Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV4179

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
01814/05
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2005:AS5816
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV4179
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Meld Misdaad Anoniem. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat (i) de regiopolitie Amsterdam/Amstelland op 14-5-03 MMA-informatie heeft gekregen die op die dag aan MMA telefonisch (anoniem) was meegedeeld, inhoudende ‘dat in de […]-straat 10 te Bos en Lommer Amsterdam drugs, wapens en geld aanwezig zijn’; (ii) deze informatie, die door de politie is vergeleken met gegevens van een lopend onderzoek naar de handel in verdovende middelen, aanleiding heeft gegeven tot het op diezelfde dag binnentreden en doorzoeken van de woning aan de […]-straat 10-hs te Amsterdam; (iii) MMA de aanduiding is van een telefoonlijn (een zogenoemde kliklijn) die door de Stichting Meld Misdaad Anoniem in stand wordt gehouden en die de mogelijkheid biedt tot anonieme melding van informatie over ernstige misdrijven; (iv) het bestuur van de stichting in ieder geval wordt gevormd door personen die zijn voorgedragen door het ministerie van Justitie, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Raad van Hoofdcommissarissen en het Verbond van Verzekeraars, met wie de stichting samenwerkt en van wie zij jaarlijks financiële bijdragen ontvangt. Vooropgesteld moet worden dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de politie anonieme informatie gebruikt als startinformatie voor een opsporingsonderzoek. Mede gelet hierop getuigt ‘s hofs oordeel dat het gebruik van de MMA-informatie i.c. niet in strijd is met art. 6 EVRM dan wel met de beginselen van een behoorlijke procesorde, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen ‘s hofs vaststelling dat de juistheid van die informatie door de politie is getoetst en onderbouwd met nadere onderzoekgegevens, alsmede de omstandigheid dat het hof de informatie niet voor het bewijs heeft gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2006, 346
JOL 2006, 371
RvdW 2006, 628
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 01814/05

Mr. Wortel

Zitting:28 februari 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker, voor zover de zaak aan het oordeel van het Hof was onderworpen, wegens (1) "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", (2) "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod", (3) "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan ten aanzien van een wapen van categorie II, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan ten aanzien van een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd" en (4) "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, met bijkomende beslissingen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.

2. Namens verzoeker heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. Het eerste middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard dient te worden voor zover het gaat om het onder 2 tenlastegelegde feit, althans verzoeker ter zake van dat feit vrijgesproken dient te worden wegens onrechtmatige bewijsgaring.

4. Naar aanleiding van dat verweer heeft het Hof uitvoerige overwegingen gegeven. Ik vat ze samen.

4.a. Het onderzoek naar het betreffende feit is begonnen naar aanleiding van een melding die is binnengekomen bij "Meld Misdaad Anoniem" (MMA).

Het Hof is (evenals de raadsman) van oordeel dat het gebruik, als aanleiding van het onderzoek, van de bij MMA binnengekomen anonieme melding neerkomt op de toepassing van een opsporingsmethode. MMA is immers een "publiek/privaat samenwerkingsverband", waarmee wordt beoogd bij te dragen aan de opsporing van strafbare feiten door het exploiteren van een telefoonlijn en het doorgeven van de informatie die in de vorm van anonieme meldingen via deze telefoonlijn wordt verkregen.

4.b. Het ter beschikking van de politie komen van de door MMA vastgelegde meldingen, en het gebruik van die informatie, vindt een rechtsgrond in art. 2 Politiewet 1993.

4.c. Er is een proces-verbaal beschikbaar waarin een opsporingsambtenaar heeft gerelateerd op welke wijze de melding is getoetst en met aanvullende gegevens onderbouwd. De wijze waarop de betrouwbaarheid van de anoniem gegeven inlichtingen werd geverifieerd kan de verdediging in zoverre controleren. De enkele omstandigheid dat (uitzonderingen daargelaten) de melder zelf inderdaad anoniem blijft en dus niet als getuige kan worden gehoord brengt niet mee dat het gebruik van de door MMA doorgegeven melding onverenigbaar is met art. 6 EVRM, en evenmin dat het gebruik van deze informatie strijdig is met beginselen van een behoorlijke procesorde.

