Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV4161

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-03-2006
Datum publicatie
28-03-2006
Zaaknummer
01805/05
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2004:AR6032
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV4161
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Moord; voorbedachte raad. De klacht dat de bewezenverklaarde voorbedachte raad niet kan worden afgeleid uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 186
RvdW 2006, 343
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01805/05

Mr Machielse

Zitting 28 februari 2006 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 19 november 2004 voor 1 primair; moord en 2; verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar. Tevens heeft het hof gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld om van overheidswege te worden verpleegd. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Mr. F. Sieders, advocaat te Coevorden, heeft cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over het bewijs onder 1 van de voorbedachte raad. Het arrest van het hof bevat dienaangaande de volgende overwegingen:

"Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Het hof acht bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Het hof is tot dit oordeel gekomen op grond van de navolgende overwegingen.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan dat verdachte en het slachtoffer in dezelfde straat woonden en dat zij beiden gedurende een reeks van jaren in een relatief kleine gemeenschap vertoefden, waardoor de kans op wederzijdse herkenning als aanmerkelijk, in ieder geval aannemelijk moet worden ingeschat. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer herkende en er van op de hoogte was dat zij regelmatig in de vroege ochtend een zekere wandelroute volgde. Hij achtte het niet uitgesloten dat zij hem ook zou herkennen als zij hem op straat zou tegenkomen. Eveneens heeft verdachte gezegd dat hij wel eerder met de gedachte had gespeeld om het (latere) slachtoffer seksueel te benaderen. Zelfs de dag tevoren (13 februari 2003) was die gedachte bij hem opgekomen, hij had ook toen de schop meegenomen, en blijkens zijn verklaring bij de politie had hij "geluk" dat zij de bewuste dag (14 februari 2003) daar weer liep. Verdachte had die ochtend omstreeks 07.15 uur, na een ruzie met zijn vriendin, het huis verlaten en was met zijn auto vertrokken, na eerst de schop weer uit de schuur te hebben gehaald en in zijn auto te hebben gelegd.

Tegen de achtergrond van het voorgaande moet verdachte zich op zijn minst bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer hem herkende, toen hij haar met de auto op het fietspad van achteren naderde, de auto stilzette en het slachtoffer vroeg of zij seks met hem wilde hebben. Dat wilde ze niet, ze vond verdachtes voorstel "godslasterend". Het slachtoffer bevond zich toen, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, ergens aan de zijkant van het begin van het fietspad, op een plaats waar later de oorbel van het slachtoffer werd gevonden. Zij werd vervolgens door verdachte in de kofferbak van zijn auto "gedumpt". Verdachte heeft naar eigen zeggen ter terechtzitting in appèl toen (nog) geen gebruik gemaakt van een plastic zak. Het slachtoffer heeft verdachte derhalve reeds bij het eerste contact kunnen en wel moeten zien.

Het gevaar voor herkenning speelde voor verdachte een belangrijke rol. Tegenover de politie heeft hij steeds aangegeven dat hij meteen een plastic zak over het hoofd van het slachtoffer heeft getrokken, opdat zij hem niet zou zien. Het verschuiven van de zak van haar hoofd na de verkrachting, waardoor zij zijn gezicht had gezien, vormde voor hem de aanleiding de schop uit zijn auto te halen en haar daarmee te slaan. Voor dat slaan heeft hij eerder verschillende verklaringen gegeven, o.a. dat hij op die manier "haar geheugen wilde wissen". Ze zou dan niets meer weten van de verkrachting door verdachte. Eerst ter zitting van het hof is verdachte gekomen met een andere lezing, waarin de onverhoedse overval met de zak aan het begin van de gebeurtenissen niet meer voorkwam. Een lezing die het hof, mede gelet op de vondst van de oorbel, geloofwaardig acht.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte zich heeft gerealiseerd en op de koop toe heeft genomen dat hij zijn slachtoffer zou moeten doden als hij niet "gepakt" wilde worden. Ze had hem immers gezien en zou hem als dader kunnen identificeren. Dat wilde hij in geen geval, omdat de gevolgen voor hem dan niet te overzien zouden zijn.

Na het slachtoffer in de kofferbak van de auto te hebben vervoerd, heeft verdachte de auto bij een zandpad achtergelaten en het slachtoffer, dat hij verderop aan een boom had vastgebonden, op gruwelijke wijze verkracht. Daarna is hij teruggegaan naar de auto om de schop op te halen en heeft hij het slachtoffer vervolgens op beestachtige wijze afgemaakt. Ten slotte is verdachte gaan spitten, kennelijk met de bedoeling om de gevolgen van zijn handelen te verdoezelen.

