Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV2634

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-03-2006
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
C05/001HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV2634
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil over de aansprakelijkheid van de reclassering wegens beweerd onzorgvuldig handelen van een hulpverlener tegenover een ex-gedetineerde (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 179
RvdW 2006, 315
JWB 2006/104
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C05/001HR

mr J. Spier

Zitting 23 december 2005(1)

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Stichting Reclassering Nederland

(hierna: SRN)

1. Feiten

1.1 In zijn in cassatie bestreden arrest heeft het Hof in rov. 4.1 de feiten waarvan het is uitgegaan vermeld. Ik geef deze feiten vrijwel integraal weer hoewel dat wellicht niet geheel nodig is. Het cassatiemiddel haakt immers niet in op (de beweerde gevolgen van) het handelen van de psychiater [betrokkene 1].

1.2 [Eiser], geboren op [geboortedatum] 1966, is op 24 december 1987 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar terzake van een bankoverval waarbij twee mensen zijn gedood. Die overval had plaats op 24 december 1986. Op 22 januari 1997 werd hij in vrijheid gesteld.

1.3 Na zijn invrijheidstelling heeft [eiser] zich gewend tot de psychiater [betrokkene 1], werkzaam bij een centrum voor geestelijke gezondheidszorg. [Eiser] heeft op verschillende data met [betrokkene 1] gesproken.

1.4 Ook wendde [eiser] zich tot de sociaal psychiatrisch reclasseringswerkster [betrokkene 2], werkzaam bij de SRN. Eind februari 1997 sprak hij haar telefonisch; daarna had er bij hem thuis een gesprek tussen hen plaats. Hij vroeg hulp bij het benaderen van diverse instanties. Bij die gelegenheid vertelde hij [betrokkene 2] dat hij contact had met [betrokkene 1].

1.5 [Betrokkene 1] heeft in een telefoongesprek tussen hem en [betrokkene 2] op 18 maart 1997 nadere informatie gevraagd over de persoon van [eiser] en zijn verleden. [Betrokkene 2] heeft hem die inlichtingen schrifteljk verstrekt. Daarvan heeft zij [eiser] niet op de hoogte gesteld. Zij vroeg aan [betrokkene 1] om de informatie strikt vertrouwelijk te behandelen.

1.6 Op 8 april 1997 vertelde [eiser] aan [betrokkene 2] dat hij naar de vreemdelingenpolitie in [plaats] was geweest om zijn vriendin naar Nederland te laten komen. De politie zou volgens [eiser] om een reclasseringsrapport hebben gevraagd teneinde inzicht te krijgen in zijn situatie op dat moment.

1.7 [Betrokkene 2] zocht daarop zelf contact met de politie. Haar werd gezegd dat niet om een dergelijk verslag gevraagd was, maar dat het mogelijk was om de situatie van [eiser] per brief uiteen te zetten.

1.8 [Betrokkene 2] heeft [eiser] vervolgens voorgesteld zelf zo'n brief te schrijven. In eerste instantie vond [eiser] dat moeilijk. Op 15 april 1997 was [betrokkene 2] bij [eiser] thuis: hij overhandigde haar toen een door hem geschreven brief die voor de politie bedoeld was, gedateerd 9 april 1997. [Betrokkene 2] heeft de brief gelezen. Daarna heeft ze aan [eiser] te kennen gegeven dat zij het begin van de brief goed vond lopen, maar dat het laatste deel bedreigend overkwam, met name omdat hij het herhaalde. [Eiser] reageerde daarop met te zeggen dat hij gek wordt als hij over zijn situatie schrijft, dat hij bij het schrijven over zichzelf in de war raakt en ook stemmen hoort. [Betrokkene 2] heeft toen bij zichzelf gedacht dat de brief maar zo weg moest: zo gaf deze inzicht in hoe moeilijk [eiser] het met de situatie had. Wel heeft ze geadviseerd om toe te voegen dat bij haar en [betrokkene 1] inlichtingen verkregen konden worden.

1.9 Het onder 1.8 in fine bedoelde advies heeft [eiser] opgevolgd. In die versie is de brief aan de politie overhandigd.

1.10 In de brief maakt [eiser] verder melding van de omstandigheid dat hij tien jaar in detentie heeft doorgebracht, van welke periode hij meer dan de helft in isoleercellen heeft doorgebracht. Ook schrijft hij dat hij volgens [betrokkene 1] schizofrenie-patiënt is en dat hij Haldol slikt.

