, 169 rov. 3.4, waarin ook eerdere rechtspraak wordt vermeld; HR 26 november 2004, RvdW 2004, 134 rov. 3.4.

19 3.38-3.40.

20 Zie onder meer HR 31 oktober 2003, RvdW 2003, 169 en Smeehuijzen, WPNR 6572 blz. 254 r.k. en 258 r.k.

21 Smeehuijzen heeft er met juistheid op gewezen dat het moet gaan om voor het geldend maken van de vordering "relevante feiten in het algemeen"; WPNR 6572 blz. 252. In 1994 waren deze feiten nog niet bekend; in elk geval is niet gesteld of gebleken dat zulks anders zou zijn. Het is ook heel onaannemelijk.

22 Ik laat andermaal in het midden of de eventuele bekendheid of kennis van de hulpverlener wel van belang is.

23 Het is zeker niet onmogelijk dat degene die de aansprakelijkstelling verstuurt in een concreet geval (en ook in casu) veronderstelt dat ruim binnen de verjaringstermijn voldoende feiten beschikbaar zullen komen om een vordering in te stellen.

24 HR 31 oktober 2003, RvdW 2003, 169 rov. 3.4.

25 Zie onder 3.33.

26 HR 6 april 2001, NJ 2002, 383 rov. 3.4.2; zie ook Vermogensrecht (Koopmann) art. 310 aant. 3.5.