4.d. De inhoud van de door MMA doorgegeven melding (dat er in een nader aangeduid perceel drugs, wapens en geld aanwezig waren) is opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen. In dat proces-verbaal is verder uiteengezet dat de melding is vergeleken met de resultaten van een al lopend onderzoek, waarin werd vastgesteld dat een ten name van verzoeker staande personenauto een maand tevoren in de betreffende straat is geweest; dat een jaar eerder een onderzoek had gelopen (en in verband met onvoldoende capaciteit gestaakt) naar aanleiding van een CIE-melding dat verzoeker en een andere persoon zich bezig hielden met de uitvoer van drugs, waarbij is vastgesteld dat verzoeker contact had met zekere [medeverdachte 1] (die later bleek de bewoner te zijn van de door de anonieme melder genoemde woning), en dat ook in het nog lopende onderzoek bij het afluisteren van telefoongesprekken is gebleken dat verzoeker en [medeverdachte 1] regelmatig contact hadden, waarbij soms kennelijk versluierende taal is gebruikt.

4.e. Op grond van al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, verwerpt het Hof deze stelling dat de door MMA doorgegeven melding niet kon bijdragen aan de verdenking die toereikende grond vormde om de woning binnen treden en te doorzoeken.

Het subsidiaire, op bewijsuitsluiting gerichte, verweer kan bovendien niet slagen omdat verzoeker niet de bewoner van de betreffende woning was zodat - indien al aangenomen zou moeten worden dat die woning onrechtmatig is betreden en doorzocht - verzoeker niet in enig te respecteren rechtsbelang kan zijn getroffen.

5. Eveneens samengevat wordt in de toelichting op het middel het volgende tegen deze overwegingen aangevoerd.

5.a. Terecht heeft het Hof geoordeeld dat het doorgeven en gebruiken van de bij MMA ontvangen anonieme melding een opsporingsmiddel is geweest, maar ten onrechte heeft het Hof aangenomen dat art. 2 Politiewet 1993 voor dat opsporingsmiddel een deugdelijke rechtsgrond biedt.

5.b. Betoogd wordt dat de "Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden" in belangrijke mate was gebaseerd op de aanbevelingen van de Parlementaire Enquetecommissie Opsporingsmethoden, welke aanbevelingen inhielden dat iedere opsporingsmethode van een deugdelijke wettelijke basis moet zijn voorzien, die de controleerbaarheid kan waarborgen. Hierbij zijn twee soorten van opsporingsmethoden onderscheiden die een specifieke wettelijke basis behoeven, te weten a) opsporingsmethoden die een inbreuk op grondrechten maken, en b) opsporingsmethoden die een groot risico voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing impliceren.

5.c. De steller van het middel meent dat in deze zaak aan de orde kan zijn geweest dat een burger bij de opsporing betrokken is geraakt, te weten degene die anoniem het MMA heeft gebeld. Voorts wordt gesteld dat deze bijdrage van een burger aan de opsporing gepaard gaat met grote risico's voor de integriteit en beheersbaarheid van die opsporing, aangezien de bij MMA gevolgde werkwijze meebrengt dat nimmer achterhaald zal kunnen worden wie de melding heeft gedaan. De MMA-medewerker kiest de bewoordingen waarin de melding wordt neergelegd en doorgegeven, waarna de opname van het telefoongesprek (nummermelding is daarbij uitgeschakeld) automatisch wordt vernietigd.

5.d. Er zal dus werkelijk nooit iemand gehoord kunnen worden met betrekking tot de betrouwbaarheid van de melder en diens informatie; procedurele waarborgen zoals die rond het vergaren en doorgeven van informatie door een Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), ontbreken hier.

Een en ander brengt zó veel onzekerheid rond de betrouwbaarheid van de door MMA doorgegeven informatie mee dat dit een onrechtmatig opsporingsmiddel genoemd moet worden zolang niet is voorzien in een nadrukkelijke wettelijke grondslag, die voorzieningen zal moeten bevatten om de betrouwbaarheid van een melding te kunnen vaststellen, desnoods door de melder (anoniem) te horen.

6. Een interessante poging om een bommetje onder Meld Misdaad Anoniem te leggen, maar naar mijn smaak tevergeefs.

In de toelichting op het middel worden enkele gegevens geponeerd, die veel minder zeker zijn dan wordt gesuggereerd.