1.11 [Betrokkene 1] werd gaandeweg zijn contacten met [eiser] steeds ongeruster; naarmate hij hem beter leerde kennen, vond hij de situatie dreigender. Op 21 februari 1997 was [eiser] kwaad bij hem vertrokken, omdat [betrokkene 1] te kennen gegeven had dat hij met zijn hulpvraag, die vooral op reïntegratie zag, bij de reclassering moest zijn. [Eiser] ging weg met de woorden: "Bedankt voor het vernietigen van mensen". Op 4 maart 1997 vertelde [eiser] [betrokkene 1] dat hij stemmen hoorde. Omdat [betrokkene 1] een psychotische stoornis veronderstelde, heeft hij een therapie ingesteld met Haldol en Artane.

1.12 Op 19 maart 1997 verklaarde [eiser] aan [betrokkene 1] stemmen te horen die hem - onder meer - het bevel gaven om mensen te vermoorden. [Betrokkene 1] heeft toen de Haldol-medicatie verhoogd.

1.13 Begin april 1997 vernam [betrokkene 1] van de huisarts van [eiser] dat deze zich bij hem erg op haar ongemak voelde. Ook was hij ermee bekend dat [eiser] zijn huisarts onder druk zette. Voorts werd hem door GAK-medewerkers om advies gevraagd omdat zij bij [eiser] een akelig gevoel kregen waarmee zij geen raad wisten. In die periode overlegde [betrokkene 1], omdat hij ongerust was, met een collega.

1.14 Medio april geraakte [betrokkene 1] op de hoogte van de brief van 9 april 1997 die [eiser] medio april aan de vreemdelingenpolitie te [plaats] had doen toekomen. Hij raadpleegde vervolgens twee collega's met de vraag welke houding hij zou moeten aannemen.

1.15 Door de chanterende en dwingende houding van [eiser] raakte [betrokkene 1] meer en meer ervan overtuigd dat [eiser] ernstig agressief uit de hoek zou kunnen komen als zijn verlangens niet zouden worden ingewilligd. Een IBS-procedure werd overwogen, maar die gedachte werd verworpen omdat [eiser] voor het gewone psychiatrische circuit veel te gevaarlijk zou zijn. Uiteindelijk heeft [betrokkene 1] bij brief van 22 april 1997 de volgende verklaring aan de politie van [plaats] gestuurd:

"Verklaring

"[Eiser] (....) vormt een ernstig en chronisch "gevaar voor zichzelf en derden waarbij moord en zelfmoord "niet uitgesloten zijn."

1.16 [Eiser] is terzake van de dreigementen die in de brief van 9 april 1997 voorkomen vervolgd en door het Hof 's Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

2. Korte schets van het verloop van de procedure

2.1.1 Bij dagvaarding van 11 juni 2001 heeft [eiser] SRN in rechte betrokken bij de Rechtbank Utrecht. Hij vordert daarin een verklaring voor recht dat SRN aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat.

2.1.2 Aan deze vordering heeft [eiser] in essentie de onder 1 vermelde feiten ten grondslag gelegd.

2.2.1 SRN heeft de vordering bestreden. Zij heeft - geparafraseerd weergegeven - onder meer aangevoerd dat de gevraagde verklaring voor recht niet kan worden toegewezen omdat de schade reeds thans kan worden begroot (cva onder 37 e.v.).

2.2.2 [Eiser] heeft op deze laatste stelling als volgt geriposteerd:

"Niet is in te zien op welke grond [eiser] zijn schade kenbaar dient te maken. Van belang voor [eiser] is in eerste instantie dat Reclassering aansprakelijk wordt gesteld. Indien de rechter positief op zijn vordering beslist, kan alsnog overgegaan worden tot een buitengerechtelijke discussie omtrent de hoogte van de schadevergoeding" (cvr onder 21).

2.3 In haar vonnis van 6 november 2002 heeft de Rechtbank Utrecht de vordering afgewezen. Daartoe wordt overwogen dat 1) [eiser] zelf wist of behoorde te weten dat de brief "wellicht (strafrechtelijke) consequenties zou kunnen hebben en

2) dat [betrokkene 2] [eiser] niet van de gewraakte passage had kunnen weerhouden (rov. 4.6). Daarom is SRN niet gehouden de door [eiser] gestelde schade te vergoeden (rov. 4.11).