Op grond van bovenstaande overwegingen is het hof tot het oordeel gekomen dat verdachte het slachtoffer niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling van het leven heeft beroofd, maar vanaf het moment dat hij van huis vertrok en in ieder geval vanaf het moment dat hij het slachtoffer aansprak, dit plan had. Daaruit valt af te leiden dat verdachte vervolgens ruimschoots de tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn besluit om haar van het leven te beroven. Voor verdachte heeft dus meer dan voldoende gelegenheid bestaan na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voornemen en zich daarvan rekenschap te geven. Ook nadat hij het slachtoffer had verkracht heeft hij die mogelijkheid zelfs nog gehad, toen hij naar zijn auto ging om de schop te halen en daarmee terug liep, een tocht van meerdere minuten. Er was voor verdachte klaarblijkelijk geen weg meer terug. Zij had hem gezien en dus moest ze dood.

Een en ander brengt mee dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade in de zin van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht heeft gehandeld."

De steller van het middel voert tegen deze overwegingen aan dat zij een opeenstapeling bevat van conclusies en veronderstellingen. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in een paniektoestand heeft gehandeld en het slachtoffer bij toeval is tegengekomen. Vervolgens heeft verdachte gehandeld in een blinde roes. Uit de omstandigheid dat verdachte terug naar de auto is gegaan om de schop te halen zou niet kunnen worden afgeleid dat hij op dat moment wist waar hij mee bezig was.

3.2. Voldoende voor voorbedachte raad is dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.(1) Daaraan doet niet af dat die gelegenheid slechts gedurende korte tijd zou hebben bestaan.(2)

3.3. Het hof heeft onder meer de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs gebezigd

"5. Een proces-verbaal van verhoor, nummer PL032A/03-115764, d.d. 9 juli 2003 op ambtsbelofte opgemaakt door GJ. Eefting, brigadier van politie Drenthe, district Zuidoost en G.L, Eefting, brigadier van politie Drenthe, district Zuidwest (pagina's 203 tot en met 218 van het hiervoor onder l genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verdachte (pagina's 207 tot en met 216):

(...)

Toen ik haar broek probeerde aan te trekken werd ze hysterisch. Het lukte niet haar de broek aan te trekken en daarom werd ik pissig. Ik ben toen naar de auto gelopen en heb haar met een schep een klap op de zijkant van het hoofd gegeven en midden op haar hoofd en ook op haar borstkas. Misschien heb ik haar nog wel vaker geslagen. Ik stopte met slaan toen ik heel veel bloed in haar gezicht zag."

En

"6. Een proces-verbaal van verhoor, nummer PL032A/03-115764, d.d. 16 juli 2003 op ambtsbelofte opgemaakt door GJ. Eefting, brigadier van politie Drenthe, district Zuidoost en G.L. Eefting, brigadier van politie Drenthe, district Zuidwest (pagina's 219 tot en met 225 van het hiervoor onder l genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verdachte (pagina 224):

Ik ben twee keer weggeweest terwijl [slachtoffer] vastgebonden lag. Een keer om haar broek te halen, waarom ze had gevraag omdat ze het koud had, en een keer om de schop op te halen. Die schop lag in de kofferbak van mijn auto. Het ophalen van de broek duurde 5 tot 10 minuten. Ik heb genoeg momenten gehad om weg te gaan zonder haar te slaan. Dat was bijvoorbeeld toen ze haar broek wilde hebben; ik had toen weg kunnen rijden."

3.4. Gelet op de inhoud van het sectierapport (bewijsmiddel 7) heeft verdachte tegen het slachtoffer zeer zwaar, grof en dodelijk geweld gebruikt met een schop als wapen. In ieder geval heeft verdachte de gelegenheid om na te denken gehad toen hij de schop uit de auto ging halen om het slachtoffer daarmee te slaan. Ook als verdachte niet kalm en rustig was, maar zeer geagiteerd en emotioneel, staat dat er niet aan in de weg dat de gelegenheid heeft bestaan om zich gedurende die tijd te bezinnen.(3) Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof de voorbedachte raad kunnen afleiden, wat er ook zij van de overige overwegingen die het hof aan het bewijs van de voorbedachte raad heeft gewijd.

Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR NJ 2000, 605; HR 22 februari 2005, LJN AR5714.

2 HR 11 juni 2002, LJN AE1743.

3 HR 10 januari 2006, LJN AU7125.