Er wordt gesteld dat de "gebruikelijke wijze van incidentele anonieme informatievergaring [immers] door de CIE geschiedt". Ook wordt de stelling betrokken dat in de gevallen waarin burgers rechtstreeks de politie benaderen om anoniem informatie te geven, die opsporingsautoriteiten "zullen proberen de melder op te sporen teneinde meer informatie te verkrijgen en diens betrouwbaarheid te toetsen".

7. Het is, toegegeven, inmiddels meer dan tien jaar geleden, maar ooit was ik zelf officier van justitie en ik heb toen ook nog met het CID-bijltje gehakt. Er kan in tien jaar veel veranderd zijn, maar destijds was het bepaald niet zo dat incidentele anonieme meldingen "gebruikelijk" door de CID (nu CIE) werden verwerkt. De CID ging over bekende contacten. De daaruit verkregen informatie kon, afhankelijk van het betrouwbaarheidsoordeel van de CID-chef, in de gedaante van CID-informatie ter beschikking worden gesteld. Wat in de toelichting op het middel 'incidentele anonieme informatievergaring' wordt genoemd heette destijds gewoon 'anonieme tip', en die kon ook bij een district of wijkteam zijn binnengekomen. Dan werd daar beslist of er iets met de informatie te doen viel, na raadpleging van andere bronnen die een bevestiging zouden kunnen opleveren. Het was zeker geen regel dat de beoordeling of verwerking van zo'n tip altijd aan de CID overgelaten moest worden. Afgaande op de huidige Regeling voor Criminele Inlichtingen Eenheden (Stcrt. 12 oktober 2000, nr. 198) zie ik geen aanleiding om te veronderstellen dat het thans structureel anders ligt, vgl. de toelichting op art. 2 van deze Regeling.

De stelling dat politie-instanties die rechtstreeks een anonieme melding krijgen routineus zullen trachten de anonymus te achterhalen om diens betrouwbaarheid te onderzoeken (althans dat onderzoek mogelijk te maken) lijkt mij evenmin houdbaar. Nogmaals: ik ga af op mijn eigen ervaring van destijds, maar in ieder geval toen was dit geenszins een gebruikelijke praktijk. Alleen als er een bijzondere reden voor was werd moeite gedaan om de tipgever op te sporen. Doorgaans omdat iemand had bedacht dat het nuttig zou zijn om een voor het bewijs bruikbare verklaring op te nemen, of omdat de verdediging de positie van de tipgever in twijfel wist te trekken, maar vaak waren die nasporingen tevergeefs.

8. Uiteraard overschrijd ik met deze ontboezemingen uit eigen ervaring royaal de grenzen van het cassatieonderzoek, doch ik poog zodoende enig tegenwicht te bieden aan de toelichting op het middel, waarin die grenzen evenzeer worden overschreden: er worden met stelligheid feiten gepresenteerd die het Hof niet heeft vastgesteld en die overigens niet van algemene bekendheid zijn.

De enige ervaringsregel die hier als feit van algemene bekendheid kan meewegen is deze: het is een al lang bekend verschijnsel dat opsporingsambtenaren informatie krijgen van tipgevers die verder buiten beeld willen blijven, en daar veelal ook in slagen, en dan rijst de vraag of de anonimiteit van de informatieverstrekker er aan in de weg staat de tip te laten meewegen bij de beslissing of er voldoende verdenking is om een bijzondere opsporingsbevoegdheid in stelling te brengen.

9. Dit is ten aanzien van het door de overheid gefinancierde "Meld Misdaad Anoniem" niet wezenlijk anders dan ten aanzien van de politiekorpsen en hun diverse afdelingen. Het verschil is gradueel. De door het Hof vastgestelde werkwijze van MMA garandeert dat een tipgever nooit valt te traceren, althans niet via dat MMA. Daarentegen is er een zekere kans dat een tipgever die rechtstreeks aan een politie-onderdeel heeft gemeld nog achterhaald kan worden, maar zeker is dat geenszins. Ten minste zal vereist zijn dat er bij de politie een telefoon is gebruikt die is aangesloten op een gespreksregistratie (en de opnamen niet inmiddels zijn gewist), terwijl de tipgever zo onverstandig moet zijn geweest zijn eigen telefoon te gebruiken.