2.4.1 [Eiser] heeft zich van hoger beroep voorzien. In het petitum van de appèldagvaarding komt de onder 2.1.1 genoemde tournure andermaal voor; datzelfde geldt voor het slot van de mvg.

2.4.2 Grief 2 bestrijdt dat van onzorgvuldig handelen van [betrokkene 2] niet is gebleken.

2.4.3 In het kader van grief 1 vermeldt [eiser] dat de "vreemdelingendienst" hem heeft gevraagd het verzoek zijn vriendin naar Nederland te laten overkomen op schrift te stellen (mvg blz. 3).

2.5 Het Hof Amsterdam heeft het bestreden vonnis bekrachtigd in zijn arrest van 9 september 2004. Daarin overweegt het Hof, voor zover thans nog van belang het volgende:

"4.3 De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep tot uitgangspunt gekozen dat zij de vraag moet beantwoorden of [betrokkene 2] als hulpverleenster van de reclassering al dan niet die zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk handelend en bekwaam hulpverlener van de reclassering mag worden verwacht en of de reclassering op grond van een tussen partijen bestaande overeenkomst dan wel op grond van onrechtmatige daad al dan niet voor de tengevolge van die handelwijze geleden schade aansprakelijk is. Volgens de rechtbank is niet komen vast te staan dat [betrokkene 2] haar goedkeuring aan genoemde brief aan de politie heeft gehecht. In de gegeven omstandigheden kan haar evenmin worden verweten, aldus de rechtbank, dat zij [eiser] niet op de consequenties van de brief heeft gewezen, althans niet getracht heeft hem van verzending van de brief te weerhouden. Ook overwoog de rechtbank nog dat [betrokkene 2] geen middelen ten dienste stonden om [eiser] van verzending van de brief te weerhouden.

(...)

4.4 Met zijn eerste grief bestrijdt [eiser] het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat [betrokkene 2] haar goedkeuring aan de omstreden brief heeft gehecht. Ter ondersteuning van die grief voert [eiser] aan dat [betrokkene 2] verklaard zou hebben dat zij indertijd tegen [eiser] gezegd heeft dat de brief zo wel uit kon en dat dat een goedkeuring impliceert.

Noch de verklaring die [betrokkene 2] bij de politie heeft afgelegd noch hetgeen de Klachtencommissie Reclassering Nederland overwoog, naar welk materiaal [eiser] verwijst, rechtvaardigt de gevolgtrekking dat [betrokkene 2] de brief zou hebben goedgekeurd. [Betrokkene 2] heeft [eiser] gewezen op het bedreigende laatste gedeelte van de brief en vervolgens het al dan niet verzenden van de brief aan [eiser] overgelaten. Daarin ligt onmiskenbaar besloten dat zij kritiek had op de dreigende taal in de brief en dat zij die met [eiser] gedeeld heeft. Zij heeft evenwel de verantwoordelijkheid voor dit deel van de brief bij [eiser] gelaten. Er is geen aanwijzing dat zij deze tekst op enigerlei wijze voor haar rekening heeft willen nemen op een wijze die een goedkeuring zou impliceren. Wel is het zo dat zij naar haar zeggen heeft gedacht dat de brief maar zo weg moest, omdat deze liet zien hoe moeilijk [eiser] het met de situatie had. Die gedachtegang houdt echter, wat daarvan verder zij, het hof komt daarop nog terug, geen goedkeuring van de brief in. De eerste grief faalt daarom.

4.5 Met de tweede grief is aan de orde de vraag of [betrokkene 2] op enigerlei wijze is tekortgeschoten in de verplichtingen jegens [eiser] die op haar rustten, hetzij uit hoofde van een contractuele relatie met [eiser] hetzij uit hoofde van onrechtmatige daad.

4.6 Bij de bespreking van deze grief wil het hof vooropstellen dat [eiser] in beginsel zelf verantwoordelijk is voor de inhoud van de brief aan de vreemdelingenpolitie. De door hem gekozen bewoordingen zijn van dien aard dat hij moet hebben beseft althans had moeten beseffen dat medewerkers van de vreemdelingenpolitie zich daardoor bedreigd zouden (kunnen) voelen, met alle gevolgen vandien.

4.7 Van [betrokkene 2] mocht naar het oordeel van het hof worden verlangd dat zij [eiser] wees op de dreiging die van de in de brief voorkomende bewoordingen uitging. Door aldus te handelen stelde zij hem in staat om de door hem vervaardigde tekst te heroverwegen en vervolgens te kiezen of hij deze zou handhaven.

