Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV2654

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2006
Datum publicatie
15-09-2006
Zaaknummer
C05/108HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV2654
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een verdachte en de zoon van het overleden slachtoffer die zich in hoedanigheid van executeur-testamentair op de voet van art. 51a lid 2 Sv. als benadeelde partij had gevoegd in de strafzaak waar de rechter bij onherroepelijk strafvonnis de schadevordering gedeeltelijk heeft toegewezen; ontvankelijkheid, komt aan beslissing van strafrechter op de voet van art. 236 lid 1 Rv. gezag van gewijsde toe?; uitleg van art. 361 lid 3 Sv. in het licht van art. 6 EVRM.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 236, geldigheid: 2006-09-15
Wetboek van Strafvordering 361, geldigheid: 2006-09-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2007/3 met annotatie van mr. E. Gras
NJ 2007, 484
JOL 2006, 521
RvdW 2006, 852
JWB 2006/286

Conclusie

C05/108HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 17 februari 2006 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

[Verweerder]

In deze zaak heeft de strafrechter een vordering van een benadeelde partij gedeeltelijk afgewezen. Kan de vordering, voor wat betreft het afgewezen gedeelte, andermaal worden ingesteld bij de burgerlijke rechter?

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1):

1.1.1. Eiser tot cassatie (hierna kortweg: eiser) is de zoon van [betrokkene 1] (hierna: het slachtoffer), die in november 1999 ten gevolge van een misdrijf om het leven is gekomen.

1.1.2. Bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 23 mei 2000 is bewezen verklaard dat verweerder in cassatie (hierna kortweg: verweerder) het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Het feit is gekwalificeerd als: doodslag. Verweerder is door de rechtbank ter zake van dit feit ontslagen van alle rechtsvervolging en ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Het vonnis is onherroepelijk geworden.

1.1.3. Eiser heeft zich in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair als benadeelde partij gevoegd in de strafzaak en een vordering tot schadevergoeding tegen verweerder ingediend, ten bedrage van f 35.890,87.

1.1.4. De rechtbank heeft in het genoemde strafvonnis deze vordering toegewezen tot een bedrag van f 13.029,70 en voor het overige afgewezen. Deze beslissing berustte op de volgende gronden:

"Deze vordering, voorzover deze betrekking heeft op de kosten van lijkbezorging, is door de bij het voegingsformulier gevoegde overgelegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering voor dat deel, eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in de bij dagvaarding aan verdachte telast[e]gelegde en bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft de kosten van lijkbezorging en zal deze vordering toewijzen tot een bedrag van in totaal f 13.029,70 (overeenkomstig de specificatie, weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage C), met beslissing omtrent de proceskosten als in het dictum vermeld.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen, reeds omdat de wetgever de benadeelde partij ten aanzien van deze schade geen (civiel) vorderingsrecht heeft toegekend."

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 16 augustus 2000 heeft eiser verweerder gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en betaling gevorderd van (pro resto) f 22.861,17, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Aan deze vordering heeft eiser ten grondslag gelegd dat verweerder jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door het plegen van voormelde doodslag.

1.3. Met betrekking tot de schade heeft eiser verwezen naar het "overzicht schadeposten d.d. 30 maart 2000", dat blijkbaar ook in de strafzaak aan de rechtbank is voorgelegd. Het overzicht houdt, kort samengevat, in:

I. Gemaakte kosten in verband met het overlijden:

- kosten van lijkbezorging (in totaal f 13.029,70, door de strafrechter toegewezen);

- kosten verklaring van erfrecht (f 720,28);

- kosten van de ontruiming van de woning van het slachtoffer en tijdelijke opslag inboedel (in totaal f 6.242,64);

II. Objecten die vermoedelijk door de dader zijn ontvreemd alsmede in verband daarmee door eiser gemaakte kosten (in totaal f 5.898,25);

III. Stelpost werkzaamheden van de executeur-testamentair ad f 10.000,-.

1.4. Bij vonnis van 28 november 2001 heeft de rechtbank de vordering afgewezen. Voor wat betreft de onder I en onder III gestelde schade, wees de rechtbank op het bepaalde in art. 6:108 BW. Voor wat betreft de onder II gestelde schade, overwoog de rechtbank dat deze schadeposten niet in oorzakelijk verband staan tot het overlijden van het slachtoffer. Volgens de rechtbank heeft eiser onvoldoende gesteld waaruit het onrechtmatige handelen van verweerder heeft bestaan dat deze schade zou hebben veroorzaakt.

