Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV1701

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
01341/05 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV1701
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01341/05 H

Mr. Knigge

Zitting: 13 december 2005

Conclusie inzake:

[aanvraagster]

1. Aanvraagster van herziening is bij vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam, kanton Sommelsdijk, van 8 mei 2003 bij verstek veroordeeld wegens een snelheidsovertreding tot een geldboete van €784,=, subsidiair vijftien dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden.

2. Namens aanvraagster heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, op 27 mei 2005 een herzieningsverzoek ingediend. Uit de stukken blijkt dat de dagvaarding voor de terechtzitting van 8 mei 2003 in persoon is betekend. Nu niet blijkt dat de aanvraagster hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis kan worden aangenomen dat de uitspraak van 8 mei 2003 onherroepelijk is.

3. De aanvrage steunt op de stelling dat een ander dan de aanvraagster de auto ten tijde van de snelheidsovertreding bestuurde. Daartoe is een verklaring van [betrokkene 1] d.d. 17 juli 2003 overgelegd, waarin deze verklaart dat hij de snelheidsovertreding heeft begaan.

4. Opmerking verdient dat er sterke aanwijzingen zijn dat de aanvraagster met de nu als novum gepresenteerde omstandigheid bekend was voordat haar zaak door de kantonrechter werd behandeld. Op de aan aanvraagster toegezonden en weer aan het CJIB teruggestuurde antwoordkaart wordt de overtreding "door de bestuurder" erkend. De - elders op de antwoordkaart geplaatste - handtekening van de bestuurder lijkt echter in het geheel niet op de handtekening van aanvraagster zoals die voorkomt op de aanvrage en op de akte uitreiking behorende bij inleidende dagvaarding. De handtekening vertoont wél grote gelijkenis met de handtekening van [betrokkene 1] op diens overgelegde verklaring. Onder "handtekening kentekenhouder" is voorts in gewone schrijfletters de naam van aanvraagster ingevuld. Deze "handtekening" lijkt weer niet op de handtekening van de aanvraagster op de aanvrage en op de akte van uitreiking. Het vermoeden rijst dat de antwoordkaart niet door de aanvraagster, maar door [betrokkene 1] is ingevuld, die deze kaart van de aanvraagster heeft gekregen.

5. Betoogd zou kunnen worden dat de aanvraagster het aan haar eigen weinig adequate wijze van procederen heeft te wijten dat zij is veroordeeld. Zij had de antwoordkaart zelf - en volledig - moeten invullen. Zij liet - hoewel in persoon gedagvaard - bij de kantonrechter verstek gaan. Zij stelde tegen het veroordelend vonnis geen hoger beroep in. Alle kansen die de gewone strafprocedure haar biedt om de zaak recht te zetten, liet zij onbenut. De vraag is of de buitengewone procedure van herziening bedoeld is om dergelijk tekortschieten van de verdachte te repareren. Wordt de herzieningsprocedure hier niet oneigenlijk gebruikt, en zou dat geen reden moeten zijn de aanvrage niet-ontvankelijk te verklaren?

6. Tot nu toe heeft de Hoge Raad niet willen weten van niet-ontvankelijkheid wegens misbruik of oneigenlijk gebruik van de herzieningsprocedure.(1) Ik zie op dit moment onvoldoende reden om heroverweging van dit absolute standpunt te bepleiten. Ik neem daarbij in aanmerking dat in casu van opzettelijke misleiding van de justitiële autoriteiten geen sprake lijkt te zijn. Ik neem daarbij ook in aanmerking dat momenteel bij de Eerste Kamer het wetsvoorstel OM-afdoening in behandeling is.(2) Dit wetsvoorstel zal leiden tot een zekere beperking van het recht op herziening. De verdachte die zich bij de strafbeschikking van het OM neerlegt - en daartegen dus niet in verzet gaat - , kan later niet om herziening vragen. De opgelegde straf blijft dus in stand, ook als overduidelijk van de onschuld van de bestrafte zou blijken. Deze uitsluiting van herziening vindt haar grond kennelijk in de voorafgaande berusting in de strafbeschikking, en daarmee in de procesopstelling van de verdachte. Als dit wetsvoorstel wet zou worden, vormt dat een belangrijk gegeven. In de wet zelf zijn dan namelijk aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat het recht op herziening niet absoluut is, maar verspeeld kan worden door de voorafgaande procesopstelling. Het wetsvoorstel is echter nog geen wet. Het lijkt mij minder zuiver alvast een voorschot te nemen op de parlementaire behandeling.