[Betrokkene 2] heeft dat, naar tussen partijen vast staat, gedaan. Dat [eiser] vervolgens zijn tekst handhaafde, bracht voor [betrokkene 2] niet de verplichting mee hem te weerhouden van overhandiging daarvan aan de politie. Evenmin geraakte zij door hem niet te weerhouden van overhandiging (mede) verantwoordelijk voor de consequenties daarvan. Uiteindelijk was zij ook niet gerechtigd om [eiser] daarvan te weerhouden.

4.8 Op zichzelf terecht heeft [eiser] aandacht gevraagd voor de afhankelijke positie waarin hij verkeerde ten opzichte van [betrokkene 2] als hulpverleenster. Het is evident dat hij in de toenmalige omstandigheden kwetsbaar was. [Betrokkene 2] heeft zich van deze kwetsbaarheid bewust moeten zijn. Dat brengt, gelijk hierboven overwogen, mee dat [eiser] erop mocht rekenen dat [betrokkene 2] hem naar behoren in staat zou stellen dé consequenties van zijn brief te overdenken. De gedachte van [betrokkene 2] dat de brief maar zo weg moest, omdat deze inzicht gaf in hoe moeilijk [eiser] het met de situatie had, is niet gemakkelijk verenigbaar met genoemde eisen van zorgvuldige hulpverlening. Nu echter vast staat dat zij [eiser] op de dreigende taal in zijn brief gewezen heeft, moet worden aangenomen dat deze gedachte pas ontstond op het moment dat [eiser] ervan blijk gaf de tekst te willen handhaven.

Zij heeft toen kennelijk de keus gemaakt op [eiser] niet langer of indringender invloed uit te oefenen, maar hem zijn gang te laten gaan met als positieve notie dat het misschien ook nog wel ergens goed voor was dat de brief zo zou uitgaan. Daarmee heeft [betrokkene 2] de hier te stellen grenzen niet overschreden. Zij is daardoor niet mede verantwoordelijk geworden voor de gevolgen van de brief. Denkbaar zou uiteraard zijn geweest dat [betrokkene 2] uitdrukkelijker en met meer aandrang had gewaarschuwd voor de consequenties van verzending van de brief. Dat zij dat achterwege gelaten heeft brengt evenwel gelet op al hetgeen zij wel deed, niet mee dat zij niet heeft voldaan aan de hier te stellen contractuele eisen dan wel eisen van zorgvuldigheid."

2.6 [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie doen bezorgen. Het beroep is door SRN bestreden. SRN heeft bovendien voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld dat door [eiser] is tegengesproken. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht; namens [eiser] is ten slotte (weinig zakelijk) gerepliceerd.

3. Inleiding

3.1 Het gaat in casu om een in menig opzicht aangrijpend feitencomplex. [Eiser] heeft twee personen gedood en heeft (ter zake) een gevangenisstraf uitgezeten. Na ommekomst daarvan verkeerde hij klaarblijkelijk (nog) in een geestelijk weinig stabiele situatie. De psychiater [betrokkene 1] maakte zich ernstige zorgen over de veiligheid van [eiser] én derden die door toedoen van [eiser] om het leven zouden kunnen worden gebracht.

3.2 [Eiser] heeft getracht om zijn vriendin, die klaarblijkelijk in Turkije woonde, naar Nederland te laten komen. In dat kader is de onder 1.8 genoemde brief, die in cassatie centraal staat, geschreven.

3.3 Het Hof heeft de door [eiser] ingestelde vordering bezien tegen de onder 3.1 en 3.2 geschetste achtergrond. Daarop wijst met name zijn - in cassatie niet op begrijpelijke wijze bestreden(2) - oordeel dat [betrokkene 2] meende dat de litigieuze brief "misschien ook nog wel ergens goed voor was". Het Hof brengt daarmee tot uitdrukking dat de brief met betrekking tot de onder 3.2 bedoelde kwestie relevante informatie bevat; daarop wijst ook de onder 1.8 vermelde feitenvaststelling.

3.4 's Hofs onder 3.3 vermelde oordeel komt er op neer dat [betrokkene 2], bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet gehouden was meer te doen dan [eiser] te waarschuwen voor de dreiging die van de door hem geschreven brief uitging. Dit oordeel kan 's Hofs arrest, voor zover in cassatie bestreden, m.i. zelfstandig dragen. Alle klachten stuiten daarop af.