1.5. Eiser heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Verweerder heeft van zijn kant incidenteel hoger beroep ingesteld en aangevoerd dat eiser niet in zijn vordering had mogen worden ontvangen omdat reeds in het strafvonnis van 23 mei 2000 een afwijzende beslissing is genomen over deze vordering.

1.6. Bij arrest van 9 december 2004 heeft het hof het incidenteel hoger beroep gegrond geacht, het vonnis van de rechtbank van 28 november 2001 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, eiser alsnog in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard. Aan een inhoudelijke beoordeling van de grieven in het principaal hoger beroep kwam het hof daarom niet meer toe.

1.7. Eiser heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Verweerder heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het middel houdt in dat het hof ten onrechte heeft beslist dat gezag van gewijsde toekomt aan de beslissing van de strafrechter tot (gedeeltelijke) afwijzing van de door eiser ingediende vordering. Uit de toelichting is met name van belang:

- (primair, onder 7): Het hof heeft miskend dat de procedure bij de strafrechter voor de benadeelde partij met te weinig waarborgen is omkleed om tussen partijen gezag van gewijsde te kunnen hebben;

- (subsidiair, onder 10): De overwegingen in het strafvonnis van de rechtbank zijn meer te beschouwen als een niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van de overige door eiser gevorderde schade dan dat de strafrechter zich inhoudelijk heeft uitgesproken over eisers vordering tot schadevergoeding.

2.2. De door het middel aan de Hoge Raad voorgelegde rechtsvraag betreft een oud probleem. Sinds de invoering van het Wetboek van Strafvordering(2) bestaat de mogelijkheid dat de partij die benadeeld is door een strafbaar feit zich in de strafprocedure voegt met een vordering tegen de verdachte tot schadevergoeding naar burgerlijk recht. Deze voegingsmogelijkheid was aanvankelijk beperkt tot een zeker bedrag(3). Art. 337 (oud) Sv bepaalde dat de vordering alleen ontvankelijk zal zijn indien aan de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd. De voegingsprocedure werd beheerst door de regels van het Wetboek van Strafvordering; zo kon de benadeelde partij (toen nog geheten: `beledigde partij') zelf geen getuigen of deskundigen aanbrengen (art. 334 (oud) Sv). De rechtbank kon de vordering toewijzen dan wel geheel of gedeeltelijk ontzeggen.

2.3. Enkele jaren na de invoering van het wetboek besliste de kantonrechter te Arnhem, in een geval waarin de strafrechter de vordering van de beledigde partij had ontzegd bij gebreke van bewijs van de schade, dat het aan de eiser vrijstond de gedaagde voor de burgerlijke rechter opnieuw in rechte aan te spreken tot vergoeding van de schade, geleden terzake van dezelfde aanrijding als waarvoor de gedaagde strafrechtelijk was veroordeeld; de gedaagde kon zich niet op het gezag van gewijsde beroepen(4). In HR 20 oktober 1941, NJ 1942, 59, werd beslist dat het voor de beledigde partij niet mogelijk is zijn vordering te splitsen, door in de strafprocedure tot het wettelijk maximum van f 150,- een vordering in te dienen en zich het recht voor te behouden om het restant langs andere weg in te vorderen. In de vakliteratuur nadien is aangenomen dat een beledigde partij wier vordering door de strafrechter is ontzegd dezelfde vordering niet opnieuw bij de burgerlijke rechter kan instellen(5). Daarbij is ook verwezen naar het arrest van 20 oktober 1941. Het hoofdargument is echter de onverenigbaarheid van rechterlijke gewijsden die zou ontstaan wanneer de burgerlijke rechter een vordering zou toewijzen welke eerder door de strafrechter was ontzegd: res iudicata est.