10. De steller van het middel kan ik evenmin volgen in diens kennelijke gedachte dat "Meld Misdaad Anoniem" beschouwd moet worden als een opsporingsmethode waarbij een burger bij de opsporing betrokken raakt, een verschijnsel dat kritisch is bezien door de bovengenoemde Parlementaire Enquetecommissie en bij de parlementaire behandeling van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden. Daarbij is gedacht aan situaties waarin politie en Openbaar Ministerie bekend zijn, althans behoren te zijn, met het gedrag van de meewerkende burger in diens contacten met de verdachte en/of in verhouding tot het begaan van strafbare feiten. Dat is niet aan de orde bij het in ontvangst nemen en gebruiken van een tip die een anonymus eigener beweging geeft. Bijgevolg zie ik ook niet waarom dit "Meld Misdaad Anoniem", en de beslissing om de daardoor verkregen inlichtingen te gebruiken voor het starten of bijsturen van een onderzoek, een opsporingsmethode is die grote risico's voor de integriteit van de rechtshandhaving meebrengt.

11. Naar mijn inzicht heeft het Hof terecht aangenomen dat het taakstellende art. 2 Politiewet 1993 een toereikende rechtsgrond is voor het gebruik van dit opsporingsmiddel.

Het cassatiemiddel treft dus geen doel.

12. Het tweede middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat voor het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde feit geen betekenis mag worden toegekend aan de verklaringen van zekere [medeverdachte 4], aangezien deze persoon zijn verklaringen heeft afgelegd als uitvloeisel van "plea bargaining" in verband met diens eigen vervolging in de Verenigde Staten.

13. Naar aanleiding van dat verweer heeft het Hof overwogen dat het de verklaringen van deze [medeverdachte 4] met de nodige zorgvuldigheid heeft bezien; dat [medeverdachte 4] (direct) na zijn aanhouding de naam van een medeverdachte van verzoeker heeft genoemd, en in vervolgens afgelegde verklaringen telkens heeft volgehouden dat hij naar waarheid heeft verklaard omtrent zijn eigen betrokkenheid en die van verzoeker en die medeverdachte; dat al deze verklaringen consistent genoemd kunnen worden, hetgeen ook het geval is ten aanzien van een verklaring die [medeverdachte 4] in een rogatoir verhoor heeft afgelegd, aangezien niet onaannemelijk is dat [medeverdachte 4] bij die gelegenheid andere feiten heeft genoemd omdat hij zich, een jaar later, niet meer alle details kon herinneren.

Voorts heeft het Hof overwogen dat de enkele omstandigheid dat [medeverdachte 4] kort na zijn aanhouding verklaringen heeft afgelegd waarbij hij zijn eigen aandeel in de feiten zo klein mogelijk heeft willen maken niet zonder meer meebrengt dat diens later afgelegde verklaringen leugenachtig zijn, en evenmin het enkele feit van de "plea bargain" een aanwijzing geeft dat die verklaringen onjuist zijn.

Ten slotte heeft het Hof overwogen dat het aan de verklaringen van [medeverdachte 4] slechts ten aanzien van enkele punten van de tenlastelegging betekenis toekent, aangezien alleen op die punten bevestiging kan worden gevonden in het overige bewijsmateriaal.

14. Met deze overwegingen - waarin overigens besloten ligt dat de verdediging in de gelegenheid is geweest de getuige te (doen) ondervragen, namelijk bij diens verhoor krachtens rogatoire commissie - heeft het Hof op goede en begrijpelijke gronden vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder de door [medeverdachte 4] afgelegde verklaringen tot het bewijs kunnen bijdragen, vgl. HR NJ 1995, 683.

15. De beschouwingen in de toelichting op het middel omtrent praktijken en ontwikkelingen in de rechtspleging in de Verenigde Staten, die afbreuk zouden doen aan de betrouwbaarheid van verklaringen die in verband met 'plea bargaining' zijn afgelegd, gaan de grenzen van het onderzoek in cassatie te buiten.

16. Ook het tweede middel faalt derhalve.

17. In ieder geval het tweede middel leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,