4. Verkenning van het eerste onderdeel van het voorwaardelijke incidentele beroep

4.1 Alvorens - na hetgeen onder 3 werd betoogd m.i. ten overvloede - ten gronde in te gaan op de klachten van het principale middel, lijkt goed om eerst onderdeel 1 van het incidentele middel onder de loep te nemen.

4.2 Dit onderdeel strekt ten betoge dat het Hof [eiser] niet had mogen ontvangen in de door hem gevorderde verklaring voor recht; in elk geval had de vordering wegens gemis aan belang ontzegd moeten worden. Immers heeft [eiser] niet aangegeven welk belang hij bij de gevraagde verklaring voor recht heeft, terwijl zodanig belang wél een vereiste is.

4.3 Het onderdeel zou, als de voorwaarde waaronder het is ingesteld zou worden vervuld, gegrond zijn.

4.4 Op grond van art. 3:303 BW is (ook) voor een vordering waarbij slechts een verklaring voor recht wordt gevorderd een voldoende belang vereist.

4.5 Uit zowel de rechtspraak(3) als de parlementaire geschiedenis(4) blijkt dat deze eis ernstig moet worden genomen. Voor de redenen waarom dat het geval is, zij verwezen naar een conclusie van mijn toenmalige ambtgenoot Bakels.(5)

4.6 De onder 2.1.1 vermelde vordering, zoals zij is ingesteld en na op de zoëven bedoelde kwestie toegespitst verweer is gehandhaafd, is tamelijk duister. Zij zal vermoedelijk aldus moeten worden begrepen dat zij slechts strekt tot het uitspreken van een verklaring voor recht. Daarop lijkt ook 2.2.2 geciteerde uitlating van [eiser] te wijzen.

4.7 Een andere interpretatie is m.i. evewel niet ondenkbaar. In die lezing zou de vordering - op weinig duidelijke wijze, maar nochtans - ertoe strekken dat niet alleen een verklaring voor recht wordt uitgesproken, maar tevens dat SRN wordt veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat.

4.8 Niet zonder meer ondenkbaar is bovendien dat het onder 2.2.2 ingeroepen belang toereikend is om aan de eis van art. 3:303 BW te kunnen voldoen.

4.9 Het zou het mij te ver gaan om te oordelen dat 1) het petitum niet anders kán worden verstaan als strekkend tot het verkrijgen van alleen een verklaring voor recht, terwijl 2) het door [eiser] naar voren geschoven belang, zoals vermeld onder 4.8, aanstonds onvoldoende is. Die kwestie is daarvoor m.i. te feitelijk. Alleen als Uw Raad een oordeel in de onder 1) en 2) bedoelde zin zou kunnen vellen, zou [eiser] ieder belang ontberen bij zijn klachten.

4.10 Bij dit laatste moet nog worden bedacht dat, in de bewoordingen van de oud-President van Uw Raad Ras, de "zonder voldoende belang-eis" met terughoudendheid moet worden toegepast. Hij leidt dat af uit het arrest Severin/Detam.(6) Ras juicht die regel toe.

4.11 Nu niet op voorhand kan worden gezegd dat het slagen van het hier besproken onderdeel ieder belang aan het principale middel doet ontvallen, moet daarop worden ingegaan.

5. Afdoening van het principale beroep

5.1 Het middel richt zich tegen rov. 4.5-4.8 van 's Hofs arrest en alzo tegen de verwerping van de tweede grief. Het behelst, naar ik begrijp, de volgende klachten:

a. [eiser] heeft [betrokkene 2] benaderd omdat de vreemdelingendienst hem had gevraagd zijn verzoek om zijn in Turkije verblijvende vriendin een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen te onderbouwen. [Betrokkene 2] heeft "beslist dat [eiser] die brief zelf moest schrijven". Die gang van zaken wordt "uitzonderlijk" genoemd;

b. [betrokkene 2] had moeten voorzien dat [eiser] voor bedreiging zou kunnen worden vervolgd;

c. [betrokkene 2] had [eiser] ertoe moeten bewegen het slot van de brief anders te redigeren; desnoods had ze haar "opdracht" neer moeten leggen;

d. [betrokkene 2] had [eiser] de brief moeten afnemen en moeten zeggen dat zij de brief beter zelf kon schrijven;

e. [betrokkene 2] had "op gans andere wijze" duidelijk kunnen maken hoe moeilijk de situatie voor [eiser] was; dat is "heus wel mogelijk", zo ligt het middel verderop nog toe;

f. het Hof had zich "meer moeten aantrekken" van het oordeel van de strafkamer van het Haagse Hof "hetgeen de eenheid van rechtspraak wel ten goede zou zijn gekomen".