2.4. De Commissie-Terwee heeft in 1988 een nieuwe regeling voorgesteld voor de voeging in het strafproces. Voor zover van belang voor deze zaak, hield haar voorstel in dat niet langer de hoogte, maar de eenvoud van de door de benadeelde partij in te stellen vordering het criterium voor een voeging in het strafproces zou zijn. Het commissievoorstel opende uitdrukkelijk niet de mogelijkheid dat een benadeelde partij, wier vordering door de strafrechter is ontzegd, haar vordering opnieuw voorlegt aan de burgerlijke rechter. Het voorstel hield evenwel in, dat de strafrechter de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaart indien de gegrondheid daarvan niet eenvoudig kan worden vastgesteld. Na een zodanige niet-ontvankelijkverklaring door de strafrechter zou de benadeelde partij zich met haar vordering tot schadevergoeding alsnog tot de burgerlijke rechter kunnen wenden zonder dat een gewijsde daaraan in de weg staat(6).

2.5. De wetgever heeft het voorstel van de Commissie-Terwee overgenomen in de wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29 (Wet Terwee). De voor deze zaak relevante bepalingen zijn art. 51a en art. 361 Sv. In art. 51a lid 1 Sv is bepaald dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Het tweede lid geeft een bijzondere bepaling voor gevallen waarin het slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit is overleden. In dat geval kunnen zich in het strafproces voegen: diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in art. 6:108, eerste en tweede lid, BW ter zake van de daar bedoelde vorderingen. Art. 361 lid 2 Sv houdt in dat de benadeelde partij alleen in haar vordering ontvankelijk is indien aan de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd(7) dan wel in geval van toepassing van art. 9a Sr (schuldigverklaring zonder toepassing van straf) en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit. Het derde lid van art. 361 Sv bepaalt:

"Indien de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat zij in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen."

In het huidige recht is het nog steeds zo, dat de benadeelde partij ter terechtzitting tot het bewijs van de geleden schade stukken kan overleggen, maar zelf geen getuigen of deskundigen kan aanbrengen (zie art. 334 Sv). De stelplicht en bewijslast dat het ten laste gelegde strafbare feit door de verdachte is begaan berusten bij de officier van justitie.

2.6. Wanneer de strafrechter met toepassing van art. 361 lid 3 Sv de benadeelde partij geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering, kan de benadeelde partij dezelfde vordering alsnog instellen in een procedure bij de burgerlijke rechter; dat volgt uit de wettekst. Indien de vordering niet afstuit op dit ontvankelijkheidscriterium en de strafrechter de vordering tot schadevergoeding heeft afgewezen, is het niet mogelijk dat de benadeelde partij dezelfde vordering nogmaals voorlegt aan de burgerlijke rechter(8). De vakliteratuur heeft zich hierbij aangesloten(9).

2.7. Het rechtsmiddelenstelsel houdt rekening met verschillende mogelijkheden:

- Indien de vordering van de benadeelde partij door de strafrechter is toegewezen en de verdachte of de officier van justitie tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld duurt de voeging van rechtswege voort in hoger beroep (art. 421 lid 2 Sv).

- Indien de vordering van de benadeelde partij door de strafrechter niet of niet geheel is toegewezen en de verdachte of de officier van justitie tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld, kan de benadeelde partij in de fase van het hoger beroep zich opnieuw in de strafzaak voegen, zij het binnen de grenzen van haar vordering in eerste aanleg (art. 421 lid 3 Sv).

Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Terwee is gewezen op de lacune die dit stelsel laat bestaan wanneer de vordering van de benadeelde partij weliswaar ontvankelijk is geacht maar op inhoudelijke gronden is afgewezen, terwijl noch de verdachte noch de officier van justitie hoger beroep tegen het strafvonnis instelt. In dat geval zou, uitgaande van de redenering in de memorie van toelichting, de benadeelde partij niet meer met haar vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter terecht kunnen: er is immers bij gewijsde over die vordering beslist. Om deze lacune op te vullen heeft de wetgever een bijzondere vorm van hoger beroep opengesteld tegen het vonnis van de strafrechter met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij(10). Dit is geregeld in art. 421 lid 4 Sv, waarvan de eerste zin luidt: "Indien geen hoger beroep is ingesteld, kan de benadeelde partij tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen, tegen deze afwijzing in hoger beroep komen bij de rechtbank onderscheidenlijk het gerechtshof." Een dergelijk hoger beroep wordt afgewikkeld overeenkomstig de procedureregels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering(11).