7. Dan kom ik nu toe aan de vraag of sprake is van een novum. In een uitspraak van dit voorjaar(3) heeft de Hoge Raad met betrekking tot de eerst in herziening bekendgemaakte bestuurder, na een bekeuring op kenteken, in een eerdere herzieningsaanvraag het volgende geoordeeld:

"Hetgeen in de aanvrage wordt aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld.(4) Immers, er moet van worden uitgegaan dat de aanvrager is veroordeeld wegens een snelheidsovertreding begaan door een onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) waarvan de aanvrager eigenaar is. Op grond van art. 181, eerste lid, WVW 1994 kan indien de bestuurder onbekend is gebleven de straf worden uitgesproken tegen de eigenaar of houder van het motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is. In het tweede lid van art. 181 WVW 1994 is - voor zover voor de beoordeling van de aanvrage van belang - bepaald dat het eerste lid van dat artikel niet geldt indien de eigenaar of houder uiterlijk tijdens de terechtzitting de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt. Met "terechtzitting" in art. 181, tweede lid, WVW 1994 wordt gedoeld op de terechtzitting in eerste aanleg. (vgl. HR 12 oktober 1999, NJ 2000, 24). Met dat in art. 181 WVW 1994 vervatte stelsel is niet verenigbaar dat degene die met toepassing van art. 181, eerste lid, WVW 1994 is veroordeeld, in herziening met vrucht een beroep zou kunnen doen op de omstandigheid dat het motorvoertuig ten tijde van de overtreding door een met name genoemd persoon is bestuurd. Die omstandigheid kan daarom niet als novum gelden."

7. Anders dan in voormelde zaak is aanvraagster niet veroordeeld wegens een snelheidsovertreding begaan door een onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig waarvan aanvraagster eigenaar is. Aanvraagster is veroordeeld dat zij in haar hoedanigheid als bestuurder een snelheidsovertreding heeft begaan.

8. Uit de al ter sprake gekomen, in het dossier gevoegde antwoordkaart van het CJIB kan het volgende worden afgeleid. In deze antwoordkaart wordt verzocht aan te geven of de overtreding wordt erkend, danwel of iemand anders de auto ten tijde van de overtreding bestuurde. In samenhang bezien met de herzieningsaanvraag volgt uit de antwoordkaart dat - gelet op de handtekening - door (vermoedelijk) [betrokkene 1] is aangegeven dat hij de overtreding erkent en dat hij de auto ten tijde van de snelheidsovertreding heeft bestuurd. Hij heeft hierbij evenwel niet zijn naam en adres opgegeven. Thans heeft [betrokkene 1] die informatie wel verstrekt, welke verklaring aan de herzieningsaanvraag is gehecht.

9. In een nader schrijven van 28 november 2005 van de advocaat van de aanvraagster wordt gesteld dat aanvraagster niet op de hoogte is geweest van de identiteit van de bestuurder van het motorvoertuig, zodat het voor haar ook niet mogelijk is geweest uiterlijk tijdens de terechtzitting de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend te maken als bedoeld in art. 181 lid 2 WVW 1994. Aan het schrijven is gehecht een verklaring van de aanvraagster d.d. 7 november 2005 waarin zij aangeeft dat zij niet wist wie er op het moment dat de overtreding gemaakt werd bestuurder was van het voertuig en dat de auto op haar naam geregistreerd stond maar er in die tijd meerdere personen in haar auto reden. Deze informatie lijkt niet goed te stroken met de inhoud van de hiervoor onder 8 weergegeven antwoordkaart. Wat hier verder ook van zij, dit neemt niet weg dat de kantonrechter niet bekend was met het feit dat aanvraagster niet de bestuurder was van het voertuig ten tijde van de overtreding. Het ernstige vermoeden bestaat dat indien die omstandigheid de Kantonrechter wel bekend was geweest, vrijspraak gevolgd zou zijn.

10. Ik concludeer dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat deze op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 5 september 1995, NJ 1996, 23 en HR 18 februari 1997, NJ 1998, 34 m.nt. Kn.

2 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafzaken (Wet OM-afdoening), Kamerstukken II 2004/2005, 29 849. De behandeling door de Eerste Kamer heeft geresulteerd in een zeer kritisch Voorlopig Verslag (Kamerstukken I 2005/2006, 29 849, nr. B).

3 HR 12 april 2005, LJN: AT3568.

4 Bedoeld wordt: een beroep op omstandigheden als bedoeld in art. 457 lid 1 aanhef en onder 2° Sv.