5.2 Het middel is geheel ingebed in een verwijt aan het Hof een verkeerde invulling te hebben gegeven aan art. 7:401 BW. Het berust daarmee op een verkeerde lezing van 's Hofs arrest. Het Hof heeft immers in het midden gelaten of deze bepaling van toepassing is. Het kon dat in het midden laten omdat naar zijn oordeel niet aan de beide mogelijke grondslagen voor de vordering (overeenkomst en onrechtmatige daad) was voldaan; zie rov. 4.8 in fine).

5.3 Hoe dat zij, de onder 5.1 sub a - e genoemde klachten voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. omdat niet wordt aangegeven waar in feitelijke aanleg stellingen als daarin vermeld zijn betrokken.

5.4 De onder 5.1 sub a en d weergegeven klachten zijn daarnaast niet geheel begrijpelijk. Het Hof heeft vastgesteld(7) en ook het onderdeel neemt tot uitgangspunt dat [eiser] de brief moest schrijven. Op dat standpunt heeft hij zich trouwens ook in de mvg gesteld; zie hierboven onder 2.4.3. Dan valt bezwaarlijk in te zien waarom [betrokkene 2] deze brief had moeten schrijven.

5.5 De onder 5.1 sub c, d en e vermelde klachten zien er ook aan voorbij dat, naar het niet (door grief 2)(8) bestreden oordeel van de Rechtbank, [betrokkene 2] geen middelen ten dienste stonden om verzending van de brief tegen te houden. Daar komt, wat d) betreft, nog bij dat het Hof niet heeft vastgesteld dat sprake is van een "opdracht".

5.6 De klachten miskennen ook dat het Hof, door het middel niet bestreden, heeft geoordeeld 1) dát [betrokkene 2] kritiek heeft geuit op de gewraakte passage van de brief, en 2) dat [eiser] zelf heeft moeten beseffen dat de inhoud bedreigend was (rov. 4.4, 4.6, 4.7 en 4.8).

5.7 De onder 5.1 sub f weergegeven klacht vindt geen steun in het recht.

5.8 Ten slotte zij nog gememoreerd dat het Hof de eigen verantwoordelijkheid van [eiser] heeft benadrukt (rov. 4.6). Aldus brengt het Hof tot uitdrukking dat, zelfs ingeval [betrokkene 2] - en , naar [eiser] mogelijk heeft willen betogen op de voet van art. 6:170 BW SRN - aansprakelijk zou zijn, sprake is van een zodanige causale bijdrage aan de zijde van [eiser] dat de schade geheel voor zijn rekening moet blijven. Dat oordeel is in cassatie niet bestreden. Ook daarop stuiten alle klachten af.

5.9 Deze zaak noopt niet tot beantwoording van vragen die van belang (kunnen) zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Daarmee kan deze worden afgedaan op de voet van art. 81 RO.

5.10 Nu de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld m.i. niet is vervuld, behoeft dat - verder(9) - geen bespreking.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het (principale) beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 In zijn aanbiedingsbrief aan de civiele griffie deelt mr J. Groen mee dat het gaat om "een normale zaak met geen spoedeisend karakter". Daarom en omdat concluderen bij vervroeging meebrengt dat andere zaken langer moeten blijven liggen, is van zodanig concluderen afgezien.

2 Blz. 5 van de cassatiedagvaarding citeert deze passage. Een klacht die op dit punt enig aanknopingspunt biedt, kan ik in de met "Immers" ingeluide passage niet ontwaren.

3 HR 30 maart 1951, NJ 1952, 29 PhANH en HR 19 mei 1961, NJ 1961, 534.

4 PG boek 3 blz. 915; zie ook Vermogensrecht art. 303 (Jongbloed) aant. 6.

5 Voor HR 27 februari 1998, NJ 1998, 764 MMM onder 2.1-2.3 met verdere verwijzingen.

6 Onder dit arrest, HR 17 september 1993, NJ 1994, 118 sub 6.

7 Zie onder 1.6 en 1.7.

8 Alleen hetgeen het Hof met betrekking tot grief 2 heeft overwogen, is onderwerp van het principaal cassatieberoep.

9 Onderdeel 1 werd hiervoor immers behandeld.