2.8. In het onderhavige geval heeft eiser zich als benadeelde partij in de strafzaak gevoegd. Dat eiser, blijkens de vaststelling in het vonnis, zich daarbij heeft gepresenteerd als executeur-testamentair hangt, naar ik veronderstel, ermee samen dat een executeur-testamentair tot taak heeft de goederen van de nalatenschap te beheren voor zover de erflater niet anders heeft beschikt. Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt de executeur-testamentair bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte(12). Omdat het slachtoffer was omgekomen als gevolg van het strafbare feit, waren de erfgenamen als haar rechtsopvolgers onder algemene titel op de voet van art. 51a lid 2 Sv bevoegd zich als benadeelde partij in het strafproces te voegen. Daarnaast kon eiser zich als benadeelde partij in het strafproces voegen ter zake van de gemaakte kosten van de lijkbezorging (zie art. 51a lid 2 Sv in verbinding met art. 6:108 lid 2 BW)(13).

2.9. Ik keer terug naar het cassatiemiddel. Ook al wordt de vordering van de benadeelde partij ingesteld in het strafproces, het blijft materieel een vordering naar burgerlijk recht, gebaseerd op een door de verdachte begane onrechtmatige daad. Toen deze vordering door de strafkamer van de rechtbank gedeeltelijk werd afgewezen en de verdachte noch de officier van justitie hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis van de strafkamer, had eiser de mogelijkheid op de voet van art. 421 lid 4 Sv hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof. Eiser heeft die mogelijkheid niet benut. Daarmee werd de afwijzing van de vordering ten opzichte van eiser onherroepelijk.

2.10. Verweerder heeft in dit geding een beroep gedaan op art. 236 lid 1 Rv: "Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht"(14). Het strafvonnis van de rechtbank, voor zover dit inhoudt de afwijzing van de vordering van eiser als benadeelde partij, is in kracht van gewijsde gegaan. Het is m.i. ook aan te merken als een beslissing die de rechtsbetrekking in geschil betreft, te weten de vraag of verweerder aan eiser de gevorderde schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad moet betalen.

2.11. In de toelichting op het middel onder 7 wordt aangevoerd dat de voegingsprocedure voor de benadeelde partij met te weinig waarborgen is omkleed om tussen partijen gezag van gewijsde te hebben. Daartoe heeft eiser gesteld dat de voeging accessoir is aan de strafzaak, dat de vordering eenvoudig moet zijn om in het strafproces te worden toegelaten, dat de schade rechtstreeks moet voortvloeien uit het strafbare feit, waar art. 6:98 BW een minder strak oorzakelijk verband eist en dat de benadeelde minder mogelijkheden heeft om bewijs te leveren dan in een civiele procedure, hetgeen het middel kennelijk in strijd met art. 6 lid 1 EVRM acht.

2.12. Op zich lijkt mij juist, dat eiser er recht op heeft dat hij zijn vordering tot schadevergoeding tegen verweerder aan de rechter kan voorleggen in een procedure die aan de eisen van art. 6 lid 1 EVRM voldoet(15). De voeging als benadeelde partij in het strafproces biedt hem een mogelijkheid om kosteloos en betrekkelijk gemakkelijk(16) een executoriale titel te verkrijgen. Daartegenover staan beperkingen die eigen zijn aan een voeging. De gevoegde vordering is accessoir aan en afhankelijk van het verloop van de strafzaak: indien de strafzaak niet in een veroordeling ter zake van het desbetreffende feit eindigt, is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk (art. 361 lid 2 Sv). Hetzelfde geldt wanneer de juistheid van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen (art. 361 lid 3 Sv). De stelling dat de strafrechter een andere maatstaf dan de burgerlijke rechter hanteert voor de vaststelling van oorzakelijk verband tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde schade mist feitelijke grondslag, gelet op de jurisprudentie(17). Wel is juist, dat de benadeelde partij in het strafproces zelf geen getuigen en/of deskundigen kan voorbrengen. De consequentie hiervan is dat de strafrechter, wanneer hij van oordeel is dat de door de benadeelde partij gestelde schade geheel of voor een gedeelte nader bewijs behoeft, niet een bewijsopdracht geeft - daarvoor laat het strafproces geen ruimte -, maar de benadeelde partij op grond van art. 361 lid 3 Sv in haar vordering (geheel of voor het desbetreffende gedeelte) niet-ontvankelijk behoort te verklaren met bepaling dat deze haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen(18). Overigens heeft een benadeelde partij, die het niet wil laten aankomen op een inhoudelijke uitspraak van de strafrechter over haar vordering, te allen tijde in het strafproces de mogelijkheid de voeging geheel of gedeeltelijk terug te nemen. In het onderhavige geval heeft de strafrechter niet de vordering van eiser afgewezen op de grond dat eiser de gestelde schade niet (bijv. met getuigen) heeft kunnen aantonen. De primaire rechtsklacht (punt 7) gaat om deze redenen niet op.

2.13. Voor wat betreft de subsidiaire klacht (punt 10), kan het volgende worden opgemerkt. De strafkamer van de rechtbank heeft de gedeeltelijke afwijzing van de vordering gebaseerd op de overweging dat de wetgever aan eiser niet een civiel vorderingsrecht heeft toegekend (zie 1.1.4 hiervoor). De strafkamer heeft kennelijk het oog gehad op art. 6:108 BW, hetgeen ook hieruit blijkt dat zij de vordering wél heeft toegewezen voor zover deze de kosten van de lijkbezorging betrof. Bij de juistheid van dit afwijzend oordeel kan een vraagteken worden gezet. Zoals gezegd, biedt art. 51a lid 2 Sv de mogelijkheid aan de rechtsopvolgers van het slachtoffer van een doodslag om zich ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering in het strafproces te voegen. Een vordering van het overleden slachtoffer op de dader ter zake van het bewezenverklaarde feit kan onder algemene titel overgaan op de erfgenamen. Art. 6:108 BW heeft alleen betrekking op de vorderingen die derden rechtstreeks tegen de dader kunnen instellen. Hoe dan ook, eiser had zijn bezwaren tegen dit inhoudelijke oordeel van de strafkamer van de rechtbank aan de orde kunnen stellen in een hoger beroep op grond van art. 421 lid 4 Sv. Nu dat niet is gebeurd, mocht verweerder zich op het gewijsde beroepen. Ik zie geen ruimte om de aangehaalde overweging van de strafkamer te lezen als, of te converteren in, een niet-ontvankelijkverklaring, zoals in het middel wordt bepleit.

2.14. In het kort kan nog worden bezien hoe dit probleem in de ons omringende landen wordt opgelost(19). De Duitse regeling gaat ervan uit dat de strafrechter de schadevordering van de benadeelde partij hetzij toewijst, hetzij buiten behandeling laat, maar niet ontzegt. Zie par. 405 StPO:

"1. Das Gericht sieht von einer Entscheidung über den Antrag im Urteil ab, wenn der Angeklagte einer Straftat nicht schuldig gesprochen und auch nicht eine Massregel der Besserung und Sicherung gegen ihn angeordnet wird oder soweit der Antrag unbegründet erscheint.

2. Es sieht von der Entscheidung auch dann ab, wenn sich der Antrag zur Erledigung im Strafverfahren nicht eignet, insbesondere wenn seine Prüfung das Verfahren verzögern würde oder wenn der Antrag unzulässig ist (...)."(20)

2.15. De Franse regeling houdt kort gezegd in dat wanneer de rechter in het verzoek van de benadeelde partij, de daarbij gevoegde stukken of het strafdossier niet voldoende gronden vindt om een beslissing te nemen, de beslissing over de vordering tot schadevergoeding kan worden afgesplitst en uitgesteld tot een latere zitting(21). Wanneer de benadeelde partij zich uit de strafprocedure terugtrekt staat dit niet in de weg aan het alsnog instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter(22).

2.16. In het Belgische recht is de voeging geregeld in de art. 2 - 5 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (V.T.Sv). Art. 4 V.T.Sv. houdt in dat de burgerlijke rechtsvordering (bedoeld is: de rechtsvordering tot herstel van de schade, door een misdrijf veroorzaakt, art. 3 V.T.Sv.) tezelfdertijd en voor dezelfde rechter worden vervolgd als de strafvordering. De burgerlijke rechtsvordering kan ook afzonderlijk, d.w.z. voor de burgerlijke rechter, worden vervolgd; in dat geval is zij geschorst zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld. Na afloop van de strafzaak conformeert de burgerlijke rechter zich aan de beslissing in de strafzaak(23). Het algemene criterium voor gezag van gewijsde is neergelegd in art. 23 Gerechtelijk Wetboek(24). De rechtspraak en Belgische vakliteratuur over het gezag van gewijsde van de beslissing van de strafrechter houden in belangrijke mate verband met een vraag die in Nederland in art. 161 Rv is beantwoord(25). Indien de strafrechter de verdachte heeft vrijgesproken en bijgevolg de vordering van de burgerlijke partij tegen de verdachte heeft afgewezen, zonder dat de burgerlijke partij tegen dat vonnis een rechtsmiddel aanwendt, kan het gezag van gewijsde aan die burgerlijke partij worden tegengeworpen wanneer zij vervolgens een rechtsvordering tegen de dader instelt of vervolgt voor de burgerlijke rechter(26).

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 1 van het bestreden arrest, in verbinding met rov. 1.1 - 1.2 van het vonnis van de rechtbank.

2 Ingevoerd per 1 januari 1926. De periode voordien kan hier onbesproken blijven.

3 Destijds, in 1926, bepaalde art. 56 (oud) RO dat de rechtbanken kennis nemen van de vorderingen tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de beledigde partij, wanneer die vorderingen geen f 150,- te boven gaan.

4 Ktr. Arnhem 31 mei 1932, NJ 1933, blz. 377. De gekozen oplossing kreeg bijval van G.E. Langemeijer, NJB 1938, blz. 57. In gelijke zin oordeelde Ktr. Roermond 10 december 1949, NJ 1950, 402.

5 S.A.M. Stolwijk, Delikt en Delinkwent 1977, blz. 632; M.S. Groenhuijsen, Schadevergoeding voor slachtoffers in het strafgeding, diss. 1985, blz. 296-298; dezelfde auteur in: losbl. Wetboek van Strafvordering, aant. 14 op art. 332-337 (zie ook: Rb. 's-Hertogenbosch 18 september 1987, NJ 1989, 68).

6 Rapport Commissie Wettelijke voorzieningen slachtoffers in het strafproces, Den Haag 1988, i.h.b. blz. 35-36.

7 Er is ook sprake van de oplegging van een maatregel, wanneer de verdachte vanwege zijn psychische toestand tijdens het delict wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en ter beschikking wordt gesteld: zie HR 23 juni 1998, NJ 1998, 860.

8 Zie de MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 3, blz. 13: "Het wetsvoorstel opent niet de mogelijkheid dat de benadeelde partij, wier vordering door de strafrechter is ontzegd, haar vordering opnieuw voorlegt aan de burgerlijke rechter. Een dergelijke herkansing voor de benadeelde partij zou niet passen in het systeem van ons rechtsstelsel." In gelijke zin: NAV, Kamerstukken II 1991/92, 21 345, nr. 9, blz. 8.

9 Zie onder meer: J.C.A.M. Claassens en B.A. Stoker-Klein, Trema 1995 blz. 171; W.H. Vellinga, VR 2001, blz. 103-104; W.J.J. Beurskens, Trema 2002, blz. 449-451; F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces (2004), blz. 96-97; J.C.A.M. Claassens en M.A. Wabeke, Schadevergoeding voor slachtoffers in het strafproces (2005), blz. 70; G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2005), blz. 715.

10 Amendement Swildens-Rozendaal c.s., Kamerstukken II 1991/92, 21 345, nr. 11; het amendement is ook toegelicht tijdens de mondelinge behandeling: Hand. II, 21 mei 1992, blz. 81-4969.

11 Voor dit bijzondere hoger beroep geldt de appelgrens in burgerlijke zaken: zie art. 60 lid 2 RO. Gelet op deze parlementaire geschiedenis, is ook duidelijk waarom het niet nodig was in art. 421 Sv een bepaling op te nemen als bedoeld in het middel onder 12.

12 Zie thans: art. 4:144 en 4:145 BW. In het oude BW ontbrak een uitdrukkelijke bepaling hieromtrent.

13 Uit hoofde van art. 6:108, eerste lid, BW (kort gezegd: gederfd levensonderhoud) heeft eiser noch in de strafzaak, noch bij de burgerlijke rechter een vordering ingesteld.

14 Zie over (de voorganger van) deze bepaling onder meer: HR 14 oktober 1988, NJ 1989, 413 m.nt. JBMV; HR 13 oktober 2000, NJ 2001, 210; losbl. Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 2 - 13 op art. 236 (E.J. Numann).

15 Vgl. EHRM 12 februari 2004, NJ 2005, 12.

16 Procesvertegenwoordiging is niet verplicht. De officier van justitie zorgt voor de oproeping van de verdachte en draagt de bewijslast m.b.t. de telastelegging.

17 Zie hierover de aangehaalde studiepocket, Het slachtoffer en het strafproces (2004), blz. 92-93 en 109-110, alwaar verdere vindplaatsen.

18 Hiertoe strekken ook de (in de s.t. namens verweerder aangehaalde) "Aanbevelingen behandeling civiele schadevordering in het strafproces", gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Aanbeveling 2 luidt, voor zover van belang: "De strafrechter wijst een civiele vordering slechts af als het gaat om duidelijk ongegronde vorderingen, waarbij de rechter beschikt over voldoende informatie voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering en het tevens niet waarschijnlijk is dat later nog meer informatie beschikbaar zal komen. In andere gevallen ware de vordering niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat deze, zonder nadere toelichting, niet eenvoudig te beoordelen is. Toelichting: Indien de strafrechter een civiele vordering niet-ontvankelijk verklaart, kan deze vordering altijd nog worden voorgelegd aan de civiele rechter. Met een door de strafrechter afgewezen (en dus op inhoudelijke merites beoordeelde) civiele vordering is dit niet het geval. (...)." Zie ook nog: HR 19 april 2005, NJB 2005 blz. 998, nr. 282 (LJN-nr. AS9314); R. Kool en M. Moerings, De Wet Terwee, evaluatie van juridische knelpunten (2001), blz. 42-44.

19 Voor een introductie over de schadevergoeding voor het slachtoffer: M.E.I. Brienen en E.H. Hoegen, Victims of Crime in 22 European Criminal Justice Systems (2000), telkens par. 7.2 in het landenoverzicht. Overigens kent niet ieder land een voegingsprocedure.

20 Bedoeld is: de Antrag des Verletzten (par. 404). Zie verder: G. Pfeiffer, Karlsruher Kommentar zur Strafprozessordnung (2003), blz. 1955-1957.

21 Art. 420 lid 1 Code de Procédure pénale.

22 Art. 426 CPP.

23 Hof van Cassatie 23 maart 1992, rolnr. 9317, Arr. Cass. 1991-92, p. 710, nr. 389; Hof van Cassatie 24 januari 1997, rolnr. C940119N, Arr. Cass. 1997, 45. Zie ook: R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, nrs. 337 en 2209; Chr. Van den Wyngaert, Strafrecht, strafprocesrecht & internationaal strafrecht, in hoofdlijnen (2003), blz. 723.

24 Art. 23 GW luidt: Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist is dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en door en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.

25 R. Verstraeten, Handboek strafvordering (2005) nrs. 2222 - 2226; Chr. Van den Wyngaert, Strafrecht, strafprocesrecht en internationaal strafrecht, in hoofdlijnen (2003), blz. 711-731.

26 Hof van Cassatie 21 september 1990, rolnr. 6996, Arr. Cass. 1990-91 p. 68; het gezag van gewijsde t.a.v. de burgerlijke vordering tegen de verdachte geldt niet bij een vordering tot schadevergoeding tegen een derde (zoals de aansprakelijke werkgever): Hof van Cassatie 12 september 1991, rolnr. 9099, Arr. Cass. 1990-91 p 32; R. Verstraeten, Handboek Strafvordering nr. 2226. De genoemde arresten kunnen ook worden geraadpleegd via www.juridat.be.